Hoofdmenu openen

Wikipedia β

Bloem (plant)

onderdeel van sommige planten die de voortplanting ondersteunen
Kievitsbloem (Fritillaria meleagris). Er zijn twee bloembladen en een meeldraad verwijderd om een beter zicht te krijgen op de bloemonderdelen.
Wortelloos kroos en veelwortelig kroos

Een bloem is het deel van een plant waarin de organen voor geslachtelijke voortplanting bij elkaar staan. Bloemen zijn kenmerkend voor planten die tot de bedektzadigen (Angiospermae, Magnoliophyta en Anthophyta of bloemplanten) behoren. Bloemen zijn alleenstaand, of staan min of meer gegroepeerd in kenmerkende bloeiwijzen.

De plantengroep bloemplanten omvat zeer uiteenlopende planten, van het lage straatgras tot de hoog opgroeiende paardenkastanje. Als kleinste bloemplant in de Lage Landen wordt de wortelloos kroos (Wolffia arrhiza), van 0,5-1,5 mm groot, beschouwd.

Bloeiwijzen en bloemen vormen een belangrijk middel om plantensoorten te determineren. Linnaeus gebruikte de kenmerken van de bloem oorspronkelijk als leidend voor de taxonomische indeling van het plantenrijk.

Inhoud

Algemene opbouwBewerken

Het volgende schema laat zien hoe een volledige (perfecte), tweeslachtige of hermafrodiete bloem is opgebouwd uit de bloemdelen. Van buiten naar binnen (dus van onder naar boven) zijn te onderscheiden:
9. de bloemstengel
3. de bloembodem
de bloembekleedselen (perianth) of het bloemdek (perigonium), bestaande uit:
8. kelkbladen (sepalen)
5. kroonbladen (petalen)
4. de meeldraden (androecium) bestaande uit:
- helmdraad (filament) en
- helmknop (anthere)
1. de stamper - verder bestaande uit:
2. het vruchtbeginsel (gynoecium) met 1 of meer zaadknoppen
7. stijl en
6. stempel
 
Schema van een volledige bloem
Onderdelen van de bloem

Niet alle onderdelen zijn bij elke bloem aanwezig; deze bloemen heten onvolledig of imperfect. Sommige bloemen hebben geen kelkbladen of geen kroonbladen (Noorse esdoorn), of zelfs in het geheel geen kelk- of kroonbladen (bijvoorbeeld wilgekatjes). Bij een aantal families is er geen onderscheid tussen kelkbladen en kroonbladen, maar spreekt men van bloemdekbladen. Ook kunnen de kroonbladen ontbreken, maar zijn er wel gekleurde kelkbladen, zoals bij de kievitsbloem en de bosanemoon.

Soms is er op de bloemstengel een bijkelk (epicalyx) aanwezig. Dit is een krans van kelkachtige blaadjes, die echter niet tot de kelk behoren. Een voorbeeld hiervan is de bijkelk van Muskuskaasjeskruid, die bestaat uit drie lijn- tot lancetvormige blaadjes.

Een bloem, die òf stampers òf meeldraden (maar niet beide) heeft, is een eenslachtige bloem. Een bloem met alleen één of meer stampers is een vrouwelijke bloem; een bloem met alleen meeldraden is een mannelijke bloem. Bij windbestuivers zijn de bloemen vaak eenslachtig.

Een tweeslachtige bloem heeft zowel stampers als meeldraden.

Om de bouw van een bepaalde soort bloem op een beknopte wijze weer te geven wordt de bloemformule gebruikt, aangevuld met het bloemdiagram.

BloembodemBewerken

 
Aardbei (Fragaria vesca). Lengtedoorsnede van vlezige bloembodem.

De bloembodem is het soms verbrede, maar gewoonlijk sterk verkorte eind van de stengel waarop de delen van de bloem staan ingeplant. In de regel zijn de leden en de knopen niet te onderscheiden. Als onderdelen van de bloembodem zijn te onderscheiden:[1]

  1. de meeldraaddrager (androfoor), waarop de meeldraden zijn ingeplant
  2. de stamperdrager (gynofoor), waarop de stamper(s) staan
  3. de androgynofoor (combinatie van de stamperdrager en de meeldraaddrager)
  4. de schijf, een verdikking die vaak bestaat uit honingklieren

De vorm van de bloembodem en de plaats van de stamper(s) geven aanleiding tot het volgende onderscheid van bloemtypen:

  • onderstandige (hypogynische) bloemen, met de bloembekleedsels en de meeldraden lager ingeplant dan de stampers
  • perigynische bloemen, met vrijstaande stamper
  • bovenstandige (epigynische) bloemen, bloembekleedsel schijnbaar op het vruchtbeginsel geplaatst

BloembekleedselenBewerken

Als er een duidelijk onderscheid is tussen kelk en bloemkroon spreekt men van bloembekleedselen, anders van bloemdek.

