Christelijke Gereformeerde Kerken

kerkgenootschap

De Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) vormen sinds 1892 een kerkgenootschap binnen het protestantisme in Nederland. De kerk kent zowel een orthodox-gereformeerde stroming als een meer behoudende bevindelijk-gereformeerde vleugel rond het blad Bewaar het pand. Ook is er affiniteit met de evangelische beweging, die zich uit in een grote rol van christelijke gereformeerde predikanten binnen de Evangelische Omroep. Kerkelijke samenwerking is er plaatselijk met de Nederlands Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland en de Hersteld Hervormde Kerk. De samenwerking kan variëren van overleg via kanselruil tot gemeenten die volledig zijn samengegaan.

Christelijke Gereformeerde Kerken
Christelijke Gereformeerde Kerk (De Fontein) te Bunschoten
Indeling
Hoofdstroming Protestantisme
Richting Gereformeerd calvinisme
Voortgekomen uit Samenvoeging van Chr. afgesch. gemeenten en Geref. Kerken o/h Kruis in 1869
Afsplitsingen 1892: Op drie gemeenten na samengevoegd met de Dolerenden tot de Gereformeerde Kerken in Ned.
1952: Chr. Gereformeerde Gemeenten (in Ned.)
Aard
Locatie 181 kerken in Nederland (2021)
Aantal leden 70.801 (1 januari 2021)
Karakter Zowel bevindelijk als orthodox
Portaal  Portaalicoon   Christendom
Ontstaan van de verschillende stromingen in Nederland
Ontstaansgeschiedenis van kerken in Nederland
Protestantisme

Titelpagina Statenvertaling

in Nederland

..Stromingen

De wortels van het kerkverband liggen in de Afscheiding van 1834 toen door het hele land heen verschillende groepen de Nederlandse Hervormde Kerk verlieten. Na een eerste nogal roerige periode verenigde in 1869 de voornaamste van de afgescheiden gemeenten tot één kerkverband: de Christelijke Gereformeerde Kerk. Toen in de Doleantie van 1886 onder leiding van Abraham Kuyper opnieuw een grote groep orthodox-gereformeerden de Nederlandse Hervormde Kerk verliet stonden de gelovigen die zich eerder hadden afgescheiden voor de keus om zich met de nieuwe groep te verenigen. Het merendeel van de oorspronkelijke Christelijke Gereformeerde Kerk nam inderdaad die stap en vormde met de dolerenden in 1892 de Gereformeerde Kerken in Nederland. Lokaal bleven de gemeenten uit de oorspronkelijke kerkverbanden vaak nog gescheiden.

Een zeer kleine groep van drie gemeenten nam onder leiding van Frederik Philip Louis Constant van Lingen en Jacobus Wisse de beslissing om zelfstandig te blijven. Behalve kerkrechtelijke bezwaren vormde de theorie van Kuyper van de veronderstelde wedergeboorte hierbij een belangrijk motief. In de jaren daarop groeide het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerk in de jaren daarop weer snel aan. Vooral het ook plaatselijk samengaan van dolerende en voormalige christelijk-gereformeerde kerken was aanleiding voor het ontstaan van nieuwe gemeenten.

In 1947 nam men als kerkverband de naam aan van Christelijke Gereformeerde Kerken, waarbij de nadruk kwam te liggen op de plaatselijke gemeenten. Het kerkgenootschap oriënteerde zich vooral op de klassieke gereformeerde theologie, liturgie en kerkorde. In tegenstelling tot de Gereformeerde Kerken in Nederland wijzigde het niets in de gereformeerde belijdenisgeschriften, de Drie Formulieren van Enigheid, en schreef ook geen uitleg daarvan als verbindend voor, zoals de Gereformeerde Gemeenten. In de periode na de oorlog groeide, mede onder invloed van Gerard Wisse, het verschil tussen de bevindelijke vleugel en de rest van het kerkgenootschap. De spanning verminderde doordat een deel van de bevindelijke predikanten in de jaren vijftig en zestig het kerkverband verliet. In de jaren tachtig werd dezelfde stap gezet door predikanten die meer liturgische en theologische vernieuwing wenselijk achten. Ondanks het uittreden van de meer uitgesproken vertegenwoordigers van de behoudende en de progressieve vleugel kennen de Christelijke Gereformeerde Kerken de nodige verscheidenheid op het gebied van liturgische gebruiken en ethische opvattingen. Zo zijn er gemeenten die zich beperken tot de Psalmberijming van 1773, terwijl andere een groot aantal liedbundels gebruiken.

Het kerkverband telt, per 1 januari 2021, 70.801 leden.[1] In 2008 telde het kerkverband nog bijna 75.000 leden. Begin 2021 waren er 181 plaatselijke gemeenten; één minder dan een jaar eerder. Geografisch ligt het zwaartepunt van het kerkverband in de Bijbelgordel. Opvallend is het grote aantal christelijke gereformeerden in Urk: een op de tien christelijke gereformeerden is lid van een kerk in dit dorp.

GeschiedenisBewerken

Voorgeschiedenis en vorming van het kerkverbandBewerken

De Christelijke Gereformeerde Kerken zijn met enige tussenstappen voortgekomen uit de Afscheiding van 1834, toen verschillende gereformeerden zich losmaakten van de Nederlandse Hervormde Kerk, de oude volkskerk. De redenen dat men zich van de Hervormde Kerk had afgescheiden waren:

- De gereformeerde belijdenis functioneerde in de Nederlandse Hervormde Kerk niet meer in de praktijk.

Prof. Hofstede de Groot (1802-1886), een belangrijke woordvoerder van de toen toonaangevende 'Groninger richting', vond dat de Nederlandse Hervormde Kerk aan de klassiek gereformeerde belijdenisgeschriften niet meer gebonden was. Vooral de Dordtse Leerregels moesten het ontgelden. De 'verzoeningsleer', de 'verkiezingsleer' en de 'leer van de totale verdorvenheid van de mens' werden beschouwd als achterhaald. De theologie van de achttiende eeuw was sterk beïnvloed door de Verlichting. Deze beweging was volgens kerkhistoricus dr. L. Praamsma te typeren met de volgende kernwoorden: De Rede [De mens moet zich door zijn verstand laten leiden en niet door zijn geloof, ook met betrekking tot de Godsopenbaring. De Bijbel diende als ieder menselijk boek kritisch gelezen te worden]. De deugd [de mens is ten diepste goed en rechtschapen. Men geloofde steeds minder in de traditionele leer van bijvoorbeeld de erfzonde, een leer die afkomstig zou zijn van de zwartgallige Augustinus. De natuur [de mens is niets meer of minder als 'een veredelde wilde']. Verdraagzaamheid en Tolerantie [Men was het twisten over godsdienstverschillen beu. Ware deugd is belangrijker dan de wijze van godsdienstverering]. Vooruitgang [Men hing in sterke mate een vooruitgangsgeloof aan vanuit een positief mensbeeld]. Tegen deze ontwikkelingen kwamen de orthodoxe predikanten in verzet. In de achttiende eeuw behoorden tot deze verdedigers Antonius Driessen [tussen 1717 en 1748 docent in Groningen] die grote invloed uitoefende op zijn studenten waaronder Wilhelmus Schortinghuis de auteur van het Innige Christendom en Alexander Comrie. Echter toen de 18e eeuw in de 19e eeuw overging was de Nederlandse Hervormde Kerk naar het oordeel van Praamsma "in meerderheid vrijzinnig of gematigd orthodox."[2] De latere predikant Hendrik de Cock kon gedurende zijn studentenjaren van de Institutie van Calvijn en van de Dordtse Leerregels geheel onkundig blijven. Pas na zijn bekering tijdens zijn predikantschap in Ulrum begon hij deze werken te lezen, te bestuderen, en te verdedigen.

- De gereformeerde kerkregering (de Dordtse kerkorde) was in de Nederlandse Hervormde Kerk afgeschaft. In plaats daarvan kwam er in 1816 een 'Algemeen Reglement', dat voorzag in een hiërarchische kerkstructuur met aan het hoofd koning Willem I.

- Predikanten die de gereformeerde belijdenis verdedigden in woord en geschrift werden door de classisbesturen van de Nederlandse Hervormde Kerk afgezet.

Periode 1834-1869Bewerken

Op 13 oktober 1834 tekenden de eerste afgescheidenen in Ulrum de Akte van Afscheiding en Wederkeering. De eerste periode na de Afscheiding was een pijnlijke periode die vandaar de benaming kreeg 'de crisis der jeugd'. De afgescheidenen kregen van buitenaf te maken met vervolging door de overheid door middel van hoge boetes, gevangenisstraf en inkwartiering van soldaten. Zij werden gedwongen de naam 'gereformeerd' prijs te geven. Intern openbaarde zich diverse meningsverschillen. Hierdoor vielen de afgescheidenen al spoedig in twee groepen uiteen: de Christelijke Afgescheiden Gemeenten [gaven gehoor aan de oproep van de overheid de naam gereformeerd prijs te geven] en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis [gaven hieraan geen gehoor]. Ook emigreerden groepen afgescheidenen onder leiding van A.C. van Raalte (1811-1876) en H.P. Scholte (1805-1868) naar de Verenigde Staten.

Ondanks de weerstand ontstonden door heel het land afgescheiden gemeenten die binnen een jaar een groep van 20.000 leden omvatte. H. Algra sprak in zijn boek Het wonder van de negentiende eeuw van een 'explosie', met name in het Noorden van het land. In 1836 waren er circa 130 afgescheiden kerken.[3]

Kort daarop staakte de overheid met de vervolgingen van de afgescheiden nadat zij onder meer in mr. Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876) 'een edele pleitbezorger' hadden gevonden. Deze gaf in 1837 een brochure uit onder de titel: De maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsrecht getoetst. Hij voerde een pleidooi voor de rechtbank dat de afgescheidenen 'geen nieuwe sekte' vormden, maar 'zij zijn leden van de Gereformeerde gezindheid'. Met de introductie van dit begrip legde Groen de basis voor een interkerkelijke samenwerking van gereformeerden op basis van de gereformeerde belijdenis.[4]

Zes jaar na de troonsbestijging van Willem II die in 1840 zijn vader opvolgde kwamen de vervolgingen van gereformeerden buiten het hervormde kerkgenootschap ten einde.

 
Gasthuiskapel in Middelburg waar de vereniging van 1869 plaatsvond. Momenteel in gebruik Christelijke Gereformeerde Kerk Middelburg

Vereniging van 1869 en 1892Bewerken

In 1869 verenigden de afgescheiden kerken [Christelijke Afgescheiden Gemeenten en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis] grotendeels tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. Deze vereniging gebeurde op basis van drie overeenkomsten 1. Het erkennen van elkaars kerken en voorgangers 2. De benaming zou voortaan Christelijke Gereformeerde Kerk zijn 3. In leer, eredienst en tucht moest het kerkverband in absolute zin aansluiten bij de gereformeerde leer en grondslagen. Het nieuwe kerkverband bestond uit 328 gemeenten en in diepe ontroering reikten de broeders elkaar met de 'innigste blijdschap' de rechterhand. In 1884 telde de Christelijke Gereformeerde Kerk 400 gemeenten, driehonderd predikanten en bijna 300.000 leden en doopleden.[5]

In de schaduw van dit afgescheiden kerkgenootschap bleven enkele gemeenten zelfstandig voortbestaan. Deze Kruisgemeenten vormden een los kerkverband rondom de predikant Elias Fransen (1827-1898). Later vonden deze gemeenten met de Ledeboerianen kerkelijk onderdak in het kerkverband van de Gereformeerden Gemeenten dat ontstond in 1907.[6]

Het overgrote deel van de Christelijke Gereformeerde Kerk fuseerde op 17 juli 1892 nogmaals, nu met de Nederduitse Gereformeerde Kerk (de dolerenden), tot de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Drie gemeenten in Teuge, Zierikzee en Noordeloos, besloten echter de Christelijke Gereformeerde Kerk voort te zetten.

Het WekkertjeBewerken

Het waren de predikanten F.P.L.C. van Lingen (1832-1913) [bekend als bewerker van de Bijbelverklaring van Karl August Dächsel en J. Wisse (1843-1921), die de voornaamste woordvoerders waren in de kring van bezwaarden tegen een vereniging met de kerken voortgekomen uit de Doleantie onder leiding van Abraham Kuyper. Een belangrijk middel voor de verspreiding van hun boodschap was Het Wekkertje, waarmee zij het kerkvolk wilden wakker schudden. Al snel voegden zich ook andere predikanten bij hen: J. Schotel (1825-1914), H.M. van der Vegt (1831-1915) en J.W. Drayer (1851-1894).

Op 20 juli 1892 kwam men in Utrecht bijeen. Daar vond men elkaar, om te blijven wat men was: christelijk-gereformeerd, een naam die in de tijd van de Reformatie al in gebruik was.

De bezwaren van Van Lingen en WisseBewerken

1. De leer van de veronderstelde wedergeboorte die door Abraham Kuyper werd voorgestaan, door zijn catechismusverklaring werd uitgedragen in de gemeenten, en onder theologische studenten onderwezen. Volgens Kuyper is de kerk een vergadering van gelovigen op grond van predestinatie (uitverkiezing) en wedergeboorte. De veronderstelling wedergeboren te zijn, is de grond voor de kinderdoop. Nadruk behoort niet te liggen op het individu, maar op het verbond dat God met de mens in de lijn van de geslachten sluit. Wel drong Abraham Kuyper in zijn preken aan op “de noodzaak van zelfonderzoek”. [Hij hield staande dat niet allen daadwerkelijk wedergeboren waren, maar dat 'het zaad der kerk' ervoor moest worden gehouden tenzij het tegendeel zou blijken].

De predikanten Van Lingen en Wisse vonden deze leer “bederfelijk” voor het kerkelijk leven en in strijd met de Bijbel. Ze riepen op tot “onderscheidenlijke” of “separerende prediking”. Er diende onderscheid gemaakt te worden tussen “het ware zaligmakende geloof” en “niet-zaligmakend geloof”. Op die manier functioneert de prediking als een 'sleutel van het hemelrijk'.

2. De beginselen van de Afscheiding van 1834 en de doleantie van 1886 zijn fundamenteel met elkaar in strijd. De intentie van de afscheiding van 1834 lag volgens Van Lingen en Wisse in het verlaten van 'het hervormde kerkgenootschap' zoals dat in 1816 door toedoen van koning Willem I was ontstaan – ziende op Gods gebod, blind voor de toekomst (men wilde geen strijd om de kerkelijke goederen) en terugkeer tot de Gereformeerde Kerk van de Reformatie. Achter de afscheidingsbeweging zat geen strategie of voorberekend plan. Daarnaast omvatte de visie van de afgescheidenen dat de Hervormde Kerk als een 'valse kerk' gezien moest worden vanwege de 'leervrijheid' [ongebondenheid aan de gereformeerde belijdenis]. De doleantie-beweging daarentegen was sterk geregisseerd door Abraham Kuyper, waarbij juist wel felle strijd gevoerd werd om het behoud van de kerkelijke goederen. De christelijke gereformeerden die zich in 1892 afzijdig hielden, waren er van overtuigd dat door de vereniging met de dolerenden het beginsel van de Afscheiding 'ernstig geweld' werd aangedaan en spraken uit 'dat men zich niet met kerken mocht verenigen die er 'on-Bijbelse leringen' op na hielden'.

3. Kerkrechtelijke bezwaren: de plaatselijke gemeenten waren onvoldoende betrokken in het verenigingsproces, wat men in strijd achtte met het presbyteriale kerkrecht. Daarin zijn de plaatselijke gemeenten tot op zekere hoogte autonoom. Werd men vanuit de Gereformeerde Kerken regelmatig bestempeld als 'scheurkerk', de bezwaarde christelijke gereformeerden vonden dat zij het recht hadden zich afzijdig te houden van de Vereniging van 1892 op grond van hun geweten voor God en de mensen.

Periode 1892-1944Bewerken

Opbouw van de organisatieBewerken

Op 1 januari 1893 telde de Christelijke Gereformeerde kerk negen gemeenten, n.l. Zierikzee, Noordeloos en Teuge, ’s-Gravenhage, Utrecht, Rotterdam, Dordrecht, Lutten en Arnhem. Het aantal gemeenten was in 1894 zo toegenomen, dat de synode besloot tot verdeling van de gemeenten in vier classes. Twee jaren daarna was het aantal gemeenten twee en dertig en in 1908 zes en zeventig gemeenten met negen preekplaatsen.

Al tijdens de eerste synode in januari 1893 was de behoefte uitgesproken aan een 'opleiding tot dienaars des Woords' met het oog op de voorziening van de vele gemeenten die het voorlopig zonder een eigen 'herder en leraar' moesten stellen. Ds. Wisse was begonnen om in Den Haag theologisch onderwijs te geven. Na P.J.M. de Bruin was het T. Bakker (1869-1940), die in 1893 de Theologische School in Kampen had verlaten en zijn studie bij Wisse kon voortzetten. Ds. Van Lingen gaf als predikant van Rotterdam aan enkele studenten les in de oude talen. Het officiele besluit tot de oprichting van een Theologische School, werd genomen door de synode van 1894. De opleiding bleef voorlopig in Den Haag gevestigd.

Het was de christelijke gereformeerden aan het hart gegaan dat de theologische School van Kampen was verdrongen door de Vrije Universiteit want ''het theologisch onderwijs moest wetenschappelijk zijn." Ds. Schotel was bang voor het verdwijnen van het prakticale geestelijke leven:

"Voor enige jaren, meen ik, schreef dr. Kuyper, dat de eenvoudigste gelovige Kootwijker boer meer kennis van de theologie had dan een beroemd professor aan de Leidsche hogeschool, die door zijn kritiek den Bijbel trachtte af te breken. Jammer, dat die Kootwijkers weer onttroond worden. Och, men bouwt op en breekt af, verhoogt en vernedert naar believen, al naar dat het in de kraam te pas komt. Gelukkig, dat de Heere zelf de armen van geest tot echte theologen stempelt. Er staat een overblijfsel, een wonder van Gods genade, een klein hoopske, doch in ‘s Heeren kracht een Gideons bende. In haar vaandel prijkt: „D’ eenvoudigen wil God steeds gadeslaan.”[7]

— Ds. J. Schotel, De Wekker 30 oktober 1896

Dit betekende niet dat men afkering was van een gedegen theologische opleiding. Men vond in de lijn van het Convent van Wezel en in de traditie van Calvijn, het beslist noodzakelijk dat “vrome en geleerde mannen, machtig in de kennis van de Schriften, het Woord Gods recht weten te snijden, om alzo de kerken te zullen dienen als herder en leraars.” Op 11 september 1894 werd met een preek uit 2 Korinthe 12: 9a “Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg” door de president-curator J. Schotel een Theologische School geopend, die in eerste instantie bestond uit de consistoriekamer van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Den Haag. Tussen 1899 en 1919 was de opleiding in Rijswijk gevestigd. Kort daarop werd de opleiding definitief in Apeldoorn gevestigd. Na de komst van G. Wisse in 1928 werden de docenten op voorstel van ds. J.W. Geels hoogleraar of professor genoemd,[8] terwijl zij bij de komst van de hoogleraren J. van Genderen, W. Kremer en B.J. Oosterhoff van een toga werden voorzien.[9]

Omdat de studenten veelal afkomstig waren uit eenvoudige gezinnen moest vaak eerst nog de nodige basiskennis bijgespijkerd worden, voor begonnen kon worden met nader theologisch onderwijs en de oude talen. Als eerste docenten werden benoemd F.P.L.C. van Lingen en J. Wisse Czn. In het curatorium werden benoemd de predikanten: PH.J. Wessels, P.J.M. de Bruin, J. Schotel, J.W. Drayer [overleed op 9 december 1894 in de leeftijd van 43 jaar] en J.R. Kreulen [keerde in 1899 met een groot deel van de gemeente Suawoude weer terug naar de Gereformeerde Kerken. In 1857 en 1858 schreef hij een reeks artikelen in De Bazuin over het aanbod van genade. Dit bracht hem in conflict met 'de Drentse richting' van ds. Joffers die leerde: de beloften van het evangelie zijn alleen voor de uitverkorenen. Bekend was ook zijn boekje waarin hij het recht van de Afscheiding verdedigde: De Apologie: Is de Afscheiding uit God of uit de menschen.]

In 1898 kwamen er zes kandidaten van de theologische school af waaronder H. Janssen, 26 jaar oud. Janssen werd predikant in Amsterdam. Deze gemeente van Amsterdam breide zich onder zijn bediening uit en ondertussen kwamen er in de regio nieuwe gemeenten of preekplaatsen bij, waaronder Nieuwendam, Bussum, Opperdoes en Hilversum. In 1904 vertrok Janssen naar Leiden waar zich een kleine gemeente had gevormd van spijtoptanten. Kort hierop werd er in Rijnsburg een gemeente gesticht. In 1909 werd Janssen benoemd als hulpdocent aan de Theologische School. Deze taak vervulde hij tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Toen werd hij veldprediker. In deze rol kreeg hij grote bekendheid.[10]

 
Theologische Universiteit Apeldoorn

Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk was van meet af aan ook aandacht voor de opbouw van het verenigingsleven en voor eigen kerkelijke zending. Vanaf 1928 werkte de eerste zendelingen van de Christelijke Gereformeerde Kerk, ds. A. Bikker en ds. M. Geleijnse, in het Torajaland, een gebied in de toenmalige Nederlandse kolonie Indonesië. Het kerkverband De Gereja Toraja Mamasa dat uit dit zendingswerk is voortgekomen, functioneert sinds 1950 zelfstandig en telde in 2016 ongeveer 150.000 leden, verdeeld over meer dan 500 gemeenten.[11]

Het kleine blaadje dat aanvankelijk verscheen onder de naam van 'Het Wekkertje' groeide uit tot een tamelijk weekblad De Wekker. Een maandelijks zendingsblad verscheen onder de naam Uw Koninkrijk kome terwijl de Bond van Christelijke Gereformeerde Jongelingsverenigingen het blad Luctor et Emergo uitgaf. In januari 1896 verscheen het eerste kerkelijk jaarboekje.

 
Pieter Johannes Marie de Bruin (1868-1946) vertegenwoordigde in de periode voor de Tweede Wereldoorlog het beginsel van de Christelijke Gereformeerde Kerk.

Karakter van de predikingBewerken

De Christelijke Gereformeerde Kerk profileerde zich naast de Gereformeerde Kerken voornamelijk in haar doorstartperiode als 'bevindelijk-gereformeerd' (getuige met name de vooroorlogse jaargangen van de prekenserie Uit de Levensbron [12][13][14] maar wel met de nodige aandacht voor een goede uitleg van de Schrift. Op de verhouding tussen beiden aspecten werd tijdens de theologische opleiding aandacht besteed. Van Lingen legde een sterke nadruk op de noodzaak van wedergeboorte en bekering die van Boven komt. Anderzijds sloot dit voor hem het staan naar kennis en waardering van de wetenschap, voor zover niet in strijd met de Schrift als Gods openbaring, niet in de weg.[15]

Professor Franciscus Lengkeek (1871-1932): "Hebben wij de Heilige Geest ontvangen? Die vraag bedoelt in de eerste plaats, of wij uit de dood zijn overgegaan in het leven, en krachtens deze overgang onze doodstaat van nature kennen en onze zaligheid buiten onszelf in Jezus Christus zoeken. Mogelijk zijn er onder ons, voor wie deze vraag niet klemmend is. Zij hebben genoeg aan wat zij zijn, hebben, weten, kunnen en zullen. Ze zijn min of meer godsdienstig, nemen min of meer hun plichten waar, leven niet berispelijk, zijn in menig opzicht voorbeeldig, maar daar blijft het bij. De vraag of zij de Heilige Geest ontvangen hebben, is er één die in de prediking zeker op z’n plaats is, maar die persoonlijk tot hen gericht wrevel opwekt. Dezulken kunnen zich dan ook uitnemend daarin vinden, waar men uitgaat van de stelling, dat de Heilige Geest zeven weken na de offerande van Christus is uitgestort en toen gemeengoed van de kerk geworden is. Wie dus tot de kerk behoort, heeft de Heilige Geest. Wij achten dit een misleidende, verderfelijke stelling, waarvoor nergens in de Heilige Schrift enige grond gevonden wordt. Vergeten wij toch niet, dat er geen collectief, geen gemeenschappelijk oordeel zal zijn, maar een particulier, een persoonlijk. Ieder voor zich zal eenmaal aan God rekenschap te geven hebben. En zo wij persoonlijk de Heilige Geest niet ontvangen hebben, zo zullen wij ook geen deel hebben aan het zijn in Christus."

