Gebruiker:Gyte75/Kladblok

KarakolBewerken

Bestand

De Karakol organisatie (Turks: Karakol Cemiyeti) was een geheime, ondergrondse organisatie binnen de Ottomaanse regering van het Ottomaanse rijk. Deze organisatie werd opgericht na het ondertekenen van de capitulatie in 1918 en had als doel het organiseren van het verzet in het Anatolisch binnenland. Twee jaar daarna werd de Karakol opgeheven door de geallieerden nadat ze overgingen tot de daadwerkelijke bezetting van Istanboel in 1920.

HistorieBewerken

Vlak voor Talaat Pasja het land uitvluchtte, gaf hij de opdracht voor de vestiging van de beweging. Deze beweging werd opgezet in 1918 door leden van de Teşkilât-ı Mahsusa (de geheime dienst van de Ottomaanse rijk, opgericht door de Comité voor Eenheid en Vooruitgang). Het doel van de organisatie was om de verzetsbeweging in Anatolië , later geleid door Mustafa Kemal Ataturk, te voorzien van inlichtingen vanuit Istanboel, het sturen van officieren naar Anatolië en materiële ondersteuning zoals munitie en wapens. Doordat de hooggeplaatste functionarissen van de CUP en de Teşkilât-ı Mahsusa door de geallieerden opgepakt werden en deze organisaties opgeheven werden, moesten de overgebleven Unionisten overgaan tot een ondergrondse verzetsbeweging. Deze organisatie werd opgezet en geleid door bureaucraten - die voornamelijk bestonden uit Unionisten - die in dienst waren van de Ottomaanse regering en dus volledig moesten meewerken met de geallieerden. Echter, door een tekort aan toezicht van de geallieerden, konden Unionistische bureaucraten het verzetsbeweging voorzien van de nodige steun. Toen de geallieerden eind 1920 overgingen tot de bezetting van Istanboel, werden kopstukken van de Karakol organisatie opgepakt. De overgebleven leden waren genoodzaakt om te vluchten naar Anatolie. Hierna zijn er verschillende, vergelijkbare organisaties opgericht om de verzetsbeweging te ondersteunen. Echter, het waren de (voormalige) Unionisten die tezamen met de Karakol de weg vrij maakte voor de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog, nog voordat Mustafa Kemal Ataturk de leiding van de verzet op zich nam, dat uiteindelijk resulteerde in de totstandkoming van de Republiek Turkije in 1923.

OpheffingBewerken

On 11 January 1920, Baha Said Bey traveled to Baku where he signed an alliance with the Bolsheviks, presenting himself as an envoy of the Turkish resistance. On 26 February, Kara Vâsıf Bey informed Kemal of the agreement, which Kemal rebuffed as illegitimate since it was concluded without ADRAR's knowledge or consent. Kemal once more requested Karakol to incorporate itself into ADRAR. Karakol remained defiant, operating until the 1920 Turkish Grand National Assembly election, which was disrupted when British troops entered the parliament and arrested several deputies on 16 March. A part of Karakol's leadership was subsequently exiled to Malta, others either joined Kemal in Ankara or Enver Pasha in the Caucasus. Insignificant remnants of Karakol continued to exist until 1926, however Kemal had already solidified his position at the head of the Turkish National Movement.[1] Karakol's function as an intelligence agency was substituted by a number of other organizations including Yavuz Group, Zabitan Group, Hamza Group. They continued to operate until the end of the independence war. Karakol is considered as one of the precursor organizations to the modern day National Intelligence Organization, MİT.[2]

Op 11 januari 1920 reisde Baha Said Bey naar Bakoe, waar hij een alliantie sloot met de bolsjewieken en zichzelf voorstelde als een gezant van het Turkse verzet. Op 26 februari bracht Kara Vâsıf Bey Kemal op de hoogte van de overeenkomst, die Kemal als onwettig afkeurde omdat deze werd gesloten zonder medeweten of toestemming van ADRAR. Kemal verzocht Karakol nogmaals om zich in ADRAR op te nemen. Karakol bleef uitdagend en opereerde tot de verkiezing van de Turkse Grote Nationale Vergadering in 1920, die werd verstoord toen Britse troepen het parlement binnendrongen en op 16 maart verschillende afgevaardigden arresteerden. Een deel van het leiderschap van Karakol werd vervolgens verbannen naar Malta, anderen sloten zich aan bij Kemal in Ankara of Enver Pasha in de Kaukasus. Onbeduidende overblijfselen van Karakol bleven bestaan ​​tot 1926, maar Kemal had zijn positie aan het hoofd van de Turkse Nationale Beweging al verstevigd. [1] Karakol's functie als inlichtingendienst werd vervangen door een aantal andere organisaties, waaronder Yavuz Group, Zabitan Group, Hamza Group. Ze bleven opereren tot het einde van de onafhankelijkheidsoorlog. Karakol wordt beschouwd als een van de voorlopers van de moderne National Intelligence Organization, MİT. [2]

Ottomaanse periodeBewerken

Eerste WereldoorlogBewerken

Het Ottomaanse Rijk nam deel aan de Eerste Wereldoorlog aan de zijde van de Centrale Mogendheden tegen de landen van de Entente. Op 29 oktober 1914 liet Enver Pasja Duitse oorlogschepen onder Ottomaanse vlag Russische havens in de Zwarte Zee bombardeerden, waarmee het Ottomaanse rijk in de oorlog belande. Vanwege de alliantie met Duitsland stonden verschillende Ottomaanse legereenheden onder leiding van Duitse commandanten. Mustafa Kemal was totaal niet tevreden met deze situatie.

 
Mustafa Kemal in de loopgraven bij de Slag om Gallipoli, Çanakkale, 17 juni 1915

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Mustafa Kemal eerst gestationeerd bij de Dardanellen. Mustafa Kemal kreeg hierbij de leiding over de 19de divisie van het Vijfde leger van het Ottomaanse Rijk en diende van 25 april 1915 tot 9 januari 1916 onder de Duitse officier Otto Liman von Sanders, die de leiding had over het Vijfde leger. Mustafa Kemal speelde een belangrijke rol in het afslaan van de geallieerde invasie in de Slag om Gallipoli. Door zijn militaire successen werd hij tot kolonel gepromoveerd en steeg zijn aanzien binnen het Ottomaans leger.[3] Het verhaal gaat, dat voor de geallieerde aanval op de Dardanellen begon, Mustafa Kemal zijn soldaten het bevel gaf door te gaan met de strijd tot de dood, zodat er voldoende tijd was voor hulptroepen om op het front te arriveren. De Gallipoliveldtocht werd een rampzalige nederlaag voor de geallieerden, omdat ze er maar niet in slaagden om voorbij de stranden van Gallipoli te komen. De geallieerden besloten uiteindelijk het offensief af te breken en evacueerden hun troepen. Hun laatste troepen vertrokken op 8 januari 1916.

 
Cevat Pasja en Mustafa Kemal Bey op de dagelijkse Tasvîr-i Efkâr van 29 oktober 1915

Na het einde van de Slag om Gallipoli werd Mustafa Kemal, na een kleine uitstap naar Edirne, op 14 januari 1916 overgeplaatst naar het oostfront, waar op dat moment de oorlog in de Kaukasus aan de gang was. Hier kreeg hij de leiding over het 16de divisie van het Tweede leger, die het moest opnemen tegen het Russische leger, die werd bijgestaan door Armeense vrijwilligerseenheden. Op 1 april 1916 werd hij gepromoveerd tot brigadegeneraal. In de zomer van 1916 slaagde zijn leger erin de steden Muş en Bitlis terug te veroveren van de Russen. Wederom vielen de militaire bekwaamheden van Mustafa Kemal op binnen het Turkse leger. Maar toen de Russen in de herfst weer aanvielen, was zijn leger genoodzaakt zich weer uit de veroverde steden terug te trekken. Op 7 maart 1917 kreeg hij de gehele leiding over het Tweede leger toegewezen.

In juli 1917 werd hij aangesteld als commandant van het Zevende leger van de legergroep Bliksemschicht in Palestina, maar hij kon niet opschieten met maarschalk Erich von Falkenhayn onder wiens commando hij stond. Samen met İsmet İnönü rapporteerde hij daarover aan Talaat Pasja en deed een verzoek om een sterkere verdedigingslinie in het noorden van Syrië, geleid door Turken in plaats van Duitsers. Talaat Pasja weigerde echter het verzoek van Mustafa Kemal te voldoen. Ontevreden over de weigering nam Mustafa Kemal begin oktober 1917 ontslag van zijn functie en keerde hij terug naar Istanboel.

In Istanboel kreeg hij de taak prins (en latere sultan) Mehmet VI 'Vahideddin' te vergezellen bij een treinreis naar Oostenrijk-Hongarije en dan verder naar Duitsland. In Duitsland bezocht Mustafa Kemal de Duitse linies van het westfront en concludeerde na een analyse dat de Centrale Mogendheden de oorlog spoedig zouden verliezen. Hij aarzelde niet om zijn mening kenbaar te maken aan keizer Wilhelm II en zijn generaals. Tijdens de reis had Mustafa Kemal ook meerdere gesprekken met Mehmet VI, waarin hij hem probeerde over te halen een nieuw leger te vormen en hem als zijn adviseur aan te stellen. Tijdens de terugreis naar Istanbul werd Mustafa Kemal ziek en verbleef hij enige tijd in de stad Karlsbad in Oostenrijk-Hongarije voor een medische behandeling. Vanuit het ziekenhuis komt Mustafa Kemal te weten, dat in juli 1918 Mehmet V Reşat overleden is en opgevolgd is door zijn broer Mehmet VI Vahideddin. Bij zijn terugkomst in Istanbul ontdekte hij, dat Mehmet VI zijn plan had opgegeven mede onder de invloed van Enver Pasja.

Mehmet VI stelde Mustafa Kemal op 7 augustus 1918 (voor de tweede keer) aan als bevelhebber van het Zevende Leger in Palestina, dat zich nabij Nablus bevond. Inmiddels had Otto Liman von Sanders begin 1918 het commando van het Ottomaanse leger in de Sinai en de Palestina Campagne overgenomen van Erich von Falkenhayn. In Palestina kreeg Mustafa Kemal te maken met de Arabische Opstand, welke georganiseerd was door Groot-Brittannië, die de lokale Arabieren tot een opstand had aangemoedigd tegen de Ottomaanse overheersing. Toen Liman von Sanders de strijd verloor bij Megiddo, stond de Britse leger niets meer in de weg om Mustafa Kemals leger aan te vallen. Vanwege een gebrek aan mankracht om het Britse leger aan te kunnen, was Mustafa Kemal genoodzaakt zich helemaal terug te trekken naar Jordanië en dan nog verder naar Aleppo. Op 30 oktober 1918 verving hij Liman von Sanders als commandant van de legergroep Bliksemschicht. Daarna slaagde hij ondanks de slechte situatie erin de opmars van het Britse leger tot een halt te brengen. Ondanks dit succes van Mustafa Kemal, zou het Ottomaanse rijk de Eerste wereldoorlog verliezen. Opmerkelijk genoeg was Mustafa Kemal de enige Ottomaanse commandant, die bij deze oorlog geen nederlaag op zijn naam had staan.