De kelkBewerken

De kelk (calyx)[2] is de buitenste krans van bloembekleedselen van de bloem en staat ingeplant op de bloembodem. De kelk kan bestaan uit kelkbladeren (sepalen) of uit haren (die later het vruchtpluis vormen.

De kelkbladeren kunnen vrij staan (losbladige kelk) of min of meer vergroeid (vergroeidbladige kelk) zijn en zo een kelkbuis vormen. De kelk is regelmatig (straalsgewijs symmetrisch of actinomorf) of tweezijdig symmetrisch (zygomorf), bijvoorbeeld door de aanwezigheid van een spoor of van een onderlip en een bovenlip.

Meestal is de kelk groen, maar deze kan ook gekleurd zijn. De kan blijvend zijn en ook nog aan de vrucht aanwezig, maar de kelk kan ook direct bij de vruchtzetting afvallen of zelfs voordat de bloem geheel geopend is.

De kroonBewerken

De kroonbladeren danken hun naam aan het feit dat ze vrijwel bovenaan de bloem zitten, zodat het lijkt alsof het het kroontje van de bloem is. Een kroonblad bestaat uit de nagel (het smalle onderste gedeelte), de plaat (het brede, platte bovenste gedeelte) en soms een spoor (cilindervormige uitzakking van het kroonblad, meestal met nectar). De kroon kan voorzien zijn van een honingmerk, waardoor bijen en dergelijke worden aangelokt.

Bloemen zijn van nature enkelbloemig, gekweekte vormen hebben vaak meer of minder gevulde bloemen. Als er twee kransen van bloembladen zijn, wordt van halfgevuld gesproken. Zijn er meer dan twee kransen van bloembladen dan wordt van gevuldbloemig gesproken.

De pioenroos is een voorbeeld van bloemen waarbij bij gekweekte soorten extreem gevulde bloemen kunnen voorkomen. De roos, als snijbloem, is ook een duidelijk voorbeeld van een gevuldbloemige bloem. Er zijn ook enkelbloemige cultivars van de roos, die wel in tuinen worden aangeplant. Er is ook een oud enkelbloemig ras 'Sepharin Drouin' dat heerlijk geurt en stekelloos is. De hondsroos en de egelantier zijn voorbeelden van enkelbloemige wilde rozen.

SporofyllenBewerken

 
Schema van Linnaeus met 24 klassen:
A: Monandria, B: Diandria, C: Triandria, D: Tetrandria, E: Pentandria, F: Hexandria, G: Heptandria, H: Octandria, I: Enneandria, K: Decandria, L: Dodecandria, M: Icosandria, N: Polyandria, O: Didynamia, P: Tetradynamia, Q: Monadelphia, R: Diadelphia, S: Polyadelphia, T: Syngenesia, U: Gynandria, V: Monoecia, X: Dioecia, Y: Polygamia, Z: Cryptogamia

MeeldradenBewerken

  Zie ook Meeldraad.

De meeldraden zijn de mannelijke sporofyllen. Ze produceren het stuifmeel (de microsporen). De meeldraden kunnen op diverse manieren opgesteld staan.

  1. Als er evenveel of minder meeldraden zijn als bloemkroonbladeren:
    • epipetaal (meeldraden tegenover kroonbladen),
    • episepaal (meeldraden tegenover kelkbladen)
  2. Als er tweemaal zoveel meeldraden zijn als bloemkroonbladeren:
    • obdiplostemoon (binnenste krans van meeldraden tegenover kroonbladen en buitenste tegenover kelkbladen) of
    • diplostemoon (binnenste krans van meeldraden tegenover kelkbladen en buitenste tegenover kroonbladen) ingeplant zijn.

In sommige gevallen zijn de meeldraden van verschillende lengte.

  • De meeldraden heten tweemachtig als er twee korte en twee lange meeldraden zijn.
  • De meeldraden heten viermachtig als er twee korte en vier lange meeldraden zijn.

Onder helmstijlige bloemen verstaat men de bloemen waar de meeldraden vergroeid zijn met de stamper. Dit is bijvoorbeeld het geval bij kaasjeskruid (Malva).