In 1933 benadrukte Leendert Huibert van der Meiden tijdens een predikantenvergadering in Apeldoorn het belang van een 'Schriftuurlijk-bevindelijke prediking.' Hij beklemtoonde "dat men niet alleen moet preken wat Christus voor de Zijnen deed, maar ook wat Hij door Woord en Geest in hun harten werkt", een zinsnede die uit de Institutie van Calvijn te herleiden is. "Het bevindelijk element in de prediking is niet iets aparts, bijkomend bij de bediening des Woords, maar is er een essentieel deel van, want de Inspirator der Heilige Schrift, Die ook de Generator des zondaars is, geeft ons in het Woord te verstaan, wat het bevindelijke leven is." "Wie waarlijk Gods Woord preekt, preekt bevindelijk leven." "Waar het bevindelijk element gemist wordt in de prediking of niet ten volle uitkomt, is er dus niet van volle bediening des Woords sprake. Men moge dan hoog roemen in zijn objectiviteit en prat gaan op zijn openen van het Woord, er is een schromelijk tekort in de bediening des Woords, een tekort dat zeer ernstig is, omdat het niet beantwoordt aan het doel van de Inspirator en Generator."[16]

"We zijn geen levende lidmaten van Christus, omdat we gedoopt zijn, of omdat we belijdenis deden. Er zijn tal van onherboren bondelingen, die straks als kinderen des koninkrijks buiten geworpen worden. Zij bewijzen in hun leven duidelijk genoeg het leven des Geestes te missen. Werd u ooit schuldenaar zoals de verloren zoon? Riep u ooit uit diepte van ellende? Hebt u de noodzakelijkheid van de Borg leren verstaan?"[17] "Valse gemoedelijkheid losgemaakt van de Heilige Schrift heeft niets met het bevindelijke geloofsleven uit te staan." "Een tijdgelovige heeft krachtens zijn optimistische aard veel vreugde in God en in de dienst van God, in Jezus en Zijn zaligheid. Kenmerkend is, dat hij het Woord alleen kent van zijn belovende zijde, maar dat de ontdekkende zijde, het zich verloren zondaar kennen aan Gods voeten, niet wordt gekend."[16]

G. Wisse (1873-1957) benadrukte in zijn boekje De ambtelijke bediening van Christus in de gelovigen "dat wie de ware en volle Christus wil verkondigen, ook deze zijde (namelijk het bevindelijk functioneren van de drie ambten van Christus) naar voren zal brengen."[18]

In 1947 werd Jan Hovius (1900-1979) hoogleraar Kerkrecht en Kerkgeschiedenis aan de Theologische Hogeschool in Apeldoorn: "De 'voorwerpelijke zijde' bestaat in de verzoening door het plaatsbekledend lijden en sterven van Christus. Door de arbeid van Zijn ziel heeft Hij de vergeving verworven en verzoening aangebracht. En mede door deze arbeid heeft Hij de levendmakende Geest verworven, die nu de aangebrachte verzoening zal toepassen en bovendien het hart zal vernieuwen. Dit alles is de voorwerpelijke zijde, waar nu de 'onderwerpelijke zijde' bij moet komen. En de onderwerpelijke zijde is, dat die Geest van Christus de verworven verzoening toepast."

"Van nature is de mens niet uit God geboren, maar dan is het zoals de Heere Jezus zegt: wat uit vlees geboren is, dat is vlees, of om het nog anders te zeggen: dan zijn wij uit de vader de duivel. Krachtens het werkverbond staan alle mensen schuldig voor God. Krachtens onze geboorte uit Adam hebben wij allen een verdorven natuur." "Wil het wel met u zijn, dan moet dat u met oprechte droefheid vervullen. Dan moet dat u doen vluchten tot de Almachtige God, die zulk een heerlijke en gezegende verandering kan geven. Het is 'het heerlijk werk van de wedergeboorte van de mens', waardoor hij van dood levend wordt. Het komt openbaar in een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. In het nodig krijgen van een levende Borg. In het haten en vluchten van de zonden."

W. Kremer (1896-1985) schreef in 1954 "dat de terechte kritiek op veel prediking is, niet dat ze te weinig exegetisch, te weinig dogmatisch, zelfs niet te weinig actueel is, maar dat zij te weinig geestelijk is." "Gods soevereiniteit en de menselijke verantwoordelijkheid moeten beide in de prediking ten volle gehandhaafd worden: Er mag niet vrijblijvend voor toeschouwers gepreekt worden. We worden eenzijdig waar we óf alleen maar de soevereiniteit van God prediken in Zijn uitdeling van het heil en waar de verantwoordelijkheid van de hoorder wordt verzwegen óf waar alleen de verantwoordelijkheid wordt gepreekt en het lijkt alsof de mens het heil binnen eigen bereik heeft en er voor het werk van de Heilige Geest in ons geen plaats en noodzaak meer lijkt te zijn."[19]

Volgens J.P. Zwemer in diens boekje De bevindelijk-gereformeerden bevonden zich echter oorspronkelijk 'in de top' van het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerk geen voorstanders van een prediking met 'een sterk bevindelijk element', maar bevonden de voorstanders ervan zich vooral onder de gewone gemeenteleden.[20] E.G. Bosma neemt dit beeld van Zwemer over in Oude waarheid en nieuwe orde. Bevindelijk gereformeerden en het nationaalsocialisme 1920-1950 en meet de mate van bevindelijkheid aan het aantal aanhangers van de SGP, de partij die in 1918 ontstond op initiatief van ds. G.H. Kersten. De werkelijke situatie was een stuk complexer en op grond van zowel leerstellige als historische literatuur blijkt voor dit beeld geen enkele grond te bestaan. Het was L.H. van der Meiden die tot diens overlijden in 1962 een diepzinnige bevindelijke prediking bracht, maar wel bepaalde excessen afwees. Deze schreef veel in het blad van de christelijke gereformeerde jongelingsvereniging Luctor et Emergo. Binnen de Gereformeerde Gemeenten, maar ook de Gereformeerde Gemeenten in Nederland zegt men diens prediking te kunnen waarderen. Ds. Kersten maakte zich echter door zijn optreden niet geliefd binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk wat maakte dat velen bleven bij hun gewoonte om ARP te stemmen. Een deel steunde hem wel. Met mate van 'bevindelijkheid' had dit echter niets te maken. T. Brienen heeft in zijn boekje De Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland wel oog voor de oorspronkelijke lijn. "Werd er vroeger sterke nadruk gelegd op de wedergeboorte; in later tijd kwam het accent meer te liggen op de rechtvaardiging door het geloof. Er is wel gesproken van een Calvijn-reveil waar ds. W. Kremer (1896-1985) hoogleraar van 1954-1969 een voortrekkende rol in had." Brienen constateerde tevens "dat de laatste decennia de stem van de Nadere Reformatie en van de meer behoudende richting binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken weer sterker geworden is."[21]

Zoeken naar verbindingBewerken

De christelijke gereformeerden voelden zich van meet af aan geroepen tot 'vereniging van alle gereformeerden die ten volle wilden leven naar Schrift en Belijdenis'. Zo was er al snel aandacht voor een vereniging met de inmiddels in 1907 ontstane Gereformeerde Gemeenten. In 1919 schopte de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk echter tegen het verkeerde been door de uitspraak: "dat alle Gereformeerden uit alle kerken, naar eis van de Heilige Schrift en Formulieren van Enigheid geroepen zijn zich tot de Christelijke Gereformeerde Kerk te voegen." In 1922 zwakte de synode deze uitspraak af en spraken uit dat zij ook in de Gereformeerde Gemeenten een gelijkwaardige en wettige openbaring van het lichaam van Christus wilden erkennen. Op dezelfde wijze en in dezelfde geest zoals de Christelijke Afgescheidenen en de Kruisgemeenten elkaar in 1869 vonden, stond men open voor een vereniging met de Gereformeerde Gemeenten. Andersom bleek echter enige gereserveerdheid. Ds. G.H. Kersten verweet de Christelijke Gereformeerde Kerk 'gebrek aan beginsel'. Ook wilde hij - evenals de dolerenden met Kuyper - de Nederlandse Hervormde Kerk niet als ‘vals’ bestempelen zolang er in deze kerk nog ‘oprechte kinderen Gods’ verbleven.

Volgens dominee Jacob Jan van der Schuit was het christelijk-gereformeerd beginsel evenwel het beginsel der Afscheiding. In een artikelenserie van zijn hand, [in 1919 verschenen in boekvorm Na vijf en twintig jaren, beginseltrouw contra beginselverzaking], zette hij uiteen wat dit ‘beginsel der Afscheiding’ volgens hem kerkrechtelijk en dogmatisch inhield. "Wij christelijk gereformeerden, leven nog immer uit 't beginsel der [af]scheiding." "Neen, niet al wat uit de [af]scheiding [opgekomen is] is uit God, en al wat uit de doleantie [gesproten] is, uit mensen. Integendeel, ook de mannen der [af]scheiding hadden evengoed gebreken als die der doleantie, gelijk zij ook beide waardeerbare eigenschappen bezaten. Veel dat in de kerk der afscheiding was, kan moeilijk door ons worden toegejuicht. Het gaat hier echter niet over personen, die hun zwakheden hadden, noch over zaken die beter hadden gedaan kunnen worden, maar het raakt hier de beginselen." "De Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, naar grondslag en levensbeginsel beoordeeld is de enige wettige voorzetting van de kerk der [af]scheiding [van 1834]." "De [af]scheiding, die uit de ader van 't waarachtig geestelijk leven, uit de diepte van de nood der ziel geboren is, had tot wapenspreuk: wat zegt de Heilige Schrift?, wat eist de gereformeerde belijdenis?"[22]

Belijdenis en avondmaalBewerken

Van der Schuit had een kerkelijk standpunt dat uitging van het ideaal, en hieromtrent waren binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk vanaf het beginstadium verschillende visies waar te nemen. (overigens waren vanouds onder de afgescheidenen ook verschillen Hendrik de Cock versus Hendrik Scholte). Op de synode van 1837 in Utrecht werd het standpunt van Scholte aanvaard "dat al de leden, die op belijdenis des geloofs zijn aangenomen, ook voor ware begenadigden moeten gehouden worden, zonder dat het geoorloofd was, daaraan te twijfelen” en ook: „dat niemand als lid moest aangenomen, dan die van zichzelven geloofde en daarvan getuigenis aflegde, begenadigd te zijn.” De Utrechtse Kerkorde bracht de nodige verwarring omdat velen dit in strijd vonden met de gereformeerde leer. Scholte had een idealistisch kerkelijk standpunt waarbij alle belijders als ware gelovigen werden aangemerkt. De synode van 1840 heeft de Utrechtse Kerkorde weer ongedaan gemaakt en vervolgens uitgesproken dat de Chr. Geref. Kerk leert een reële kerk, waarin zowel bekeerden als onbekeerden zijn, alleen de bekeerden maken de ware leden van de kerk uit. Dit laatste standpunt werd onderstreept met een passage uit de Redelijke Godsdienst van Wihelmus a Brakel.

Op 23 augustus 1912 schreef Van der Schuit in De Wekker in de rubriek 'Onze liturgische geschriften' Wij moeten vasthouden, dat het in heilige ure van belijdenis doen niet gaat over het geloof in den voorwerpelijke, maar in den onderwerpelijke zin van ‘t woord. Er moet hoe klein ook, toch aanwezig zijn een levend geloof”. P.J.M. de Bruin reageerde hierop en schreef: "Indien de schrijver dezer regelen hier alleen bedoelde dat een Gode welbehagelijk belijden alleen dan kan geschieden, wanneer het levend geloof aanwezig is, en dat als eis Gods op het bezit van een levend geloof moet aangedrongen worden, wij zouden het terstond toestemmen. Maar dat bedoeld de schrijver niet." (...) "Als de Kerk van ieder belijder een zaligmakend geloof eist, wordt men Labadist. Dit laatste moet dan ook volgen, dat men dan ieder, die op belijdenis van zaligmakend geloof wordt toegelaten tot het Avondmaal, ook verplichten moet ten Avondmaal. Immers het Avondmaal is voor de gelovigen. Die nu voor een waar geloovige wordt gehouden op grond van zijn belijdenis, moet ten Avondmaal, gaan. In „de Gereformeerde Kerkenwordt dan ook den belijders die verplichting opgelegd; immers hunne belijdenis onderstelt het zaligmakend geloof. Wij komen dan, evenals bij de onderstelde wedergeboorte bij den doop, ook bij het Avondmaal op het gebied der onderstellingen en wij halen de neo-gereformeerde leer, welke onze Kerk verwerpt, door een achterdeur weer binnen."

De verschillende visies groeien na de Tweede Wereldoorlog uit tot een scheidslijn die steeds scherper geworden is, namelijk in een stroming die zich in de richting bewoog van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en een stroming die verwant bleef aan de rechterflank van de gereformeerde gezindte: de Gereformeerde Gemeenten etc.

Het is echter onjuist om te stellen dat het standpunt bij Van der Schuit met betrekking op de kerk en het afleggen van belijdenis des geloofs ook gepaard ging met een onderwaardering voor een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking. De Nadere Reformatie werd vanouds binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk gewaardeerd [ook door Van der Schuit] en hoewel men Comrie in diens verbondsleer niet volgde, was er wel waardering voor zijn werken in het algemeen, met name ten aanzien van het geestelijke leven. Uit de praktijk van het kerkelijk leven blijkt dat velen uit schroom geen belijdenis des geloofs af leggen (met name in het Noorden van het land) of deel nemen aan het Heilig Avondmaal omdat men geen geloofszekerheid heeft. Van der Schuit verwijst dan op pastorale wijze naar Comrie:

Alleen vergete men niet, dat er onderscheid is tussen „zekerheid" en „zekerheid". Er is om met Comrie te spreken een zekerheid des geloofs en er is een zekerheid des gevoels. Hier zijn wel geen tegenstellingen, maar toch zeer stellig onderscheidingen, die tot verwarring kunnen leiden en sommige zielen in een bepaalde hoek drijven, waar de angst van een „zich een oordeel eten en drinken" hen pijnigt. Het is de moeite waard Comrie eens op dit punt te lezen. De schrijver over „de eigenschappen des geloofs" is onder ons volk genoegzaam bekend als een man, die de zielsoefeningen van Gods vromen weet na te speuren onder de microscoop van het Woord Gods. Het is heus een aanbeveling waard, dat onze candidaten en onze dienaren des Woords in dit laboratorium geen vreemdeling zijn.

— Prof. J.J. van der Schuit, Ten dis geleid, De Wekker 2 october 1959

Het blijkt mij telkens weer, dat ook de mannen van de „Nadere Reformatie" geen andere grondslag voor het gezond geestelijk leven hebben gelegd, dan wat de Reformatoren ons hebben gewezen. Comrie is ons hier ten voorbeeld. De „Nadere Reformatie" moge meer het accent op de beoefening, op de practijk des geestelijken levens hebben gelegd, de fundatie voor dit geestelijk leven was geen andere, dan die wij bij de bronnen van het Reformatorisch ontwaken zullen vinden. In de Reformatie speelde het Roomse subjectivisme de Kerk parten. Tijdens de „Nadere Reformatie" wilde het Remonstrants objectivisme de teugels grijpen. Deze beide uitersten hebben de richting en de inhoud bepaald, waarin het Gereformeerd theologisch denken zich voortbewoog, zowel tijdens als na de Reformatie. Toen de Kerk al meer veruitwendigde, toen het geestelijk leven al meer verschraalde, toen alle gestaltelijke vroomheid als „ziekelijk" ter deure werd gewezen, toen was het meer dan ooit tijd, dat mannen als Comrie en Schortinghuis hun stem lieten horen, om aan „gestaltelij ke vroomheid" de plaats te geven, die haar naar Schrift en confessie toekomt. Hierom schreef Comrie zijn „eigenschappen des geloofs" en hierom schreef Schortinghuis zijn boek „het innige Christendom".

— Prof. J.J. van der Schuit, Ten dis geleid, De Wekker 2 october 1959

Discussie over het genadeverbond met de Gereformeerde GemeentenBewerken

In 1909 kwamen op de synode de Gereformeerde Gemeenten ter sprake (zojuist ontstaan in 1907). De synode besloot echter dat de tijd nog niet rijp was "gezien de Gereformeerde Gemeenten in eigen boezem nog heel wat te arbeiden hebben om sommige gemeenten in kerkelijk spoor te leiden." Tot een officiële toenadering kwam het pas na de synode van 1919. De conclusie was "de Gereformeerden Gemeenten staan met ons op één wortel des geloofs" en "vertonen kentekenen van de ware kerk". De synode besloot een handreiking te doen. Van verenigen wilde men vanwege het eigen kerkelijk principe nog niet spreken. Gedurende de jaren twintig groeien de contacten, hoewel stroef van aard. Parallel doen verwikkelingen omtrent steun aan de ARP of SGP de voortgang van de zaak allerminst goed.[23]

De contacten worden plotseling definitief afgebroken wanneer ds. G.H. Kersten in De Saambinder van 12 april 1928, twee maanden nadat ds. J.D. Barth vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerk van Alphen aan den Rijn naar de Gereformeerde Gemeenten is overgekomen, de aanval inzet op 'een nieuw opkomende dwaling’, n.l. die van 'de drieverbondenleer.' Het voorwerp van kritiek vormde het verschenen catechisatieboekje van ds. J. Jongeleen in 1927. De bezwaren betroffen de leer aangaande het genadeverbond. Volgens ds. Kersten werd die "te conditioneel" voorgesteld en het verbond werd, aldus ds. Kersten, losgemaakt van de verkiezing. In dit opzicht stonden de christelijke gereformeerden overigens wel op één lijn. Dit blijkt uit het feit dat zowel de predikanten J.J. van der Schuit, J. Jongeleen, als P.J.M. de Bruin de leeruitzetting over het genadeverbond zoals vanouds binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk geleerd, tegenover ds. G.H. Kersten hebben verdedigd. Toen Kersten een poging deed om G. Wisse aan zijn zijde te krijgen, koos deze publiekelijk voor de zijde van P.J.M. de Bruin en de christelijke gereformeerde verbondsopvatting, hoewel er binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk ook wel 'gematigd twee-verbonders' waren, waaronder G. Salomons (1890-1975). Deze nam ten deze een minderheidspositie in, maar benadrukte "beide lijnen moeten elkaar in evenwicht houden: verkiezing en verwerping opkomend uit het souverein welbehagen, werken en doel ter verheerlijking Gods. [Maar] de verkiezing in de Heilige Schrift [wordt ons] niet slechts in abstracto, maar veeleer in concreto geopenbaard (ook de verwerping), n.l. in verband gebracht wordt met onze mensheidsgeschiedenis en de geschiedenis des heils." "Infra en supra behoren in de kerk niet tegenover elkander te staan, ze staan naast elkander, vullen elkander aan, kunnen elkander in het evenwicht houden."[24]

 
Christelijke Gereformeerde Kerk Amersfoort

In de Gereformeerde Kerken werd gesteld: alle bondelingen (dopelingen), zijn in principe verkorenen "tenzij....", in de Gereformeerde Gemeenten stelde men: alleen de verkorenen zijn de echte bondelingen (dopelingen), alleen voor hen gelden de beloften van het verbond. Niet-uitverkorenen behoren niet wezenlijk tot het genadeverbond. Voor hen, die wel gedoopt zijn, geldt slechts een "verkeren op het erf van het verbond."

Waar de Gereformeerde Gemeenten verbond der verlossing en verbond der genade vereenzelvigden, benadrukte de Christelijke Gereformeerde Kerk het onderscheid tussen beide. Het genadeverbond behoort tot 'Gods heilsbedeling in de tijd'. Vanuit de verkiezing en vanuit het verbond der verlossing, vanuit het onderhandelen en beraadslagen van de drie Personen in God onderling, treedt God in het genadeverbond naar buiten in de openbaring en bekendmaking van Zijn heil en genade, niet slechts aan de uitverkorenen, maar aan gevallen zondaren."

Zo zijn de volgende verschillen tussen beide verbonden aan te wijzen:

  • 1. Er is verschil in tijd van oprichting. Het verbond der verlossing is door God opgericht in de eeuwigheid "voor de grondlegging der wereld". Het genadeverbond is door God opgericht in de tijd: met dit verbond gaat de Heere in in de historie.
  • 2. Er is verschil tussen partijen in het verbond. In het verbond der verlossing is sprake van de Drie Personen in God als partijen, die een verbond sluiten (ook wel raad des vredes genoemd). In het genadeverbond zijn de partijen enerzijds God en anderzijds Abraham en zijn natuurlijk zaad (onder het Oude Verbond), de gelovigen en hun natuurlijk zaad (onder het Nieuwe Verbond).
  • 3. Er is verschil in de plaats van de mens in beide verbonden. In het verbond der verlossing gaat het over de mens of, beter gezegd, over het geheel van de nieuwe mensheid in tegenstelling tot de verkiezing waarin het gaat over menselijke personen die uitverkoren worden. In het genadeverbond gaat het om Gods handelen met de mens.
  • 4. Er is verschil tussen de plaats van Christus in beide verbonden. In het verbond der verlossing is Christus Hoofd van het verbond, in Wie alle verkorenen en alleen de verkorenen wezenlijk begrepen zijn. In het genadeverbond is Christus de Middelaar van het verbond. In het offer en daarmee in het Borgwerk van de Heere Jezus is het genadeverbond gefundeerd, terwijl het al het heil dat Christus door Zijn Borgwerk verworven heeft en op grond van Zijn Borgwerk nog beheert en ten uitvoer brengt tot inhoud heeft.
  • 5. Er is verschil in duurzaamheid. Het verbond der verlossing, het pact tussen de Drie Personen in God is onverbreekbaar; het genadeverbond is van Gods kant evenzeer onverbreekbaar, (het is niet een verbond van eeuwigheid, wel een verbond tot in eeuwigheid), door de bondelingen van hun kant kan het verbond wel verbroken worden.[25]

Ds. J. Schotel benadrukte in zijn prekenbundel Zestal leerredenen over verschillende teksten des Nieuwen Testaments dat er volgens hem 'groot onderscheid tussen gedoopte en ongedoopte kinderen' bestaat. "De ongedoopte kinderen liggen 'buiten het verbond Gods' maar de gedoopte kinderen zijn 'bondelingen' zoals de Heidelbergse Catechismus zegt. Dit onderscheid maakt de verantwoording voor kinderen uit christelijke ouders des te zwaarder, in het geval zij onbekeerd sterven. Want het onderscheid verandert onze staat voor God niet. Zonder de toepassing door Goddelijke genade blijven wij onbekeerd voortleven." "Mogelijk zegt u, het is zo, maar wat moet ik doen? Wat u doen moet, leert u Gods Woord. U moet geloven. Wat? Dat Christus uw Borg is? Dit zegt Gods Woord niet, maar dat God is, die Hij is [Exodus 3: 14], en een beloner degenen die Hem zoeken [Hebreeën 11:6]. Gij moet geloven dat God is zoals Hij Zich in het Evangelie aan zondaren openbaart [[[Johannes 3:16|Johannes 3: 16]]]. U zegt mogelijk: maar die verzoening die Christus teweeg bracht is toch niet algemeen? Nee, zij geldt slechts de uitverkorenen. Maar wijst mij deze eens aan? Wie weet dat? God laat zondaars roepen tot Zijn gemeenschap, en dus ook u! God roept u, en deze roeping vloeit niet uit de wet, maar uit het Evangelie. De bazuin van de evangelische roeping wordt gehoord op het terrein van het genadeverbond. En tot dat verbond behoort u volgens het doopsformulier. Daarvan draagt gij het teken en zegel aan uw voorhoofd, bij welke doop de Heere beloofd heeft, dat zo u Hem zoekt, Hij zeker door u gevonden zal worden.”[26]

Ds. P.J.M. de Bruin waarschuwde echter om niet in de fuik te zwemmen van het 'verbondsmethodisme'. Dit verbondsmethodisme redeneerde volgens hem aldus: "De kinderen der gemeente zijn bondelingen. Aan die bondelingen wordt in den Doop de belofte van vergeving der zonden beloofd en verzegeld. Nu moet iedere bondeling, die onder de Waarheid leeft en dus den band des verbonds niet openlijk verbreekt, geloven dat die verzegelde belofte ook daadwerkelijk aan hem is toegepast, (hier wordt de schenking en toepassing der belofte, de eerste is voorwerpelijk in Gods Woord, de laatste geschiedt onderwerpelijk door den Heiligen Geest, met elkander helaas verward). De prediking moet de bondelingen opwekken dat te geloven en zich te bekeren. En zich bekeerd hebbende moet de bondeling vast geloven, dat hij nu is in het bezit van de vergeving der zonde en opdat dit geloof al vaster worde gedurig ten Avondmaal gaan."

