Hoofdmenu openen

Wikipedia β

Ecologische gradiënt

Een ecologische gradiënt is een geleidelijke overgang tussen 2 gebieden (voorbeelden: een overgang van bos, via bosrand naar weiland: een begrazingsgradiënt; de samenstelling van de vegetatie op verschillende hoogten in een berggebied). Het kan gaan om een geleidelijke overgang in biotische en abiotische milieufactoren, die gewoonlijk samengaat met een gemeenschapsgradiënt: een geleidelijke overgang in soortensamenstelling bij de overgang tussen levensgemeenschappen.

Onderzoek aan gradiëntenBewerken

Oorspronkelijk werd er bemonsterd langs fysieke gradiënten en wordt de soortensamenstelling in verband met deze gradiënt (milieufactor) gebracht. Voorbeelden zijn een hoogtegradiënt (van laag naar hoog) in de bergen, een zoutgradiënt op de lage tot hoge kwelder. Het is dan mogelijk om voor de soorten de optimale waarde voor de abiotische milieufactor te berekenen. Een eenvoudige methode is het gebruik van gewogen gemiddelden (WA = weighted averaging) van de waarden voor de abiotische factor met als gewicht de abundantie van de soorten. Ook kan het worden gedaan met behulp van niet-lineaire regressie-analyse, maar dit is minder eenvoudig uit te voeren.

  Zie Ordinatie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het is niet nodig de bemonstering langs één en dezelfde gradiënt uit te voeren: het is ook mogelijk op veel verschillende plaatsen te bemonsteren en daar de relevante milieufactoren te meten. Het ecologisch onderzoek aan gradiënten heet gradiëntanalyse of ordinatie.

Er worden twee typen gradiëntanalyse onderscheiden:

  • directe gradiëntanalyse: verklaring van de gradiënt in soortensamenstelling aan de hand van de gradiënt in gemeten milieufactoren
  • indirecte gradiëntanalyse: verklaring van de gradiënt in soortensamenstelling zonder direct gemeten milieufactoren, maar eventueel met afgeleide indicaties van de soorten zoals Ellenberggetallen voor planten (voor zuurtegraad, nutriënten in de bodem, temperatuur, licht, bodemvocht, zoutgehalte van de bodem).

Het onderzoek van de vegetatie door Amerikaanse onderzoekers heeft zich in sterke mate gericht op het onderzoek van ecologische gradiënten en gemeenschapsgradiënten, terwijl het Europese onderzoek meer gericht was op het opstellen van een vegetatietypologie. Dit laatste type onderzoek in in Europa begonnen met Frans-Zwitserse School zoals dit vorm heeft gekregen on de leiding van Josias Braun-Blanquet.

Lineair en gaussisch responsiemodel in de ecologie.[1]
 
Lineair responsiemodel, met
  • gradiënt = onafhankelijk variabele, milieufactor
  • respons = afhankelijk variabele

(deze linkse grafiek is een fragment van de rechtse grafiek)

Gaussisch responsiemodel, met:
  • Opt. = optimum, waarde van de milieufactor waar maximale respons optreedt (hier: 3,0)
  • Ampl. = amplitude, abundantie bij de optimale waarde van de milieufactor (hier: 10)
  • Tol. = tolerantie van de soort, habitatbreedte (hier: 0,1)

Het onderzoek aan gradiënten heeft geleid tot het inzicht dat er voor veel soorten, die voorkomen langs een bepaalde gradiënt,

  • een bepaalde waarde is, waarbeneden ze niet meer voorkomen (de minimumwaarde);
  • daarnaast is er een waarde waarboven ze niet meer voorkomt (de maximumwaarde);
  • en daartussen is er een waarde waar de soort zich het best heeft ontwikkeld (de optimumwaarde voor de soort langs de betreffende gradiënt).

Het gebied (zie grafiek) tussen minimum en maximum bepaalt de tolerantie of habitat-breedte van de soort. De kromme die dit mathematisch beschrijft heet Gausscurve. Een alternatieve maat is de halve afstand tussen de buigpunten van de Gaussische kromme, die ook wel wordt aangegeven met SD voor Standard Deviation.