BezettingsperiodeBewerken

 
Mustafa Kemal Pasja in november 1918

Op 30 oktober 1918 werd het verdrag van Mudros ondertekend, waarmee de Ottomaanse capitulatie werd bevestigd. Na de Eerste Wereldoorlog werd het Ottomaanse Rijk grotendeels bezet door de geallieerden. Het gehele Europese deel en een groot deel van Anatolië werden bezet door het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Italië, Frankrijk en Armenië. Ondanks de animositeit van Mustafa Kemal richting het Huis van Osman, ging hij in op het verzoek van de sultan om de door de geallieerden opgelegde demilitarisering van de Ottomaanse legers in goede banen te leiden als commandant van de legergroep Bliksemschicht. Samen met ongeveer vijftig andere officiers vormde hij nu de ruggengraat van de militaire vleugel van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang (İttihat ve Terakki Cemiyeti) (ook wel: Unionisten). Ondanks verzet van Mustafa Kemal werd in de lijn van het Mudrosverdrag op 7 november zijn legergroep door Grootvizier Izzet Pasja ontbonden, en was hij gedwongen terug te keren naar Istanboel. Op 13 november 1918 komt hij via Adana per trein aan in Istanboel en moest 3,5 uur wachten op Station Haydarpaşa vanwege 56 oorlogschepen van het bezettingsleger van de Geallieerden. Vandaar werd hij met de Kartal stoomboot naar de overzijde gebracht. Adjudant Mehmet Cevat Abbas Gürer vroeg toen wat er nu ging gebeuren, waarop Mustafa Kemal antwoordde: "Ze zullen gaan zoals ze gekomen zijn" (Geldikleri gibi giderler).[4]

Door Izzet Pasja kreeg hij een administratieve functie toegewezen bij het ministerie van Oorlog. Hij nam zijn intrek in het Pera Palace hotel, waar vele bevelhebbers van de Geallieerden ook hun intrek hadden. Later verhuisde hij naar het huis van zijn vriend Salih Fansa in Beyoğlu om vervolgens te verhuizen naar het triplex appartement van Madame Kasabyan in Şişli. Moeder Zübeyde Hanım en zus Makbule kwamen over van het huis in Akaratlar, te Beşiktaş en namen de bovenste verdieping in. Mustafa Kemal nam de middelste verdieping in en in de onderste verdieping sliep Adjudant Mehmet Cevat Abbas Gürer. In dit huis vonden vele vergaderingen met vrienden en gelijkgezinden plaats.

Mustafa Kemal werd benaderd door leden van de Karakol beweging. Deze organisatie was in het geheim na de Ottomaanse capitulatie opgericht door het Comité voor Eenheid en Vooruitgang en had als doel het organiseren van het verzet in het Anatolisch binnenland. Omdat veel van hun leden waren opgepakt door de geallieerden om te worden berecht bij de Malta-tribunalen, zochten ze naar iemand die het verzet in het binnenland kon leiden. Officieren als Kâzım Karabekir en Ali Fuat Cebesoy waren reeds aanwezig in het binnenland. De Karakol-leden vonden Mustafa Kemal een ideale kandidaat voor het leiderschap, wegens zijn goede reputatie binnen het Ottomaans leger. Toen Mustafa Kemal besloot deze taak op zich te nemen, was een gelegenheid om naar het binnenland te vertrekken snel gevonden. De regering van Damat Ferit Pasja maakte zich grote zorgen over het voortdurende geweld tussen verschillende etnische groepen in Oost-Anatolië het Zwarte zeegebied en zij wilde een militaire inspecteur instellen om de orde te herstellen en de bevolking te ontwapenen. Via connecties met minister Mehmet Ali Bey werd Mustafa Kemal tot militaire inspecteur benoemd en vertrok hij op 16 mei 1919 naar Samsun.

Turkse OnafhankelijkheidsoorlogBewerken

Op 19 mei 1919 kwam hij vanuit Istanboel per boot in Samsun aan, waar hij zijn eerste congres organiseerde, dat de aanzet zou vormen voor de latere Turkse Onafhankelijkheidsoorlog. Hier maakte hij de bevolking attent op het gevaar van opdeling van het land door de geallieerden en op de landing van Griekse troepen in het westen en Italiaanse troepen in het zuiden. Op 22 juni 1919 had hij in de plaats Amasya een ontmoeting had met de officieren Ali Fuat Cebesoy, Rauf Orbay en Refet Bele. Met hun stelde hij een circulaire op, waarin gesteld werd dat het land in gevaar was, dat de regering in Istanboel te onmachtig was om het land te beschermen en dat de gehele natie in actie zou moeten komen om dit tegen te gaan. Het Amasya-circulaire werd per telegram verspreid over de verschillende verzetshaarden van het land. Om meer steun te verzamelen voor het verzet, hield Mustafa Kemal daarna congressen in achtereenvolgens de steden Balıkesir, Erzurum, Sivas en Alaşehir.

Nadat de geallieerden zijn huis in Istanboel hadden doorzocht, kwamen zij achter zijn plannen en werd hij eind 1919 per direct door de sultan teruggeroepen. Hierop diende hij officieel zijn ontslag in bij het ministerie van Oorlog. Kâzım Karabekir, bevelhebber van de resterende Ottomaanse legers die gestationeerd stonden aan de oostgrens, liep samen met andere prominente figuren uit de Ottomaanse legers zoals Fevzi Çakmak en İsmet İnönü over naar de kant van Mustafa Kemal. Met dit leger, dat bestond uit de Anatolische bevolking en restanten van het Ottomaanse leger, kwam Mustafa Kemal in opstand tegen zowel de geallieerde bezetters als tegen de Ottomaanse sultan, die zou duren van 1920 tot 1923.

De sultan vond dat Mustafa Kemal en zijn nationalisten een bedreiging vormden voor zijn positie als leider van het Ottomaanse rijk. Hij gaf zijn minister Şevket Süleyman Pasja de opdracht een leger te vormen om de nationalisten te bestrijden. Dit leger stond bekend als de Kuva-yi Inzibatiye of het Kalifaatleger. Gebruikmakend van zijn titel als kalief verklaarde hij de nationalisten tot vijanden van de islam. De Britten ondersteunden het Kalifaatleger, omdat ze af wilden van Mustafa Kemal.

 
Mustafa Kemal Pasja inspecteert de troepen in İzmit, 18 juni 1922

In 1920 accepteerde sultan 'Vahideddin' het Verdrag van Sèvres, hetgeen door veel Turken als vernederend werd gezien. Kemals beweging kreeg hierdoor veel steun onder de Turkse bevolking. Op 23 april 1920 werd in de stad Ankara het nieuwe Turkse Parlement (de TBMM) opgericht, die zich uitriep als de officiële regering van Turkije, hetgeen het regime van de sultan verder verzwakte. De TBMM verklaarde dat de soevereiniteit onvoorwaardelijk bij het volk berust ("Egemenlik, kayıtsız, şartsız milletindir"). De TBMM speelde een belangrijke rol in het nemen van besluiten in de Turkse Bevrijdingsoorlog. Veel parlementsleden uit het Ottomaanse kabinet liepen over naar de TBMM, nadat de sultan hen ontslagen had onder druk van de Britten.

Mustafa Kemal gaf aan generaal Kâzım Karabekir de opdracht om met zijn leger Noord-Oost Anatolië terug te veroveren van de Armeniërs, terwijl Mustafa Kemal zelf met zijn divisie naar de stad Maraş marcheerde om die te bevrijden. In Maraş hadden de Fransen een vreemdelingenlegioen opgericht samen met de Armeniërs. Kâzım Karabekir slaagde in zijn missie, waarna met Rusland het Verdrag van Kars werd overeengekomen.

Toen een Grieks invasieleger door fouten van Turkse officieren nog slechts enkele kilometers verwijderd van de TBMM was (Slag om Kütahya-Eskişehir), kreeg Mustafa Kemal naast zijn functie van parlementsvoorzitter ook die van opperbevelheber van het leger. Onder zijn leiding werden de Grieken, hoewel in de meerderheid en beter uitgerust, tijdens de Slag om Sakarya verdreven tot ver achter de Sakarya. Deze veldslag leverde Mustafa Kemal een promotie tot veldmaarschalk op. Na een jaar van voorbereidingen begon hij in 1922 de Slag om Dumlupınar, waarbij de Grieken zich terug moesten trekken tot aan İzmir. Nadat ze ook daar verslagen werden, waren ze genoodzaakt om per boot terug te keren naar Griekenland.

Op 11 oktober 1922 werd in de stad Mudanya een wapenstilstand gesloten. Hierna begonnen in november de vredesbesprekingen in de stad Lausanne met de geallieerde landen. Op 23 juli 1923 werd het vredesverdrag van Lausanne overeengekomen, die grotendeels de grenzen van de nieuwe staat Turkije vastlegde en de regering van Mustafa Kemal erkende als rechtmatige regering daarvan. Het vredesverdrag van Lausanne diende als vervanging van het vredesverdrag van Sèvres en werd door veel Turken als meer acceptabel gezien.

Turkse republiekBewerken

Vestiging van de republiekBewerken

 
Hij spreekt het volk toe in Bursa, 1924

Na het einde van de Turkse bevrijdingsoorlog werd op 1 november 1922 het sultanaat officieel afgeschaft door de TBMM en Mustafa Kemal werd erkend als de nieuwe leider van Turkije. Sultan Mehmet VI werd verbannen naar het Malta en werd opgevolgd door zijn neef Abdülmecit II, maar alleen in de functie van kalief, niet als sultan. Het was toen nog niet duidelijk wat voor staatsvorm Turkije zou krijgen. Het volk bleef de nieuwe kalief Abdülmecit II als het nieuwe staatshoofd zien. Mustafa Kemal wou aan de onduidelijke situatie een eind maken. Nadat de Lausanne-onderhandelingen waren afgerond, werd door Mustafa Kemal op 29 oktober 1923 officieel de republiek uitgeroepen.

Turkije werd een seculiere republiek met Mustafa Kemal als eerste president. Mustafa Kemal plaatste zijn vertrouwelingen in politiek gunstige posities, zodat hij verzekerd was van de goede uitvoer van zijn geplande hervormingen. Zo werd İsmet İnönü benoemd tot de eerste premier, Kâzım Özalp werd minister van defensie en Fevzi Çakmak werd de stafchef van de Turkse strijdkrachten. Onder de leiding van Mustafa Kemal werd er een politieke partij opgericht, de CHP (Cumhuriyet Halk Partisi, Republikeinse Volkspartij) (1923-1938), waarvan hij benoemd werd tot partijvoorzitter. Hij zorgde voor een nieuwe grondwet voor Turkije. Ankara werd de nieuwe hoofdstad van Turkije, omdat dat centraler in het land gelegen was dan Istanboel en omdat het nieuwe Turkse parlement daar gevestigd was. De politieke ideeën, die Atatürk in de loop van zijn presidentschap zou ontwikkelen, worden het Kemalisme genoemd. De basisprincipes van het Kemalisme zouden pas in 1931 duidelijk worden gedefinieerd in het partijprogramma van de CHP. Het Kemalisme zou door Atatürk op 5 februari 1937 officieel worden opgenomen in de Turkse grondwet.

HervormingsbeleidBewerken

 
Toen in 1928 het latijnse schrift voor de Turkse taal ingevoerd zou worden, ging Atatürk met schoolbord en krijt het land in en gaf het volk enkele demonstraties van het nieuwe Turkse alfabet, Kayseri, 1928

Mustafa Kemal wilde van Turkije een modern land maken door verregaande sociale en politieke hervormingen in te voeren. Volgens Mustafa Kemal was de teloorgang van het Ottomaanse rijk veroorzaakt door de te grote invloed van de islamitische geestelijken op het rijk. Deze geestelijken wezen elke vernieuwing vanuit de westerse wereld af. Hoewel Mustafa Kemal niet tegen religie was, vond hij dat een staat ook zonder religie geregeerd kon worden. Hij wou definitief afrekenen met de Ottomaanse erfenis van zijn land. Omdat Atatürk moest breken met oude vastgeroeste traditionele opvattingen, liet hij zijn hervormingen op een radicale en dwingende manier uitvoeren.

Zijn grootste hervorming was de invoering van het secularisme in een strengere vorm genaamd laïcisme. Op 3 maart 1924 schafte hij het kalifaat af. Hierop werd ook de gewezen kalief Abdülmecit II, een neef van Mehmet VI, gedwongen Turkije te verlaten. Vanuit islamitische landen werd geprotesteerd tegen deze actie van Mustafa Kemal, waarna zij verschillende congressen organiseerden (Cairo 1926, Mekka 1926, Jeruzalem 1931) om een nieuwe kalifaat te kiezen, maar zij kwamen niet tot een consensus. Dit is de reden dat de islamitische wereld geen centrale leiding meer kent. Tegelijk met het afschaffen van het kalifaat stichtte Atatürk de Diyanet, een presidium voor godsdienstzaken, die de functie van Sjeikh ul-Islam verving en als taak kreeg alle moskeeën en andere islamitische instellingen in het land te controleren. Op 8 april 1924 schafte hij de sharia-rechtbank af. Op 30 november 1925 liet Atatürk alle islamitische soefikloosters (tekke's) sluiten. Tenslotte liet Atatürk op 5 februari 1937 het principe van secularisme opnemen in de Turkse grondwet.

