Hoofdmenu openen

Jan Woelderink

Nederlands theoloog (1886-1956)

Jan Gerrit Woelderink (Hasselt, 11 augustus 1886Zeist, 28 juni 1956) was een pastoraal theoloog en gemeentepredikant in de Nederlandse Hervormde Kerk.

LoopbaanBewerken

Woelderink bezocht het Stedelijk Gymnasium te Zwolle[1] en studeerde theologie in Utrecht.[2] Hij was daarna tussen 1909 en 1950 predikant van de hervormde gemeenten Ottoland, Mijdrecht, Randwijk, Hoornaar, Vreeswijk, Ouderkerk aan den IJssel en Zijderveld.

In het beperkte geografische gebied in de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland waarin hij diende, nu gezien als deel van de Bijbelgordel, werd Woelderink in de pastorale praktijk geconfronteerd met een cultuur van bevindelijke, theologische subjectiviteit die resulteerde in heilsonzekerheid, gepaard aan een dominant, fatalistisch verstaan van de predestinatie. Daarbij identificeerde hij paradoxale trots en heerszucht onder hen met allerindividueelste, gecultiveerde, speciale geestelijke ervaringen [3].

Zijn oeuvre en levensgang kan worden gezien als reactief [4] en correctief, gericht op het funderen van geloofszekerheid op de vastheid van het Goddelijk initiatief in het genadeverbond en op waarachtige, objectieve beloften in de openbaring hiervan in de Bijbel, die vragen om nederige acceptatie en kinderlijke gehoorzaamheid.

Dit streven bracht hem in conflict met een deel van zijn eigen achterban, onder wie Hugo Visscher[5], medeoprichter van de Gereformeerde Bond binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, met de hervormde Ouderkerkse godsdienstonderwijzer A. de Redelijkheid[6] en met predikanten in andere kerkgenootschappen, onder wie Gerrit Hendrik Kersten, voorman van de Gereformeerde Gemeenten. Latere kritiek op de zijns inziens te equivalente status van verkiezing en verwerping in de Dordtse Leerregels vervreemdde hem verder van de bevindelijk-theologische stroom in zijn kerkgenootschap.[7]

Woelderinks eigen overtuiging inzake het karakter van het genadeverbond werd beproefd toen hij in de winter van 1941 in een busongeluk drie zoons verloor en in zijn gemeente in Ouderkerk aan den IJssel aan andere getroffen gezinnen pastorale zorg moest verlenen.[8]

De Universiteit Utrecht eerde hem met een eredoctoraat in 1951.

Zijn erfenis en theologisch accent wordt met negatieve connotatie door zijn critici nog steeds aangeduid als 'woelderinkiaans'[9], waarvan het complementaire begrip 'kievitiaans' is (naar zijn bestrijder Izaäk Kievit, 1887-1954).

BibliografieBewerken

  • Belijdenis doen (1934)
  • Het Doopsformulier, een verhandeling over zijn leer van den H.Doop (1938)
  • Gevaren der dooperse geestesstroming (1941)
  • De rechtvaardiging uit het geloof (alleen) (1941)
  • Was de Reformatie een vergissing? (1942)
  • Belofte en werkelijkheid (1945)
  • Waar ligt de fout? Wat nu? Een opwekking tot politieke bezinning (1946)
  • Leven uit Gods beloften (1946)
  • Belijdenis en Avondmaal (1950)
  • De gereformeerde gezindte. Haar betekenis en haar grenzen (1951)
  • De Uitverkiezing (1951)
  • Het pastoraat rond het H.Avondmaal (1952)
  • Uit de practijk der godzaligheid (postume uitgave) (1956)
  • De inzet van de Catechismus. Verklaring van de Zondagen I-VII van de Heidelberger (postume uitgave) (1957)
  • Verbond en bevinding. (bundeling van gepubliceerde en ongepubliceerde werken) (1974)

LiteratuurBewerken

  • Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme, dl. 3 (1988). Kampen: uitgeverij Kok
  • M. Golverdingen (2004), Om het behoud van een kerk. Licht en schaduw in de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten 1928-1948. Houten: uitgeverij Den Hertog
  • G.W. Marchal (1986), J.G.Woelderink. Een kennismaking. Kampen: uitgeverij Kok
  • H.J.C.C.J. Wilschut (2000), J.G.Woelderink: om de 'vaste grond des geloofs'. De ontwikkeling in zijn theologisch denken, met name ten aanzien van verbond en verkiezing. Heerenveen: uitgeverij Groen