Ecologische amplitudeBewerken

De mate waarin de soort voorkomt bij de optimale waarde van de gradiënt van een milieufactor, heet de ecologische amplitude (reikwijdte).[2]

N.B.: De ecologische amplitude is de ecologische voorwaarde waarbinnen een plant nog groeit.[3] [4] De ecologische amplitude is dus wat anders dan de amplitude (maximale abundantie) bij de Gaussische kromme, maar heeft veel meer betrekking op de tolerantie van de soort.

Zo groeit de Zwartblauwe rapunzel alleen binnen specifieke omstandigheden zoals basische tot zwakzure, vochtig grond en voldoende licht. Vaak zal dat een open plek of een bosrand zijn.[5] Sommige soorten kunnen onder optimale omstandigheden zeer talrijk worden, maar dit geldt niet voor alle soorten. Andersom geldt ook: een soort met een kleine ecologische amplitude, kan alleen groeien onder specifieke omstandigheden en komt dus weinig voor. Een soort met een grote ecologische amplitude stelt minder specifieke eisen aan de grond en komt voor.[3]

In landschappen en gebieden met ecologische gradiënten is er vaak een grote diversiteit aan dieren en planten.

Externe linksBewerken

Plantkunde en deelgebieden
Bijzondere plantkunde: algologie · bryologie · dendrologie · fycologie · lichenologie · mycologie · pteridologie
Paleobotanie: archeobotanie · dendrochronologie · fossiele planten · gyttja · palynologie · pollenzone · varens · veen
Plantenmorfologie & -anatomie: beschrijvende plantkunde · apoplast · blad · bladgroenkorrel · bladstand · bloeiwijze · bloem · bloemkroon · boomkruin · celwand · chloroplast · collenchym · cortex · cuticula · eicel · epidermis · felleem · fellogeen · felloderm · fenologie · floëem · fytografie · gameet · gametofyt · groeivorm · haar · houtvat · huidmondje · hypodermis · intercellulair · intercellulaire ruimte · kelk · kroonblad · kurk · kurkcambium · kurkschors · levensduur · levensvorm · merg · meristeem · middenlamel · palissadeparenchym · parenchym · periderm · plantaardige cel · plastide · schors · sklereïde · sklerenchym · spermatozoïde · sponsparenchym · sporofyt · stam · steencel · stengel · stippel · symplast · tak · thallus · topmeristeem · trachee · tracheïde · tylose · vaatbundel · vacuole · vrucht · wortel · xyleem · zaad · zaadcel · zeefvat · zygote
Plantenfysiologie: ademhaling · bladzuigkracht · evapotranspiratie · fotoperiodiciteit · fotosynthese · fototropie · fytochemie · gaswisseling · geotropie · heliotropisme · nastie · plantenfysiologie · plantenhormoon · rubisco · stikstoffixatie · stratificatie · transpiratie · turgordruk · vernalisatie · winterhard · worteldruk
Plantengeografie: adventief · areaal · beschermingsstatus · bioom · endemisme · exoot · flora · floradistrict · floristiek · hoogtezonering · invasieve soort · status · stinsenplant · uitsterven · verspreidingsgebied
Plantensystematiek: taxonomie · botanische nomenclatuur · APG II-systeem · APG III-systeem · algen · botanische naam · cladistiek · Cormophyta · cryptogamen · classificatie · embryophyta · endosymbiontentheorie · endosymbiose · evolutie · fanerogamen · fylogenie · generatiewisseling · groenwieren · hauwmossen · kernfasewisseling · korstmossen · kranswieren · landplanten · levenscyclus · levermossen · mossen · roodalgen · varens · zaadplanten · zeewier
Vegetatiekunde & Plantenoecologie: abundantie · associatie · bedekking · biodiversiteit · biotoop · boomlaag · bos · Braun-Blanquet (methode) · broekbos · climaxvegetatie · clusteranalyse · concurrentie · constante soort · differentiërende soort · ecologische gradiënt · ecologische groep · Ellenberggetal · gemeenschapsgradiënt · grasland · heide · kensoort · kruidlaag · kwelder · minimumareaal · moeras · moslaag · ordinatie · pioniersoort · plantengemeenschap · potentieel natuurlijke vegetatie · presentie · regenwoud · relevé · ruigte · savanne · schor · steppe · struiklaag · struweel · successie · syntaxon · syntaxonomie · Tansley (methode) · toendra · tropisch regenwoud · trouw · veen · vegetatie · vegetatieopname · vegetatiestructuur · vegetatietype · vergrassing · verlanding