De grote fout is de verwarring tussen toezegging en toepassing van de verbondsbelofte. De gehele gemeente bestaat uit bondelingen en daarom moeten deze als „geroepen heiligen” beschouwd en aangesproken worden. Dat zij het niet allen zijn en niet allen zalig worden, ontkent men niet maar men onderstelt toch, dat zij gelovigen zijn. De tweede grote fout is de weg, die voorgesteld wordt tot toe-eigening des heils. De bondeling moet beginnen met geloven, dat hij een bondeling, dus een gelovige, dus een bezitter van de vergeving der zonde is en dat hij dus in daadwerkelijk bezit heeft, wat in den Doop als belofte verzegeld wordt. Hier wordt de orde des heils geheel omgekeerd. Dit verbondsmethodisme wijst een weg aan, die niet overeenkomt met de oude Gereformeerde leer, zo min als met de Schrift.

— Ds. P.J.M. de Bruin

Nu bijna niemand tegenwoordig, gelijk eertijds wèl geschiedde, naar Gods heilig Woord het onderscheid tussen het waar en het schijn geloof duidelijk aantoont, gelijk vroeger algemeen plaats had, juist omdat de ouden er rekening mee hielden, dat de tijdgelovige zich zoo graag vleit met de zoete gedachte van zijne zaligheid, maar daarbij zijn hart overslaat, niets wetende (zoals Comrie zegt) van dat kermen, staan voor God als hun Richter, „van dat verfoeien en gevoelig wegsmelten voor God, waartegen zij dikwerf de allerbitterste vijanden zijn”. De tijdgelovige, die zijn hart overslaat! Het Verbondsmethodisme kweekt een kunstmatig en oppervlakkig christendom.

— Ds. P.J.M. de Bruin

Periode 1944-1953Bewerken

In de periode na de Tweede Wereldoorlog signaleerden verschillende predikanten binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk (sinds 1947 Kerken) dat binnen het kerkelijke leven wel steeds meer nadruk gelegd werd op de “voorrechten” [toezegging] die de objectieve zijde van het genadeverbond met zich meebrengt, maar de aandacht voor de persoonlijke toepassing (de subjectieve kant), de eis van geloof en bekering en de uiteenzetting hoe de Heilige Geest dit uitwerkt in de gelovige (de heilsweg) minder werd. De roep om zich losser te maken van het bevindelijke verleden werd sterker. Er komt een nieuwe generatie predikanten van de theologische school af die moeite blijken te hebben met de oude lijn. De invloed van de theologie van de hervormd-gereformeerde J.G. Woelderink speelt hierbij een bepaalde rol. Deze predikant zet zich sterk af tegen zowel de Gereformeerde Kerken in Nederland (Kuyper) als de Gereformeerde Gemeenten (Kersten). Hij bedrukt daartegenover de waarde van het verbond en het geloof als noodzakelijke reactie daarop. Door het ontstaan van de gereformeerde kerken vrijgemaakt in 1944 is bezinning op deze nieuwe kerkelijke groepering eveneens noodzakelijk. Terwijl sommigen hen zien als bondgenoten en als het levende bewijs van het eigen gelijk in 1892, anderen zien juist duidelijke verschillen.

Tegelijkertijd is opvallend dat gedurende de jaren dertig en veertig nog steeds verschillende voorgangers met een bevindelijk-gereformeerde signatuur over komen naar het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerk, waaronder W. Baaij, D.L. Aangeenbrug en L. Gebraad. De persoon van Prof. G. Wisse heeft op hen een bepaalde aantrekkingskracht, echter niet altijd blijkt evenveel affiniteit met het gehele kerkverband.[23]

De Christelijke Gereformeerde Kerken als geheel groeien onmiskenbaar langzaam maar zeker naar een vernieuwd profiel: 'van een sterk subjectieve inslag naar een meer objectieve belofteprediking.' Deze koerswisseling verklaart de steeds grotere sympathie die ontstond voor de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en aanverwante kerken, waar vanouds al vooral verbondsmatig gepreekt wordt en niet zozeer bevindelijk.

Overeenkomsten en verschillen met de Gereformeerde Kerken VrijgemaaktBewerken

Op het eerste gezicht hebben de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt veel overeenkomsten, zowel theologisch als historisch. Beide kerkverbanden stonden na de Tweede Wereldoorlog te boek als klassiek gereformeerd. Wat Klaas Schilder met Abraham Kuyper gemeen had, was zijn poging om actief een hecht gereformeerd cultuurleven op te bouwen, dat zich niet isoleerde, maar vormend op de maatschappij moest inwerken. In dat opzicht stonden dr. K. Schilder en de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt in de lijn van de neo-calvinisten. Schilder wilde zich echter niet buiten de kaders van Schrift en belijdenis begeven. Hij was wars van een in zijn ogen inhoudsloos oecumenisch christendom. Als men hem vroeg naar zijn dogmatiek, haalde hij de Drie Formulieren van Enigheid voor de dag, en zei: dat is mijn dogmatiek.[27] Schilder bestreed de theologie van Karl Barth die de Bijbelse verhalen (hoewel getuigend van de ware levende God en Zijn wereld) aangaande de schepping en val 'fantasie' noemde, de predestinatieleer van Calvijn verwierp en neigde naar een alverzoening. Dit laatste wilde Barth overigens niet bevestigen. Schilder noemde Wisse 'mijn altijd gerespecteerde filosofisch-dogmatische cursus-leermeester', als het ging om het zoeken naar antwoorden op de moderne theologie en filosofie. Schilder stond ook negatief tegen de heersende opvatting van de veronderstelde wedergeboorte in de Gereformeerde Kerken. Als het gaat om de betekenis van de doop en de heiligheid waarover in het doopsformulier gesproken wordt gaf Schilder hieraan de volgende uitleg: „Wat voor heiligheid het is, die toekomt aan kinderen, welke uit christelijke ouders geboren zijn, daarop antwoorden wij, dat zij niets anders is, dan dat de kinderen behooren tot Gods kerk, even goed, als waren ze geboren uit ouders, die beide geloovig waren, precies zóó, als eertijds van de kinderen der Joden, wijl ze nakomelingen van Abraham waren, gezegd werd, dat ze in Gods verbond begrepen waren, omdat God aan Abraham beloofd heeft, dat Hij niet alleen zijn God, doch óók de God van zijn zaad wilde wezen."[28] Bij de vrijgemaakten gaat het erom Gods verbond en Zijn beloften die ons dus daadwerkelijk in de doop zijn toegezegd en verzegeld, in het geloof te aanvaarden. Bij hen overheerst het objectieve element. Zij zijn afkerig van in hun ogen subjectivistische of bevindelijke prediking. Lieten de christelijke gereformeerden als vanouds nog de noodzaak van wedergeboorte "als vernieuwing en levendmaking" als "bovennatuurlijk werk van de Heilige Geest" vooraf gaan, de vrijgemaakten gebruikten het woord 'wedergeboorte' in de zin van de heiligmaking of de dagelijkse bekering. Ze zijn beducht voor een 'wedergeboortetheologie' die leidt tot lijdelijkheid en in hun ogen valse mystiek. Men bedoelt dan de wedergeboorte als een soort ingestorte hebbelijkheid die men mogelijk wel of niet verkrijgt. Men ziet hier een onderwaardering van Gods verbond en toezeggingen. Dit wil niet zeggen dat volgens Schilder en de Vrijgemaakten het geloof geheel buiten de persoon omgaat. Zij wilden echter het bevindelijke element niet op de voorgrond plaatsen, omdat zij in bevindelijke prediking bepaalde excessen zagen van het spoor van de Reformatie. Dat deze gedachte nog voortleeft blijkt uit de uitspraak van de Nederlands gereformeerde predikant drs. L. G. Compagnie in zijn boekje Alverzoening? „We leven in een tijd waarin individualisme centraal staat, en ook door de invloed van piëtisme en Nadere Reformatie is het accent op persoonlijk heil toegenomen, maar de vraag ”Hoe kom ik in de hemel” kan ook te veel in het middelpunt komen te staan. We lopen dan het gevaar te veel met onszelf, het individu bezig te zijn, en te weinig oog te hebben voor het geheel van Gods verlossingswerk."[29] De prediking binnen de Gereformeerde Kerken en Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt was vanouds vooral heilshistorisch van aard (het grote verhaal). Een bepaalde hoek binnen dit deel van het Nederlands protestantisme heeft daarom samen met de Nederlands Gereformeerde kerken momenteel veel aansluiting bij bijvoorbeeld de Engelse theoloog Tom Wright. Een ander deel met name in de voormalige Gereformeerde Kerken viel ten prooi aan volledige vrijzinnigheid nadat de wissel rondom het absoluut gezag van de Heilige Schrift eenmaal was omgezet (Kuitert).

De kanselboodschap van 1953Bewerken

Toen het bevindelijke element in de Christelijke Gereformeerde Kerken ook teloor dreigde te gaan, waren er regelmatig predikanten of gemeenten die zich losmaakten en over gingen naar andere (meer bevindelijke) kerkverbanden. In 1952 verlieten de predikanten E. du Marchie van Voorthuysen (Leersum) en J. G. van Minnen (Huizen) de Christelijke Gereformeerde Kerken. Daarnaast kreeg de synode van 1952 te maken met een kritisch rapport van de classis Dordrecht onder leiding van ds. M. Baan (Dordrecht). Naar aanleiding van deze uittredingen en dit rapport kwam het in 1953 zover dat er een Kanselboodschap [30] werd uitgegeven op aandrang van met name Prof. G. Wisse. Deze kanselboodschap was uit zorg rondom de prediking, “de ernst in de behandeling der ons toebetrouwde zielen”.[31]

 
Christelijke Gereformeerde Kerk Dordrecht Centrum
 
Christelijke Gereformeerde Kerk Dordrecht Centrum

De kanselboodschap die in alle Christelijke Gereformeerde Kerken werd voorgelezen, was gericht aan alle predikanten, hoogleraren, ouderlingen, jeugdleiders, gemeenteleden en riep op: "in de prediking te blijven benadrukken: Dat zalig worden een wonder blijft, en de noodzakelijkheid van wedergeboorte door de Heilige Geest niet uit het oog mag worden verloren. Nodig is dat wij in de bevindelijke weg leren, dat wij God kwijt zijn, en van nature in een verbroken werkverbond liggen, dood door de misdaden en de zonden, en wij alleen door een oprecht geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig kunnen worden."[32]

Periode 1953-1962Bewerken

De uitwerking van de kanselboodschap is beperkt gebleven, want de onrust werd slechts voor een kort moment weggenomen. Onderhuids bleven de verschillen van inzicht bestaan en werd de afstand tussen de flanken in de hierna volgende periode groter. De synode weet echter, als de discussie dreigt vast te lopen, steeds weer tussen de verschillen door te manoeuvreren met het begrip 'vrijheid.' Hierbij doet de synode zelf hoogstens aanbevelingen, maar laat de praktijk over aan de plaatselijke kerken. Hoewel men met dit beleid formeel de eenheid heeft weten te bewaren, in de zin een scheuring op grote schaal voorkomen, anderzijds zijn de Christelijke Gereformeerde Kerken als gevolg hiervan steeds verder uit elkaar gegroeid.

Willem Kremer (1896-1985)Bewerken

In 1953 werd ds. W. Kremer hoogleraar aan de Theologische School te Apeldoorn. Ook was hij hoofdredacteur van De Wekker. Op enkele belangrijke generale synoden functioneerde hij als voorzitter, t.w. 1941, 1947 en 1953. Kremer zag zich geroepen om de twee flanken die uiteen dreigde te groeien, bij elkaar te houden. Hij deed dit door allerlei zaken bespreekbaar te maken en door de verschillende visies af te wegen in de brochure: Spanningen en gevaren in het leven van onze Christelijke Gereformeerde Kerken (1953). Ook gaf hij een aanzet hoe zijns inziens de prediking binnen het kerkverband zou moeten zijn. Daarbij schreef hij onder meer: "We mogen in de prediking de gemeente niet benaderen vanuit een bepaald vooringenomen standpunt. Als zouden bijvoorbeeld alle gedoopten automatisch delen in het heil. Of als zouden allen (vanuit de gedachte van de 'alverzoening') eenmaal wel zalig worden. Het Woord moet beslag leggen met Zijn beloften en eisen". Kremer genoot een zeker vertrouwen van de oude garde. Het is de vraag in hoeverre er gesproken kan worden van een bepaalde ontwikkeling in zijn opvattingen. Kremer begon in zijn brochure met het relativeren van zaken die behoorden tot een ouder patroon. Volgens T. Brienen zou Kremer (1896-1985) als hoogleraar aan de Theologische School tussen 1954-1969 een voortrekkende rol hebben ingezet voor 'een ander type prediking' waarin meer het accent kwam te liggen op 'het geloof' en 'de gemeente als verbondsgemeente'.[21] In één van zijn artikelen schreef Kremer dat het Bijbels is om de gemeente aan te spreken als „broeders en zusters in onze Heere Jezus Christus.” Bewaarden tegen een dergelijke aanspraak van de (uiterlijke) kerkelijke gemeente gaven daarentegen aan bang te zijn dat het onderscheidend element in de prediking hiermee zou wegvallen. De gehele kerkelijke gemeente wordt uiteindelijk gezien als een verzameling van wedergeboren christenen, waarbij de oproep tot de noodzaak van wedergeboorte en bekering een gepasseerd station is.[33] Het bovenstaande scenario komt inderdaad het meest overeen met de historische gebeurtenissen die in deze periode plaats vonden en met de uitlatingen van zowel voorstanders als tegenstanders van een bepaald type prediking. Er zijn dan twee lijnen qua prediking te bespeuren binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken. De meer op het individu gerichte (bevindelijke) benadering, die voorgestaan werd door de oude lijn van de Christelijke Gereformeerde Kerk en in de publicaties van P.J.M. de Bruin, G. Wisse en L.H. van der Meiden naar voren komt. En een meer objectieve (voorwerpelijke) benadering van W. Kremer, J.H. Velema en W.H. Velema. De laatst genoemde benadering wordt in de tweede helft van de twintigste eeuw toonaangevend en is vooral terug te vinden in de huidige middengroep van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Bij Kremer en de beide Velema's klinkt nog wel een waarschuwend geluid voor een bepaald misbruik van de meer objectieve verbondsbenadering.[19][34]

Berend Jacob Oosterhoff (1915-1996)Bewerken

De tweede hoogleraar die in 1953 benoemd werd door de Generale Synode als opvolger van professor L.H. van der Meiden was dr. B.J. Oosterhoff. Oosterhoff was een kenmerkende vertegenwoordiger van een nieuwe generatie predikanten binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken die veel waardering kon opbrengen voor de theologie van J.G. Woelderink. Diens benoeming als zodanig leidde nog niet tot onrust maar in de jaren daarop publiceerde Oosterhoff wel studies die in de rechterflank van het kerkverband en andere delen van de gereformeerde gezindte bezwaren opriepen. Bij Oosterhoff vallen woorden en zinnen als "herinterpretatie", "actualisering van teksten", "belijdenis niet als een knellende band", "tekst van het Oude Testament is geen dode letter", "in een latere tijd en in een latere context kan een tekst een nieuwe betekenis ontvangen" etc. In verschillende delen van de reformatorische gezindte, ook in gereformeerd-vrijgemaakte hoek, vond men de stellingen van Oosterhoff, met name ten aanzien van Genesis en de Brieven van Paulus echter te ver gaan. Eén van zijn stellingen ten aanzien van Genesis was: "Hoofdstuk 2 en 3 [van dit Bijbelboek] verhalen ons feiten, maar deze worden ons meegedeeld in symbolische taal". Oosterhoff kan samen met zijn latere collega J.P. Versteeg (1938-1987) als voorloper genoemd worden van een derde meer progressieve stroming binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken. In diens taalveld is duidelijk de argumentatie terug te horen van deze stroming die vanaf de jaren zeventig en vooral vanaf de jaren tachtig sterker van zich zal laten horen. De conclusie van de vrijgemaakte predikant Joh. Francke over de theologische denkwijze van Oosterhoff was: "Zij is niet extreem links, dus niet in de geest van Kuitert, maar het is ook niet gereformeerd. Het is tweeslachtig en daardoor gevaarlijk! Met een stelling als deze zet prof. Oosterhoff zich buiten de gereformeerde belijdenis aangaande het gezag van de Schrift." [35][36]

Jan van Genderen (1923-2004)Bewerken

Van 1954 tot 1993 was Jan van Genderen hoogleraar in de dogmatische vakken aan de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken te Apeldoorn. Van Genderen keerde zich in 1951 tegen de opvattingen van de hervormd-gereformeerde J.G. Woelderink over de verkiezing. "Wij zijn bang voor een abstracte predestinatie-leer, die het evangelie niet voluit laat doorklinken, en voor de tirannie van het systeem, waarvan de hoogste wijsheid schijnt te zijn: als ge niet uitverkoren zijt, wordt ge niet zalig! Wij willen luisteren naar de Schrift. Maar daarom menen wij, dat de gemeente niet gebaat is met beschouwingen als die van Woelderink, juist omdat ze niet verantwoord zijn tegenover het Woord van God."[37]

Van Genderen genoot bij zijn aanstelling het volste vertrouwen van Prof. J.J. van der Schuit. Van der Schuit zelf worstelde sterk met Woelderink die in de periode voor de Tweede Wereldoorlog met een bepaalde profetische toon van zich liet horen en herkende zich voor een deel in diens opvattingen tegenover de Gereformeerde Kerken in Nederland als de Gereformeerde Gemeenten. Van der Schuit onderkende niettemin ook diens onderwaardering van de wedergeboorte in de zin van de Dordtse Leerregels. Bij Van der Schuit was opmerkelijk genoeg aan het einde van diens loopbaan meer waardering te bespeuren voor iemand als Prof. K. Schilder als in een eerdere periode.

GrensverkeerBewerken

Vanaf de jaren vijftig zochten predikanten zoals G.A. Zijderveld, E. Venema (Zwijndrecht), P. van der Bijl, en J.C. van Ravenswaaij (Arnhem) hun toevlucht tot de Gereformeerde Gemeenten. In 1960 sloot de predikant W. Baaij (1893-1961) zich met de gemeente Doorn aan bij de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland.

Hier staat tegenover dat (tijdens en na deze periode) ook weer gemeenten en voorgangers uit bevindelijk-gereformeerde kring zich bij de Christelijke Gereformeerde Kerken aansloten waaronder ds. R. Kok in 1956 met de gemeenten Veenendaal, Westzaan en Mijdrecht, alsmede de gemeenten Sliedrecht (1962) met ds. J. Overduin en Rotterdam-Kralingen met ds. P. Overduin (1980). Al deze gemeenten hadden kort of langere tijd een zelfstandig bestaan geleid maar elk een achtergrond binnen het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten. Respectievelijk hadden zij zich in 1950 en 1930 van het laatstgenoemde kerkverband afgescheiden.

Niettemin nam per saldo de bevindelijke prediking binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken gedurende de jaren zestig en zeventig steeds meer af. Daarbij kwamen de verschillen in levensvisie. Terwijl andere kerkverbanden stelling namen tegen de opkomst van de televisie in de huiskamer, werd het bezit en gebruik daarvan binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken min of meer stilzwijgend geaccepteerd en zelfs als een uitdaging gezien om het evangelie verder uit te dragen. Bezwaren uit de rechterflank lagen niet op het gebied van de uitvinding van de televisie op zich, maar meer dat het gebruik van de televisie in de huiskamer grote gevolgen zou kunnen hebben voor de levensstijl en de maatschappelijke normen en waarden van individuele gemeenteleden.