De volgorde van rijping van de meeldraden kan zijn:

  • centripetaal (van de buitenste naar de binnenste) of
  • centrifugaal (van de binnenste naar de buitenste).

StampersBewerken

  Zie ook Stamper (plant).

De binnenste krans heeft één of meer stampers opgebouwd uit één of meer al of niet vergroeide vruchtbladen of carpellen (de vrouwelijke sporofyllen) en vormt

Ook kunnen er één of meer honingklieren (nectarium) aanwezig zijn.

ClassificatieBewerken

In de 18e eeuw plaatste Linnaeus bloemen in een schema, op basis van hun reproductie-organen. Dit schema is sinds lang verlaten. Er bestaan nu verschillende soorten indelingen.

BloeiwijzeBewerken

  Zie bloeiwijze voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Bloemen kunnen alleenstaand zijn - elk op een aparte bloemstengel - of gegroepeerd in een bloeiwijze, bijvoorbeeld in een aar, zoals bij smalle weegbree (Plantago lanceolata), of in een scherm, zoals bij fluitenkruid (Anthriscus sylvestris).

Soms zitten de bloemen zo dicht op elkaar, dat het lijkt alsof ze samen één bloem vormen: een hoofdje. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het zandblauwtje (Jasione montana) (in de klokjesfamilie) en bij samengesteldbloemigen, zoals de paardenbloem (Taraxacum officinale) en de zonnebloem (Helianthus annuus).

Alleenstaande bloemen kunnen naargelang de inplanting op de stengel worden onderscheiden in eindstandig (of schijnbaar eindstandig) of okselstandig:

  • okselstandig bloemen ontspringen in de bladoksel, de hoek tussen het blad en de stengel, zoals bij de brem (Sarothamnus scoparius),
  • eindstandige bloemen zitten op het einde van de hoofdas van de plant, bijvoorbeeld bij de tulp en de kievitsbloem,
  • schijnbaar eindstandige bloemen ontspringen in een bladoksel aan de top van een stengel, waardoor ze op het eerste gezicht als eindstandig worden gekenmerkt. De bloemhoofdjes van gifsla (Lactuca virosa) zijn schijnbaar eindstandig.

Bestuiving en bevruchtingBewerken

  Zie Bestuiving voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

"Bestuiving" en "bevruchting" zijn twee verschillende begrippen. Bestuiving kan leiden tot bevruchting maar dat hoeft niet. Na bestuiving moeten de spermacellen uit de stuifmeelkorrel via de stuifmeelbuis naar de eicel gebracht worden en moeten de kern van de spermacel en de kern van de eicel met elkaar versmelten, wat het moment van bevruchting is. In de lucht zitten zeer veel verschillende stuifmeelkorrels en alleen een specifieke combinatie van stuifmeelkorrel en stempel geeft bevruchting. Dit voorkomt bij kruisbevruchters kruisbevruchting tussen soorten of nauw-verwante planten, zodat deze soort-echt blijven.

Er zijn verschillende barrières tegen kruisbevruchting tussen soorten. Deze kunnen door de bouw van de bloem komen, maar er zijn ook genetische barrières. Deze kunnen sporofytisch of gametofytisch van aard zijn. Gametofytisch: de reactie van het stuifmeel hangt af van het genotype van de haploïde kernen van het stuifmeel en het genotype van de moeder, waardoor de stuifmeelbuis al of niet kan uitgroeien. Sporofytisch: de reactie van het stuifmeel hangt niet af van het genotype van de haploïde kernen van het stuifmeel maar van het genotype van de vader en het genotype van de moeder. Eenslachtige bloemen aan aparte vrouwelijke en mannelijke planten geeft doorgaans een zeer goede bescherming. Ook tweeslachtige bloemen kunnen zelfbevruchting tegengaan, doordat het stuifmeel en de stamper niet tegelijk rijp zijn, zoals bij de Geranium macrorrhizum of doordat de helmhokjes van de meeldraden ver van de stamper verwijderd zijn. Plantensoorten die afhankelijk zijn van bestuiving door insecten of dieren hebben hun bloemen daarop aangepast door felle kleuren, nectarproductie en/of sterk geuren. Bij bestuiving door insecten is vaak sprake van een speciale bloemvorm, waardoor bezoekende insecten gemakkelijk met stuifmeel in aanraking komen. Ook hebben bloemen soms een ingewikkelde bouw waardoor alleen een specifiek insect de bloem kan bestuiven, of lijken de bloemen op het betreffende insect waardoor het insect wil paren en zo de bloem bestuift. Als voorbeeld van bestuiving door dieren is de kolibrie zeer bekend. Door de speciale bouw kan de kolibrie in de lucht stil blijven hangen.

