Regering-Vanden Boeynants I

De regering-Vanden Boeynants I (19 maart 1966 - 17 juni 1968) was een Belgische regering. Het was een coalitie tussen de CVP/PSC (76 zetels) en de PVV/PLP (48 zetels).

Regering-Vanden Boeynants I
Regeringsleider Paul Vanden Boeynants
Regeringsleider Paul Vanden Boeynants
Coalitie      CVP/PSC
     PVV/PLP
Zetels Kamer 124 van 212 (23 mei 1965)
Premier Paul Vanden Boeynants
Aantreden 19 maart 1966
Ontslagnemend 7 februari 1968
Einddatum 17 juni 1968
Voorganger Harmel I
Opvolger G. Eyskens IV
Portaal  Portaalicoon   België

De interpellatie van Jan Verroken (CVP) over de overheveling van het Franstalig deel van de Katholieke Universiteit Leuven naar Wallonië leidde tot het ontslag van de regering.

De regering volgde de regering-Harmel I op en werd opgevolgd door de regering-G. Eyskens IV.

VormingBewerken

Ontslag van de Harmel-regeringBewerken

 
Onlusten aan mijningang Zwartberg.

De Harmel-regering werd sinds haar oprichting geconfronteerd met begrotingsproblemen. Op 27 augustus 1965 kondigde minister van Financiën Gaston Eyskens (CVP/PSC) aan dat de enige oplossing voor deze begrotingsproblemen was om de overheidsuitgaven te verminderen. De BSP/PSB was direct tegen dit idee en weigerde de uitgaven in de sociale en gezondheidssector te verlagen.

Om aan dit tekort tegemoet te komen, besloot de regering vijf steenkoolmijnen in Wallonië te sluiten en één in Limburg, waardoor een gewelddadige staking uitbrak. Het verbruik van steenkool nam immers af ten voordele van andere energiebronnen en de steenkool uitBelgië bleef duurder dan die van het buitenland. De sluiting van deze mijnen leidde tot onderhandelingen tussen de vertegenwoordigers van de mijnwerkers en de leden van de regering, maar de stakingen ondermijnden de stabiliteit van de overheid.

In de gezondheidssector waren de artsen en ziekenfondsen gekant tegen een verlaging van de sociale-zekerheidssubsidies. Zij wilden dat een eigen bijdrage van BF 30 werd opgelegd aan patiënten in instellingen die op forfaitaire basis werken. Op het einde van de onderhandelingen weigerden de socialisten deze eigen bijdrage en er werd geen akkoord bereikt tussen beide regeringspartijen.

Premier Pierre Harmel legde uiteindelijk zijn ontslag voor aan koning Boudewijn, maar deze weigerde het omdat, volgens hem, hij nog niet alles had geprobeerd om tot een akkoord te komen. Ondanks de pogingen om tot een akkoord te komen tussen de partijen bleef de situatie bevroren en eindigde ze opnieuw met de presentatie aan de koning van het ontslag van de socialistische ministers op 10 februari 1966, gevolgd door die van de hele regering op 19 maart 1966.

Vorming regering-Vanden Boeynants IBewerken

De Belgische unitariër Paul Vanden Boeynants (PSC/CVP) vormde hierna een sociaal-christelijke-liberale coalitie. De coalitie was het resultaat van talrijke onderhandelingen tussen de christelijke PVV-PLP en liberale partijen.

De efficiënte die werd gebruikt door Vanden Boeynants tijdens de regeringsformatie werd verschillende keren bekritiseerd door de partijen. De afgevaardigde van de BSP/PSB uitte in een artikel in de pers hun vrees voor het bondgenootschap tussen Christen-Democraten en Socialisten. Volgens hen kon deze alliantie alleen maar leiden tot een versterking van de spanningen tussen de christen-democraten en de socialisten die al eerder bestonden.

Ook de PLP staat samen met PSB kritisch tegenover de werkwijze van Vanden Boeynants. Volgens hen had hij een fout gemaakt door geen duidelijke keuze te maken ten aanzien van de coalitiepartner en door rechtstreeks met zowel de socialistische als liberale partij te onderhandelen.

Paul Vanden Boeynants hanteerde zijn werkwijze vanwege zijn wens om een tripartiete regering te vormen die "een dynamisch managementbeleid voert en 'zo weinig mogelijk aan politiek doet'"

De regering Vanden Boeynants I trad op 19 maart 1966 aan.

SamenstellingBewerken

De regering bestond uit 19 ministers en 4 ministers-staatssecretarissen. De CVP/PSC had 12 ministers en 2 ministers-staatssecretarissen en de PVV/PLP had 6 ministers en 2 2 ministers-staatssecretarissen. Hiernast was er nog 1 technicus aanwezig.