Periode vanaf 1962Bewerken

Discussie rondom de Nieuwe Bijbelvertaling (1951) op de synode van 1962Bewerken

Op donderdag 20 september 1962 kwam het heikele agendapunt van de Bijbelvertaling op de Generale Synode aan de orde waarover "een langdurige en brede discussie" werd gehouden. De conclusie van de deputaten (die reeds in 1959 rapport hadden uitgebracht) was: "dat na alle onderzoek en bestudering van de tekst en van de ingebrachte bezwaren — waarvan de laatste jaren geen enkele meer was ingebracht —, niet was gebleken dat de Nieuwe Vertaling geen zuivere weergave was van de oorspronkelijke tekst en dies niet in strijd komt met het Woord van God zoals de kerken dat in art. 2-7 van de NGB belijden." Ds M. Baan diende als onderdeel van de deputaten een minderheidsnota in. Naar zijn mening was het onderzoek niet volledig geweest en kon de Nieuwe Vertaling dus niet voor [kerkelijk] gebruik worden vrijgegeven. Na opnieuw onderzoek naar alle geuitte bezwaren, waaronder een verschenen bochure van ds M. Baan[38] alsmede een rapport van de classis Dordrecht, brachten de deputaten de volgende conclusie naar de synode van 1962: "Wat nu de bezwaren tegen de vertaling van de tekst betreft, berichten we u, dat we alle aangehaalde teksten hebben nagegaan, waarbij we ook de teksten uit de brochure [van ds. Baan] hebben betrokken, omdat sommigen daarnaar verwezen hebben. We kwamen tot de conclusie dat het in elf gevallen gewenst was de vertaalcommissie van het Nederlands Bijbel Genootschap te wijzen op een minder of veel minder juiste vertaling in de Nieuwe Vertaling dan in de Staten Vertaling. Het betrof de teksten: Gen. 24:63; 2 Kron. 29:10; Ps. 31:8 ; Hgl. 4:9 ; Jes. 7:14; Matth. 1 : 18; Luc. 1 : 34; Rom. 7 : 23; Efeze 5 : 23; 2 Tim. 3 : 16, Hebr. 12 : 24. We prefereren in deze teksten de Staten Vertaling boven de Nieuwe Vertaling. Overigens is het gehalte van de ingebrachte materiële bezwaren ons tegen gevallen. Dikwijls bleek men de grondtekst niet eens geraadpleegd te hebben of zelf het Nederlands niet voldoende te kennen." Een meerderheid stelde nu voor uit te spreken: "1. dat niet gebleken is dat de tekst van de Nieuwe Vertaling, waar dan ook, in strijd is met de Heilige Schrift als Woord van God, zoals de kerken het in art. 2-7 van de NGB belijden; 2. dat het al dan niet voor de openbare eredienst gebruik maken van een door de kerken betrouwbaar geachte vertaling van Gods Woord, behoort tot de competentie van de kerkenraad; 3. dat gezien de onrust, die er in de kerken in de loop der jaren is gegroeid, de kerkenraden klemmend vermaand worden niet dan met de uiterste voorzichtigheid en slechts dan wanneer het tot stichting der gemeente dienen kan de Nw. Vertaling naast of in de plaats van de St. Vertaling in de eredienst te gebruiken. Een minderheid stelde voor: "alsnog een grondig onderzoek in te stellen naar de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de Nieuwe Vertaling en middelen en wegen daartoe aan te wijzen; zolang dit grondig onderzoek niet is verricht de Staten Vertaling te handhaven in de eredienst." Prof. L. H. v. d. Meiden, die persoonlijk betrokken geweest is bij het tot stand komen van de Nieuwe Vertaling, weerlegde de stelling "dat een of meer leden dier commissie een persoonlijk inzicht in de vertaling zouden hebben kunnen indragen." Hij stelde voor om, indien gewenst, een controle commissie te benoemen in samenwerking met andere kerken van gereformeerde belijdenis. Een nieuwe stemming wees uit dat 33 leden voor het voorstel van het meerderheidsrapport zijn en 15 tegen. De synode sprak vervolgens uit "dat dus het gebruik van de Nieuwe Vertaling naast de Staten Vertaling in de eredienst niet is af te keuren. Oog hebbend voor de situatie op heden in ons kerkelijk leven acht de synode het echter raadzaam de Staten Vertaling in de eredienst te gebruiken. Er is beslist door dit besluit niets veranderd in de leer der kerken noch in de beleving van Gods Waarheid, daar die nooit afhankelijk zijn van een vertaling, maar alleen gegrond op het Woord van God zelf, zoals het in de grondtalen ons is gegeven en waaruit elke dienaar de boodschap van het levende Woord heeft te brengen."[39]

Naar aanleiding van dit besluit van de synode werd op initiatief van de heer Kooistra uit Dantumadeel (Damwoude) het Landelijk Comité tot Behoud van de Statenvertaling opgericht dat na enige tijd ook binnen andere kerkverbanden steun kreeg. Het comité kon daarop worden omgezet in een stichting, de Gereformeerde Bijbelstichting. Vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken waren hierbij betrokken de predikanten M. Baan, E. Venema, J.C. van Ravenswaaij en ouderling A. Bergsma uit Rotterdam-West. Van de hand van laatst genoemde verscheen de brochure Statenvertaling contra Nieuwe Vertaling. Deze brochure waarvan in de periode 1965-1985 maar liefst 50.000 exemplaren werden verspreid, werd door Prof. dr. B.J. Oosterhoff in De Wekker kritisch onder de loep genomen.[40] Volgens Oosterhoff ontbrak de schrijver "alle deskundigheid en talenkennis" om een juiste afweging te maken. De Waarheidsvriend, het orgaan van de Gereformeerde Bond viel Oosterhoff op dit punt bij.[41] Het Gereformeerd Weekblad [ds. L. Vroegindeweij] noemde als bezwaar tegen sommige uitlatingen in de genoemde brochure, "dat er niet altijd rekening gehouden is met de betrekkelijkheid van veel vertalingen en meningen, en dat eigen gedachte soms, als het eind van alle tegenpraak wordt gesteld. Ik zeg dit aarzelend, want over het algemeen heb ik wel waardering." Zijn conclusie was: "Voor de vertaling van de Bijbel hebben wij mannen nodig, die even reformatorisch zijn als de [Statenvertalers] en even goed bedreven in de oorspronkelijke taal."[42] Volgens ds. G. Blom (Bewaar het Pand) "ging het de schrijver van de brochure "om de kernwaarheden, de wezenswaarheden van de Schrift, dat deze niet aangetast, verdoezeld, verzwakt of geheel wegvertaald worden." "Daarom gaat het niet aan kritiek te leveren op bepaalde uitspraken van de schrijver. Kritiek kan altijd gemaakt worden. Het gaat om de strekking van de brochure. Met die strekking zijn we het volkomen eens." (...) "Het blijft niet bij de Nieuwe Vertaling, die er thans al is." (...) "Vroeger was het taalgebruik van de Heilige Schrift van invloed op de taalvorming, nu is het juist andersom: de taal van de Heilige Schrift moet zich aanpassen aan de gesproken taal. Zo wil men. Daarmee wordt onherroepelijk ook van de inhoud van Gods Woord steeds meer prijsgegeven."[43][44]

De vraag naar meer gezangen (1967)Bewerken

In 1967 stelde de ARP-burgemeester C.J. Verplanke in De Wekker vast "dat de vraag naar meer gezangen geleidelijk ook in onze Kerken luider wordt." Vandaar dat hem de vraag aan de orde te stellen "in hoeverre uitbreiding van onze gezangenbundel materieel en formeel geoorloofd is" niet onredelijk leek. Volgens Verplanke is het feit "dat in onze erediensten vrijwel uitsluitend psalmen worden gezongen, nooit overeenkomstig de bedoeling van Calvijn geweest." "Toen hij voor kerkelijk gebruik een liederenbundel gereed wilde maken, is hij uiteraard met de berijming en toonzetting van het meest voor de hand liggende Bijbelboek, dat der Psalmen, begonnen, maar dat hij nooit verder is gekomen, is te wijten aan het feit, dat de arbeid van de psalmberijming veel meer tijd kostte dan hij had verwacht, zodat hij niet meer aan de verdere voltooiing van de hem voor de geest staande liederenbundel is toegekomen. In ieder geval is de beperking van het kerkboek tot een bundel van uitsluitend psalmen niet te wijten aan het feit, dat hij bezwaar zou hebben tegen andere liederen, de zgn. gezangen."[45] Ds. M. Baan sprak daarentegen zijn afkeuring uit: "Eén der oorzaken van de afscheiding in 1834 was de strijd om de gezangen. Naar het schijnt is er nu weer een nieuwe strijd op komst, want u hebt het kunnen lezen in de dagbladen: „Chr. Ger. vragen meer gezangen”. De classis Amsterdam heeft namelijk besloten twee verzoeken aan de generale synode te doen tot uitbreiding van de gezangenbundel. De classis vraagt "meer berijmde schriftgedeelten en gezangen, die geen direkte berijming van schriftgedeelten zijn. Bij berijmde schriftgedeelten worden in het voorstel als voorbeelden genoemd: Daar is uit ’s werelds duistere wolken (Jes. 9); De dorre vlakten der woestijnen (Jes. 35) en Wie heeft op aard’ de prediking geloofd (Jes. 53). In het tweede voorstel vraagt de classis "de mogelijkheid te overwegen om gezangen, die wel geen direkte berijming van schriftgedeelten zijn, maar de heilsopenbaring, waar deze in het Oude Testament nog duister, maar in het Nieuwe Testament zeer klaar is (NBG. art. 9) beter dan de psalmen kunnen bezingen, voor gebruik in de eredienst toe te laten, opdat de kerk van Christus met langer verhinderd zij, de naam van haar Heere Jezus in haar lied te noemen." Volgens ds. M. Baan kunnen "onze oud testamentische psalmen volop Christus- of Messiaanse psalmen genoemd kunnen worden; wat dat betreft leeft de kerk heus niet in een vrijwillige armoede." (...) "Daarbij komt, dat de kerk in de psalmen vindt, wat nog rijker is, namelijk de in en door Christus verzoende gemeenschap met God! Zo heeft men de psalmen wel Christocentrisch-Theologisch genoemd, d.w.z. juist de psalmen wijzen ons in Christus de weg tot de verzoende gemeenschap met God! Dat is de diep geestelijke inslag van onze psalmen, waar het naar God bedroefde zondaarshart dan ook zijn zielsvertolking in vinden mag."[46]

Dr. T. Brienen en de prediking van de Nadere Reformatie (1974)Bewerken

In 1974 verscheen een proefschrift van T. Brienen, predikant in Groningen, die promoveerde tot doctor in de godgeleerdheid op het onderwerp: De prediking van de Nadere Reformatie. Behalve waardering riep dit proefschrift ook bedenkingen op in de rechterflank van de Christelijke Gereformeerde Kerken, Bewaar het Pand], alsmede aanverwante groeperingen waaronder de Gereformeerde Gemeenten. Het proefschrift bevatte een onderzoek naar het gebruik van de 'klassifikatiemethode' binnen de prediking van de Nadere Reformatie. Brienen typeerde de Nadere Reformatie als "een stroming in de [Nederduitse] Gereformeerde Kerk, die in de jaren na de nationale Synode van Dordrecht (1618-1619) heeft aangedrongen op een voortgaande reformatie (...) De beweging ontstond o.a. als waarschuwende reactie tegen de leerheiligheid, die zich na de synode van Dordrecht dreigde meester te maken van de Kerk en van de prediking; (...) De klemtoon lag op de groei en de vrucht van het geestelijk leven als christen. De predikers van de Nadere Reformatie hebben, aldus Brienen, duidelijk onderscheiding aangebracht tussen explicatio en applicatio, of te wel het voorwerpelijke en het onderwerpelijke element in de prediking. Veel werd gesproken over de uitverkiezing; het woord en de zaak van de zgn. 'bevinding' namen een sleutelpositie in." Eén van de belangrijkste middelen waardoor de mannen van de Nadere Reformatie hun inzet trachtten te verwezenlijken was volgens Brienen de prediking. "Ze hebben ontzaglijk veel gepreekt en zo kwam hun woord, invloed en boodschap direct onder het volk. Juist in deze prediking ligt hun kracht en door de prediking is de Nadere Reformatie van zo grote betekenis geworden. Honderden preken en vele preekbundels zijn uitgegeven, bewaard gebleven en worden nog gelezen." Naar het oordeel van Brienen spraken echter de predikers van de Nadere Reformatie de 'geclassificeerde hoorders' toe, 'niet met de beloften van het evangelie' maar met 'een overmatige bekommernis om de subjectieve gesteldheid van de mens'. "In feite wordt de mens hier verwezen naar zijn ervaring, om daaruit zekerheid te verwerven. Daarmee is de concentratie van de mens op zichzelf gegeven, gevoed door een prediking, die de zielsgestalten breed uitmeet, maar niet meer vanuit de beloften Gods, de heilsfeiten, de openbaring, appelléért." Brienen stelde zowel 'kenmerkenprediking', als 'gestaltenprediking' onder kritiek. Deze prediking was in zijn ogen 'onbijbels' en de 'belofteprediking' werd erdoor versmald. Bovendien bracht deze prediking ook allerlei gevaren mee zoals hoogmoed bij degenen die behoren bij 'Gods ware volk'. Het zaad wordt gelegd van het separatisme en Labadisme dat beiden uitwassen zijn van de Nadere Reformatie. Men is steeds weer geneigd zich af te zonderen als 'het uitverkoren volkje', of als 'de ware zuivere kerk' en schrijft het merendeel van de kerk en de gemeente af als 'wereld en verworpen hoop.' Hoe ziet Brienen de kerkelijke gemeente dan? Als 'belijdende en gelovige gemeente'. Brienen komt met verwerping van de z.g. 'kenmerkenprediking', 'onderscheidenlijke en bevindelijke prediking' als vanzelf tot een andere gemeentebeschouwing, waarbij men uitgaat van de veronderstelling dat de gehele gemeente als een geheel van ware gelovigen beschouwd moet worden. Brienen studeerde in Apeldoorn, deed zijn doctoraal grotendeels aan de vrijgemaakt gereformeerde Theologische Hogeschool in Kampen, en promoveerde bij de synodaal gereformeerde prof. dr. J. T. Bakker in Kampen.[47][48]

 
Christelijke Gereformeerde-Kerk Poederoijen
 
Christelijke Gereformeerde Kerk Ouderkerk aan de Amstel
 
Christelijke Gereformeerde Kerk Ede

Huidige theologische positie en discussiesBewerken

Heden ten dage kenmerken de Christelijke Gereformeerde Kerken zich door een zeer grote verscheidenheid op het gebied van theologie, liturgische gebruiken en levensstijl. Evenals andere orthodox-gereformeerde kerkverbanden houdt de synodale lijn van de Christelijke Gereformeerde Kerken vast aan het gezag van de Bijbel als zijnde het door God geïnspireerde Woord, en de leer zoals samengevat door de algemeen christelijke en gereformeerde belijdenis geschriften de (Drie Formulieren van Enigheid): de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels. De uitleg van de Bijbel gaat volgens de beginselen van de gereformeerde hermeneutiek. "De gereformeerde Schriftbeschouwing of hermeneutiek wil rekenen met tijd en cultuur van toen en van nu maar niet zo dat de cultuur gaat heersen over het gegeven Woord. De uitleg van de Bijbel vraagt om een vergelijking van Schrift met Schrift. Zij houdt daarbij rekening met de geschiedenis van het heil in de voortgang van het Oude naar het Nieuwe Testament." Maatschappelijk-ethische thema's op basis van de beginselen van de christelijke ethiek (waaronder ook de omgang met actuele thema's als abortus, euthanasie, en homoseksualiteit). Deze verschijnselen die in de Grieks-Romeinse wereld (hellenistische cultuur) ook al voorkwamen, heeft het vroege christendom altijd afgewezen en hier primaire waarden van het christelijk geloof tegenover gezet: de beschermwaardigheid van het leven, omdat het door God geschapen is, en huwelijkstrouw als een verbond tussen één man en één vrouw waaruit vruchtbaarheid kan voortkomen.[49] Het huwelijksverbond is een centraal thema in de Bijbel waarmee ook de band tussen Christus en Zijn gelovigen wordt afgebeeld. De norm koppelt men niet los van het aspect van de liefde. Binnen de kaders van Schrift en belijdenis erkent men wel een zekere ruimte voor 'vrijheid van het geweten.' Dit betreft zogenaamde 'middelmatige' zaken die niet de kern van het geloof raken. Daarnaast kent men ook het reformatorische principe van 'vrijheid van exegese.' Dit principe kan ook toepasbaar zijn in zaken die niet de kern van het geloof raken, maar niet in zaken waarvan men van mening is dat de Bijbel helder spreekt. Het kan ook gaan over zaken waarover men theologisch meer licht gekregen heeft. Over de reikwijdte van het principe 'vrijheid van exegese' is in de achterliggende decennia binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken wel steeds meer discussie ontstaan. Mede hierdoor zijn binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken over tal van onderwerpen verschillende meningen aan het ontstaan.

Discussie rondom schepping en evolutieBewerken

Op een congres op 22 september 2017 dat plaatsvond naar aanleiding van het boek van de theoloog Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voort, spraken de hoogleraren Eric Peels en Arnold Huijgen zich uit tegen de opvatting dat de Bijbel dwingend een jonge aarde zou veronderstellen.[50] De hoogleraren kiezen met deze stellingname voor de lijn die door prof. Oosterhoff in de jaren vijftig al werd uitgezet. In De Wekker van 22 mei 2015 zette ds. P.L.D. Visser evenwel grote vraagtekens achter de poging tot harmonisatie van schepping en evolutie door Van den Brink. Met name de staat der rechtheid, de zondeloze staat van vóór de zondeval zonder lijden en dood is volgens hem onmogelijk te rijmen met een ontwikkelingsproces van evolutie, waarbij sprake is van gevecht om overleving.[51]

Discussie over homoseksualiteit en homoseksuele relatiesBewerken

In 2013 namen de Christelijke Gereformeerde Kerken een besluit over homoseksualiteit en homoseksuele relaties. In 2003 kwam dit onderwerp – naar aanleiding van een appelzaak – op de tafel van de classis Zwolle. De synode van 2007 besloot een studiecommissie in te stellen die een kerkelijke uitspraak moest voorbereiden. Uiteindelijk heeft de generale synode 2013 een uitspraak gedaan op basis van een studierapport. Daarbij heeft de synode ook een handreiking voor kerkenraden gepubliceerd. Verscheidene kerken vroegen een revisie van dat besluit aan. De Generale Synode 2016-2017 is echter gebleven bij het oorspronkelijke besluit: "Homoseksualiteit is een gevolg van de gebrokenheid van de schepping. De Heere gaf het huwelijk, (als een verbond tussen één man en één vrouw) waarbinnen de gave van seksualiteit beleefd mag worden." Iemand die te worstelen heeft met homoseksuele gevoelens is als persoon niet zondiger als iemand die heteroseksueel geaard is want alle mensen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Romeinen 3: 23. Wel zet het geloof in Jezus Christus "ook de seksualiteit in een nieuw kader van de verlossing in Hem." "Wie gelooft, zal door de Heilige Geest vernieuwd worden. Bij die vernieuwing hoort ook de strijd tegen zondige verlangens." [52]

Discussie over de vrouw in het ambt in verband met samenwerking andere kerkenBewerken

De discussie over de wenselijkheid de vrouw in het ambt toe te laten binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken dateert uit de jaren 80 van de twintigste eeuw. In 1983 verscheen de brochure Vrouwen in de dienst, geschreven door een aantal christelijke gereformeerde theologen. De conclusie van dit rapport was, "dat zolang de Christelijke Gereformeerde Kerken vrouwen weren uit de ambten de kerken leven in een onevangelische situatie." Hoewel de synodale richting de conclusie van dit rapport heeft afgewezen, is de discussie sindsdien overeind gebleven. Teneinde diende dr. B. Loonstra (Gouda) op de classis ’s-Gravenhage een voorstel in om de 'CGK-kerken vrij te laten of zij wel of niet de ambten voor vrouwen open stellen'. Volgens ds. Egas (Bewaar het Pand) is de vrouw in het ambt toelaten evenals homorelaties echter 'zonde' en 'gaat in tegen de Schrift'. De predikant zal dat niet verdragen binnen zijn kerkverband. Wat moet binden is volgens hem 'het gezag van de Bijbel' en de 'daarop gegronde uitspraken van de synode'. De voorstanders dienden het kerkverband in zijn ogen te verlaten.[53] Evenwel zijn sinds 2019 meerdere gemeenten overgegaan tot het aanstellen van vrouwelijke ambtsdragers. In de synode kon dat jaar geen overeenstemming worden bereikt over het verslag van de "commissie 7" over dit onderwerp. Sindsdien wordt een besluit steeds weer uitgesteld en wordt openlijk gesproken over een crisis.[54]

Discussie hermeneutiek en herformulering belijdenisgeschriftenBewerken

In 2019 verscheen het boek Lezen en laten lezen, Gelovig omgaan met de Bijbel geschreven door dr. A. Huijgen, hoogleraar systematische theologie aan de Apeldoornse Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Het boek werd door een jury bestaande uit recensenten van Trouw en het Nederlands Dagblad genomineerd als theologisch boek van het jaar 2019. De prijs werd uitgereikt tijdens de Nacht van de Theologie, op 16 november 2019. Huijgen wilde in het boek een poging doen om uit de groeiende tegenstellingen van bijbeluitleg uit te komen rondom gevoelige thema's. Behalve waardering kreeg dit boek ook kritiek uit de rechterflank van de Christelijke Gereformeerde Kerken Bewaar het Pand], de Hersteld Hervormde Kerk[55], de Gereformeerde Gemeenten[56], de Gereformeerde Gemeenten in Nederland evenals in behoudend vrijgemaakte kring. Ds. J.M.J. Kieviet (emeritus-predikant van Renswoude) liet blijken in De Wekker dat 'de verschuivende visie op de Heilige Schrift hem verontrust'. 'Onder het mom van een andere hermeneutiek moeten we anders gaan denken over de oorsprong van de mens en de plaats van de vrouw in de gemeente.'[53]

In 2021 deed Huijgen opnieuw van zich spreken door middel van een publicatie Maria: Icoon van genade waarin hij een pleidooi voerde om "Maria een prominentere plek te geven in de protestantse wereld." Volgens hem missen protestanten sinds de Reformatie de mystiek en de schoonheid van Maria in schilderkunst en muziek, en ook de band met de wereldkerk. "Dan heb ik het niet alleen over de rooms-katholieke kerk, maar ook over de kerken van het Oosten, de orthodoxe kerken." In het Nederlands Dagblad gaf Maria van Mierlo (rooms-katholiek) een positieve beoordeling van het boek. Ze daagde Huijgen uit "zich over te geven aan dat waar hij ‘net niet bij kan’, omdat het laatste geheim pas begrepen wordt op het moment dat we ons overgeven aan wat we niet begrijpen. Zulks op het gevaar af dat hij daarna katholiek wordt, maar dat lijkt me in dit geval een verwaarloosbaar risico."[57] Afwijzende reactie's kwamen uit de rechterflank van de gereformeerde gezindte, waaronder de predikanten P.D. Teeuw (PKN), G. Clements (Gereformeerde Gemeenten) en J. Joppe (Hersteld Hervormd)[58] maar deze woordvoerders wilden volgens Huijgen "graag behouden wat er al is. Om in voetbaltermen te spreken: theologisch gezien spelen ze catenaccio. Verdedigend dus. Dan komt er een theoloog, zoals ik, die zegt: het is goed om wat nieuws te doen, om Maria eens theologisch te gaan ontdekken en dan vinden ze dat een beetje gevaarlijk.”[59] In het Reformatorisch Dagblad gaf Prof. dr. W. van Vlastuin als zijn mening te kennen, dat in het boek van Huijgen 'Bijbelse noties' en 'theologiehistorische verkenningen' te vinden zijn die op zichzelf boeiend en te waarderen zijn. Het geheel loopt echter uit op het betoog dat Maria 'een geestelijke functie' heeft in een ontzield Europa. Vlastuin vroeg zich af of "de huidige Mariadevotie in het geheel van Europa niet veel meer kritische distantie vraagt als de vermeende 'Mariafobie' in protestantse kringen." Officiële roomse uitspraken over 'Maria als medeverlosseres, als eerstgeborene van alle schepselen, als degene die ons Jezus het beste laat kennen, als degene van wie en in wie we zijn, als de vrouw van wie het moederschap ons redt en als de Eva die Christus op Golgotha heeft opgedragen aan de Vader' zijn nog altijd springlevend. "Als je Maria bestudeert, moet je dan niet veel dieper de gereformeerde traditie bevragen op haar „Mariafobie”? Artikel 26 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis legt de vinger op de gevoelige plaats." Prof. Huijgen wil Maria gebruiken om in Europa 'een brug te slaan naar het christelijk geloof.' Hij zoekt iets tussen het geloof en het seculiere. Ik snap en waardeer de intentie (...) maar ik vraag mij af of een neocalvinistische aanpak een alternatief is voor de neoliberale cultuur. Ik denk dat zo’n bruggetje ook een hinderpaal voor het geloof kan zijn, of zelfs een brug uit de kerk naar de wereld (Noordmans). Ik zou meer voelen voor de radicaliteit van Paulus: Wij preken Christus, de gekruisigde. Kortom, ik heb Maria innig lief als mijn zuster, als een moeder in het geloof, omdat wij het van dezelfde Heiland moeten hebben en nergens anders enig heil vinden.[60]

Verklaring van gevoelen ten aanzien van het SchriftgezagBewerken

In 2021 gaven vier predikanten uit de Christelijke Gereformeerde Kerken (Prof. dr. A. Baars, dr. C.P. de Boer, ds. A.A. Egas, en ds. J.M.J. Kieviet) door middel van een Verklaring van gevoelen officieel blijk van hun verontrusting over hoe er in toenemende mate binnen het kerkverband verschillend wordt gedacht over 'het gezag van de Heilige Schrift'. Zij constateerden "een fundamenteel verschil van opvatting aangaande het gezag van de Schrift en de confessionele gebondenheid van haar uitleg." Volgens hen ligt mede hier de oorzaak van de huidige kerkelijke malaise en theologische spraakverwarring binnen de kerken. "We lezen, verstaan en exegetiseren de Schrift niet meer gezamenlijk op dezelfde manier als tot voor kort in onze kerken beleden en gepraktiseerd werd." De opstellers gaven als hun mening aan dat 1. De totale Schrift (Bijbel) geldt als het duidelijke, gezaghebbende en onfeilbare Woord van God, 2. De (gereformeerde) belijdenisgeschriften bepalend zijn en begrenzend bij de uitleg van het Woord van God, 3. Bijbelteksten mogen niet als 'tijdgebonden' worden verklaard om vervolgens de huidige cultuur de uitleg daarvan te laten bepalen, 4. Geloofsgebondenheid aan Christus kan niet leiden tot relativering van Zijn geboden, 5. Schiften tussen historische feiten in de Schrift (Bijbel) ondermijnt het gezag van de Schrift. 6. Het loslaten van de vastheid van Gods Woord geeft opening tot volledig relativisme en menselijke willekeurigheid. De opstellers erkennen dat "niet alle Bijbels-theologische vragen hiermee in één keer zijn beantwoord, maar wel zou er sprake zijn van een geweldige winst als bovengenoemde uitgangspunten algemeen worden erkend en herkend." Tenslotte refereren de predikanten aan het beginsel van de Afscheiding van 1834 waaraan volgens hen het bestaansrecht van de Christelijke Gereformeerde Kerken onlosmakelijk is verbonden.[61][62]

LiturgieBewerken

Liturgisch zijn er grote verschillen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken in de eredienst. In de behoudende gemeenten worden alleen psalmen gezongen onder begeleiding van het orgel. In veel andere gemeenten worden psalmen uit moderne berijmingen gezongen, zoals die uit het Liedboek voor de kerken. Naast de psalmen worden in veel kerken ook gezangen en liederen gezongen uit bundels zoals Opwekking, Op Toonhoogte, en Weerklank. Vaak worden de liedteksten daarbij geprojecteerd door een beamer. De meeste liederen worden begeleid met het orgel, soms ook met de piano.