 
Hij bezoekt studenten in Adana, 19 november 1937

In begindagen van de Turkse republiek was het analfabetisme onder de bevolking van Turkije hoog. Atatürk wilde dit bestrijden, omdat een goed opgeleide bevolking mede zorgt voor de vooruitgang en modernisatie van een land. Op 3 maart 1924 sloot Atatürk de islamitische scholen (medrese's) en stelde de rest van de bestaande scholen onder toezicht van de staat. Voortaan werd seculier en wetenschappelijk onderwijs de norm. Atatürk riep ook de hulp in van de Amerikaanse pedagoog en filosoof John Dewey, die op uitnodiging van Atatürk naar Turkije kwam op 19 juli 1924. John Dewey bezocht in 3 maanden verschillende Turkse scholen en praatte met verschillende leraren, waarna hij in een rapport zijn aanbevelingen deed.[5] Dit rapport werd door de Turkse regering als leidraad gebruikt voor het opzetten van een modern schoolsysteem in Turkije. Onder Atatürks leiding werden duizenden nieuwe scholen gebouwd, werd het basisonderwijs gratis en verplicht gemaakt voor zowel jongens als meisjes. Vanaf 1927 werd het gemengd onderwijs ingevoerd voor het basisonderwijs. Atatürks hervormingen op het gebied van onderwijs maakten het onderwijs veel toegankelijker. Tussen 1923 en 1938 steeg het aantal leerlingen op basisscholen met 224% van 342.000 tot 765.000. Het aantal leerlingen op middelbare scholen nam 12,5 keer toe van ongeveer 6.000 tot 74.000. Het aantal leerlingen op middelbare scholen werd bijna 17 keer zo groot van 1.200 naar 21.000.

In 1925 voerde Atatürk een kledingcode in voor een moderne, westers georiënteerde kledingwijze voor zowel mannen als vrouwen. De fez werd officieel afgeschaft en vervangen door westerse hoeden en petten. In 1926 werd het strafrecht overgenomen vanuit het Italiaanse strafrecht en werd het burgerlijk wetboek overgenomen vanuit het Zwitsers burgerlijk wetboek. De aanname van het nieuwe burgerlijk wetboek betekende automatisch de afschaffing van polygamie. Vanaf begin 1926 liet Atatürk de islamitische kalender vervangen door de Gregoriaanse kalender en zondag werd de officiële rustdag in plaats van de vrijdag, de traditionele islamitische rustdag. Deze hervorming zorgde voor een betere aansluiting bij de werktijden in westerse landen.

 
Hij spreekt tot een burger in İzmir, 1931

Destijds werd de Turkse taal geschreven in Arabische letters. Maar het gebruik ervan voor de Turkse taal was onhandig. Atatürk wilde dit veranderen door over te stappen naar het Latijns alfabet. Hij stelde een taalcommissie samen van taalkundigen, die een nieuw Turkse alfabet creëerde met Latijnse letters. De Taalcommissie stelde een overgangsperiode van vijf jaar voor, maar Atatürk vond dit veel te lang en bracht het terug tot drie maanden. Op 1 november 1928 werd de wet aangenomen voor de adoptie en implementatie van het nieuwe Turkse alfabet, waarna op scholen het nieuwe alfabet geïntroduceerd werd. Voor volwassenen werden er zogenaamde volksscholen (Millet mektebleri) opgericht, waar ze het nieuwe alfabet konden leren. Dit voorzag dat heel Turkije binnen een aantal maanden volledig overstapte. Het culturele aspect van deze hervorming was enorm. Niet alleen was het Turks hierna makkelijker te leren, het zorgde ook voor betere aansluiting bij de Westerse wereld.

Op 12 april 1931 richtte Atatürk de Turkse Historische Vereniging (Türk Tarih Kurumu, TTK), die als taak had de Turkse geschiedenis nader te bestuderen. Op 12 juli 1932 richtte Atatürk de Turkse Taalvereniging (Türk Dil Kurumu, TDK) op, die als taak had de Turkse taal te reguleren en werd geleid door de Armeense taalkundige Agop Dilâçar. Een van de taken van de Turkse Taalvereniging was om de Turkse taal te ontdoen van Arabische en Perzische leenwoorden.

In 1934 werd de achternamen-wet ingevoerd. Iedereen in het land moest voortaan een familieachternaam hebben. Het Turkse parlement gaf hem de achternaam Atatürk, wat 'Vader der Turken' betekent, als erkenning voor de rol die hij speelde bij de totstandkoming van de moderne Turkse Republiek.[6] Hij maakte iedereen in het land tot Turks staatsburger en propageerde een sterk nationalisme als middel om onderlinge verbondenheid onder het volk te creëren. Bekend is zijn leus "Hoe gelukkig is degene, die zich Turk noemt" ("Ne mutlu Türküm diyene"). Deze leus sprak hij voor het eerst uit bij een beroemde speech op 29 oktober 1933 tijdens de tiende viering van het Turkse Republieksfeest (Cumhuriyet bayramı). Zijn regering voerde een beleid van turkicisatie om een homogene en verenigde natie te creëren.[7][8][9] Onder Atatürk werden niet-Turkse minderheden onder druk gezet om in het openbaar Turks te spreken,[10] niet-Turkse toponiemen en achternamen van minderheden moesten worden gewijzigd in Turkse uitleveringen.[11][12]

VrouwenrechtenBewerken

 
Achttien vrouwen werden gekozen tot het Turkse parlement in de verkiezingen van 1935.

In de Ottomaanse periode was de positie van de vrouw ondergeschikt aan die van de man. Atatürk vond dat Turkije zich niet naar een moderne maatschappij kon ontwikkelen, als vrouwen niet op een gelijkwaardige manier kunnen participeren in de samenleving. Atatürk wilde daarom een einde maken aan de achterstelling van de vrouw, hoewel deze vrouwenemancipatie voornamelijk van bovenaf opgelegd werd. In de beginjaren van de republiek was er ook een vrouwenbeweging (Kadınlar Halk Fırkası) actief, die ijverde voor betere rechten voor vrouwen. Bekende vrouwen bij deze beweging waren Nezihe Muhiddin en Halide Edib Adıvar.

Met de aanname van het Zwitsers burgerlijk wetboek in 1926 kregen Turkse vrouwen gelijke burgerrechten in Turkije[13], zoals het erfrecht, het scheidingsrecht, het recht om te studeren, het recht op eigen beroepskeuze en andere rechten, die eerder alleen aan mannen toebedeeld waren. Op 3 april 1930 kregen vrouwen stemrecht bij lokale verkiezingen bij wet nr. 1580. Enkele jaren later, in 1934, kregen vrouwen volledig algemeen stemrecht, lang voor veel westerse landen dit ingevoerd hadden in hun land.[14] Het dragen van moderne westerse kleren werd voor vrouwen aangemoedigd. Het dragen van een hoofddoek werd nadrukkelijk afgeraden maar niet verboden. Atatürks vrouw Latife Uşşaki toonde hierbij het initiatief door demonstratief haar hoofddoek af te doen en het publiekelijk niet meer te dragen. Vrouwen werden aangemoedigd om in "mannenberoepen" te werken. Atatürk gaf zelf het voorbeeld door zijn geadopteerde dochters de kans te geven om te studeren. Dochter Sabiha Gökçen werd piloot en dochter Afet İnan werd lerares geschiedenis en later professor in de sociologie. Atatürk stelde zijn adoptiedochters op als rolmodellen voor de moderne Turkse vrouw.

De twaalfde internationale vrouwenconferentie werd op 18 april 1935 in Istanboel gehouden en Egyptische nationalistische feminist Huda Sha'arawi was de president en het lid van twaalf vrouwen. De conferentie koos Huda uit tot vice-president van de Internationale Vrouwenunie en beschouwde Atatürk als een rolmodel voor haar en zijn acties. Ze schreef in haar memoires:

"Na afloop van de conferentie in Istanboel kregen we een uitnodiging om de viering bij te wonen die werd gehouden door Mustafa Kemal Atatürk, de bevrijder van het moderne Turkije ... In de salon naast zijn kantoor stonden de uitgenodigde afgevaardigden in de vorm van een halve cirkel, en na een enkele ogenblikken ging de deur open en kwam Atatürk binnen, omgeven door een aura van majesteit en grootsheid, en een gevoel van prestige overheerste. Eervol, toen ik aan de beurt was, sprak ik rechtstreeks met hem zonder vertaling, en de scène was uniek voor een oosterse moslimvrouw die opkwam voor de Internationale Vrouwenautoriteit en een toespraak hield in de Turkse taal waarin hij bewondering en dankbaarheid uitdrukte aan de Egyptische vrouwen voor de bevrijding beweging die hij leidde in Turkije, en ik zei: dit is het ideaal om Oh, de oudere zus van de islamitische landen, te verlaten, hij moedigde alle landen van het Oosten aan om te proberen de rechten van vrouwen te bevrijden en te eisen, en ik zei: als de Turken beschouwden je als de waardigheid van hun vader en ze noemden je Atatürk, ik zeg dat dit niet genoeg is, maar je bent voor ons "Atasjarq" [Vader van het Oosten]. De betekenis ervan kwam niet van een vrouwelijk delegatiehoofd en bedankte me heel erg voor de grote invloed, en toen smeekte ik hem om ons een foto te presenteren van zijne excellentie voor publicatie in het tijdschrift L'Égyptienne."[15]

EconomieBewerken

 
Atatürk en premier İsmet İnönü tijdens het bezoek aan de Nazilli katoenweeffabriek op 9 oktober 1937. Atatürk ondersteunde in toenemende mate grote door de overheid gesubsidieerde industriële complexen zoals de "Sümerbank" na de wereldwijde economische crisis. Hij ondersteunde de ontwikkeling van de nationale landbouw-, textiel-,[16][17][18] machine-, vliegtuig-[19][20][21] en automobielindustrie.[22] In 1935 ontwikkelde Turkije zich tot een industriële samenleving op basis van het West-Europese model van Atatürk.[23] De kloof tussen de doelstellingen van Atatürk en de resultaten van de sociaal-politieke structuur van het land is echter niet gedicht.[23]

Bij het begin van de Turkse republiek, was de economische situatie als volgt. Het land was nog herstellende van de oorlog. De economie van Turkije was voornamelijk gebaseerd op de landbouw. De landbouw was echter primitief en de productie laag, omdat er een gebrek was aan mechanisch landbouwgereedschap, doordat er in Turkije bijna geen industrie bestond. De boeren bezaten zelf geen landbouwgrond. In plaats daarvan werkten ze voor de grootgrondbezitters, de zogenaamde agha's, die de meeste landbouwgronden bezaten. De weinige industrie was in de handen van buitenlanders. Ook het spoorwegennetwerk was in handen van buitenlanders. Turkije bezat geen olie- en gasvelden en een groot deel van de bevolking was analfabeet. Volgens het overeengekomen vredesverdrag van Lausanne moest Turkije de uitstaande schulden van het voormalig Ottomaanse rijk afbetalen. Verder had Turkije last van de capitulaties, die tijdens de Ottomaanse periode waren toegekend aan westerse landen en die volgens het Lausanne-verdrag nog tot 1929 geldig zouden blijven. De capitulaties gaven westerse landen gunstige handelsvoorrechten. Turkije had volgens de capitulaties niet het recht om invoerrechten te heffen op buitenlandse import, om zo de eigen producten te beschermen.

Al in februari 1923, toen de vredesonderhandelingen in Lausanne nog bezig waren, werd in de stad İzmir het eerste Turkse economiecongres gehouden, waarin werd besproken wat het economisch beleid voor de komende jaren zou worden. Bij de opening van dit congres hield Atatürk een toespraak met de boodschap dat er geen politieke onafhankelijkheid kan zijn zonder economische onafhankelijkheid en dat de strijd voor een waarlijk onafhankelijk Turkije nu pas echt begonnen is. Bij dit historisch belangrijke congres debatteerden meer dan 1100 afgevaardigden, bestaande uit boeren, handelaren, arbeiders en industriëlen, over economische vraagstukken. Een groot deel van het debat ging over de keuze tussen liberalisme of etatisme als het economisch beleid voor de Turkse republiek. Het congres riep op tot een protectie van de lokale industrie, maar keerde zich niet tegen buitenlandse investeringen. De politieke leiding koos aldus voor een gemengde economie. Tot 1929 zou dit het economisch beleid van de Turkse regering worden. Het beleid was liberaal in de zin, dat het particuliere ondernemingen toeliet. Het beleid was niet liberaal in de zin dat de Turkse staat zich niet buiten de economie hield. De staat greep in waar het om grote investeringen ging. Grote investeringen door de staat waren nodig, omdat Turkije in die tijd een zwakke private sector had.