BloemvormBewerken

  Zie ook Bloemformule en Bloemdiagram.

Naar van de vorm van de individuele bloemen onderscheidt men:

De kroonbladen kunnen vrij of vergroeid zijn. Vergroeide kroonbladen kunnen trechtervormig (gentiaan), radvormig (vlambloem), klokvormig (klokje), kroesvormig (dophei) of buisvormig zijn (tabaksplant) . Ook kunnen de kelk- en kroonbladen (wilgenkatjes) of alleen de kroonbladen (iep) ontbreken. In het laatste geval kunnen de kelkbladen zich omvormen tot kroonbladachtige blaadjes (wildemanskruid).
Uitzondering: De bloemen van de composieten en van sommige vlinderbloemigen zijn op het eerste zich ook radiaal symmetrisch, doch het betreft hier een bloemhoofdje, een samengestelde bloem; de individuele bloempjes kunnen wel regelmatig zijn.
  • Tweezijdig symmetrisch of zygomorf: Boven- en onderzijde van de bloem zijn verschillend, waardoor er slechts één symmetrieas is. De kroonbladen kunnen vrij of (gedeeltelijk) vergroeid zijn.
    • Lipbloem: tweezijdig symmetrische bloem met een goed ontwikkelde onderlip (1-lippig) zoals bij de bijenorchis, of met zowel een onderlip als een bovenlip (2-lippig), zoals bij de witte dovenetel;
    • Gemaskerde bloem: een tweelippige bloem waarvan de onderlip de bloemopening volledig afsluit, zoals bij de weegbree- en de helmkruidfamilie; bijvoorbeeld de grote leeuwenbek.
    • Vlinderbloem: vijf gedeeltelijk vergroeide kroonbladen, omgevormd naar een vlag (1 kroonblad), twee zwaarden (2 kroonbladen) en een kiel (2 vergroeide kroonbladen). Deze vorm is typisch voor de vlinderbloemigen, zoals de lathyrus.
    • Lintbloem: één lintvormig kroonblaadje, zoals bij de composietenfamilie.

Bijzondere vormenBewerken

Een cephalium of bloemhoofd, wordt gevonden op de top van cactussen van het geslacht Melocactus. In dit bloemhoofd komen de echte bloemen en later de vruchten voor. Het bloemhoofd wordt in de loop van de tijd steeds groter.

BloemkleurBewerken

Een hele reeks van pigmenten zorgt voor de verschillende bloemkleuren. De meeste zijn anthocyanen, maar de fel gele kleuren zijn meestal flavonoïden. Ook komen carotenoïde pigmenten voor. Het menselijk oog ziet echter andere kleuren dan een insectenoog. Insecten, met name bijen, zien kleuren die het menselijk oog alleen onder ultraviolet licht kunnen zien. Zo zijn honingmerken voor het menselijk oog niet altijd zichtbaar, maar wel onder een uv-lamp.

BloembewegingenBewerken

Open en dichtgaanBewerken

 
Rudbeckia fulgida

Sommige bloemen gaan dicht als het donker wordt. Niet alle bloemen hebben het vermogen om open en dicht te gaan. De zonnebloem eenmaal open kan zich niet meer sluiten terwijl de paardenbloem, ook een composiet, dit wel kan. De zonnebloem heeft wel de mogelijkheid om de bloem naar beneden te laten hangen en zo de bloempjes en later de ontwikkelende zaden tegen regen te beschermen.

Bloemen die dit vermogen wel hebben openen zich 's ochtends na het opkomen van de zon en sluiten 's avonds. Ook bij regenachtig weer zijn deze bloemen veelal gesloten. Aan de onderkant van de kelk en bloembladen, bij de aanhechting op de bloembodem, zit een zogenaamd scharnier dat deze bewegingen mogelijk maakt.

Meedraaien met de zonBewerken

Veel bloemen hebben het vermogen om met de zon mee te draaien, zodat het hart van de bloem altijd op de zon gericht is. 's Nachts draait de bloem dan terug. De zonnebloem is hier een goed voorbeeld van.

BloemaantastingBewerken

 
Door rups aangevreten bloemknop van meidoorn

Een bloem kan evenals een blad aangetast worden door ziekten en plagen.