LiederenBewerken

Voor 2004 werd op synodaal niveau een selectie aan liederen goedgekeurd voor de gemeentezang. Sinds 2004 is er de vrijheid om liederen te zingen mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Een van die voorwaarden is dat de liederen wat betreft de inhoud moet passen bij de klassieke gereformeerde belijdenis. Een andere voorwaarde is dat de liederen wat betreft de vormgeving passen binnen de gereformeerde liturgie. Deze formulering is opgesteld om te voorkomen dat iedere nieuwe bundel of nieuw lied opnieuw beoordeeld moet worden en vermeld moet worden op een lijst met goedgekeurde liederen of een zwarte lijst. Hierdoor is het mogelijk om selectief gebruik te maken van meerdere bundels. De christelijke gereformeerde kerken kennen geen eigen kerkboek of liedboek.

Rapport Stijlvol samenkomenBewerken

Volgens het rapport Stijlvol samenkomen dat onder verantwoording van de synode werd uitgegeven in 2012 "zijn er geen principiële redenen om binnen het raam van het wezen van de eredienst geen variatie aan te mogen brengen in vormgeving en uitingen in de eredienst. Gewaakt dient te worden voor oppervlakkigheid." "Door het toegenomen opleidingsniveau en mondiger opvoeding, zijn er mensen die geen genoegen willen nemen met eenrichtingsverkeer. Men wil zelf een bijdrage leveren aan de eredienst door bijvoorbeeld een getuigenis, het uitspreken van een gebed of door muziek. Aan deze tendensen kan worden tegemoet gekomen als er draagvlak voor is in de gemeente. Daarbij mag nooit de persoon in het midden van de belangstelling komen te staan. Bij een getuigenis dient het te gaan om Gods werk, het gebed moet tot stichting dienen en muziek zal tot Gods eer dienen te zijn."[63] Binnen de rechterflank van de Christelijke Gereformeerde Kerken gaat men met een dergelijke invulling van de eredienst niet mee.

Dans en dramaBewerken

In 2013 werden de kerken voor de vraag gesteld in hoeverre het passend is uitingen van de huidige cultuur zoals dans en drama een plek te geven in de gereformeerde eredienst. De Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken oordeelde in 2017 dat hiervoor onvoldoende Bijbelse grond te vinden is.[64]

KindernevendienstBewerken

In een groot deel van de Christelijke Gereformeerde Kerken is er een kindernevendienst of wordt er zondagschool gehouden tijdens de kerkdienst. In 2019 plaatste de Apeldoornse professor Maarten Kater vraagtekens achter het gebruik van de kindernevendienst. Kater stelde zijn publiek de vraag: "Als wij met onze kinderen verschijnen voor het aangezicht van de Heere, sturen we de kinderen dan niet te gemakkelijk weg? Vaak wordt gedacht dat kinderen in de eredienst alles moeten kunnen begrijpen. Dat is een eenzijdig beeld. Denk ook eens aan de affecten, de genegenheden en de indrukken in een kinderziel. En wie is niet verwonderd als hij merkt dat een kind veel van de preek heeft opgevangen?" In zijn voordracht knoopte Kater aan bij de aanduiding 'godsdienstoefening', zoals de kerkdienst vroeger vaak werd genoemd. "Dat is een mooi woord. Het oefenen van wat de Heilige Geest wil werken, gaandeweg tijdens het luisteren. Dat vraagt ook iets van de prediker: hij moet geen onbegrijpelijke taal gebruiken of steeds hetzelfde zeggen".[65]

De vrijheid van plaatselijke kerken en het christelijk-gereformeerd profielBewerken

De onderlinge verscheidenheid binnen de kerken is voor een groot deel het gevolg van de vrijheid die de synode gegeven heeft aan de plaatselijke kerken. De Christelijke Gereformeerde Kerken blijken echter uiteen te groeien in een bijna onhoudbare spagaat "waarbij de linker- en de rechterflank in de kerk elkaar niet meer verstaan." Op plaatselijk niveau wordt [waar afgeweken wordt van de synodale norm] "de binding met het kerkverband minder en men begrijpt de historisch gegroeide regelingen niet of willen die niet meer. "Veel gemeenten die willen afwijken van de synodale lijn, beroepen zich op de vrijheid waarbij men aangeeft "dat de opbouw en eenheid van de gemeente ermee worden gediend."

Synodaal protestBewerken

Vanuit de synodale hoek klinkt steeds meer protest daar men van mening is, dat sommige kerken zich in hun opvattingen en praktijken plaatsen buiten de kaders "die de Generale Synode biddend, met geopende Schriften en na onderlinge gesprekken besluit als bindend heeft vastgesteld voor de kerken." Volgens ds. P.D.J. Buijs, preses van de laatst gehouden generale synode is er binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken "sprake van een normatief standpunt over [bijvoorbeeld een heet hangijzer als] de vrouw in het ambt". Herman Selderhuis, hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht stelde tijdens een landelijke ambtsdragersvergadering op zaterdag 30 maart 2019: "Dus kun je niet zomaar bepaalde dingen toelaten of gedogen. Gemeenten die eigenmachtig besluiten vrouwelijke ambtsdragers te benoemen, stellen zich buiten de kerk."[66] Vanuit de linkerzijde stelt men daar tegenover: "dat de CGK samenwerking sterk gestimuleerd heeft [met de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en Nederlands Gereformeerde Kerken] en verantwoordelijk zijn voor het feit dat deze [samenwerkings]gemeenten ontstaan."[67] Het is opmerkelijk dat zowel de behoudende richting als de progressieve stroming zich beroept op de eenheid. De progressieve stroming op basis van 'eenheid in verscheidenheid' met in achtneming van de 'vrijheid van exegese' en de behoudende richting op 'eenheid in de waarheid.'

Gereformeerde traditieBewerken

Volgens de Apeldoornse professor Herman Selderhuis "willen de Christelijke Gereformeerde Kerken gereformeerd zijn." "Gereformeerd hangt nauw samen met de oude trits sola gratia, sola scriptura en sola fide." "Sola scriptura: de Schrift als norm en bron", "ook als die anders spreekt dan wat ik wil horen en dan wat past bij de cultuur." "In het beginsel sola fide (alleen door het geloof) zit de rijke traditie van het leven in de vreze des Heeren". "We kunnen over geloof spreken dat het onbereikbaar wordt, dat het onmogelijk wordt om aan behoud te denken. Wie die kant op wil moet maar eens lezen wat de reformatorischen van de Nadere Reformatie en de Puriteinen daar echt over geschreven hebben. Maar veel erger nog is het als de noodzaak van geloof niet eens meer genoemd wordt. Of dat er zoveel gesproken en gezongen wordt hoe mooi het is dat ik geloof, dat mijn geloof meer eer krijgt dan mijn God en de vraag of ik wel het ware geloof heb niet eens meer gesteld mag worden." "En dan als derde sola gratia. Gereformeerd is niet: ik heb gevonden, maar ik ben gevonden. Dan gaat het over verkiezing, over de rijkdom die in de Dordtse Leerregels beschreven wordt. Niet over de wens eens gevonden te worden, maar over de zekerheid van het gevonden zijn."[68]

StromingenBewerken

Naast de hieronder meer in detail beschreven 'rechtervleugel' en 'linkervleugel' bestaat er in de Christelijke Gereformeerde Kerken ook nog een flinke 'middengroep'.

De rechtervleugel (Bewaar het pand)Bewerken

Door een bezorgde groep predikanten werd [om te voorkomen dat meer 'behoudende' predikanten en gemeenten het kerkverband zouden verlaten] in 1966 de Stichting Bewaar het Pand opgericht. Tegelijkertijd vormde een stimulans dat [behalve voorgangers en gemeenten het kerkverband verlieten] ook weer gemeenten en voorgangers uit bevindelijk-gereformeerde kring zich tijdens deze periode bij de Christelijke Gereformeerde Kerken aansloten waaronder ds. R. Kok in 1956 met de gemeenten Veenendaal, Westzaan en Mijdrecht, alsmede de gemeente Sliedrecht (1962) met ds. J. Overduin. [Later ook de zustergemeente in Rotterdam-Kralingen met ds. P. Overduin in 1980].

Bij de oprichting van Bewaar het Pand waren betrokken ds. P. Sneep (1916-1976), ds. M.C Tanis (1929), ds. G. Blom (1905-1992), ds. H.C. van der Ent (1918-1997), ds. D. Slagboom (1926-1997), ds. R. Kok (1890-1982), ds. H. van Leeuwen (1906-1988) en ds. C. Smits (1898-1994). Hier voegde zich al snel ook ds. M. Baan (1905-1973) bij.

Op donderdag 14 april 1966 verscheen er voor het eerst een eigen kerkelijk blad. Tot vaste medewerkers werden benoemd: ds. G. Blom (Meerkerk), ds. R. Kok, (Ameide), ds. H. van Leeuwen (Rotterdam-West), ds. C. Smits (Sliedrecht), ds. D. Slagboom (Dordrecht), ouderlingen J. van Heteren (Sliedrecht-Centrum), Joh. v.d. Lee (Alphen aan den Rijn) en B. v.d. Wal (Dordrecht-Centrum).

Hoewel ds. R. Kok wel behoorde tot de stimulators van Bewaar het Pand, was diens rol in de uitvoering naar eigen wens meer op de achtergrond. Het was voornamelijk ds. G. Blom die jarenlang een belangrijke woordvoerder van de Bewaar-het-Pand-richting was. Blom oriënteerde zich sterk op de oude lijn van de Christelijke Gereformeerde Kerk en liet van zich horen wanneer hij meende dat er afwijkende geluiden binnen het kerkverband te horen waren. De toenemende invloed van de theologie van J.G. Woelderink zag Blom eerder als een bedreiging als een verrijking. "Woelderink had een idealistische gemeentebeschouwing, die de onze niet kan zijn. Woelderink was een voorstander van een avondmaalsviering door de hele gemeente." "Laten we nooit vergeten de noodzaak van de inlijving in Christus door de Heilige Geest. We willen helemaal niet beweren, dat er geen verkeerde opvattingen zijn ten aanzien van de vraag wie de Heere roept tot de dis des Verbonds, maar laten we blijven bij wat Gods Woord, de belijdenis en het formulier voor het Heilig Avondmaal daarvan zeggen. Dan worden we er voor bewaard om van het rechte pad af te wijken." "In wat Prof. P.J.M. de Bruin [in diens boekje het formulier van de kinderdoop] schrijft komt duidelijk uit, dat ieder kind der gemeente, iedere bondeling gedoopt moet worden en niet alleen de uitverkoren of wedergeboren bondeling, maar ook dat de vernieuwende werking van Gods Geest in het hart nodig is om door wedergeboorte geestelijk in het verbond te zijn. We willen niet beweren, dat dr. Woelderink dat alles helemaal ontkent, maar hij geeft toch een andere belichting. En dan komen de waarheden van Gods Woord niet tot haar recht."[69]

De 'Bewaar-het-panders' willen vast houden aan een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking waarin aandacht geschonken wordt aan persoonlijke toepassing van het heil. Deze prediking sluit in hun ogen het meest aan bij het beginsel van de Christelijke Gereformeerde Kerk [1892].[70] Professor L.H. van der Meiden, jarenlang hoogleraar aan de Theologische School van de Christelijke Gereformeerde Kerken, heeft met enige regelmaat over de inhoud van het woord bevinding geschreven, en geeft daaraan de volgende definitie: "Bevinding is dat wat de ziel ondervindt als de Geest werkt in het hart, de liefde van Christus het hart vervult, de verzoening met God genoten wordt, maar ook: wat gelovigen missen en lijden in duisternis en twijfel en doormaken in verachtering der genade en bestrijding, naar de Schrift." "Wie toepasselijk preekt zal niet zonder vermaning en toepassing de gemeente laten gaan. Toepasselijk preken is: de waarheid, die uit de tekst is opgediept, moet vloeibaar worden gemaakt, met de mens in verbinding worden gebracht en aangewend op het leven in al zijn schakeringen en standen, zowel het natuurlijke als geestelijke. Wie daaraan voldoet zal ook onderscheidend preken. De demarcatielijnen moeten zo duidelijk worden getrokken, dood en leven moeten zo helder in het licht worden gesteld, het Woord Gods moet zo zuiver worden geopend en de sleutel zo getrouw worden bediend, dat een ieder die zich waarlijk aan de preek toetst, weten kan, of zijn ziel deelt in het leven en of hij behoort tot de levende Kerk. Maar de prediker moet ook zo onderscheidend preken, dat de levend gemaakte ziel de verschillende toestanden hoort en de onderscheiden trappen des geloofs worden aangewezen. Dit preken ontbreekt te veel in onze tijd. Zelfs wordt het als ziekelijk veroordeeld."[16]

Binnen de rechtervleugel handhaaft men het gebruik van de Statenvertaling omdat men van mening is, dat deze vertaling, hoewel een statig karakter en mindere vlotte lezing, nog steeds de meest betrouwbare vertaling uit de grondtalen (Hebreeuws en Grieks) is. Moderne of meer hedendaagse Bijbelvertalingen worden veelal beoordeeld als ‘minder juiste weergave van de grondtekst’ of ‘diepte van de woorden in de grondtaal is weg-vertaald’. Dit laatste kan relevant zijn, wanneer het gaat om discussies op theologisch of ethisch gebied.[71] Ondanks de handhaving van de Statenvertaling in de eredienst gebruiken veel leden (en met name de jongeren) uit deze kerken thuis niet meer deze - voor hen vaak moeilijke - vertaling. Het bezwaar tegen de herziene Statenvertaling [HSV] bestaat voornamelijk hieruit, dat men van mening is 'dat hier geen sprake is van een herziening maar van een nieuwe vertaling die in veel gevallen nog verder gaat dan de NBG vertaling van 1951.' De HSV zou een vrijere vertaling bevatten ten koste van de letterlijke vertaling. Men is van mening dat er sprake is van 'inhoudelijke theologische verzwakkingen als gevolg van de herziening'. 'De Statenvertaling staat in nauw verband met het verstaan van de gereformeerde belijdenisgeschriften'. 'Wie overstapt op de Herziene Statenvertaling zal eerder vervreemd raken van het geestelijk en theologisch gedachtegoed dat schittert in de Statenvertaling en de gereformeerde belijdenisgeschriften.'[72]

Wat betreft de liturgie wil men niet meegaan in de uitbreiding van het aantal gezangen. Men wil blijven bij de enige gezangen die behoren bij de psalmberijming van 1773. De gezangenkwestie is een discussie die al heel lang speelt binnen het Nederlands protestantisme. Met name in de periode rondom de Afscheiding van 1834 is er veel strijd over gevoerd.[73] Ook het aantal muziekinstrumenten wil men niet uitbreiden, men blijft het orgel verkiezen. Het gebruik van populaire muziekinstrumenten of stijl wordt afgewezen, evenals een alternatieve invulling van de eredienst in plaats van de prediking. Ten opzichte van bepaalde gebruiken zoals de kindernevendienst is men heel kritisch. Men ziet deze verschijnselen als in strijd met het karakter van de eredienst, namelijk ‘het komen voor Gods aangezicht’. De prediking behoort centraal te staan in het midden van de gemeente en kinderen horen daarbij óók aanwezig te zijn.[74]

Men is geen voorstander van eenheid met de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt of Nederlands Gereformeerde Kerken. Behalve bezwaren die vanouds gelden tegen de prediking, spelen nu vooral ook bezwaren een rol tegen de theologisch-progressieve richting waarin deze kerkverbanden zich ontwikkelen. Men oriënteert zich in dit opzicht liever op de Hersteld Hervormde Kerk. Ds. A.A. Egas riep de Gereformeerde Gemeenten op om predikanten vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken waarmee geestelijke herkenning bestaat op de kansels binnen dit kerkverband toe te laten. De Bewaar het Pand-richting binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken werkt op tal van terreinen samen met gelijkgezinden. Dat bleek bijvoorbeeld bij de interkerkelijke samenwerking bij de totstandkoming van De Bijbel met uitleg. Dit is een editie van de Statenvertaling zoals uitgegeven door de Gereformeerde Bijbelstichting met uitleg van moeilijke woorden en verzen en illustraties.

Binnen Bewaar het Pand is men niet gelukkig met de meer algemene ontwikkeling binnen de gereformeerde gezindte waarbij "mannen als Calvijn, Kohlbrugge en anderen ingewisseld worden voor een man als Bonhoeffer." Volgens ds. P. den Butter "was Bonhoeffer een man die onder invloed stond van Karl Barth, maar daarmee een eigen weg is gegaan, die haaks stond op de leer van de Reformatie. Weliswaar heeft hij zijn ideologie met de dood moeten bekopen, maar daarmee is hij nog niet van hetzelfde statuur als de reformatoren en de nadere reformatoren. Het gedachtegoed van Bonhoeffer is een voorbeeld van het gevaar dat dreigt als theologen telkens weer op experimentele wijze wegen gaan bewandelen die een mens langzamerhand van de hoofdweg afvoeren. Dat is bijvoorbeeld gebeurd in de Gereformeerde Kerken door mannen als Kuitert.”[75][76] Ds. P. Roos constateerde in 2015 "dat het alom waarneembaar is dat Bonhoeffer 'in' is. Velen, ook uit onze kringen, houden zich met hem bezig. Zijn principiële houding tegenover het Nationaal Socialisme dwingt nog steeds respect af." "Karl Barth [door wie Bonhoeffer beinvloed is] werd algemeen gezien als een bedreiging voor de rechtzinnige leer." (...) "Daarentegen hebben velen, ook onder ons, een lans gebroken voor Bonhoeffer. Begrijpelijk, want wat deze Duitser heeft uitgedragen aan oprechte overtuiging, is niet gering. Hij offerde zijn leven voor de zaak van de waarheid. Dat dwingt respect af." (...) "Bonhoeffer spreekt wellicht daarom zo aan, omdat hij maatschappij-betrokken heeft geleefd. Zo lijkt voor velen de aandacht verlegd van de binnenkamer naar de buitenwacht." "Waarom de buitensporige waardering voor Bonhoeffer? Is dat vanwege zijn inzet in het politieke leven van zijn dagen en vanwege zijn protesthouding? Maar iemand als Bunyan deed dat niet minder. En dat geldt van veel Puriteinen en andere oude schrijvers. Dus constateer ik dat er toch wel een wissel is omgegaan. De lijn van Bunyan ligt me dichter en nader aan het hart dan die van Bonhoeffer. Laten we die lijn vasthouden. Bonhoeffer heeft voor ons te veel invloeden ondergaan die afwijken."[77]

Het middenBewerken

Veel gemeenten behoren niet tot de linker of de rechter vleugel, maar behoren tot het midden. Deze gemeenten zijn niet heel progressief, maar ook niet zo conservatief als de groep rond Bewaar het Pand. In deze gemeenten kan men zowel de Statenvertaling als de Herziene Statenvertaling gebruiken en zingt men uit één of meerdere psalmberijmingen en selectief uit meerdere zangbundels. De bundel Weerklank is in deze middengroep in opkomst.

Een bekende vertegenwoordiger van deze middengroep was ds. Jan Hendrik Velema (1917-2007). Velema was voorstander van een prediking die meer opriep tot geloof in Jezus Christus en erkende dat in deze benadering een zeker breukvlak lag met het verleden toen de wedergeboorte en de geloofskenmerken nog een grotere rol hadden.[34]

Velema stond aan de wieg van de Evangelische Omroep, de Reformatorische Politieke Federatie, en het opinieblad Koers. Hierin nam hij een andere afslag als zijn rechtse broeders rondom Bewaar het Pand die zich, bij verdergaande vervreemding van de ARP en het dagblad Trouw, zich almeer op de Staatkundig Gereformeerde Partij gingen richten en tevens het initiatief tot oprichting van het Reformatorisch Dagblad steunden.

Niettemin was Velema fel gebrand tegen de opvattingen van de moderne Schriftkritiek, van de middenorthodoxie beïnvloed door Karl Barth en liet blijken beducht te zijn voor remonstrantse invloeden vanuit de evangelische beweging waarbij onder meer sprake zou zijn van een oppervlakkig spreken over zonde en genade. Volgens hem mogen wij niet beginnen met te zeggen: ‘God heeft u lief; Christus is voor u gestorven’. Het invullen van onze naam bij Johannes 3: 16 is geen vanzelfsprekendheid.

Aan het einde van zijn ambtelijke loopbaan gekomen verklaarde Velema: "Ik sta in het midden van onze kerken, maar als ik dan toch zou moeten kiezen, dan sta ik aan de rechterkant. Omdat ik ervan overtuigd ben dat Schrift en belijdenis daar functioneren. Maar waar ik heel bang voor ben, en dan heb ik het oog op de hele gereformeerde gezindte, is aan de ene kant een veralgemenisering van het heil: Maak je toch niet druk, je wordt zalig. En aan de andere kant verstening, verstarring: Het is eigenlijk onmogelijk om zalig te worden."[78]

Velema zag veel kerkelijke ontwikkelingen met lede ogen aan, veelal voortgekomen uit synodale besluiten waar hij achteraf persoonlijk spijt over had. "Ik ben heel erg voor eenheid van de kerken. Maar dan ook met alle kerken. Niet alleen met vrijgemaakten en Nederlands gereformeerden; ook met bonders en Gereformeerde Gemeenten. Want anders raken we het evenwicht echt kwijt."[78] Ook andere predikanten binnen deze ‘middengroep’ geven aan de nodige zorgen te hebben over de ontwikkelingen binnen de kerken.[79]

De middengroep van de Christelijke Gereformeerde Kerken is in grote lijnen vergelijkbaar met de positie van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk Nederland.