Atatürk opteerde voor het omvormen van Turkije tot een modern industrieel land, maar erkende tegelijkertijd ook, dat het grootste deel van de Turkse economie uit de landbouw bestond. Niets voor niets noemde Atatürk de boer de meester van het volk ("Köylü milletin efendisidir"). Volgens Atatürk diende de staat daarom extra te aandacht schenken aan de boeren. In 1925 werden de boeren geholpen door de afschaffing van de Aşar (tiende penning), welke vervangen werd door een landbelasting (arazi vergisi).[24] Er werden stukken landbouwgrond toegewezen aan boeren, die geen land bezaten. Dit leidde echter wel tot verzet van de grootgrondbezitters. De Ziraatbank (Landbouwbank) verstrekte renteloze leningen aan de boeren. Er werden landbouwscholen en instituten opgericht, waar er opleidingen werden aangeboden aan de boeren. Er werden maatregelen genomen om de producten van de boeren te beschermen. Boeren werden aangemoedigd om zich te verenigen in coöperaties. Vanaf 1925 stichtte Atatürk verschillende modelboerderijen in het land, met als doel als voorbeeld te dienen voor de boeren. De belangrijkste hiervan is de Bosboerderij (Orman Çiftliği, de naam is Atatürk Orman Çiftliği sinds 1950) gelegen nabij Ankara, die door Atatürk zelf werd onderhouden. Hier experimenteerde hij met het modernste landbouwgereedschap en de nieuwste landbouwtechnieken van die tijd. De genomen maatregelen in de landbouw hadden direct invloed. In de jaren 1923-1926 verbeterde de landbouw met een spectaculaire groei van 90%. In de jaren 1927-1928 werd de landbouw echter getroffen door een droogte en was de groei in de periode 1927-1930 nog maar 11%.

 
Atatürk samen met premier Celâl Bayar in de trein op 12 november 1937 tijdens een tocht door het land. Atatürk hield regelmatig uitstappen per trein naar land om contact te leggen met het volk.

De belangrijkste investering van de Turkse staat was het spoorwegennetwerk. Een goed spoorwegennetwerk was zeer belangrijk om logistieke ondersteuning te verlenen aan de economie. Het reeds bestaande spoor voldeed hier niet voldoende aan, doordat het te beperkt was en alleen in het westen van het land aanwezig was. De Turkse staat maakte grote investeringen om het spoor uit te breiden. De bouw van het spoorwegennetwerk begon al in 1923. In 1929 was 800 kilometer spoor aangelegd en in 1930 was er 5400 kilometer spoor aangelegd. In 1927 werd de Turkse Staatsspoorwegen opgericht. Buitenlandse aandeelhouders van het spoor werden door de staat uitgekocht. Uiteindelijk zou het hele spoorwegennetwerk door de staat worden gekocht.

Atatürk wilde ook de financiële infrastructuur verbeteren. De grootste bank van Turkije was in die tijd de Ottomaanse bank, die als staatsbank diende, maar in handen was van buitenlandse aandeelhouders. Atatürk erkende dat Turkije behoefte had aan een eigen nationale bank. Daarom vestigde hij in 26 augustus 1924 de Türkiye İş Bankası (Zakenbank) en de Türkiye Sanayi ve Maadin Bankası (Industrie en mijnenbank). Hij benoemde Celal Bayar tot directeur van de Türkiye İş Bankası. In 1926 werden de voorbereidingen getroffen voor de oprichting van een centrale bank, genaamd Merkez bank, die de rol van staatsbank kon overnemen van de Ottomaanse bank. De Merkez bank werd uiteindelijk opgericht op 3 oktober 1931.

 
Atatürk en Cevat Abbas Gürer met zijn dochter Sevda kijken naar de vliegshow bij de opening van de vliegopleiding Türkkuşu op de luchthaven Etimesgut, 3 mei 1935

Atatürk ondersteunde de vestiging van een automobielindustrie. In 1923 werd de Turkse Automobiel Associatie opgericht. In 1925 werd de tabaksmonopolie door de staat uitgekocht van buitenlanders. Deze werd een staatsmonopolie, waaraan later andere sectoren werden toegevoegd zoals alcohol, suiker, lucifers en explosieven. Veel havens werden geregeld door buitenlanders. De havens werden genationaliseerd in 1926 en als resultaat begon zich de Turkse scheepvaart te ontwikkelen. Op 16 februari 1925 richtte Atatürk de Turkse luchtvaartvereniging (Türk Hava Kurumu) op. Atatürk benoemde zijn adjudant Cevat Abbas Gürer tot directeur van de Turkse luchtvaartvereniging. Als toevoeging werd er in 1926 een vliegtuigfabriek gevestigd in de stad Kayseri, wat het begin betekende van de Turkse vliegtuigenindustrie. In 1933 werd Turkish Airlines opgericht. Op 3 mei 1935 werd een vliegopleiding opgericht, genaamd Türkkuşu. Volgens Atatürk zouden vliegtuigen een steeds belangrijkere rol spelen in de wereld en zou Turkije achterlopen als het niet meedeed aan de vliegtuigindustrie. Een bekende uitspraak van Atatürk hierover is: "De toekomst ligt in de lucht" ("İstikbal göklerdedir").

In 1930 barstte een wereldwijde economische crisis uit, bekend als de Grote Depressie. De economische crisis trof ook Turkije en vernietigde de markt voor de Turkse landbouw. Het enige pluspunt voor Turkije was dat de capitulaties een jaar eerder definitief afgeschaft waren. Het was toen dat de Turkse regering de beslissing nam om een beleid van uitsluitend economisch etatisme oftewel staatsinterventie te voeren. Men geloofde dat dat beleid de Turkse economie uit het slop zou trekken, waarbij de staat zich vooral op de industrie zou richten. Als voorbeeld nam men de Sovjet-Unie, wiens economie weinig door de wereldwijde economische crisis aangetast was door haar plangeleide economisch beleid. Binnen de Turkse leiding waren er twee strijdige stromingen. De ene geleid door premier İsmet İnönü zag het etatisme als een betere permanente oplossing voor de economie. De andere geleid door Celal Bayar, directeur Türkiye İş Bankası, zag het etatisme als een tijdelijk noodzakelijke oplossing, totdat de Turkse economie rijp genoeg was om over te gaan op een vrije markteconomie. De frictie tussen beide groepen werd verergerd doordat er nu eenmaal weinig investeringsmogelijkheden waren. Het conflict werd opgelost toen Atatürk in 1932 Celal Bayar benoemde tot minister van economische zaken, waardoor de coördinatie van het economisch beleid verzekerd was. In 1937 kreeg Atatürk ruzie met İsmet İnönü over het te voeren beleid. Als gevolg hiervan liet hij hem als premier vervangen door Celal Bayar op 25 oktober 1937. Onder Celal Bayar werd er een meer liberale koers gevoerd voor de economie.

Atatürk leende in 1933 geld van de Sovjet-Unie ter waarde van 8 miljoen Turkse lira's. Met het geleende geld werden er door de overheid gesubsidieerde holdings opgericht om de industrie te stimuleren, zoals Sümerbank voor de industrie en Etibank voor de mijnbouw. Een Russische delegatie bezocht Turkije in 1933 gaf de Turkse regering economisch advies. Het stelde voor een vijfjarenplan op te stellen en zich te concentreren op de sectoren textiel, ijzer, papier, cement en chemicaliën. Turkije volgde dit advies op en stelde het eerste vijfjarenplan op voor de jaren 1934-1938. Het vijfjarenplan bleek succesvol en vanaf de tweede helft van de jaren 30 wist Turkije zich uit de economische crisis te trekken. Na de dood van Atatürk en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 zou het weer slechter gaan met de Turkse economie, ondanks dat Turkije neutraal bleef in de Tweede Wereldoorlog.

Buitenlandse relatiesBewerken

 
Bezoek van Eleftherios Venizelos aan Ankara op 29 oktober 1930. Voorste rij: Eleftherios Venizelos tweede van links, Atatürk vierde van links, Kâzım Özalp zesde van links, Afet İnan eerste van links

In het buitenlands beleid hanteerde Atatürk zijn motto: "Vrede in het land, vrede in de wereld" ("Yurtta sulh, cihanda sulh").[25] Deelname aan oorlogen hadden het land alleen maar ellende gebracht en Atatürk wilde dit niet meer. Daarom ging hij geen militaire operaties aan in het buitenland, maar concentreerde zich allereerst op het moderniseren van Turkije. Buitenlandse issues zouden worden opgelost door vreedzame methoden tijdens zijn presidentschap. Ditzelfde beleid zou worden voortgezet door zijn opvolger İsmet İnönü en dit zou leiden tot het niet deelnemen van Turkije aan de Tweede Wereldoorlog.

Apart van het vredesverdrag van Lausanne werd er tussen Atatürk en de Griekse premier Eleftherios Venizelos afgesproken, dat er een bevolkingsuitwisseling tussen Turkije en Griekenland zou plaatsvinden. Deze overeenkomst trad op 1 mei 1923 in werking. In totaal werden zo'n twee miljoen mensen gedwongen te verhuizen, ongeveer 1,5 miljoen Grieken en 0,5 miljoen Turken. Beide landen kregen toen in korte tijd te maken met een grote instroom van vluchtelingen, waarvan de opvang niet altijd even gemakkelijk was. In de jaren daarna werkte Atatürk samen met de Griekse premier Eleftherios Venizelos aan de verdere normalisatie van de relaties tussen Griekenland en Turkije. Dit leidde tot het ondertekenen van het vriendschapsverdrag tussen Griekenland en Turkije op 30 oktober 1930.

Na het vredesverdrag van Lausanne ontstond er een territoriaal geschil tussen Turkije en Engeland over de regio Mosoel. Volgens Turkije had Engeland dit gebied op een illegale wijze verkregen, omdat Engeland het gebied veroverde drie dagen na de wapenstilstand van Mudros. Mosoel was erg gewild tussen beide landen, omdat het vermoeden bestond, dat er olie in de grond zat. Engeland probeerde van alles om zijn belang in de regio te behouden. Zo trachtte Lord Curzon, de minister van Buitenlandse Zaken van Engeland, Turkije voor te houden, dat het bestaan van olie in Mosoel niet meer dan hypothetisch was. Het conflict werd voorgelegd aan de Volkenbond, waarna die in 1925 het gebied aan het Brits mandaatgebied Irak toewees. Atatürk overtuigde het Turks parlement ervan, dat het accepteren van het besluit van de Volkenbond niet betekende dat Turkije Mosul moest opgeven, maar eerder kon wachten op een betere tijd waarin Turkije sterker zou zijn. Op 5 juni 1926 ondertekende Atatürk samen met Engeland en Irak het verdrag van Ankara, waarbij Turkije formeel afstand deed van Mosoel in ruil voor 10 procent de olieopbrengsten voor 4 jaar en een financiële compensatie van 700.000 Engelse ponden door Engeland. Na de ondertekening van het verdrag begonnen de betrekkingen tussen Turkije en Irak geleidelijk te verbeteren. Koning Faisal en zijn ministers brachten in juli 1931 een staatsbezoek aan Turkije en begin 1932 werden de Turks-Iraakse verdragen van residentie, handel en uitlevering ondertekend.

 
Balkantop in 1938 in Ankara. Vanuit links: Atatürk, Milan Stojadinović van Joegoslavië, Ioannis Metaxas van Griekenland, Nicolae Petrescu-Comnen van Roemenië.