Naam Partij Functie en bevoegdheden
  Paul Vanden Boeynants PSC/CVP Premier en Minister
Wetenschapsbeleid
  Willy De Clercq PVV/PLP Vicepremier en Minister
Begroting
  Herman Vanderpoorten PVV/PLP Minister
Binnenlandse Zaken
  August De Winter PVV/PLP Minister
Buitenlandse Handelsbetrekkingen
  Pierre Harmel PSC/CVP Minister
Buitenlandse Zaken
  Jacques Van Offelen PLP/PVV Minister
Economische Zaken
  Renaat Van Elslande CVP/PSC Minister
Europese Zaken en Nederlandse Cultuur
  Robert Henrion extraparlementair Minister
Financiën
  Marguerite De Riemaecker-Legot CVP/PSC Minister
Gezin en Huisvesting
  Pierre Wigny PSC/CVP Minister
Justitie en Franse Cultuur
  Charles Héger PSC/CVP Minister
Landbouw
  Charles Poswick PLP/PVV Minister
Landsverdediging
  Adhémar d'Alcantara CVP/PSC Minister
Middenstand
  Frans Grootjans PVV/PLP Minister
Nationale Opvoeding
  Jos De Saeger CVP/PSC Minister
Openbare Werken
  Placide De Paepe CVP/PSC Minister
Sociale Voorzorg
  Léon Servais PSC/CVP Minister
Tewerkstelling en Arbeid
  Alfred Bertrand CVP/PSC Minister
Verkeerswezen
  Raphael Hulpiau CVP/PSC Minister
Volksgezondheid
  Jan Piers CVP/PSC Minister-staatssecretaris
Openbaar Ambt en Toerisme
  Michel Toussaint PLP/PVV Minister-staatssecretaris
Nationale Opvoeding
  Henri Maisse PLP/PVV Minister-staatssecretaris
Posterijen, Telegrafie en Telefonie
  Yves Urbain PSC/CVP Minister-staatssecretaris
toegevoegd aan de premier voor Streekeconomie

MaatregelenBewerken

Communautaire spanningenBewerken

Eén van de eerste maatregelen van de regering was dat de problemen tussen de gemeenschapen "in de koelkast" werden gezet, maar deze problemen zouden later toch terugkeren en een rol spelen in het einde van de regering.

De minister van Binnenlandse Zaken, Herman Vanderpoorten, nam het wetsvoorstel over, dat door Alfons Vranckx tijdens de vorige legislatuur werd ingediend, en richtte een commissie op die tot doel had de gemeenschapsrelaties te verbeteren en maakte er de wet van 1 juli 1966 van, die een permanente commissie voor de verbetering van de relaties tussen de taalgemeenschappen oprichtte. Deze commissie had ook tot doel een oplossing te vinden voor het Brusselse probleem van het taalgebruik in Brussel en de Brusselse wijk.

Economische crisisBewerken

Tussen 31 maart en 17 november 1967 kreeg de regering speciale bevoegdheden om "economische expansie en financieel evenwicht te garanderen" in een tijd van economische crisis tijdens de "Golden Sixties". Met deze speciale bevoegdheden heeft de overheid in een aantal sectoren bezuinigd en de overheidsuitgaven beter in de hand gehouden. Daartoe heeft de staat "een versterking en uitbreiding van de overheidssubsidies ter ondersteuning van economisch achtergestelde regio's" uitgevoerd.

SHAPE en NAVOBewerken

Vanaf het begin van het ambtstermijn kreeg minister van Buitenlandse zaken, Pierre Harmel, te maken met het standpunt van de Franse president Charles de Gaulle over de Europese integratie. Deze laatste had zijn beslissing aangekondigd om SHAPE (Supreme Headquarters Allied Powers Europe) in vredestijd te verlaten, wat betekende dat SHAPE een nieuw hoofdkwartier moest vinden. Tegenover deze situatie wilde minister Harmel dat België zijn zegje zou doen, in de wetenschap dat het de steun van een grotere macht nodig zou hebben om zijn stem te laten horen. Daartoe werd de minister van Buitenlandse Zaken op 20 mei 1966 door de Amerikaanse president Lyndon B. Johnson ontvangen in het Witte Huis, waar zij de toekomst van SHAPE en het belang van de NAVO voor de Belgische minister bespraken. Pierre Harmel uitte zijn ongenoegen over de beslissing van de Franse president en vertelde dat volgens hem een eenheid binnen SHAPE nodig is om het nuttig te maken voor de NAVO en dat hij België zal voorstellen als het nieuwe hoofdkwartier van SHAPE.