De middengroep binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken (evenals de Gereformeerde Bond) is de laatste decennia volop in beweging waardoor het moeilijk is te spreken van een eenduidig geluid. Zo is er binnen deze groep meer ruimte ontstaan om met een andere blik te kijken naar bepaalde theologische thema's of meer waardering te hebben voor theologen als Dietrich Bonhoeffer. Volgens de christelijke gereformeerde prof. dr. Gerard den Hertog "kunnen we veel van hem [Bonhoeffer] leren." "Bonhoeffer werd in de jaren ’60 en ’70 sterk gezien als een voorloper van een vrijzinnig geloof. Ik denk dat het zeer kwalijk is om hem zo neer te zetten. Hij is een getuige van een kostbaar evangelie, en op die manier moeten we dankbaar van hem willen leren. Het Psalmboek las Bonhoeffer op een zeer gelovige, christologische manier: We kunnen de Psalmen alleen bidden in gemeenschap met Christus. Hij schreef dit boekje in 1940, toen hij al besloten had dienst te weigeren (waarop de doodstraf stond) en was betrokken bij een aanslag op Hitler. Waarom schrijf je dan een inleiding op de Psalmen? Dat doe je alleen als je gelooft dat Duitsland dát nodig heeft. Hij heeft vroeg ontdekt dat je de Bijbel niet alleen op een strikt wetenschappelijke manier, maar allereerst op een gelovige, betrokken manier moet lezen. Hij neemt het historisch onderzoek naar de Bijbeltekst volledig serieus, maar voegt daar het gelovige perspectief van de kerk aan toe: de echte toegang tot de Schrift krijg je wanneer je voor haar buigt.”[80]

De linkervleugelBewerken

De linkervleugel van de Christelijke Gereformeerde Kerken is in prille vorm ontstaan in de jaren tachtig en doet sinds dien geregeld oproepen tot meer ruimte voor progressieve theologische opvattingen (vrouw in het ambt, acceptatie van gelijkgeslachtelijke relaties in liefde en trouw etc.). Er zijn onder hen veel samenwerkingsgemeenten met (veelal progressieve) gereformeerd-vrijgemaakte kerken of Nederlands gereformeerde kerken. Ook klinkt hier de roep om meer vrijheid betreffende liturgische vernieuwing (zoals dans en drama in de eredienst). Door velen van hen wordt de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004 gebruikt, hoewel dit door de landelijke synode is ontraden. Zo nu en dan klinkt kritiek op de gereformeerde belijdenisgeschriften (Heidelbergse Catechismus, Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels).

Een vertegenwoordiger uit de progressieve hoek is dr. B. Loonstra (CGK Gouda) Van zijn hand verscheen onder meer: ‘Hij heeft een vriend. Homorelaties in de christelijke gemeente’. Mede op grond van de woorden uit 1 Korinthe 10 "Alles is mij geoorloofd", bepleitte Loonstra dat aan "homoseksuele relaties in liefde en trouw" binnen de gemeente van Christus ruimte gegeven zou moeten worden. Tegen deze opinie zijn van synodale zijde bezwaren ingebracht dat een dergelijke exegese of uitleg van een Bijbeltekst geen recht doet aan het geheel van de Bijbel. De betreffende studie van Loonstra werd daarop door hem ingetrokken en uit de handel genomen.

Wat betreft de discussie over 'de nieuwe hermeneutiek' gaat volgens Loonstra de progressieve richting net zo goed op een serieuze manier om met de Schrift en is het volgens hem zeker niet zo dat "de autonome verstaanshorizon van moderne mensen maatgevend wordt." Volgens hem is het een kwestie van "verschillend verstaan" van de Schrift. "Het verschil is theologisch van aard, bij een gemeenschappelijke erkenning van de autoriteit die aan de Schrift toekomt." Daarbij stelt Loonstra de volgende vragen: "Stel je eens voor dat inderdaad in een gemeente velen het intuïtief als onrechtvaardig ervaren dat vrouwen niet dezelfde mogelijkheden hebben als mannen. Moet dan toch deze door hen als onaanvaardbaar aangevoelde toestand voortduren, en moeten deze gevoelens worden onderdrukt? Blijft hier het gebod niet een uiterlijke zaak die niet innerlijk omarmd kan worden? Maar is dit niet in strijd met het karakter van het nieuwe verbond, waarin de Geest de wet in het hart schrijft? Is vasthouden aan de letter dan de oplossing? Terwijl Paulus toch op drie plaatsen, steeds in een ander verband, verklaart dat de letter doodt, maar dat de Geest levend maakt. Wat te denken over de notie van onze vrijheid in Christus, die toch een doorgaande lijn in de prediking van de apostel is? En wat te denken van de liefde als de vervulling van de wet? Dit zijn toch alle Bijbelse noties? Of willen de opstellers gelovigen die de emancipatie van de vrouw als terechte correctie op haar vroegere onderdrukking beschouwen, allen het ware geloof ontzeggen? Welke negatieve gevolgen heeft dit niet ook voor de pioniersplekken en andere missionaire contacten van de kerk?"[81]

Door andere christelijke gereformeerde theologen uit de meer progressieve richting wordt tevens nagedacht of wij mogelijk ook over bepaalde theologische thema's zoals 'de plaats en de betekenis van de verzoening' anders moeten nadenken. De theologie van Karl Barth heeft hierbij een bepaalde geldingskracht. Ds. N.C. Smits (CGK Purmerend) promoveerde in 2021 aan de TUA op het onderwerp Verzoening in Christus bij Hans Joachim Iwand en Eberhard Jüngel. Smits verwoordde zijn gevoelen in het Reformatorisch Dagblad als volgt: "Het Evangelie leert duidelijk dat God ons de zonden kwijtscheldt om niet. Wat er aan het kruis plaatsvindt, is geen rekensom, maar de triomf van Gods vergeving over onze zonde. Naar mijn overtuiging is dit ook de intentie van de belijdenisgeschriften. Alleen zijn de formuleringen soms wat ongelukkig, bijvoorbeeld waar de Heidelberger Catechismus in vraag en antwoord 11 Gods barmhartigheid lijkt te relativeren door te zeggen dat God wel barmhartig is, „maar” ook rechtvaardig. Dat geeft telkens aanleiding tot misverstanden, alsof God niet uit barmhartigheid vergeeft en het probleem eigenlijk in God ligt.”[82][83]

 
Christelijke Gereformeerde Kerk Gouda

Kerkelijke organisatiesBewerken

De Christelijke Gereformeerde Kerken kennen landelijke deputaatschappen en commissies.

Theologische UniversiteitBewerken

De kerken hebben een eigen Theologische Universiteit te Apeldoorn. Hier studeren rond de honderd studenten. Daarnaast zijn er ongeveer dertig mensen die een eigen studieroute volgen. Ook zijn er rond de 25 promotiestudenten, die deels uit het buitenland komen. De Theologische Universiteit heeft nauwe contacten met de Theologische Universiteit te Kampen, onder andere door middel van een gezamenlijke onderzoeksgroep (BEST, Biblical Exegesis and Systematic Theology).[84]

In 2017 gaf de synode geen groen licht voor fusie tussen de eigen Theologische Universiteit Apeldoorn met de universiteit van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt te Kampen en de predikanten opleiding van de Nederlands Gereformeerde Kerken. Dit is opmerkelijk omdat de CGK-synode zelf opdracht heeft gegeven tot een onderzoek naar een intensieve vorm van samenwerking. Op de achtergrond van dit besluit spelen de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt mee, zoals de recente openstelling van 'de vrouw in het ambt' als gevolg van moderne hermeneutische inzichten (Bijbeluitleg).

In 2020 gaf de generale synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken wel groen licht voor de benoeming van hoogleraren die niet lid zijn van het kerkverband. De ontwikkelingen binnen de TUA lopen parallel aan de ontwikkelingen binnen het kerkverband. Er zijn contacten met de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, de Nederlands Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. De laatste jaren zijn er ook enkele docenten die lid zijn van de Gereformeerde Gemeenten. Het feit dat bepaalde docenten die verbonden zijn aan het ene kerkverband doceren ten dienste van een ander kerkverband is een trend die toeneemt. Zo komt dit ook voor aan de Theologische Universiteit Kampen en het Hersteld Hervormd Seminarium. Aan de Theologische Universiteit Apeldoorn doceren vanuit een ander kerkverband dr. H. de Waard, oudtestamentisch Hebreeuws en Bijbels Aramees (Gereformeerde Gemeenten), dr. A. de Muynck, christelijke pedagogiek (PKN), dr. J. van der Knijf, liturgiek (PKN), dr. M.A. van Willigen, Bijbeluitleg Vroege Kerk (PKN), dr. G.A. van den Brink, filosofie (Hersteld Hervormde Kerk), dr. P.L. Rouwendal, methodologie (Gereformeerde Gemeenten), dr. W.A. Zondag, kerk, recht en samenleving (Gereformeerde Gemeenten), dr. A. Clement, theologie en muziek (PKN).[85] Docenten die lid zijn van de Christelijke Gereformeerde Kerken zijn dr. A. Huijgen, dr. M. Kater, dr. E. Peels, dr. H. Selderhuis.

Op 7 januari 2020 werd het Research Center Puritanism and Piety (ReCePP) opgericht. Dit onderzoekscentrum gaat uit van het Hersteld Hervormd Seminarium (HHS), gevestigd aan de Vrije Universiteit Amsterdam en de Theologische Universiteit Apeldoorn. ReCePP werkt onder andere samen met het Puritan Research Center (PRC) dat onderdeel uitmaakt van het Puritan Reformed Theological Seminary (PRTS) in Grand Rapids. Daarnaast wordt samengewerkt met Hapdong Theological Seminary in Zuid-Korea, dat een soortgelijk centrum heeft opgericht. ReCePP wil een impuls geven aan het onderzoek van reformatorische bewegingen in de vroegmoderne tijd (1500-1800) zoals het puritanisme, nadere reformatie en piëtisme. Deze kennis wil het centrum voor kerk en samenleving toegankelijk maken. In de wetenschappelijke adviesraad van het centrum hebben onder andere prof. dr. W. van Vlastuin (Hersteld Hervormd), prof. dr. H. Selderhuis (rector TUA), prof. dr. F. van Lieburg (VU), dr. R. Bisschop (Hersteld Hervormde Kerk) en prof. dr. Andreas J. Beck (Leuven) zitting.

JeugdwerkBewerken

De beide vleugels binnen het kerkverband kennen hun eigen jeugdwerk. Vanouds is er het CGJO (Christelijke Gereformeerde Jongeren Organisatie), maar de progressieve koers van deze jongerenorganisatie leidde in de jaren tachtig van de vorige eeuw tot de oprichting van een conservatieve tegenhanger, het LCJ (Landelijk Contact Jeugdwerk). Deze organisaties werken apart, maar op projectbasis ook samen.

PublicatiesBewerken

De officiële publicatie van de Christelijke Gereformeerde kerken is De Wekker, die tweewekelijks verschijnt. Daarnaast zijn er het blad Doorgeven (dit geeft een beeld van het werk in de zending, evangelisatie en hulpverlening) en Vrede over Israël.

Uit de LevensbronBewerken

Eerst wekelijks en later tien maal per jaar wordt er in de prekenserie Uit de Levensbron een bundel met vier preken uitgegeven door de stichting ''Uit de Levensbron''. Professor Jacob Jan van der Schuit name in 1925 het initiatief voor een prekenserie. Na enige strubbelingen met het aantal abonnees verscheen de eerste jaargang in 1927. De redactie werd gevoerd door de predikanten Jan Hovius en H. Biesma. In het begin ging een deel van de opbrengst naar de emeritikas van het kerkverband. In de eerste jaren van de uitgave wilden niet alle predikanten een bijdrage leveren. Naast de 'vrije stoffen' werden er ook drie series catechismus preken gedrukt. De laatste twee series verschenen wel onder een andere redactie dan die van Uit de Levensbron. In de oorlogsjaren mocht de drukker van de bezetter geen papier meer gebruiken voor het drukken van Uit de Levensbron. Pas in 1947 verscheen de prekenserie weer. Vanaf 1985 werd het uitgeven van Uit de Levensbron ondergebracht in stichting.[86] Tot 1985 werd er iedere week een preek verzonden naar de abonnees. In 1985 wijzigde dit en werd er tien maal per jaar een bundel van vier preken naar de abonnees verzonden.

Recente ontwikkelingenBewerken

Samenwerking met andere kerkenBewerken

Met de Nederlands Gereformeerde Kerken hebben de Christelijke Gereformeerde Kerken inmiddels al jaren een nauwe betrekking, evenals met de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Plaatselijk is er vaak sprake van samenwerking, op enkele plaatsen ook met de voormalige Gereformeerde Kerken in Nederland (nu onderdeel van de Protestantse Kerk in Nederland). Met name vanuit de behoudende vleugel van de Christelijke Gereformeerde Kerken is er veel kritiek op de recente veranderingen binnen de NGK en GKV, zoals de openstelling van de kerkelijke ambten voor vrouwen. Dit zet verdere samenwerking onder druk.

In 2010 besloot de CGK-synode kanselruil met predikanten uit de Hersteld Hervormde Kerk mogelijk te maken. De synode van de Hersteld Hervormde Kerk besloot in 2012 dat ook in omgekeerde richting toe te staan.[87]

In 2013 gaf de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken toestemming om predikanten uit de Protestantse Kerk Nederland die Schrift en de gereformeerde belijdenis in ere houden voor te laten gaan op de Christelijke Gereformeerde kansels. Van een brede openstelling van kansels voor predikanten vanuit de Protestantse Kerk Nederland is echter geen sprake, ook niet van het erkennen van elkaars attestaties zonder meer.

Gevolgen van de secularisatieBewerken

De secularisatie gaat aan de Christelijke Gereformeerde Kerken niet voorbij.[88] Sinds de jaren negentig laat het ledental een dalende lijn zien. Deze dalende lijn is deels het gevolg van overgangen van leden naar andere kerken (zowel naar links als naar rechts), alsmede vergrijzing en algehele kerkverlating.

Het zondagse kerkbezoek neemt af, met name van de tweede dienst op zondag. De tweede (middag of avond) dienst op zondag is onder meer door de Dordtse Synode (1618-1619) aangewezen als ‘leerdienst’, waarbij de behandeling van de Heidelbergse Catechismus een plaats hoort te krijgen. In de morgendienst behandelt men in de regel een willekeurig tekstgedeelte uit de Bijbel.

Het aantal plaatselijke gemeenten neemt af, van 189 in het jaar 2000 naar 180 begin 2014. In de laatste jaren zijn er een aantal plaatselijke gemeenten, bijvoorbeeld in Zwartsluis, Rotterdam-West en Vlissingen opgeheven, andere gemeenten zijn (noodgedwongen) samengegaan met een andere gereformeerde kerk in de regio, zoals in Doesburg. Laatst opgeheven gemeente is Nieuw-Amsterdam, een relatief kleine gemeente met ongeveer 100 zitplaatsen. In de jaren 70 en 80 zat het kerkgebouw op zondag nog vol.

Anderzijds zijn er in de grote steden steeds meer gemeenten die een 'doorstart maken', hierdoor ontstaan zogenaamde zendingsgemeenten. Deze gemeenten richten zich vaak op een bepaalde (allochtone) doelgroep en kunnen een evangelist hebben in plaats van een predikant. Vaak zijn deze zendingsgemeenten ook lid van het ICP-netwerk, dat staat voor International Church Plants.

Een vertekend beeld van de kerkverlating komt ook door de CGK Zwolle die, tegen de landelijke trend in, sterk groeiende is. Zonder deze CGK gemeente (ca. 5000 leden en gastleden; 6% van het geheel) ziet de ledentaldaling landelijk er negatiever uit

Invloed vanuit de evangelische bewegingBewerken

De Christelijke Gereformeerde Kerken worden beïnvloed door de evangelische beweging’ zowel wat betreft de vormgeving (liedcultuur) van de eredienst als de beleving van het geloof. Keerden velen zich na de Tweede Wereldoorlog tegen 'bevinding' en 'subjectiviteit' in de prediking, tegenwoordig gaat de ontwikkeling juist de andere kant op, namelijk extra aandacht voor gevoel en ervaring. Deze ontwikkeling is te verklaren als een reactie op enerzijds het rationalisme binnen de kerken met te weinig aandacht voor het persoonlijke geloofsleven en anderzijds het verlangen van mensen op een eigentijdse en praktische wijze het christelijke geloof te beleven. Ook spelen motieven een rol dat men de drempel 'kerk en wereld' zo laag mogelijk wil houden om de aansluiting op de seculiere medemens niet te verliezen.[89][90]

Plaatselijke kerkenBewerken

Plaatselijke Christelijke Gereformeerde Kerken
Plaats Naam Aantal leden Jaar van ontstaan Huidige predikant(en) Ontstaan uit Gebruikte Bijbelvertaling Bijzonderheden
Aalsmeer De lijnbaankerk 1919 ds. M. Hogenbirk NBV
Aalten 1897 drs. D. (Dennis) van der Wal HSV
Aarlanderveen 1897
Alblasserdam 1967 Gemeente is opgeheven
Alkmaar
Almelo 1894
Almere NBV
Alphen aan de Rijn[91] 1900 drs. A. Hoekman SV Eerste predikant D.J. van Brummen art. 3 D.K.O. (1916-1919); idem pred. (1919-1922)
Ameide 1923 SV
Amersfoort 1893 Eerste predikanten L.H. Beekamp (1916-1922); G. Salomons (1923-1929); P. de Groot (1929-1933)
Amersfoort-Vathorst
Amsterdam - Amstelgemeente
Amsterdam - De Bron
Amsterdam - Via Nova
Amsterdam-Noord 1910 (Noord), 1926 (Oost), 1898 (West) J.M. (Jurjen) ten Brinke, Th. (Theodoor) Meedendorp
Antwerpen/Deurne drs. A.Th. (Anne) van Olst HSV
Apeldoorn (ICF) NBV
Apeldoorn-Centrum 1894 ds. B.A.T. (Arjan) Witzier NBV/HSV
Apeldoorn-Oost ds. A. (Aart) Brons NBV
Apeldoorn-Zuid Vacant NBV
Arnhem ds. M.W. (Rien) Vrijhof NBV Gefuseerd met NGK
Assen
Assen-zoekt
Baarn 1894
Barendrecht 1898 Vacant SV
Bennekom-Oosterbeek drs. G. (Geurt) van Roekel HSV
Beverwijk-Westzaan Vacant HSV
Biezelinge 1916 drs. A.G.M. Weststrate HSV
Boskoop 1900 drs. P.A.C. (Pieter) Boom
Breda 1946 HSV
Broek op Langedijk 1896 Eerste predikant A. van der Heijden (1900-1904), Momenteel Christelijke Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt (CGKV) Broek op Langedijk
Broeksterwoude-Andreas 1925 Vacant SV
Broeksterwoude-Petrus 1925
Bunde/Meerssen drs. J. (Jan) Bosch
Bunschoten 1895 P.W.J. (Willem-Jan) van der Toorn HSV
Culemborg 1868 drs. H.C. (Henric) Bezemer HSV
Damwoude 1900 drs. A.A. (Anton) Egas, ds. P. (Piet) Roos (em) SV
Dedemsvaart 1927 Vacant
Delft 1899 Vacant NBV
Delfzijl 174 1981 Vacant NBV/HSV
Den Haag 1892 (Centrum), 1934 (Oost), 1931 (West) ds. M. (Maarten) Groen, drs. C. van Atten (em), ds. G. Leendertse (em), drs. J. van Mulligen (em) Eerste predikanten (Centrum): J. Wisse Czn. (1892-1906); T.A. Bakker (1906-1923); L.H. van der Meiden (1927-1928), Eerste predikanten (West); J.W. van Ree (1933-1934); N. de Jong (1934-1946); L.S. den Boer (1946-1958), Eerste predikanten (Oost): J.P. Geels (1945-1950)
Den Helder 1907
Deventer 1898 ds. E. (Evert) Everts Gefuseerd met NGK en GKV
Doesburg 64 1896 Vacant
Dokkum 1923
Doornspijk Rehoboth 330 1933 ds B.L.C. Aarnoudse SV
Dordrecht-Centrum 1892 SV
Dordrecht-Zuid 1963
Drachten 1909
Driebergen 1921 ds. K. (Klaas) Visser SV
Drogeham 1930
Dussen
Ede ds. A. (Arie) Versluis HSV
Eemdijk ds. S. (Sander) Griffioen HSV
Eindhoven 1929 Regelmatig zijn er gecombineerde diensten met de NGK (waarmee we al tientallen jaren een zusterrelatie hebben) en er is ook al enige jaren kanselruil met de GKV aan de Orionstraat.
Elburg 1847 ds. J. (Jan) de Bruin SV
Emmeloord 1951
Emmen 540 1953 ds. H.J. Vazquez NBV
Enschede-Oost
Enschede-West ds. A.S. (Aart-Jan) de Jong
Ermelo 1933
Franeker 250 1925 Gefuseerd met GKV (per 1 januari 2016)
Genemuiden 268 1981 HSV
Gorinchem 1929
Gouda ds. B. (Bert) Loonstra
's-Gravendeel
's-Gravenhage-Scheveningen 1946 ds. W.L. van der Staaij SV
's-Gravemoer
's-Gravenzande[92] 1916 ds. A. (Arie) Voorwinden HSV
Groningen 2025 1893
Haamstede Vacant NBV
Haarlem-Goede Herderkerk Haarlem-Centrum (1893), Haarlem-Noord (1928) Eerste predikanten (Centrum): J. Schotel (1893) en 1896-1904),Gemeenten zijn per 2003 samengevoegd
Haarlem-Het Open Huis
Hardenberg
Harderwijk ds. W. N. Middelkoop HSV
Harlingen 1893
Hasselt Vacant
Hattem
Heerde ds. H.M. (Rien) Mulder HSV
Hengelo (Ov)
's-Hertogenbosch 1972 Vacant HSV
Hillegom 1921
Hilversum 1907 Vacant NBV Gefuseerd met GKV
Hoofddorp 1994
Hoogeveen 1313 1904
Hoorn
Huizen 1932 ds. C. de Jong HSV
IJmuiden
Kampen
Kantens
Katwijk aan Zee 1945 ds. M.A. (Rien) Kempeneers SV
Kerkwerve Pniëlkerk drs. A.D. (Arjan) Fokkema SV
Kornhorn 502 1903
Leerdam 285 1915 drs. J. van Walsem SV Tijdens het verblijf van oefenaar D.L. Aangeenbrug verliet in 1941 een groot deel van de gemeente het kerkverband. De gemeente wist een doorstart te maken. Pas na 1969 kreeg deze gemeente weer nieuw elan toen ds. P. van Zonneveld naar de glasstad kwam.
Leeuwarden 1893
Leiden drs. A.J. van der Toorn
Lelystad drs. S.P. (Peter) Roosendaal
Lisse
Lutjegast
Lutten 1892
Maarssen
Maassluis 1893 Ds. M. (Mark) Bot HSV
Meerkerk Vacant SV
Meppel
Middelburg ds. E.B. (Bert) Renkema
Middelharnis 1931 Ds. G.R. (Gerald) Procee SV
Midwolda 1895 Vacant HSV
Mijdrecht
Mussel
Naarden 1943 Vacant SV
Nieuw-Amsterdam 1895
Nieuwegein
Nieuwe Pekela 1910 HSV
Nieuweroord/Nieuw-Balinge 1957
Nieuwkoop SV
Nieuwpoort 1899 ds. G.J. (Geert Jelle) Post SV
Nieuw-Vennep 1895 ds. D.J. (Daan) van Vliet HSV
Nijkerk Ds. J.J.G.(Jorne) de Boer HSV
Nijmegen
Noordeloos 1836
Noordscheschut 1957
Nunspeet ds. P.D.J. (Peter) Buijs HSV
Nunspeet-Ichthus ds. J.G. (Han) Schenau HSV
Onstwedde 1912 HSV
Oosterbeek
Opperdoes 1902 Vacant HSV
Oud-Beijerland 1895 Vacant HSV
Ouderkerk a/d Amstel Ds. W.J. (Willem-Jan) van Gent SV
Oud-Vossemeer 1946 Vacant SV
Papendrecht ds. Stoffer Otten
Poederooijen Vacant SV
Purmerend
Putten
Ridderkerk 1962 Vacant HSV
Rijnsaterwoude 1906
Rijnsburg 1911
Rotterdam-Alexanderpolder 2003
Rotterdam-Centrum 1892
Rotterdam-Charlois 1954
Rotterdam-Kralingen 1930 / 1980 Ds. A.J.T. Ruijs SV
Rotterdam-Oost/Capelle a/d IJssel
Rotterdam-West 1926
Rotterdam-Zuid 1926 NBV
Rozenburg (ZH) 1908 NBV Gefuseerd met de GKV te Voorne.
Sassenheim 1924 NBV
Scherpenzeel
Siegerswoude-De Wilp 1960
Sliedrecht (Bethelkerk) 1894 SV
Sliedrecht (Eben-Haezerkerk 1962 HSV
Sneek 1906
Soest[93] 1923
Spijkennisse 1967 Ds. J. (Arjan) van den Os HSV
St. jansklooster Vacant HSV
Stadskanaal
Steenwijk Eben Haëzerkerk 1893 ds. K. (Koen) Jonkman
Surshuisterveen
Thesinge Vacant
Tholen[94] 1946 Vacant SV
Ulrum[95] 1895 Vacant HSV
Urk (Eben-Haëzer) Eben-Haëzer