Al in de tweede helft van de jaren 20 deed Atatürk een oproep aan de Balkanlanden voor economische samenwerking met Turkije, maar die landen hadden toen geen interesse om samen te werken met hun voormalige vijand. Het aan de macht komen van de fascisten in Italië onder leiding van Benito Mussolini verontruste Atatürk, met name de expansionistische ambities van Mussolini richting de Balkan, de Middellandse Zee en Turkije. Italië was na de Italiaans-Turkse Oorlog in het bezit gekomen van de Dodekanesos eilanden, gelegen vlak voor de zuidwestkust van Turkije. Mussolini liet geregeld aan de Turkse regering horen, dat Italië nog steeds de zuidwestkust van Turkije wilde, zoals overeengekomen was in het verdrag van Sèvres. Turkije had dit verdrag echter nooit geratificeerd. Om tegenwicht te bieden aan Mussolini deed Atatürk wederom een voorstel aan de Balkanlanden om tot een samenwerkingsovereenkomst te komen. Ditmaal hadden de balkanlanden geen andere keus, want ook zij voelden de dreiging door Italië maar ook door Duitsland, waar Adolf Hitler in 1933 aan de macht was gekomen. Na diplomatiek overleg werd op 9 februari 1934 het Balkan-pact gesloten, welke ondertekend werd door Griekenland, Joegoslavië, Roemenië en Turkije. In het Balkan-pact werd afgesproken de geopolitieke status quo in de Balkan te handhaven en af te zien van territoriale claims tussen de Balkanlanden onderling, om zodoende zorg te dragen voor de vrede en stabiliteit in de regio. Atatürks inspanningen om de vrede te bewaren in de Balkan maakten dusdanig veel indruk op Eleftherios Venizelos, dat hij in 1934 Atatürk nomineerde voor de Nobelprijs voor de Vrede.[26] Na Atatürks dood hield het Balkan-pact echter niet lang stand. Toen de asmogendheden in 1941 Joegoslavië binnenvielen, kwam geen van de landen van het Balkan-pact ter hulp. Dit betekende automatisch het effectieve einde van het pact.

Omdat Mussolini ook expansionistische ambities had richting de landen van het Midden-Oosten, werd op 8 juli 1937 het Sadabad-pact gesloten tussen Turkije, Irak, Iran en Afghanistan. Dit was een niet-aanvalsverdrag en was een soortgelijk pact als het eerder genomen Balkan-pact met de Balkanlanden. De onmiddellijke uitkomst van het verdrag was, dat het Mussolini ervan weerhield zich met het Midden-Oosten te bemoeien.

 
Bezoek van de Russische militaire leider Kliment Vorosjilov aan Ankara op 29 oktober 1933 tijdens het Turkse Republiekfeest

De relaties tussen Turkije en de pas opgerichte Sovjet-Unie, waar de communisten de macht over hadden genomen van de Russische tsaar, waren tijdens Atatürks presidentschap goed te noemen. Russische communisten hadden tijdens de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog Atatürk met wapens en goud ondersteund. Nog voor Turkije en de Sovjet-Unie waren gevestigd, was al een vriendschapsverdrag op 16 maart 1921 ondertekend door Vladimir Lenin en Atatürk. De betrekkingen tussen de twee landen waren vriendschappelijk, maar waren gebaseerd op het feit dat ze tegen een gemeenschappelijke vijand waren: Groot-Brittannië en Frankrijk. De Sovjet-Unie zag Turkije onder Atatürk als een potentieel land, dat over zou kunnen gaan op het communisme. Atatürk speelde daar wel op in om de Sovjet-Unie gunstig te stemmen, maar in werkelijkheid was Atatürk niet van plan om over te gaan op het communisme. In 1929 nam Turkije de verbannen Leon Trotski over van de Sovjet-Unie. Turkije plaatste hem op het eiland Büyükada in de zee van Marmara, waar hij een tijd zou verblijven.

De relaties met Engeland en Frankrijk waren sinds de stichting van de Turkse republiek slecht, omdat die landen in de Turkse bevrijdingsoorlog de vijand waren geweest. Vanaf de tweede helft van de jaren 30 begon de relatie met Engeland en Frankrijk zienderogen te verbeteren. De reden hiervoor was de opkomst van nazi-Duitsland en het fascistische Italië. Dit dreef ongewild zowel Turkije als Engeland en Frankrijk naar elkaar toe, tot ongenoegen van de Sovjet-Unie. Sinds het vredesverdrag van Sèvres van 1921 waren de zeestraten Bosporus en Dardanellen met de beide oevers gedemilitariseerd en tot internationaal territorium verklaard. De situatie daar was na het verdrag van Lausanne van 1923 niet veel anders. De zeestraten stonden onder toezicht van een internationale commissie, waarin alle grote mogendheden waren vertegenwoordigd, evenals Griekenland en de landen van de Zwarte Zee, maar niet Turkije zelf. Turkije kreeg pas een vertegenwoordiger in de commissie toen het in 1932 tot de Volkenbond werd toegelaten. In april 1936 vroeg de Turkse regering om teruggave van de zeestraten. Gezien de oplopende spanningen met Duitsland en Italië werd dit verzoek toegewezen door Engeland en Frankrijk, om zo te bewerkstelligen dat Turkije niet voor de kant van Duitsland zou kiezen. In het daarop gesloten verdrag van Montreux van 20 juli 1936 werd bepaald, dat Turkije de soevereiniteit over het gebied terugkreeg in ruil voor een gegarandeerde vrije doorvaart.

Syrië was sinds de afsplitsing van het Ottomaanse rijk na de Eerste Wereldoorlog een maandaatgebied van Frankrijk geworden, bekend als Frans Mandaat Syrië. Omdat er veel Turken in een deelgebied van Syrië, genaamd sandjak Alexandretta, woonden, hadden de Turken daar een speciale status gekregen om hen tegemoet te komen. Toen de nieuw gekozen leiding van sandjak Alexandretta in 1936 naar een onafhankelijk Syrië begon te streven met aansluiting van sandjak Alexandretta daarbij, leidde dit tot protest van de daar wonende Turken, waarbij rellen uitbraken tussen de Turkse en Arabische bevolking. Atatürk legde dit conflict voor aan de Volkenbond, met het verzoek dit gebied toe te voegen bij Turkije, wegens de grote Turkse bevolking in het gebied. Namens de Volkenbond stelden de vertegenwoordigers van Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Nederland, België en Turkije een grondwet voor sandjak Alexandretta op, die het als een autonome sandjak binnen Syrië vestigde. Ondanks enig etnisch geweld werden er in 1938 verkiezingen gehouden door de plaatselijke wetgevende vergadering en werd de republiek Hatay uitgeroepen, die een jaar later besloot zich aan te sluiten bij Turkije.[27]

Binnenlandse politieke ontwikkelingenBewerken

Tijdens het presidentschap van Atatürk regeerde de CHP het land grotendeels als eenpartijstaat. In die tijd is er twee keer een zekere vorm van democratie geweest in Turkije. Beide keren zou de invoering van de democratie mislukken.

 
Grondleggers van de Progressieve Republikeinse Partij in circa 1924. Van links naar rechts: Adnan Adıvar, Ali Fuat Cebesoy, Kâzım Karabekir, Rauf Orbay, Refet Bele

Na de seculaire hervormingen en afschaffing van het kalifaat in Turkije, waren niet alle leden van Atatürks partij tevreden over deze veranderingen. Atatürk stond toe dat deze leden een eigen partij begonnen. Zij richtten op 17 november 1924 de Progressieve Republikeinse Partij (Terakkiperver Cumhuriyet Fırkası; TCF) op met als grondleggers Kâzım Karabekir, Adnan Adıvar, Ali Fuat Cebesoy, Rauf Orbay en Refet Bele. Veel van de kopstukken van de partij hadden als generaals meegevochten in de Turkse onafhankelijkheidsoorlog. De partij was voor een liberale economie, maar al gauw werd de partij beschuldigd een islamitische agenda te voeren. Atatürk liet de partij definitief sluiten op 5 juni 1925.

In juni 1926 werd een poging tot een moordaanslag op Atatürk ontdekt in de stad İzmir en voorkomen. Het bleek te gaan om een kleine bende huurmoordenaars onder leiding van voormalig parlementslid Ziya Hurşit. Voormalige leden van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang en voormalige leden van de Progressieve Republikeinse Partij werden ervan verdacht achter de moordpoging te zitten. Atatürk reageerde furieus en liet veel partijleden oppakken. Hiervan ontsnapten alleen Rauf Orbay en Adnan Adıvar, omdat die al naar het buitenland waren vertrokken. Ook de feministische schrijfster Halide Edib Adıvar, de vrouw van Adnan Adıvar, vertrok toen samen met haar man naar het buitenland. Een rechtszaak volgde door een Turks onafhankelijkstribunaal, eerst gehouden in İzmir en later in Ankara, waarna een aantal leden van de partij de doodstraf kreeg. Enkele prominente leden van de Progressieve Republikeinse Partij werden onder druk van de publieke opinie en van tekenen van onrust in het leger weer vrijgelaten, waaronder Kâzım Karabekir, Ali Fuat Cebesoy, Refet Bele en Cafer Tayyar Eğilmez. Politiek was hun rol echter uitgespeeld. Rauf Orbay en Adnan Adıvar zouden pas na de dood van Atatürk weer terug durven te keren naar Turkije.

 
Atatürk houd zijn toespraak de Nutuk in het parlement op 15 oktober 1927. Boven hem staat İsmet İnönü

Van 15 tot 20 oktober 1927 op het tweede congres van de CHP las Atatürk een toespraak voor genaamd de Nutuk. De toespraak behandelde de samenvatting van de gebeurtenissen tussen het begin van de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog op 19 mei 1919 en de oprichting van de Republiek Turkije in 1923. De toespraak is een belangrijke bron voor de studie van het kemalisme. Het duurde zesendertig uur (over een periode van zes dagen) om door Atatürk te worden gelezen. Ongeveer twee derde van deze toespraak bestaat uit een reeks zware kritiek op de volgende personen: Kâzım Karabekir, Rauf Orbay, Refet Bele, Mersinli Cemal pasja, Nureddin pasja, Kara Vasıf bey, Zeki bey, Celaleddin Arif bey, Cafer Tayyar pasja, Ali Ihsan pasja, Bekir Sami bey, Rıza Nur bey, Edhem bey en zijn broers, Selahaddin bey, Hussein Avni bey, Ali Rıza pasja, Şerif pasja, Ahmet Izzet pasja en Çürüksulu Mahmud pasja. Atatürk liet van deze personen hun aandeel in de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog voortaan negeren in de Turkse geschiedenisboeken. Vanaf dat moment werd er in geschiedenislessen op Turkse scholen net gedaan, alsof Atatürk geheel eigenhandig het Turkse verzet georganiseerd en geleid had in de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog.

 
Links naar rechts: Okyars dochter Nermin Kırdar, Atatürk, Ali Fethi Okyar op 18 augustus 1930 in Atatürks zomerhuis in Yalova

Op 11 augustus 1930 besloot Atatürk om nog een keer te proberen een multipartijenstelsel in te voeren. Hij vroeg aan Ali Fethi Okyar, die net als ambassadeur van Parijs teruggekeerd was naar Turkije van zijn post, om een nieuwe partij samen te stellen, waarbij Atatürk erop stond dat de nieuwe partij de republikeinse en seculiere principes zou respecteren. Ali Fethi Okyar stond erop, dat hij alle vrijheid zou krijgen. Ali Fethi Okyar richtte de Vrije Republikeinse Partij (Serbest Cumhuriyet Firkasi; SCF) op en werd de voorzitter van de nieuwe partij. De Vrije Republikeinse Partij streefde naar een vrije markteconomie, buitenlandse investeringen en vrijheid van meningsuiting. De partij werd spoedig een groot succes en verkreeg een grote aanhang, maar werd al snel het oppositiecentrum tegen Atatürks hervormingen, in het bijzonder tegen de rol van religie in het publieke leven. Toen Okyar in september 1930 de stad İzmir bezocht, ontstonden er rellen met de politie en de partijaanhang, waarbij de politie op de menigte schoot. In oktober 1930 waren er plaatselijke verkiezingen en de SCF slaagde erin 30 van de 502 gemeenteraden te winnen. Hoewel het een klein aantal zetels betrof, alarmeerde dit de regeringspartij CHP, die de verbaasd en geschrokken reageerde op de verkiezingswinst van de SCF. In een parlementair debat beschuldigde Okyar de CHP van grootschalige verkiezingsfraude. Atatürk deelde Okyar daarna vertrouwelijk mee, dat hij in deze omstandigheden niet langer onpartijdig kon blijven en dwong Okyar zijn partij de SCF te ontbinden. Dit gebeurde op 16 november 1930. De vriendschap tussen Okyar en Atatürk leed hier ernstig onder. Een maand later op 23 december 1930 vond er een incident plaats in het plaatsje Menemen, nabij Izmir. Een groep jonge derwisjen, aangevoerd door een zekere Mehmet, riep op tot de herinvoering van de sharia en het kalifaat. Er ontstonden er rellen tussen hen de gendarmerie, waarbij Mehmet en het hoofd van de gendarmerie Mustafa Fehmi Kubilay werden vermoord. Hierna werden 2000 arrestaties verricht, die veel voormalige SCF-leden betroffen, waarna 28 mensen werden terecht gesteld. Het incident in Menemen werd door de CHP beschouwd als serieuze bedreiging voor de seculiere hervormingen.