Europese Economische GemeenschapBewerken

Een ander probleem waarmee Pierre Harmel te maken had, was de Britse aanvraag voor het lidmaatschap van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), die onder de leden omstreden is. De EEG-Raad van ministers van Buitenlandse Zaken van 18 en 19 december 1967 eindigde in een meningsverschil over de Britse kandidatuur. Frankrijk was van mening dat "het proces van sanering van de Britse economie moet worden voltooid voordat de aanvraag van Groot-Brittannië wordt heroverwogen ". In het licht van deze onenigheid en om het Europese integratieproces nieuw leven in te blazen, heeft de Belgische minister van Buitenlandse Zaken een voorstel gedaan aan de "Zes", die "pleit voor samenwerking tussen de Zes en de kandidaat-lidstaten op de gebieden die in de Verdragen van Rome zijn voorzien, maar ook voor de productie en aankoop van militair materieel, op specifieke gebieden van technologie en wetenschap, of voor de hulp die aan ontwikkelingslanden moet worden verleend ". Dit is wat later de Harmeldoctrine zal worden genoemd.

OntslagBewerken

GemeenschapsconflictenBewerken

België had al vóór het aantreden van de Vanden Boeynants I-regering te maken met gemeentelijke conflicten.

De onderhandelingen over overheidsprojecten voor het gebruik van talen in de administratie en het onderwijs hebben al sinds het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw voor politieke en gemeenschapsproblemen gezorgd. Zowel de Vlaamse Gemeenschap als de Franstalige Gemeenschap wilden in hun gemeenten en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een speciaal statuut voor het gebruik van de talen. Pas in de taalwetgeving van 1962-1963 werd een compromis bereikt: eentaligheid in Vlaanderen en Wallonië en tweetaligheid in de Brusselse Rand. Er werd ook een speciaal statuut toegekend aan de randgemeenten van Brussel in het Hertoginnedal, waar niet-meerderheids-Franstaligen woonden. Deze gemeenten kregen administratieve taalkundige voorzieningen en basis- en kleuteronderwijs in het Frans. Dit conclaaf bracht ontevredenheid bij de Vlamingen die er "de voortdurende dreiging van francisering in Brussel en zijn rand" in zagen.

Deze gemeenschappelijke conflicten bleven bestaan onder de regering Vanden Boeynants I, ondanks de poging van de regering om ze "in de koelkast" te zetten. De Leuvense zaak zal het moment zijn van het uitbreken van deze conflicten, die zijn gezwegen.

De Leuvense zaakBewerken

  Zie Leuven Vlaams voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
 
Staking Vlaamse studenten te Leuven, voor de gevangenis werd de menigte uit elkaar geslagen (18 januari 1968).

Sinds enkele jaren ondervindt de Katholieke Universiteit Leuven moeilijkheden binnen haar organisatie. De uitbreiding ervan en de oprichting van een Franstalige Katholieke Universiteit, los van de Nederlandstalige sectie, was het onderwerp van veel discussie en de relaties tussen de Walen en de Vlamingen binnen de universiteit werden steeds slechter, met de Vlaamse nationalisten die de Franstalige sectie wilden sluiten en de uitwijzing van de Walen uit de universiteit.

Deze spanning tussen Vlaamse en Franstalige studenten barstte los toen Vlaamse universiteitsstudenten op straat demonstreerden met hun slogan "Walen Buiten" om het vertrek van de Franstalige studenten te eisen. Hun motivatie was tweeledig: ze maakten zich zorgen over de aantasting van de Franstalige cultuur en ook over de macht die aan de verschillende afdelingen van de universiteit werd toegekend.

Premier Paul Vanden Boeynants liet het eerst aan de bisschoppen over om het conflict op te lossen en op 20 januari 1968 kwamen de bisschoppen in Brussel bijeen om te proberen een oplossing te vinden. Ondanks hun discussies konden ze geen overeenstemming bereiken en bleven ze verdeeld over de Leuvense kwestie.

Op 5 februari 1968 begon een politieke week die het begin was van een grote crisis die zou leiden tot de ontbinding van de regering. Onder druk van het parlementslid Jan Verroken (CVP/PSC) en bepaalde partijen kwam de regering bijeen over de Leuvense kwestie om een oplossing te vinden. Na lange onderhandelingen kondigde de premier op 7 februari 1968 aan dat verschillende ministers hun wens hadden geuit om uit de regering te treden vanwege het gebrek aan overeenstemming tussen de partijen. De sociaal-christelijke ministers verklaarden dat zij "de ontwerpverklaring die de eerste minister 's middags in de Kamer wilde afleggen, niet konden aanvaarden, aangezien het principe om de Franse afdeling van de Katholieke Universiteit Leuven naar Wallonië over te brengen daar niet werd erkend.

De affaire in Leuven was voor Paul Vanden Boeynants aanleiding om het ontslag van zijn regering aan koning Boudewijn voor te leggen, dat deze laatste op 7 februari 1968 aanvaardde.