Pniël

1894 ds. A.C. (Alwin) Uitslag, Ds. A. (Adri) van Heteren SV
Urk (Maranatha) Maranatha

De Schuilplaats

Immanuelkerk

1976 ds. H. (Henk) Polinder, ds. H. (Hein) Korving, ds. J. (Hans) van Vulpen SV
Urk (Ichthus) Ichthuskerk 2005 ds. H.K. Sok, ds. R. (Remco) de Jong HSV
Utrecht-Centrum 1892 drs. M. (Mark) Bergsma Eerste predikanten: J. Schotel (1893-1896); ds. H.M. van der Vegt (1896-1906); Joh. Janssen (1907-1917); A.M. Berkhoff (1918-1924); G. Wisse (1925-1928); P. de Smit (1929-1946); B.J. Oosterhoff (1945-1954); D. Biesma (1954-1962); A. Bikker (1960-1971); W. van 't Spijker (1962-1972)
Utrecht-West 1948 HSV
Veendam-Wildevank Vacant NBV
Veenendaal (Bethel) 1896 ds. Leo Buijs
Veenendaal (Pniël) Pniëlkerk 1956 ds. F.W. (Floremco) van der Rhee HSV Gemeente is met ds. R. Kok in 1956 overgegaan tot de Christelijke Gereformeerde Kerken (voorheen Gereformeerde Gemeenten). Hierna gediend door J. Keuning (1959-1968)
Veenwouden 1930 De streekgemeente begon op 27 juni 1917 als Vrije Gereformeerde Evangelisatie Vereeniging. Op 20 oktober 1930 bevestigde ds. A. Gruppen uit Zwaagwesteinde twee ouderlingen en een diaken. Ouderling J. Hamstra kreeg permissie om te preken. Na zijn emigratie in juli 1948 werd hij predikant in Canada. In Feanwâlden was hij samen met de latere ds. J. Keuning ouderling.
Vianen 1928 SV
Vlaardingen[96] 1908 ds. C.J. (Kees) Droger HSV
Werkendam 1911 Drs. D. (Daniel) Bos SV
Winschoten 1962 ds. G. (Gurbe) Huisman
Woerden 1893
Zaamslag 1912 Vacant SV
Zeewolde 1995 ds. J.W. (Wim) Wüllschleger
Zeist 1838 Drs. J. (Jelle) Hoefnagel
Zierikzee (Kerkgebouw heeft geen naam) 1836 ds. J. (Jan) van Langevelde HSV
Zoetermeer 1980
Zuidlaren 1982
Zutphen 1914
Zwaagwesteinde 1916
Zwijndrecht 1918
Zwolle 1895

Bekende personenBewerken

Bekende personen uit de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerk[en] in NederlandBewerken

  • Johannes Schotel (Dordrecht, 1 juli 1825- 9 april 1914), predikant Bergambacht (1872), Dinteloord (1873), Alphen aan den Rijn (1875), Scheveningen (1881), Haarlem (1883), Utrecht (1893) Haarlem (1896)
  • Hendrik Marinus van der Vegt (Zwolle, 12 september 1831 - Utrecht,1 juni 1915) Onderwijzer in Zwolle [kerkte bij ds. D. Klinkert Geref. Kerk o/h Kruis Zwolle en ontving theologisch onderwijs van kruisdominee J. Plug]. Predikant Bierum (1863), Arnhem (1868), Heerde (1878), Utrecht (1896). Maakte tweemaal een kerkelijke vereniging mee [1869 en 1892]. Na enkele jaren kreeg hij van de vereniging van 1892 spijt. In 1895 publiceerde hij een brochure met daarin zijn overwegingen. Bedankte datzelfde jaar alsnog voor een beroep van de voortgezette Christelijke Gereformeerde Kerk van Rotterdam. In 1896 nam hij een beroep van de voortgezette Christelijke Gereformeerde Kerk van Utrecht aan. Schreef als een van de weinige van zijn tijd verhalen voor de jeugd.[97]
  • Dirk Jan van Brummen (Arnhem, 7 november 1825 - 25 november 1902), Oefenaar Arnhem (1856) [Geref. Kerk o/h kruis]; Predikant Arnhem 1857; Katendrecht (1867); Woerden (1869); Oud-Beijerland (1872); Dordrecht (1876). Maakte tweemaal een Vereniging mee [1869 en 1892] In zowel 1869 en 1892 ging ds. Van Brummen mee. Van de laatste vereniging kreeg ds. Van Brummen echter al spoedig spijt en sloot zich alsnog aan bij het smaldeel dat in 1892 christelijk-gereformeerd gebleven was.
  • Dirk Jan van Brummen jr. (Arnhem, 15 februari 1862 - 29 december 1946) Lerend ouderling Alphen aan den Rijn (1916); Predikant Alphen aan den Rijn (1919); Boskoop (1922); Driebergen (1924) emeritus 1940.
  • Frederik Philip Louis Constant van Lingen (1832-1913), predikant, docent Theologische School (specialiteit: klassieke talen)
  • Jacobus Wisse Czn. (Oostkapelle, 9 oktober 1843 - 21 augustus 1921) Predikant Dordrecht (1873); Sliedrecht (1875); 's-Gravenhage (1879); docent Theologische School (1894); predikant Zierikzee (1906); emeritus 1920)
  • Jan van der Vegt (Bierum, 5 december 1863 - Harderwijk 16 maart 1929), Studie voor onderwijzer, hoofd christelijke school Zwartenbroek (Gereformeerde Kerken) [ontslagen vanwege verzet neo-gereformeerde leer en overgang naar de Chr. Geref. Kerk 1897] Voorganger Chr. Geref. Kerk Zaandam (1897), predikant Zaandam (1900); Doesburg (1901), Haarlem (1904); Harderwijk (1908); Rijnsburg (1912); Kampen (1916); Harderwijk (2de maal) (1920); emeritus 1923. Werkte mee aan de prekenserie Uit de Levensbron en schreef tweewekelijks in De Banier 'stichtelijke overdenkingen'.
  • Adam van der Heijden (Waddinxveen, 10 mei 1865 - 18 juli 1927), predikant Broek op Langedijk (1900); Dordrecht (1904) docent Theologische School (1909) (specialiteit: ambtelijke vakken)
  • Pieter Johannes Marie de Bruin (Voorschoten, 1 februari 1868 - 13 juli 1947), Studie in Kampen afgebroken na vereniging 1892, Studie voortgezet bij ds. J. Wisse Czn. in Den Haag. Reizend predikant Chr. Geref. Kerk (1893); Apeldoorn 1895); docent Theologische School (specialiteit: Kerkgeschiedenis en Kerkrecht)[98][99]
  • Franciscus Lengkeek ('s-Gravenhage, 7 oktober 1871 - Apeldoorn 11 mei 1932), predikant Harlingen (1903); Enschede (1907); Amsterdam (1909); docent Theologische School (1914) (specialiteit: Exegese Oude en Nieuwe Testament, canoniek en Hermeneutiek). Publiceerde regelmatig in De Wekker en het zendingsblad Uw Koninkrijk Kome.[100]
  • Hector Janssen (1872-1944), Predikant Amsterdam (1898), Leiden (1904), docent Theologische School (1909-1919) Leger predikant (1914) Leger- en vlootpredikant (1919) Emeritus 1919[10]
  • Berend van den Berg (Kampen, 4 juli 1878 - 16 januari 1955), Werkzaam als onderwijzer, Predikant Vlissingen (1911), Sneek (1915), Den Helder (1923); Maassluis (1927); emeritus (1931). Was een warm pleitbezorger van het oprichten van eigen chr. geref. scholen.
  • Leendert Huibert van der Meiden (1882-1962), predikant en docent Theologische School (specialiteit: exegese Oude en Nieuwe Testament)
  • Lambertus Hendrikus Beekamp (Apeldoorn, 28 november 1872 - 4 januari 1960), predikant Delft (1906); Arnhem (1906), Amersfoort (1916), Rozenburg (1922); Harlingen (1925); Meppel (1929); emeritus (1943) [hij was een zwager van ds. P.J.M. de Bruin, schreef diverse catechisatieboekjes over de geloofsleer en de geschiedenis van Christelijke Gereformeerde Kerk].
  • Gerard Wisse (1873-1957), predikant Gereformeerde Kerken in Nederland] Gouda, Amsterdam-Overtoom, Leiden, Driebergen, Kampen, Bodegraven, Driebergen (1898-1920), predikant [Christelijke Gereformeerde Kerken] Arnhem, Utrecht, (1920-1928) docent aan de Theologische School (specialiteit: filosofie, apologetiek, homiletiek) (1928-1936), predikant Amsterdam-Oost, Middelburg (1936-1946), In brede reformatorische kring bekend geworden als [tijd]redenaar.
  • Jan Jongeleen (1879-1961), predikant
  • Hedde Biesma, (Deinum 1882 - Groningen 1929) Studie voor onderwijzer, hoofd Christelijke Gereformeerde School in Sneek (1912), predikant Groningen (1918-1929).[101]
  • Jacob Jan van der Schuit (1882-1968), predikant en docent Theologische School (symboliek en ethiek)
  • Arie Marinus Berkhoff (1885-1944), predikant. Nadat de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk in 1931 en 1932 besloten had dat voor zijn opvattingen van een duizendjarig vrederijk geen Schriftuurlijke grond te vinden was, nam hij afscheid en ging in 1933 over naar de Nederlandse Hervormde Kerk. In 1936 ging hij vandaar over naar de Vrije Evangelische Gemeenten.
  • Gerrit Willem Alberts (Voorst, 30 januari 1886-Vlaardingen, 29 maart 1961) Predikant Zutphen (1923-1929) emeritus (1929). Samen met zijn echtgenote ontving hij (na diens overlijden) postuum – met hun kinderen Gerritje (geboren 1926), Wilhelmina (geboren 1927), Albert (geboren 1929) en Cornelis (geboren 1932) op 4 september 1991 de Yad Vashem-onderscheiding omdat ze tijdens de Tweede Wereldoorlog onderdak boden aan een Joods meisje, Amalia de Leeuw.[102]
  • Reinier Kok (Hoenkoop, 13 oktober 1890 - 16 december 1982), Predikant Aagtekerke 1915) [Gereformeerde Gemeenten], Gouda (1925); Veenendaal (1930); Ging in 1956 met een groot deel van zijn gemeente in Veenendaal over naar de Christelijke Gereformeerde Kerken, Ede (1958); Alphen aan den Rijn (1962), Ameide (1966); Nijkerk (1968); emeritaat 1979. [Specifieke literatuur: 'Wie was ds. R. Kok eigenlijk?' (door R. Valkenburg) 'Maar wij hoorden niet', het leven en de prediking van ds. Reinier Kok (1890-1982) in historisch perspectief (door W. van der Zwaag, 2015)]
  • Cor van Dis sr. (1893-1973), scheikundige en politicus Staatkundig Gereformeerde Partij
  • Simon van der Molen (1893-1986), predikant, (65 jaar predikant geweest binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken), curator Theologische Hogeschool, mederedacteur van de prekenserie Uit de Levensbron.
  • Maarten Geleijnse (1893-1985) Behoorde tot de eerste zendingspredikanten van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Indonesië ter versterking van de eerder uitgezonden ds. A. Bikker.
  • Cornelis van der Zaal (Sassenheim, 11 april 1893 - 7 mei 1976), predikant Deventer (1921); Ulrum (1944); Harlingen (1951), lid van de Tweede Kamer voor de Anti-Revolutionaire Partij (1933-1959)[103], predikant 's-Gravenmoer (1960-1976).
  • Wijtze Bijleveld (Tietjerksteradeel [Bergum],4 maart 1896- Haarlem, 18 november 1938), predikant Haarlem-Centrum (1921-1938), Hij was onder meer curator aan de Theologische School.
  • Willem Kremer (1896-1985), predikant en hoogleraar (Nieuwe Testament en ambtelijke vakken), Hoewel hij geen homiletiek schreef, heeft hij een generatie predikanten gevormd. Een van zijn thema’s was het geven van geestelijke leiding in de prediking. Zijn werk wordt nog altijd gebruikt aan de Theologische Universiteit Apeldoorn en aan het seminarie van de Hersteld Hervormde Kerk.
  • Cornelis Smits (1898-1994), predikant en lid Eerste Kamer voor de Staatkundig Gereformeerde Partij
  • Arie Bikker (Noordeloos 1 maart 1898 - 16 december 1977) Werd in 1927 de eerste zendingspredikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Torajaland (Indonesië). Bij de uitzending van ds. Bikker vond een indrukwekkende plechtigheid plaats waarbij 20 predikanten hem de handen oplegden., Werd later predikant in Amsterdam-West (1948); Zwolle (1956); Utrecht-Centrum (1960) [zendingssecretaris]; emeritus (1971)
  • Lieven Stoffel den Boer (1898-1979), predikant, curator Theologische School, veelzijdig auteur kerkelijke bladen, preken en brochures
  • Jan Hovius (1900-1979), predikant en hoogleraar (specialiteit: Kerkgeschiedenis en Kerkrecht)
  • Willem Ramaker (Groningen, 4 oktober 1903 - Kampen, 1 augustus 1943), predikant Harlingen (1931), Kampen (1934). Hij deed veel aan evangelisatie en publiceerde regelmatig traktaten en brochures of in kerkelijke bladen. Hij overleed tijdens de Tweede Wereldoorlog op zondag 1 augustus 1943 in de leeftijd van 39 jaar. "Toen de Duitsers tijdens een razzia kwamen om hem op te halen is hij via het balkon gevlucht naar de tuin van de buurvrouw. Toen zijn vrouw hem ’s morgens ging zoeken, vond ze hem, geknield in gebedshouding, voor een stoel. Hij was overleden. De slotzang die dominee Ramaker die zondag ervoor liet zingen was Ps. 138: 4. Als ik, omringd door tegenspoed, bezwijken moet, schenkt Gij mij leven. Is ‘t, dat mijn vijands gramschap brandt, uw rechterhand zal redding geven. De Heer is zo getrouw als sterk, Hij zal zijn werk voor mij volenden. Verlaat niet wat Uw hand begon, o Levensbron, wil bijstand zenden."[104]
  • Nicolaas Brandsma (1904-1998) Predikant Bunschoten (1930), Wildervank (1936), Harderwijk (1940), Rijnsburg (1945), Sneek (1954), Nieuw-Amsterdam (1959), Sliedrecht (Eben-Haëzerkerk, 1963), Ermelo (1967), emeritaat (1971). Meer dan 65 jaar predikant geweest binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken.
  • Maarten Baan (Sliedrecht, 8 augustus 1905 - Driebergen, 7 juni 1973), predikant Rijnsburg (1935) Bussum (1937) Dordrecht (1946) Zeist (1962) medegrondlegger Gereformeerde Bijbelstichting (GBS). Veelzijdig auteur kerkelijke bladen, preken en brochures.
  • Gerrit Blom (1905-1992) Predikant Meerkerk (1950) Ds. G. Blom was jarenlang een belangrijke woordvoerder van de Bewaar-het-Pand richting. Blom orienteerde zich sterk op de oude lijn van de Christelijke Gereformeerde Kerk en liet van zich horen wanneer hij meende dat er afwijkende geluiden binnen het kerkverband te horen waren. Later ook H.C. van der Ent en D. Slagboom
  • Wigger Heerma, (Dokkum, 20 januari 1908-Soest, 20 april 1985) Predikant Aalsmeer (1931); Zeist (1938), Rotterdam-Centrum (1944), Groningen (1950), Veenendaal (1956), Nunspeet (1961), Enschede-Oost (1965), Utrecht-Noord (1968), emeritaat (1973) en hulpprediker Soest. In 1953, op de synode van Utrecht, die drie hoogleraren zou benoemen, kwam zijn naam voor bij de befaamde „drie drietallen" en wel voor het vak dogmatiek. Vlak na de oorlog verscheen zijn brochure: De Verbondsleer der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland.
  • Marinus Willem Nieuwenhuijze (Vlissingen, 1909 - Mijdrecht 2002) Predikant Franeker (1933), 's-Gravenhage-Centrum (1939), Amsterdam-West (1954), Delft (1964), Mijdrecht (1974). Meer dan 65 jaar predikant geweest binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken.
  • Jacob Cornelis Maris (1910-2000) Predikant Sneek (1937), Oud-Beijerland (1941), Haarlem-Noord (1946), Haarlem-Noord art. 6 K.O. (secretariaat van de International Council of Christian Churches) (1954)
  • Berend Jakob Oosterhoff (1915-1996), predikant Drachten (1941), Utrecht (1945), hoogleraar (1954) (specialiteit: Oude Testament)
  • Hendrik Cornelis van der Ent (1918-1997) predikant Werkendam (1952), Rotterdam-West (1958), Middelharnis (1961), Katwijk aan Zee (1965), Dordrecht-Centrum (1978), Elburg (1986) Ameide bijstand in pastoraat (1994) Belangrijke woordvoerder met ds. G. Blom en ds. D. Slagboom van de rechtervleugel van de CGK
  • Marten Vlietstra (1924-2017)
  • Frans Bakker (Wolphaartsdijk, 19 maart 1919 - Driebergen, 2 januari 1965), predikant Huizen (1956), Driebergen (1959) Bekend geworden in brede reformatorische kring mede door zijn boekje Gebedsgestalten[105]
  • Jan Hendrik Velema ('s-Gravendeel, 18 augustus 1917 - Nunspeet, 14 augustus 2007), Predikant Steenwijk (1940), Bunschoten (1946), Zwolle (1951), Apeldoorn-Centrum (1955) Nunspeet (1975) emeritus (1986) Bekend geworden als radiopresentator en omroepvoorzitter (Evangelische Omroep), medeoprichter van de (Reformatorische Politieke Federatie (RPF).
  • Jan van Genderen (1923-2004), predikant en hoogleraar (systematische theologie)
  • Cornelis Jansen Verplanke (Haarlem, 26 februari 1925 - Hendrik-Ido-Ambacht, 10 februari 1997), politicus voor de ARP.
  • Dirk Slagboom, (1926-1997) Predikant Middelburg (1951) 's-Gravenzande (1955), Urk (1961) Dordrecht-Centrum (1964), Barendrecht (1972), Katwijk (1979), Doornspijk (1990), bijstand in pastoraat te Nieuwkoop (1995) Was evenals ds. G. Blom en ds. H.C. van der Ent een belangrijke woordvoeder van de rechtervleugel binnen de CGK. Tevens als SGP-partijvoorzitter.[106]
  • Johannes Pieter Versteeg (1938-1987), Predikant Wormerveer, Doctoraal examen Vrije Universiteit Amsterdam, hoogleraar Theologische School Christelijke Gereformeerde Kerken (Specialiteit: Nieuw Testamentische vakken en missiologie)
  • Rik Valkenburg (1923-1994), Schrijver & publicist
  • Wim Velema (Drachten, 15 november 1929 - Apeldoorn, 18 april 2019), predikant Eindhoven (1953), Leiden (1961), hoogleraar (1966), emeritus 1-2-1996. (Specialiteit: Nieuwe Testament, ambtelijke vakken, ethiek)
  • Willem van 't Spijker (Zwolle, 1926 - 2021), Predikant Drogeham (1950-1962), Utrecht-Centrum (1962-1971). Hoogleraar Theologische Universiteit Apeldoorn (specialiteit: Kerkgeschiedenis en Kerkrecht) (1971-1997). Afkomstig uit een eenvoudig bevindelijk gezin in Zwolle. Hij was een schoonzoon van eveneens hoogleraar J. Hovius (1900-1979). Van hem erfde hij de liefde tot de kerkgeschiedenis. Van 't Spijker groeide uit tot een autoriteit op het gebied van de geschiedenis van de calvinistische reformatie. Calvijn en Bucer hadden zijn bijzondere aandacht. Over zijn eigen betekenis was van 't Spijker bescheiden. In brede reformatorische kring werden zijn publicaties vanwege zijn enorme kennis erkend en ook gelezen, hoewel soms andere interpretaties gemaakt of conclusies verbonden. Van ‘t Spijker was een groot deel van zijn ambtelijke loopbaan, die begon in 1950 in het Friese Drogeham, een warm voorstander van éénheid van de reformatorische gezindte, óók met de vrijgemaakt gereformeerden en Nederlands gereformeerden, op basis van de gereformeerde belijdenis. Latere ontwikkelingen, ook binnen zijn eigen kerkverband, stemde hem echter minder rooskleurig. "Als we niet goed gereformeerd blijven, hebben we onze langste tijd gehad." "Menig gereformeerd theoloog zie je, als hij eenmaal een academische positie heeft, vaak heel geleidelijk van kleur veranderen. Men wil een naam krijgen in de brede theologische wereld. Er komt steeds meer openheid naar niet-gereformeerde opvattingen. Voor die verleiding is Van ’t Spijker niet bezweken."[107][108][109]
  • Piet Roos (Utrecht, 29 oktober 1938 - 26 oktober 2021) Predikant Nijkerk (1964), Middelharnis (1967), Harderwijk (1973), Utrecht Noord/West (1981-1995), Damwoude (1995), emeritus (2006). Was betrokken bij Bewaar het Pand als voorzitter en meer dan vijftig jaar predikant binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken

Personen met een zekere bekendheid door publicaties of activiteiten binnen en buiten eigen kring [huidige kerkelijke context]Bewerken