Omdat het experiment met de democratie was mislukt, achtte Atatürk de tijd nog niet rijp voor de invoering van de democratie en stelde deze voor een latere periode uit. Pas na Atatürks dood zou de democratie definitief worden ingevoerd in 1945 door zijn opvolger İsmet İnönü.

Koerdische opstandenBewerken

  Zie ook Koerden

Tijdens de Turkse republiek vonden er een aantal opstanden door de in Turkije wonende Koerden plaats. De oorsprong van dit conflict is gelegen in het streven van Koerdische nationalisten naar een eigen onafhankelijke staat genaamd Koerdistan. In het Ottomaanse rijk ontstonden er in de negentiende eeuw bij vele minderheden nationalistische groeperingen, die streefden naar onafhankelijkheid, zo ook bij de Koerden. In 1880 werd de eerste Koerdische opstand georganiseerd door Seyit Ubeydullah, een alevitische Koerdische stamhoofd, welke onsuccesvol was. Ook in de eerste Wereldoorlog vond er een kleinschalige Koerdische opstand plaats. Na de bezetting van het Ottomaanse rijk door de geallieerden, richtten de nazaten van Seyit Ubeydullah in 1918 de Vereniging voor de Verrijzenis van Koerdistan (Kürt Teali Cemiyeti) op met vertakkingen zowel onder de Kurmanci sprekende Koerden en Zazaki sprekende Koerden, als onder soennitische en alevitische Koerden. Hoewel het verdrag van Sevres een onafhankelijk Koerdistan in het vooruitzicht stelde, wou deze Koerdische vereniging daar niet op wachten en organiseerde in 1921 de Koçgiri opstand in de stad Dersim. Dit was een opstand onder sommige Koerdische stamhoofden, die een onafhankelijk Koerdistan tot doel had. Deze opstand vond plaats tijdens de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog en werd eenvoudig neergeslagen door het leger van Atatürk, omdat het een kleinschalige opstand was.

Tijdens de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog steunde echter de meerderheid van de Koerdische bevolking de beweging van Atatürk, ondanks pogingen van Britse agenten om hen om te kopen, om zo de Britse overheersing over het olierijke regio van Mosoel veilig te stellen. Koerdische stamhoofden wilden niet samenwerken met de Britten, vanwege het risico dat hun woongebied dan zou eindigen als Brits mandaatgebied, net zoals dat gebeurd was met de Arabieren na de Eerste Wereldoorlog. Er namen Koerdische vertegenwoordigers deel aan de congressen van Erzurum en Sivas van Atatürks verzetsbeweging. Er zaten zelfs Koerden in het vertegenwoordigend comité van de Turkse nationalisten.

 
Van links naar rechts voorste rij: Seyit Sherif, Seyit Said. Achterste rij: Seyit Hamid, majoor Kasım Ataç, Seyit Abdullah. Jaar 1925.

Koerden in Turkije waren onderdeel zeer verdeeld en vormden van oudsher een traditionele, tribale en hiërarchische maatschappij. Toen na de bevrijdingsoorlog de staat Turkije werd opgericht, beweerde Koerdisch stamhoofd Seyit Said, die meegewerkt had met het Turks bevrijdingsleger, dat Atatürk hem land beloofd had en het niet nagekomen was. Seyit Said was tevens een soennitische geestelijke van de Nakşibendi-orde en was tegen Atatürks seculaire hervormingen. Toen Atatürk in 1924 het kalifaat afschafte, werd dit onacceptabel gevonden door Seyit Said, die vervolgens een opstand organiseerde. Deze opstand had meer het karakter van een soennitisch islamitische opstand in plaats van een Koerdenopstand. Om deze reden deden de alevitische Koerden niet mee met de opstand, omdat zij niets hadden met het soennitische kalifaat. De opstand duurde vanaf 8 februari 1925 tot maart 1925, waarna het uiteindelijk onderdrukt werd door het Turks leger. Seyit Said en zijn volgelingen werden gearresteerd en daarna opgehangen.

Na de Seyit Said-opstand besloot de Turkse regering om maatregelen te nemen om verdere Koerdische opstanden te voorkomen. Op 25 september 1925 deed een commissie de volgende aanbevelingen.

  • De gebieden, waar de Koerdische opstanden hadden plaats gevonden, onder de leiding plaatsen van Inspecteur-Generaals.
  • De Koerdische opstandelingen deporteren en verspreiden over andere delen van Turkije.
  • De vorming van een Koerdische elite verhinderen.
  • De Koerdische taal verbieden.
 
Links naar rechts, voorste rij: Sipkanlı Halis Bey, İhsan Nuri Paşa, Hasenanlı Ferzende Bey, tussen 1927 en 1930

Twee jaar later vond er in oktober 1927 een Koerdische opstand plaats in het noordoosten van Turkije, waarbij de Republiek Ararat uitgeroepen. Leden van de eerdere Koçgiri opstand hadden zich ook bij deze opstand gevoegd. Ibrahim Heski werd uitgeroepen tor de leider van het burgerbestuur en Ihsan Nuri Pasja tot militaire commandant van de Ararat-opstand. De Koerdische İhsan Nuri Pasja pasja was een voormalig Ottomaans officier, die voor het Ottomaans leger gevochten had in de Eerste Wereldoorlog. Tijdens militaire operaties van het Turkse leger slaagden de Koerdische opstandelingen erin om tot 1930 weerstand te bieden, waarna ze werden verslagen door het Turkse leger. Tijdens de slag om de berg Ararat, die duurde tot 25 september, op 14 september, stierf İbrahim Ağa en İhsan Nuri zocht zijn toevlucht tot Iran.

In de jaren dertig veranderde het beleid van de Turkse regering jegens de Koerden. De Turkse identiteit werd gepropageerd en men verwachtte van Koerden, dat ze zich assimileerden. In die tijd werd het bestaan van apart Koerdisch volk ontkend en werden Koerden bergturken genoemd om zo het Koerdisch streven naar onafhankelijkheid de kop in te drukken. Vanaf midden jaren dertig probeerde de Turkse regering het overgebleven Ottomaanse systeem van feodalisme (Turks: Ağalık) te doorbreken door landbouwhervormingen door te voeren om landbouwers landeigenaar te maken. Dit werd niet goed ontvangen door de Koerdische Ağa's, die hier een aantasting van hun autoriteit in zagen. Mede omdat de ideeën achter deze landhervorming niet voldoende werden begrepen en er een aantal controversiële en vaak tegenstrijdige interpretaties waren.

De stad Dersim was na de eerdere onderdrukte Koçgiri opstand nog steeds opstandig. Zo weigerde men belasting te betalen aan de staat. In 1935 veranderde de Turkse regering de naam van de stad naar Tunceli en liet men er wegen, bruggen, scholen en een ziekenhuis bouwen. De Koerdische elite van de stad zag daar een poging in van de Turkse regering om het gebied onder staatscontrole te brengen. In 1937 brak in de stad de opstand van Dersim uit. De opstand werd geleid door Seyit Riza, stamhoofd van de Yukarı Abbas Uşağı stam. De opstand begon met het opblazen van de toegangsbrug tot de stad. Ook deze opstand werd onderdrukt door het Turkse leger. Seyit Riza werd gevangen genomen en samen met enkele van volgelingen terechtgesteld door ophanging. In 1938 voerde het Turkse leger een tweede operatie uit op de stad om ook de overgebleven opstandelingen te bestrijden.

Hierna vonden er voorlopig geen noemenswaardige Koerdische opstanden meer plaats. Het zou nog 40 jaar duren tot er weer een Koerdische beweging opstond, die naar de Koerdische onafhankelijkheid zou streven. Deze beweging was de Koerdische partij PKK, die zijn doel trachtte te bereiken door terroristische aanslagen te plegen in Turkije.

KritiekBewerken

 
Een Britse cartoon van 1923 die de heerschappij van Atatürk in Turkije hekelde

Als leider van de nationale beweging 1919-1923 werd hij door de geallieerden beschreven als "overvaller". Lord Balfour (1848 - 1930) noemde hem in dit verband de "verschrikkelijkste van alle verschrikkelijke Turken" (most terrible of all the terrible Turks).[28] De Britse officier Harold Courtenay Armstrong (1892 - 1943), die tijdens de geallieerde bezetting van Istanboel diende als militair attaché-assistent, publiceerde in 1932 een uiterst kritisch boek over Atatürk met de titel Grey Wolf: Mustafa Kemal – An Intimate Study of a Dictator.[29] De nationaal bekende Istanboelse journalist Ali Kemal (1869 - 1922) had ook veel kritiek op hem. Ali Kemal diende ook als minister van binnenlandse zaken in de regering van Damat Ferit Pasja tijdens de geallieerde bezetting van Istanboel. Voor zijn te grote Britsgezindheid zou Ali Kemal uiteindelijk vermoord worden door leden van de nationale beweging van Atatürk tijdens de inname van Istanboel.

Dat Atatürk Turkije veranderde in een seculiere staat leidde behalve tot instemming ook tot kritische geluiden. Zo was de conservatieve islamitische geestelijkheid het helemaal niet eens met de afschaffing van het kalifaat en de scheiding tussen religie en staat. Ook een aantal leden van het TBMM (Turks parlement) waren het hiermee niet eens. Atatürks 'wereldse', op het Westen stoelende, leefwijze oogstte eveneens kritiek. Hij was een liefhebber van wijn, raki en andere alcoholische dranken, hetgeen volgens velen niet in overeenstemming met de islam is. Sommige islamisten beweerden dat hij in werkelijkheid een Dönme was in een poging om hem in diskrediet te brengen.

Hij wordt ook bekritiseerd vanwege zijn autoritarisme.[30][31] Ook het uitgesproken Turkse nationalisme dat hij – evenals de nationaal-liberale Jonge Turken – voorstond en waarvan niet-Turkse bevolkingsgroepen in Klein-Azië en Anatolië zoals Grieken, Koerden, Assyriërs, Arameeërs en Armeniërs het slachtoffer werden, werd hem niet door iedereen in dank afgenomen. Vele minderheden zijn als gevolg van zijn nationalistische ideologie onderdrukt. Dit Turks nationalisme en het streven naar een homogene culturele staat Turkije – zoals door Atatürk voorgestaan – zou ook na zijn regering slepende conflicten veroorzaken.[32][33][34][35] De Koerden werden behandeld als tweederangsburgers; werden "bergturken" genoemd;[36] aan hen werd verboden het Koerdisch te spreken; en ze mochten zichzelf niet Koerdisch noemen.[37][38] In het Verdrag van Lausanne werden de Armeniërs, Grieken, Joden en later ook Bulgaren erkend als etnische minderheden in Turkije, echter zowel de Arameeërs als de Koerden werden niet erkend en beschouwd als Turken. Vervolgens moesten de niet-erkende minderheden op bevel van Atatürk verplicht een Turkse achternaam aannemen.[39]

PrivélevenBewerken

 
Zijn vrouw Latife en Atatürk, 1923
 
Geadopteerde dochters van Atatürk; Vanuit links: Rukiye Erkin, Sabiha Gökçen, Afet İnan en Zehra Aylin, jaren 1930

FamilieBewerken

Mustafa Kemal Atatürk had een kortstondig huwelijk met Latife Uşşaki tussen 1923 en 1925. Uit dit huwelijk kwamen geen kinderen voort. Nadien zouden zowel hij als Latife Uşşaki niet meer hertrouwen. Na zijn huwelijk adopteerde hij zeven dochters en een zoon: Sabiha Gökçen, Rukiye Erkin, Zehra Aylin, Afet İnan, Fikriye, Ülkü Adatepe, Nebile en Mustafa. Bovendien had hij twee kinderen onder zijn bescherming: Abdurrahim Tuncak en İhsan. Sabiha Gökçen werd de eerste luchtvaartpionier van Turkije en 's werelds eerste vrouwelijke gevechtspiloot. Afet İnan werd geschiedenislerares. Op initiatief van Afet Inan richtte Atatürk de Turkse Historische Vereniging op in 1931 met het doel de Turkse geschiedenis beter te bestuderen.