  • Er zijn schimmels, zoals Botrytis (grauwe schimmel), die de bloemknop en kroonbladen kunnen aantasten. De schimmel die vruchtrot bij aardbei veroorzaakt, dringt tijdens de bloei de verdikte bloembodem al binnen, maar geeft pas later bij de vruchtvorming vruchtrot.
  • Insecten, zoals rupsen vreten aan de bloemknop, maar ook zijn er insecten die het voedsel opzuigen, zoals thrips.
  • Virussen kunnen worden overgebracht door aanraking van de bloem of via zuigende insecten. Een virus vermeerdert zich in de plant, hetgeen verkleuringen van de kroonbladen tot gevolg heeft. Bij de tulp geeft dit gestreepte bloemen. De beruchte tulpomanie was gebaseerd op viruszieke bloembollen.

Bloemen verzorgenBewerken

Verlenging van bloeiperiode

Sommige planten vormen direct zaad wanneer ze beginnen met bloeien. Hierdoor wordt alle energie van de plant in de zaadvorming gestoken en de verdere bloemknopvorming vindt niet meer plaats. De bloemknoppen die zich heel klein in de oksels bevinden, kunnen zich dan niet meer ontwikkelen.

Als tijdig de oude bloemen van de planten worden verwijderd, kunnen deze veel langer bloeien. Bij de volgende planten is dit het geval:

Plantkunde en deelgebieden
Bijzondere plantkunde: algologie · bryologie · dendrologie · fycologie · lichenologie · mycologie · pteridologie
Paleobotanie: archeobotanie · dendrochronologie · fossiele planten · gyttja · palynologie · pollenzone · varens · veen
Plantenmorfologie & -anatomie: beschrijvende plantkunde · apoplast · blad · bladgroenkorrel · bladstand · bloeiwijze · bloem · bloemkroon · boomkruin · celwand · chloroplast · collenchym · cortex · cuticula · eicel · epidermis · felleem · fellogeen · felloderm · fenologie · floëem · fytografie · gameet · gametofyt · groeivorm · haar · houtvat · huidmondje · hypodermis · intercellulair · intercellulaire ruimte · kelk · kroonblad · kurk · kurkcambium · kurkschors · levensduur · levensvorm · merg · meristeem · middenlamel · palissadeparenchym · parenchym · periderm · plantaardige cel · plastide · schors · sklereïde · sklerenchym · spermatozoïde · sponsparenchym · sporofyt · stam · steencel · stengel · stippel · symplast · tak · thallus · topmeristeem · trachee · tracheïde · tylose · vaatbundel · vacuole · vrucht · wortel · xyleem · zaad · zaadcel · zeefvat · zygote
Plantenfysiologie: ademhaling · bladzuigkracht · evapotranspiratie · fotoperiodiciteit · fotosynthese · fototropie · fytochemie · gaswisseling · geotropie · heliotropisme · nastie · plantenfysiologie · plantenhormoon · rubisco · stikstoffixatie · stratificatie · transpiratie · turgordruk · vernalisatie · winterhard · worteldruk
Plantengeografie: adventief · areaal · beschermingsstatus · bioom · endemisme · exoot · flora · floradistrict · floristiek · hoogtezonering · invasieve soort · status · stinsenplant · uitsterven · verspreidingsgebied
Plantensystematiek: taxonomie · botanische nomenclatuur · APG II-systeem · APG III-systeem · algen · botanische naam · cladistiek · Cormophyta · cryptogamen · classificatie · embryophyta · endosymbiontentheorie · endosymbiose · evolutie · fanerogamen · fylogenie · generatiewisseling · groenwieren · hauwmossen · kernfasewisseling · korstmossen · kranswieren · landplanten · levenscyclus · levermossen · mossen · roodalgen · varens · zaadplanten · zeewier
Vegetatiekunde & plantenoecologie: abundantie · associatie · bedekking · biodiversiteit · biotoop · boomlaag · bos · Braun-Blanquet (methode) · broekbos · climaxvegetatie · clusteranalyse · concurrentie · constante soort · differentiërende soort · ecologische gradiënt · ecologische groep · Ellenberggetal · gemeenschapsgradiënt · grasland · heide · kensoort · kruidlaag · kwelder · minimumareaal · moeras · moslaag · ordinatie · pioniersoort · plantengemeenschap · potentieel natuurlijke vegetatie · presentie · regenwoud · relevé · ruigte · savanne · schor · steppe · struiklaag · struweel · successie · syntaxon · syntaxonomie · Tansley (methode) · toendra · tropisch regenwoud · trouw · veen · vegetatie · vegetatieopname · vegetatiestructuur · vegetatietype · vergrassing · verlanding