  • Jan van Amstel (Huizen, 9 april 1936). Predikant Middelburg (1965) Enschede-West (1971) Ede (1978). Ds. Van Amstel was binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken lid van meerdere generale synoden en deputaatschappen. Ook in het bredere verband van de gereformeerde gezindte was hij actief, binnen de Stichting Geestelijk Lied Gereformeerde Gezindte, de Stichting Herziene Statenvertaling, de Stichting Mediawijzer en bij de Reformatorische Omroep.[110]
  • Arie Baars (Sliedrecht, 3 september 1947), Studeerde klassieke taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Predikant en emeritus-hoogleraar (ambtelijke vakken) Predikant Urk (Eben Haëzer (1974), Dundas [Canada, Free Reformed Church] (1981); Middelharnis (1988). Doctoraalexamen theologie aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn met als hoofdvak dogmatiek. Datzelfde jaar benoemde de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken hem tot universitair hoofddocent in de diaconiologische vakken aan de Apeldoornse universiteit, als opvolger van prof. dr. W.H. Velema. Emeritus 1 februari 2014. Baars is betrokken bij de uitgaven van puriteinse klassieken, die hij van kanttekeningen en/of een inleiding voorzag, t.w. De ruimte van soevereine genade (Jonathan Edwards), Op leven en dood (John Owen), De Christenreis en Christinnereis (John Bunyan) Groot belang van de zaligheid (Thomas Halyburton), Genezing voor beproefde zielen (Christopher Love), (Zelfverloochening en zelfbeproeving) (Thomas Hooker), (De hemel op aarde) (Thomas Brooks). Deze werken hebben in brede reformatorische kring waardering. Volgens W. Verboom (GGIN) "beschrijft Bunyan op onnavolgbare wijze het leven van een christen als een pelgrimstocht met al zijn hoogte- en dieptepunten. Het is geen gezelschapstaal of ongezonde mystiek, maar het is geheel gebaseerd op de Schrift. Duidelijk blijkt dat veel van wat Bunyan beschreef zielspraktijk voor hem was. Dit kwam ook tot uitdrukking in zijn preken." [111][112] "De Heere had Bunyan met bijzondere gaven van hart en hoofd bedeeld. Op originele wijze heeft hij, die eertijds ketellapper was en slechts geringe scholing had, de gangen van Gods Kerk op grond van Gods Woord beschreven in een allegorie (beeldspraak die in het hele boek wordt volgehouden) van hoog literair niveau. Zowel de Christenreis als de Christinnereis vullen elkaar aan en leggen elkaar uit."[113][114]
  • Cornelis Pieter de Boer (Gouda, 20 juli 1975) Predikant Werkendam (2003), Urk-Maranatha (2010), Sliedrecht (Beth-El) (2016) Promoveerde aan de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA) op proefschrift ”Christos Sunthronos”, een onderzoek naar de verwijzingen naar Psalm 110 in het Nieuwe Testament.[115] Gastdocent aan het seminarium van de Hersteld Hervormde Kerk (ambachtelijke exegese, Bijbelse theologie en hermeneutiek),
  • Paulus den Butter (1938), predikant, oud-eindredacteur Bewaar het Pand, [voormalig] columnist Reformatorisch Dagblad, veelzijdig auteur op gebied van theologie en exegese
  • Teunis Brienen (Werkendam, 17 april 1930), Predikant Mussel (1955)/bevestigd door prof. dr. J. van Genderen, Apeldoorn-Zuid (1962)/bevestigd door ds. J.H. Velema, Groningen (1967), Kampen (1976), Gorinchem (1982), Amersfoort (1990), Amsterdam-Nieuw-West (1994), emeritus 1-4-1997
  • Jaap Brons (1934), predikant
  • Anton Egas (1957), predikant, lid hoofdbestuur Staatkundig Gereformeerde Partij, lid stuurgroep uitgave van de Bijbel met uitleg
  • Gerard den Hertog (1949), predikant en emeritus-hoogleraar (dogmatiek en ethiek)
  • Adri van Heteren (1951), predikant, oud-partijvoorzitter van de Staatkundig Gereformeerde Partij, lid hoofdbestuur Gereformeerde Bijbelstichting
  • Bert Loonstra (Naarden, 1 mei 1956) Predikant Oud-Beijerland (1982), Hoogeveen (1993), Emmeloord (2003), Gouda (2012) Loonstra publiceert regelmatig theologische studies die bepaalde theologische thema's van een progressieve onderbouwing wil voorzien.
  • Arnold Huijgen (Amersfoort, 16 november 1978), Predikant Genemuiden (2007), hoogleraar (systematische theologie) Theologische Universiteit Apeldoorn. Vanaf 2004 was hij als AIO aan de TUA verbonden, per 2008 als universitair docent.
  • Maarten Kater (1962), hoogleraar (ambtelijke vakken) Theologische Universiteit Apeldoorn
  • Rien Kempeneers (1964), Predikant, Redactielid Bewaar het Pand
  • Jacob Marinus Johannes Kieviet (1950), predikant en columnist Reformatorisch Dagblad
  • Andries Knevel (Bussum, 1952), radio- en televisiepresentator (Evangelische Omroep)
  • Stefan Paas (1969), hoogleraar (missiologie) Theologische Universiteit Kampen, Theoloog des vaderlands (2018)
  • Steven Paas (1942), theoloog, auteur op gebied van Europese en Afrikaanse kerkgeschiedenis, en het 'Israëlisme'.
  • Eric Peels (1956), hoogleraar (Oude Testament) Theologische Universiteit Apeldoorn
  • Herman Selderhuis (1961), Predikant Hengelo (1987), Zwolle (1992) hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht aan de Theologische Universiteit Apeldoorn (1997), Rector Theologische Universiteit, Directeur Refo500, Columnist Reformatorisch Dagblad
  • Maarten Cornelis Tanis (Rotterdam, 30 januari 1929). Predikant Urk (1953), Middelharnis (1958), Barendrecht (1960), Sliedrecht-Centrum (1969), emeritus (1999). Meer dan 65 jaar predikant binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken.
  • Arie van der Veer (1942), predikant en [voormalig] omroepvoorzitter (Evangelische Omroep)
  • Arie Versluis (1979), predikant, theoloog, hoofdredacteur van De Wekker, als onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep Biblical Exegesis and Systematic Theology (BEST).
  • Jacob Westerink, (1939), predikant, [voormalig] voorzitter stichting "Smytegelt-fonds" (reveil-serie)
  • Jurjen ten Brinke (1978), kerkplanter in Amsterdam en televisiepresentator

Bekende leden met een bijzondere maatschappelijke functieBewerken

  • Klaas Bokma, voormalig hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad. Kerkelijk behoorde Bokma oorspronkelijk tot de christelijke gereformeerde kerk van Wildervank. In 1963 sloot hij zich aan bij de gereformeerde gemeente te Groningen. Toen in 1971 het Reformatorisch Dagblad werd gestart, werd Bokma directeur. Ongeveer tien jaar was Bokma ouderling in de Gereformeerde Gemeente van Apeldoorn. In 2003 verhuisde hij naar Veenendaal. Ze sloten zich aan bij de christelijke gereformeerde Pniëlkerk. Dat was de voormalige gemeente van ds. R. Kok, die in 1950 in de Gereformeerde Gemeenten werd geschorst en in 1956 met een groot deel van zijn gemeente christelijk gereformeerd werd. Bokma verklaarde hierover het volgende: „Goedbeschouwd zijn mijn christelijke gereformeerde wortels altijd een rol blijven spelen. In de Gereformeerde Gemeenten ben ik altijd een kokkiaan gebleven.” De overgang van Bokma naar de Christelijke Gereformeerde Kerken stond ook in verband met zijn optreden voor de Evangelische Omroep op 23 juni 2001. Het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten gaf aan hier moeite mee te hebben.[116]
  • Dick van Meeuwen (1954), Partijvoorzitter van de Staatkundig Gereformeerde Partij. Lid van het College van bestuur van het Van Lodenstein College en het Hoornbeeck College (tot eind 2020 wegens pensionering) en heeft gedurende zijn gehele loopbaan in het onderwijs gewerkt. Naast dit werk heeft hij verschillende politieke, bestuurlijke en maatschappelijke functies (gehad). Van Meeuwen is lid van de Christelijk Gereformeerde Bethel-El kerk te Sliedrecht waar hij ook het ambt van ouderling bekleedt.
  • Leen van Dijke (1955), politicus, Reformatorische Politieke Federatie (RPF) en de ChristenUnie.
  • André Rouvoet (1962), politicus, minister voor Jeugd en Gezin in kabinet Balkenende IV (Reformatorische Politieke Federatie, en de ChristenUnie), voorzitter zorgverzekeraars Nederland (2012)
  • Kees Boertien (1927-2002), politicus, lid van de Tweede Kamer voor de ARP/CDA (1965-1971 en 1973-1975), lid Europees Parlement (1967-1971), minister van Ontwikkelingssamenwerking in kabinet Biesheuvel (1971-1973), Commissaris der Koningin in de provincie Zeeland (1975-1992). Kees Boertien was de 1e Christelijke Gereformeerde minister, Aart Jan de Geus de 2e en André Rouvoet de 3e

LiteratuurBewerken

HistorischBewerken

  • Bruin, P.J.M. de, Het voortbestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk na 1892
  • Lingen, F.P.L.C. van, Bij wie de schuld? Scheurmakerij of niet? (1895)
  • Schuit, J.J. van der, Na vijf en twintig jaren, beginseltrouw contra beginselverzaking (1919)
  • Heijden, docent A. van der, Lengkeek, F., Berkhoff, A.M., Molenaar, G. 'Toespraken op de eerste Schooldag der Christelijke Gereformeerde Kerk in Apeldoorn 6 mei 1920'
  • Jongeleen, J. De vereeniging der Chr. Geref. met de Doleerenden in 1892 inleidend woord van Prof. G. Wisse (1932)
  • Schuit, J.J. van der, Hendrik de Cock, de vader der Afscheiding, naast Luther en Calvijn (1933)
  • Does, J.C. van der, De Afscheiding in haar wording en beginperiode (1933)
  • Geels, J.W, P.J.M. de Bruin, G. Salomons, J.J. van der Schuit, J. Jongeleen, A.H. Hilbers, H. Janssen, L.H. van der Meiden, G. Wisse, Gedenkboek uitgegeven bij de herdenking der Afscheiding 1834 in opdracht van de Generale Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland (1934)
  • Ramaker, W. Het beginsel der afscheiding en de Christelijke Gereformeerde Kerk (1934)
  • Meiden, L.H. van der, Een voorganger herdacht Leven en sterven van ds. J.W. van Ree Hillegersberg 24 februari 1890 - 4 april 1934 (1934).
  • Bruin, P.J. de, Levensbericht van Prof. P.J.M. de Bruin in leven hoogleraar aan de theologische school der Christelijke Gereformeerde Kerk Apeldoorn (1947)
  • Wisse, G. Memoires. Onvergetelijke bladzijden uit mijn levensboek (1953)
  • Kremer W., J.H. Velema, Toen en thans Geschiedenis Christelijke Gereformeerde Kerken in de periode 1892 -1952 (Ds. H. Janssenfonds)
  • Hovius, J., W. Kremer, 'k Zal gedenken Geschiedenis van de Theologische School (1894-1954)
  • Algra, H. Het wonder van de negentiende eeuw. Van Vrije Kerken en kleine luyden, (Franeker, 1965)
  • Ruiter, W. De man in de schaduw. Ds. Van Lingen, strijder voor het christelijk middelbaar onderwijs en Kerkherstel (1965)
  • Bouwman, H., De crisis der jeugd. Enige bladzijden uit de geschiedenis van de kerken der Afscheiding. (z.j.) [heruitgave Kampen, 1976]
  • Praamsma, L. De kerk van alle tijden. Verkenningen in het landschap van de kerkgeschiedenis deel III en IV (1980)
  • Drayer, M., W. van 't Spijker, J.H. Velema, En toch niet verteerd. Uit de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken sinds 1892 (1982)
  • Cock, H. de, Verzamelde Geschriften 2 delen Voorwoord D. Deddens en W. van 't Spijker - Deze uitgave werd financieel gesteund door de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken in Nederland, De Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt), de Theologische Hogeschool van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, de Theologische School van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord Amerika - (1984)
  • Zwaag, W. van der, Om de schat van Christus' bruid. Vaderlandse kerkgeschiedenis sinds Reveil en Afscheiding (1984)
  • Rasker, A.J., De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795. Geschiedenis, theologische ontwikkelingen en de verhouding tot haar zusterkerken in de negentiende en twintigste eeuw (1986)
  • Janse, C.S.L, Bewaar het pand, de spanning tussen assimilatie en persistentie bij de emancipatie van de bevindelijk-gereformeerden (1985)
  • Bakker, W. e.a. (red.) De Doleantie van 1886 en haar geschiedenis (1986)
  • Valkenburg, R., Wie was ds. R. Kok eigenlijk? (1989)
  • Spijker, W. van 't., J.N. Noorlandt, H. van der Schaaf, Een eeuw christelijk-gereformeerd. Aspecten van 100 jaar Christelijke Gereformeerde Kerken (1992)
  • Wolthuis, L.J. e.a. (red.) De Vereniging van 1892 en haar geschiedenis (1992)
  • Berg, J. de 'Het gaat ons slecht omdat het ons goed gaat' (in: Trouw, 5 september 1992)[108]
  • Ham, H. van der, Professor Wisse, aspecten van leven en werk (1993)
  • Ham, H. van der. Een wolk van getuigen, Portretten van Christelijke Gereformeerde predikanten A. van der Heijden (1865-1927); D.J. van Brummen, (1862-1946); J.A. Riekel (1869-1949); P. de Groot (1876-1959); K. Groen (1883-1943); D. Driessen (1879-1961); M.S. Roos (1897-1971); en W.F. Laman (1900-1964) (1995)
  • Dolderen, G. van, Grasduinen in de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken (1996)
  • Ham, H. van der, Sions heil en troost, Overdenkingen van Christelijke Gereformeerde predikanten (F.P.L.C. van Lingen (1832-1913); J. Wisse Czn. (1843-1921); F . Lengkeek (1871-1912); H. Janssen (1872-1944) P.J.M. de Bruin (1868-1946); P. de Groot (1876-1959); R. Kok (1890-1982) (1997)
  • Natzijl, H. J. Mastenbroek, A. Bel, In Beeld gebracht. Twee eeuwen kerkelijk leven, (1997)
  • Koffeman, G., Visscher P. (Red.) De dagen van ouds Heruitgave verzameling preken van diverse Christelijke Gereformeerde predikanten (ds. M. den Boer (1870-1915), Ds. W.F. van der Kodde (1863-1943), Ds. M. Baan (1905-1973), Ds. A. Dubois (1898-1963), Ds. M. Koomans (1873-1924), Ds. L.H. van der Meiden (1882-1962), Ds. W. Ramaker (1903-1943), Ds. K. Zuidema (1875-1955), Ds. J. van der Vegt (1863-1915), Ds. G. Oosterhuis (1859-1945) (1997)
  • Brienen, T. De Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, serie wegwijs kerken en groeperingen (2002)
  • Selderhuis, J. H. (Red). Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis Hoofdstuk 6 en 7 De 19de en 20ste eeuw (George Harinck en Lodewijk Winkeler) Uitgeverij Kok Kampen (2006)
  • Ham, H. Van der. De minste der broederen, Portretten van Christelijke Gereformeerde predikanten Nicolaas de Jong, Maarten Baan, Pieter Sneep, Frans Bakker en lerend ouderling A. Van Rossum, (2010)
  • Koffeman, G., A. van de Weerd, Liefde voor het Woord, Leven en werk van Prof. L.H. van der Meiden (1882-1962) alsmede een selectie uit de van zijn hand verschenen meditaties in het jeugdblad Luctor et Emergo (2011) Met een inleiding verzorgd door Prof. A. Baars, Om Sions Wil (2011)
  • Ham, H. van der. Ambtsbroeders, uit het leven van F.P.L.C. van Lingen en J. Wisse (Zwijndrecht, 2016)
  • Os, A. van den. Is ds. Kersten een beetje boos op ons? Een onderzoek naar het conflict tussen ds. J.J. Jongeleen, Prof. J.J. van der Schuit met ds. G.H. Kersten periode 1928-1937 (bachelor scriptie)
  • Driel, C.M. van, Consolidatie en crisis, De Christelijke Gereformeerde Kerk tussen 1918 en 1945 (2018)
  • Driel, C.M. van, Een wereld op zichzelf, Prof. Gerard Wisse (1873-1957) (2020)
  • Kempeneers, M.A. 'Niet in de geest van Noachs zonen' Reactie op boek Een wereld op zichzelf in: Reformatorisch Dagblad, 30 november 2020
  • Driel, C.M. van, 'Reactie op boek Wisse niet in de geest van Calvijn' in: Reformatorisch Dagblad 3 december 2020
  • Baars, A. 'Een eenzijdig beeld van Wisse', in: Reformatorisch Dagblad 10 december 2020
  • Versluis, A. Nader Bekeken: 'Over de grens', in: De Wekker 8 januari 2021

LeerstelligBewerken

  • Schotel, J. Zestal leerredenen over verschillende teksten des Nieuwen Testaments door ds. J. Schotel em. pred. der Chr. Geref. Kerk te Haarlem (1905)
  • Meiden, L.H. van der, Schriftcritiek en Schriftgezag (1923)
  • Meiden, L.H. van der, Het Schriftgezag (1926)
  • Molenaar, G. Een toetssteen voor bekommerden, zestal predicatiën door ds. G. Molenaar V.D.M. bij de Chr. Ger. Gemeente te Oud-Beijerland (1926) [Ds. G. Molenaar diende de Christelijke Gereformeerde Kerk resp. als Lerend ouderling Delft (1906); Maassluis (1909); Den Helder (1915), predikant Den Helder (1916); Baarn (1920), Oud-Beijerland (1925), emeritus 1932.]
  • Jongeleen, J., Lesboek over de Gereformeerde Geloofsleer, (1927).
  • Biesma, H. (1882-1929) 'De wet van het tarwegraan' (in: Uit de Levensbron 1ste jaargang 1927)
  • Reesink, J. (Brummen, 27 april 1889 - 5 februari 1933) 'Gesmaad, niet beschaamd' (in: Uit de Levensbron 1ste jaargang 1927) [Ds. J. Reesink was predikant in Harlingen (1919); Aalten (1922); Noordeloos 1927)]
  • Hovius, J. (1900-1979) 'Een drievoudig zelfgetuigenis van Christus' (in: Uit de Levensbron 1ste jaargang 1927)
  • Hovius, J. en S. v.d. Molen, (redactie) met medewerking van vele Chr. Geref. predikanten Uit de Levensbron, wekelijkse predicatiën (1927-heden)
  • Boer, L.S. den Boer, Tamminga J. Zaal, C. v.d. Zaal (redactie) Met medewerking van vele Chr. Geref. predikanten Uit het schatboek, wekelijkse preken over de Heidelbergse Catechismus ( - - )
  • Wisse, G. Uit de verbondsschat (1931)
  • Ramaker, W. De wieg in het paradijs, van 's mensen oorsprong, wezen en bestemming Uitgave van de Chr. Geref. lectuurstichting "Paulus" z.j.
  • Wisse, G. De ambtelijke bediening van den Christus in de geloovigen (1937)
  • Meiden, L.H. van der, De strijd des geloofs - voor jonge mensen over het doen van belijdenis des geloofs - (1937)
  • Schuit, J.J. De Dordtsche Synode en het supra-lapsarisme (1937)
  • Bruin, P.J.M. Het formulier van de kinderdoop (1937)
  • Meiden, L.H. van der, De betekenis der exegese voor de bediening des Woords (1938)
  • Wisse, G. Pottenbakker en leemklomp, 's-Mensen eeuwige toekomst van eeuwigheid bepaald (1938)
  • Meiden, L.H. van der, Het bevindelijk element in de prediking (1938)
  • Meiden, L.H. van der, Allegorische prediking (1946)
  • Meiden, L.H. van der, Wat is bevinding? Voor de practijk van de godzaligheid (1951)
  • Heerma, W. De Verbondsleer der Christelijke Gereformeerde Kerk (1945)
  • Velema, J.H. Tusschen de vuren (1946)
  • Velema, J.H. Wat is christelijk gereformeerd? (1947)
  • Maris, J.C. Van het doopvont tot de bondsdis (1949)
  • Hovius, J. De positie van de vrouw in Christus' Kerk (1950)
  • Meiden, L.H. De Nieuwe Vertaling van de Bijbel (1952)
  • Schuit, J.J. van der, Het verbond der verlossing, Antwoord op de vraag: Twee of drie verbonden? (1952) Ook verschenen in de reeks Apeldoornse studies (1982)
  • Lengkeek, F. (1914-1932) Het kenteken van het kindschap Gods (Uit de Levensbron, heruitgave) (1952)
  • Kanselboodschap uitgegeven door de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken (1953)
  • Kremer, W. Spanningen en gevaren in het leven van onze Christelijke Gereformeerde Kerken (1953)
  • Baan, M. 'Standen in het geestelijke leven', in: De Wekker (1959)
  • Meiden, L.H. van der, De lichtpoort boven de nachtspelonken (1962)
  • Bakker, F. Gebedsgestalten (1964)
  • Baan, M. 'De orde des heils', in: De Wekker (1963)
  • Kremer, W e.a. Woord en kerk, Theologische bijdragen van de hoogleraren aan de Theologische Hogeschool der Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland bij de herdenking van het vijfenzeventigjarig bestaan van de Hogeschool (1969)
  • Oosterhoff, B.J. De afwezigheid Gods in het Oude Testament (1971)
  • Brienen, T. De prediking van de Nadere Reformatie (1974)
  • Kremer, Priesterlijke prediking. Een bundel eigen werk, verzameld en aangeboden ter gelegenheid van zijn gouden ambtsjubileum (1976)
  • Oosterhof, B.J. De vrijheid van exegese (1976)
  • Velema, J.H. 'Verschuivingen in de prediking'. in: Ambtelijk Contact (pagina 638-654) (1981)
  • Genderen, J. van Verbond en verkiezing (1983)
  • Loonstra, B. Verkiezing - Verzoening - Verbond (1990)
  • Genderen, J. van., W.H. Velema Beknopte Gereformeerde dogmatiek (1992)
  • Velema, W.H. Wegen en wensen. Enige homiletische reflexties n.a.v. het lezen van 60 jaargangen preken in de serie 'Uit de Levensbron' (1993)
  • Veenendaal, J. Wat is christelijke gereformeerde prediking? (1997) de kanselboodschap van 1953 toegelicht
  • Wisse, G. De drie ambten van Christus (2005) geredigeerd door G.C. van Haaren
  • Wisse, G. De heilsfeiten, voorzien van een inleiding (Levensschets Prof. G. Wisse en een boekbespreking) door Prof. dr. A. Baars (2007)
  • Slagboom, D. Belijden en beleven, een praktische toelichting op de Nederlandse Geloofsbelijdenis (2010)
  • Wisse, G. Vrije genade, voorzien van een inleiding door Prof. dr. A. Baars (Wisse als prediker en homileet) (2010)
  • Baars. A. U en uw kinderen, de kinderdoop en de Bijbel (2015)
  • Baars, A. Bene meritus, Bundel met kritische beschouwingen over kerk, prediking, pastoraat en liturgie, voorwoord ds. M.C. Tanis (2017)
  • Baars, A. e.a. Evangelicals, een verkenning. Opstellen over Amerikaanse evangelicalen en hun invloed op het gereformeerd protestantisme in Nederland (2017)
  • Baars, A. Christenreis met kanttekeningen (vertaling boek John Bunyan door Prof. dr. A. Baars) (2018)
  • Folkers, D.H.J, J. Westerink. Priesterlijke prediking (2 delen) Verzameld werk van Prof. W. Kremer (1896-1985) (2019)
  • Huijgen, A. Lezen en laten lezen, Gelovig omgaan met de Bijbel (2019)
  • Baars, A. Christinnereis met kanttekeningen (vertaling boek John Bunyan door Prof. dr. A. Baars) (2019)
  • Baars, A, Belijden in zevenvoud, zeven invloedrijke belijdenisgeschriften centraal: de Augsburgse Confessie, de Heidelbergse Catechismus, de Catechismus van Genève, de Westminster Confessie, de Korte Westminster Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels.
  • Huijgen. A. Maria, Icoon van genade (2021)
  • Baars, A. De wedergeboorte. Fundamentele vragen rond de noodzaak en het geheimenis van de wedergeboorte (2021)

Externe linksBewerken

ReferentiesBewerken