Persoonlijkheid en levensstijlBewerken

Als persoon was Atatürk perfectionistisch, pragmatisch en een harde werker. Als militair officier werd hij door zijn naasten omschreven als zeer bekwaam, maar ook als een moeilijk mens. Na invoering van de kledingcode besteedde hij extra aandacht aan wat voor hij kleren hij publiekelijk droeg om zo een modern mogelijk imago te creëren. Zo droeg Atatürk soms een Engelse bolhoed, soms een panamahoed en soms een hoge hoed. Als vreemde talen kon Atatürk Frans, Duits, Perzisch, Arabisch, Grieks, Bulgaars en Russisch spreken. Atatürk was een liefhebber van de natuur. In zijn vrije tijd hield Atatürk zich bezig met naar muziek luisteren, dansen, paardrijden en zwemmen. Hij speelde graag backgammon en biljart. Hij was geïnteresseerd in Zeybek dans, Turks worstelen en liederen uit de Balkan. Hij hield van boeken lezen, voornamelijk over geschiedenis.

Hij had een zeer inspannende levensstijl. Lange uren hard werken, heel weinig slapen en werken aan zijn projecten en dromen waren zijn manier van leven. Atatürk hield zijn maaltijden meestal eenvoudig. Atatürk consumeerde vaak een halve liter raki per dag, rookte 3 pakjes sigaretten per dag en dronk 15 kopjes Turkse koffie per dag. Het avondeten van Atatürk tijdens zijn presidentschap was een evenement op zich. Vrijwel elke avond werden aan zijn eettafel denkers, schrijvers, kunstenaars, wetenschappers, politici, diplomaten en goede vrienden uitgenodigd in zijn presidentiële villa in Çankaya met wie hij discussies voerde tot in diep in de nacht. Onderwerpen waren zeer gevarieerd, waarbij suggesties werden gedaan, kritiek geuit en plannen werden gemaakt over de toekomst van de Turkse republiek.

Opvattingen over religieBewerken

Er bestaat een controverse over de religieuze overtuigingen van Atatürk. Sommige Turkse bronnen beweren dat hij een vrome moslim was. [39] [40] [41] [42] Volgens andere bronnen was Atatürk zelf echter een agnost, d.w.z. geen doctrinaire deïst, [43] [44] of zelfs een atheïst [45] [46] [47][37] Sommige onderzoekers hebben benadrukt dat zijn verhandelingen over religie periodiek waren dat zijn positieve opvattingen over dit onderwerp in het begin van de jaren twintig beperkt waren. [38] Atatürk kende de Arabische taal goed genoeg om de Koran te begrijpen en te interpreteren. Bij het voorbereiden van de geschiedenisboeken voor middelbare scholen schreef hij het hoofdstuk "Islamitische geschiedenis" zelf. Atatürks religieuze kennis was aanzienlijk hoog van aard en niveau. [39]

TriviaBewerken

  • Om de oprichting van de Grote Nationale Assemblee van Turkije (TBBM) op 23 april 1920 tijdens de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog te herdenken, werd deze datum door Atatürk tot een nationale feestdag uitgeroepen in 1921. In 1927 besloot Atatürk hier een nationaal kinderfeest van te maken (Turks: Ulusal Egemenlik ve Çocuk Bayramı, letterlijk: "De feestdag van nationale soevereiniteit en kinderen"). Sindsdien wordt dit feest ieder jaar op 23 april door Turkse schoolkinderen zeer uitbundig gevierd met verschillende evenementen en festiviteiten, zoals onder andere het Turkse kinderfestival. Vanaf 1979 werden ook andere landen uitgenodigd om delegaties van kinderen te sturen naar Turkije om deel te nemen aan het Turkse kinderfestival.
  • Toen in 1933 Hitler aan de macht kwam in Duitsland, baarde dat de Duits-Joodse en de Oostenrijks-Joodse wetenschappers flinke zorgen, waaronder Albert Einstein, die toen professor was aan de universiteit van Berlijn. Gelijk daarna werden alle Joodse wetenschappers ontslagen van hun functie, waardoor veel Joodse wetenschappers Duitsland wilden verlaten om in andere landen werk te zoeken. Op 17 september 1933 schreef Einstein een brief naar Atatürk met het verzoek om 40 Joodse wetenschappers en doktoren op te nemen in Turkije. Einstein was op het idee van de brief gebracht door Sami Günzberg, de joodse tandarts van Atatürk, die Einstein toevallig ontmoet had bij een Joodse internationale conferentie in Parijs. Het lukte om Atatürk, mede door bemiddeling van Sami Günzberg, ervan te overtuigen van het grote potentieel van de Joodse wetenschappers voor de opbouw van de Turkse republiek. Atatürk liet daarna de Joodse wetenschappers samen met hun families en assistenten overkomen naar Turkije. Het totaal aantal overgekomen wetenschappers liep op tot ongeveer 300. Ook Einstein wilde eerst naar Turkije, maar koos dan toch voor de Verenigde Staten. De komst van de Joodse wetenschappers betekende automatisch een flinke stijging van het wetenschappelijk niveau in de Turkse universiteiten. Met hun hulp werden nieuwe universiteiten opgericht zoals de Ankara universiteit en de Universiteit van Istanboel. Tijdens hun verblijf in Turkije leidden Joodse wetenschappers vele Turkse academici op, waarna ze in de jaren 50 emigreerden naar Israël of de Verenigde Staten.[40][41][42][43]
  • Tijdens zijn schooljaren blonk Atatürk uit in de wiskunde. Atatürk was dermate enthousiast over dit vak, dat hij tijdens zijn presidentschap speciaal voor middelbare scholieren een boek schreef over meetkunde met de titel Geometri en dit publiceerde in 1937. Hij wou hiermee een geheel eigen bijdrage leveren aan de verbetering van het wiskundeonderwijs in Turkije.
  • İsmet İnönü werd na zijn dood op 28 december 1973 begraven precies voor het plein voor het mausoleum van Atatürk. Hiertoe werd besloten door de toenmalige Turkse regering ter ere van de vriendschap van İnönü met Atatürk.
  • De (voormalige) belangrijkste luchthaven in Turkije werd in 1985 naar hem vernoemd: Atatürk Airport (Turks: İstanbul Atatürk Havalimanı). Luchthaven Istanboel Sabiha Gökçen, de tweede belangrijkste luchthaven gebouwd in 2009, is vernoemd naar de eerste vrouwelijke piloot van Turkije, die ook een geadopteerde dochter van Atatürk is.
  • Atatürk was gefascineerd door de theorie dat de Turkse beschaving zich historisch verspreid heeft van de Orhonvallei in Mongolië. Zonnetaaltheorie. Atatürk las graag de boeken van James Churchward over het verzonken continent Mu.

TheorieBewerken

Het basisprincipe van de kwantumtheorie is dat energie uit discrete waarden bestaan. De energie is gelijk aan een veelvoud van kwanta die alleen afhankelijk is van de frequentie.

In formulevorm:

 

Zijn levenBewerken

Miyagi werd geboren op 25 april 1888 in Higashimachi Naha te Okinawa. Zijn familie was rijk en bezat twee schepen, waarmee zijn familie handel dreef tussen Okinawa en China. Miyagi's oorspronkelijke naam was Matsu Miyagi. Op 5-jarige leeftijd stierf zijn vader, waarna Miyagi geadopteerd werd door zijn oom, die kinderloos was. Zijn oom veranderde zijn naam naar Chojun Miyagi. Miyagi was sterk van lichaam, dol op sport en kreeg vaak de reputatie toebedeeld een onhandelbare jongen te zijn. Verder was Miyagi weinig spraakzaam.

Toen Miyagi 11 jaar oud was begon hij zijn studie in karate bij meester Seisho Aragaki. Later introduceerde Seisho Aragaki hem bij meester Kanryo Higaonna, bij wie hij op 14-jarige leeftijd als leerling geaccepteerd werd, nadat hij eerst beproefd werd door zijn nieuwe meester. Onder meester Higaonna's begeleiding onderging Miyagi een lange en zware periode van training. Na veel toewijding verbeterde Miyagi zijn techniek. Miyagi werd goede vrienden met Kenwa Mabuni, die karate trainde bij meester Anko Itosu. Hij introduceerde hem bij zijn meester Higaonna. Van 1910 tot 1912 vervulde Miyagi zijn militaire dienst in de stad Miyakonojo gelegen in de Miyazaki Prefectuur van Japan. Zijn karatetraining werd hier tijdelijk door onderbroken. Miyagi was in totaal 11 jaar lang in de leer bij zijn meester Kanryo Higaonna.

Omdat Miyagi's familie de beschikking had over een schip, kon hij makkelijk naar China reizen. Miyagi zou een aantal keren naar China reizen om verder onderricht in de vechtkunst te verkrijgen. In mei 1915 reisde Miyagi naar de stad Fuzhou in China om Higaonna's leraar Ryu Ryu Ko te zoeken. Bij deze reis werd hij vergezeld door Eisho Nakamoto. In Fuzhou aangekomen ontdekten ze, dat de leraar van Higaonna reeds overleden was en de school waar hij lesgaf niet meer bestond. Wellicht kwam dit door de Bokseropstand van 1899-1901. Ze bezochten het graf van Ryu Ryu Ko om hun respect te bestuigen. Daarna bezochten ze verschillende kungfu-leraren. Ze verbleven er enkele maanden en keerden weer terug naar Okinawa. Terug in Okinawa bleek zijn meester Kanryo Higaonna gestorven te zijn. Miyagi betaalde de begrafeniskosten van zijn meester.

In oktober 1915 maakte hij een tweede reis naar Fuzhou, ditmaal samen met kungfu-meester Gokenki. Bij zijn tweede bezoek leerde hij de Rokkishu kata, van waaruit hij een nieuwe kata uit ontwikkelde, genaamd Tensho. Wat hij in China geleerd had voegde hij vervolgens samen met zijn Naha-te stijl en ontwikkelde van daaruit een nieuwe karatestijl.

Miyagi opende een nieuwe dojo. Hij zou bij deze dojo voor vele jaren les geven, wat hem een enorme reputatie als karateleraar zou opleveren. Ondanks zijn reputatie, lag zijn grootste prestatie in de popularisatie en organisatie van de onderwijsmethoden van karate. Hij introduceerde zijn karatestijl bij de Okinawaanse politie en bij de middelbare scholen. In 1929 stelde de Dai Nippon Butokukai (bestuursorgaan van de Japanse vechtkunsten), dat alle karatescholen in Japan zich moeten registreren. Miyagi registreerde zijn stijl onder de naam Goju-ryu, wat "hard zachte stijl" betekent. Zijn karatestijl Goju-Ryu werd de eerste stijl, die door de Dai Nippon Butokukai officieel erkend werd.

In 1926 richtte hij samen met Kenwa Mabuni, Choyu Motobu en Chomo Hanashiro de Ryukyu Tode Kenkyu-kai karateclub op van senior-leraren, die tot doel had het karate in al haar facetten te onderzoeken. Onder leiding van de oudste karateleraar Choyu Motobu, die tot de Okinawaanse adel behoorde, werd daar geregeld in karate getraind. Experts van diverse achtergronden trainden en gaven daar les.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Miyagi's dojo plat gebombardeerd.

