Surinaamse parlementsverkiezingen 1955

De Surinaamse parlementsverkiezingen in 1955 vonden plaats op 29 maart. Tijdens de verkiezingen werden de leden van de Staten van Suriname gekozen. Vlak voor de verkiezingen was de kiesregeling gewijzigd op voorstel van NPS (groep-Pengel) en VHP: er werden nu ook zgn. schaduwkandidaten verkozen waardoor er geen tussentijdse verkiezingen meer nodig waren en de twee kieskringen Suriname (zonder Para) en de kieskring Saramacca (alledrie hoofdzakelijk Hindoestaans) werden verenigd in één nieuwe kieskring met vier zetels. Kort na de verkiezing (voor de tussentijdse verkiezing van Pengel in Saramacca), werden de drie oude kieskringen terug hersteld.[1]

Surinaamse parlementsverkiezingen 1955
Datum 29 maart 1955
Land Vlag van Suriname Suriname
Nieuwe premier Johan Ferrier
Vorige premier Archibald Currie
Opvolging verkiezingen
1951     1958
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Suriname

De winnaar van deze verkiezingen was het Eenheidsfront en Johan Ferrier trad aan als premier van Suriname. De grote verliezer was de Nationale Partij Suriname (NPS) die in zetelaantal terugliep van 13 naar 2.

UitslagBewerken

Allianties en partijen Zetels in procenten Uitslag in zetels
Eenheidsfront
Surinaamse Democratische Partij (SDP)
Progressieve Surinaamse Volkspartij (PSV)
Partij Suriname (PS)
52,4% 11
(5)
(3)
(3)
Vooruitstrevende Hervormings Partij (VHP) 28,5% 6
Nationale Partij Suriname (NPS) 9,5% 2
KTPI (Kaum Tani Persatuan Indonesia) 9,5% 2
Totaal 21

KTPI wordt soms ook gerekend tot het Eenheidsfront.

ParlementsledenBewerken

EF


MutatiesBewerken

  • In 1955 werd Karamat Ali (KTPI) minister en kon dus geen Statenlid blijven waarop hij werd opgevolgd door zijn partijgenoot S. Soedardjo.
  • Sewberath Misser (VHP) trok zich terug zodat de NPS'er Johan Adolf Pengel alsnog tot Statenlid gekozen kon worden.
  • In 1956 stapte de PSV uit het Eenheidsfront maar de drie PSV-statenleden waren het daar niet mee eens en gingen verder als de Surinaamse Volkspartij (SVP).
  1. E. Dew, The Difficult Flowering of Surinam, p. 108 en 113