Sommige van Miyagi's belangrijke leerlingen waren: Seko Higa (zijn oudste leerling en ook een leerling van Kanryo Higaonna), Miyazato Ei'ichi (grondlegger van de Jundokan dojo), Meitoku Yagi (grondlegger van de Meibukan dojo, die uiteindelijk Miyagi's gi en obi accepteerde van Miyagi's familie), Seikichi Toguchi (grondlegger van Shorei-kan Goju-ryu), en op het Japanse vasteland Gogen Yamaguchi, die de grondlegger was van de Internationale Karate do Goju Kai Associatie en die na getraind te hebben met Miyagi, de vertegenwoordiger van Goju-ryu karate in Japan werd. Later zou Gogen Yamaguchi veel tijd investeren om kata te leren onder Meitoku Yagi. Hij trainde ook met andere leerlingen, die later hun eigen stijlen zouden creëren, zoals Shimabuku Tatsuo (grondlegger Isshinryu karate).[44]

Miyagi had zijn eerste hartaanval in 1951. Bij zijn tweede hartaanval op 8 oktober 1953 kwam hij te overlijden.

KaratestijlBewerken

Hij bracht enkele veranderingen aan in de kata Sanchin - de harde kata van Goju-ryu, en creëerde een nieuwe kata genaamd Tensho - de zachte kata van Goju-ryu. Deze kata's worden beschouwd de essentie van het Goju-ryu karate te bevatten. Van de hogere kata Suparinpei wordt gezegd dat het de volledige leerplan van Goju-ryu bevat. Shisochin was Miyagi's favoriete kata in zijn laatste jaren. Tensho was beïnvloed door de Witte Kraanvogel kata Ryokushu, die Miyagi leerde van zijn vriend Gokenki. Met het doel de verschillende karatestijlen te combineren (wat toen de trend was van die tijd), creëerde hij in 1940 ook meer Shurite-achtige kata's zoals Gekisai Dai Ichi en Gekisai Dai Ni. Hij creëerde deze kata's door technieken va hogere kata's te nemen (met name Suparinpei en hoge afweringen, die voor die tijd onbekend waren in Goju-ryu) en ze in te voegen in kortere kata's. Er word gezegd dat hij deze kata creëerde om het gat tussen de kata Sanchin en de kata Saifa te overbruggen, welke meer complexe technieken bevatten vergeleken met Sanchin.

In de populaire cultuurBewerken

In de The Karate Kid film series komt een karateleraar genaamd Keisuke Miyagi voor, die een fictief familielid van Chojun Miyagi moet voorstellen. Het verhaal voor deze film werd geschreven door Goju-ryu beoefenaar Robert Mark Kamen, die bij het schrijven geïnspireerd werd door Chojun Miyagi.[44][45]

LiteratuurBewerken

  • Miyagi, Chojun. "Karate-Do Gaisetsu. Outline of Karate-Do". March 23, 1934 (Showa 9). Reprint published in 1999 by Patrick McCarthy. Translated by Patrick and Yuriko McCarthy, 1993. Also in: Higaonna, Morio. "The History of Karate: Okinawan Goju-Ryu".
  • Miyagi, Chojun. "Historical Outline of Karate-Do, Martial Arts Of Ryukyu". January 28, 1936. Translated by Sanzinsoo. In Japanese: "Ryukyu Kenpo Karatedo Enkaku Gaiyo", essay appeared in "Okinawano Karatedo" by Shoshin Nagamine (1975, Shinjinbutsu Oraisha) and "Okinawaden Gojuryu Karatedo" by Eiichi Miyazato (1979, Jitsugyono Sekaisha).
  • Miyagi Chojun et al. "The Meeting of Okinawan Karate Masters" Fragment of the 1936 meeting records. Published as an Appendix of "Karatedo Dai Hokan", by Kanken Toyama. Pages 377-392 (Tsuru Shobo, 1960). (translated by Sanzinsoo)
  • Miyagi Chojun. "Breathing In and Breathing Out in accordance with Go and Ju , a Miscellaneous Essay on Karate". First published in "Bunka Okinawa" Vol.3 No.6, August 15, 1942. Republished in "Chugoku Okinawa Karate Kobudo No Genryu" written by Masahiro Nakamoto, April 1, 1985 by Bunbukan. Translated by Sanzinsoo.
  • Miyagi, Chojun: Toudijutsu Gaisetsu (Outline of Karatedo ) Chojun Miyagi, Original publication. Okinawa ©1933 - Japan. International Ryukyu Karate Research Society Yokohama Japan © 1934.
  • Nakaima Genkai. "Memories of my Sensei, Chojun Miyagi". In: "Chojun Miyagi the Karate Master. His kindness is infinite. He preaches morality." in: local monthly magazine "Aoi Umi" No.70 February 1978 issue (pages 99–100) published by Aoi Umi Shuppansha. That special issue featured Okinawan karate masters. Fragment translated by Sanzinsoo.

ReferencesBewerken

  1. McMeekin 2007, pp. 27–29.
  2. Citefout: Onjuist label <ref>; er is geen tekst opgegeven voor referenties met de naam NPRaug2017
  3. (de) Biographie: Kemal Atatürk, 1881-1938, Deutsches historisches Museum
  4. Klaus Kreiser - Atatürk. Eine Biographie Verlag, C.H. Beck oHG, München, 2008 ISBN 9789045020921.
  5. The influence of an American educator (John Dewey) on the Turkish educational system, Bahri Ata, 2000, PDF-file
  6. Mustafa Kemal Atatürk'ün Nüfus Hüviyet Cüzdanı. (24.11.1934). www.isteataturk.com. Geraadpleegd op 26 June 2013.
  7. Sofos, Umut Özkırımlı & Spyros A., Tormented by history: nationalism in Greece and Turkey. Columbia University Press, New York (2008), p. 167. ISBN 9780231700528.
  8. Toktaş, Şule (2005). Citizenship and Minorities: A Historical Overview of Turkey's Jewish Minority. Journal of Historical Sociology 18 (4): 394–429. DOI: 10.1111/j.1467-6443.2005.00262.x. Geraadpleegd op 7 January 2013.
  9. Social relations in Ottoman Diyarbekir, 1870–1915. Brill, Leiden (2012-08-03), p. 300. ISBN 978-90-04-22518-3.
  10. Turkey beyond nationalism: towards post-nationalist identities, [Online-Ausg.]. Tauris, London (2006), p. 45. ISBN 9781845111410. Geraadpleegd op 7 January 2013.
  11. Öktem, Kerem (2008). The Nation's Imprint: Demographic Engineering and the Change of Toponymes in Republican Turkey. European Journal of Turkish Studies (7). Geraadpleegd op 18 January 2013.
  12. Aslan, Senem (2009-12-29). Incoherent State: The Controversy over Kurdish Naming in Turkey. European Journal of Turkish Studies. Social Sciences on Contemporary Turkey (10). Geraadpleegd op 16 January 2013. “the Surname Law was meant to foster a sense of Turkishness within society and prohibited surnames that were related to foreign ethnicities and nations”.
  13. Mastering Modern World History by Norman Lowe, second edition
  14. Türkiye'nin 75 yılı, Tempo Yayıncılık, İstanbul, 1998, p. 48, 59, 250
  15. Huda Shaarawi's Diaries - Book of Al-Hilal, September / 1981
  16. Webster, The Turkey of Atatürk: Social Process in the Turkish Reformation, 260
  17. Doğan, Formation of factory settlements within Turkish industrialization and modernization in 1930s: Nazilli printing factory
  18. Republic of Turkey, Ministry of Culture and Tourism, Aydın – Historical Ruins. T.C. Government. Gearchiveerd op 7 september 2007"Nazilli cotton print factory was established over an area of 65.000 m2 on the Nazilli Bozdoğan highway. It is the "first Turkish cotton print factory" the foundation of which was laid on 25 August 1935 and which was opened by Atatürk with great ceremony."
  19. History of Turkish Aeronautical Association. Gearchiveerd op 19 december 2007. Geraadpleegd op 1 januari 2020.
  20. Skylife. Geraadpleegd op 1 januari 2020.
  21. Nuri Demirağ Aircraft Factory. Nuridemirag.com. Gearchiveerd op 21 juli 2012. Geraadpleegd op 1 januari 2020.
  22. Stone, Norman "Talking Turkey". National Interest, Fall 2000, Issue 61.
  23. a b Eastham, The Turkish Development Plan: The First Five Years, 132–136
  24. Mastering Modern World History by Norman Lowe, second edition
  25. ANDREW MANGO, Atatürk: The Biography of the Founder of Modern Turkey, p. 526
  26. Nobel Foundation. The Nomination Database for the Nobel Prize in Peace, 1901–1955.[1]
  27. Hatay'ın Anavatana Katılma Süreci. AVRASYA Uluslararası Araştırmalar Dergisi, Volume: IV, Issue: 7, July 2015. Sjabloon:In lang
  28. THE TWO KEMALS; The Polished Aristocrat of European Circles in Contrast With the Ruthless Commander of Fanatical Turks, New York Times, 1 oktober 1922.
  29. Grey Wolf: Mustafa Kemal – An Intimate Study of a Dictator, 1932, H.C. Armstrong, EAN 9781317330257
  30. Turkey's doctrine of pre-emptive authoritarianism.
  31. Authoritarian Modernization under Atatürk and Reza Shah.
  32. The 20th-Century Dictator Most Idolized by Hitler.
  33. The 'secular left' and minorities.
  34. Greeks and Armenians Protest Against Kemal Ataturk Monument in Sydney.
  35. Which Atatürk are we talking about?.
  36. Who Are the Kurds?.
  37. Race, Assimilation and Kemalism: Turkish Nationalism and the Minorities in the 1930s.
  38. How the AKP Became Ataturk’s Last Defender.
  39. Achternaamswijziging: Opgelegde Turkse achternaam of traditionele Aramese familienaam?
  40. What a Freshly Discovered Einstein Letter Says About Turkey Today, History News Network, 2006
  41. The unlikely haven for 1930s German scientists, Physics Today, 27 september 2018
  42. Haymatloz: German Jews tell their stories of growing up in exile in Turkey, Deutsche Welle, 28 oktober 2016
  43. Einstein’s letter to Ataturk’s Turkey, National Geographic Society Newsroom
  44. a b meibukan karate dojo
  45. Goju Ryu Australia

LaserkoelingBewerken

Laserkoeling is een koeltechniek die gebruikmaakt van lasers om in een gas ultralage temperaturen te bereiken. Het waren de ontwikkelingen in de jaren tachtig op dit gebied die ten grondslag lagen aan de creatie van de eerste Bose-Einsteincondensaten in 1995.

Er bestaan meerdere technieken voor laserkoeling.

Hiervan is de eenvoudigste vorm de zogenaamde optische molasse, die het meest gebruikt wordt (zoveel zelfs dat het bekend staat als simpelweg "laserkoeling").

DopplerkoelingBewerken

Het idee achter de techniekBewerken

Dopplerkoeling steunt in essentie op een drietal aspecten van de fysische wereld:

  1. De snelheden van de deeltjes van een gas zijn verdeeld volgens een welbepaalde statistische verdeling (Boltzmannverdeling) die op een specifieke wijze met de temperatuur van het systeem kan verbonden worden.
  2. De golf-deeltjes dualiteit van de kwantummechanica.
  3. De wet van actie en reactie van Newton.

Uit het eerste punt kan worden afgeleid dat indien ervoor gezorgd wordt dat de deeltjes gemiddeld trager bewegen, de temperatuur van het systeem verlaagd is. Dit kan op twee manieren gerealiseerd worden; enerzijds kan men de deeltjes die het snelst bewegen uit het systeem verwijderen en zo de gemiddelde snelheid en dus temperatuur van het systeem verlagen, dit is de basis waarop evaporatieve koeling gebaseerd is. Anderzijds kan men de snelheid van alle deeltjes gemiddeld verlagen. Dit is waar bij laserkoeling op gesteund wordt.

Hiervoor wordt de frequentie van het licht van een laser een klein beetje onder de excitatie-energie van de gebruikte atomen gekozen. Indien de atomen tegen de laserbundel in bewegen zorgt de blauwe dopplerverschuiving ervoor dat de frequentie van het laserlicht dichter bij de excitatie-energie komt te liggen zodat deze atomen gemakkelijker de fotonen zullen absorberen. Indien ze echter met de bundel meebewegen treedt er een rode dopplerverschuiving op zodat de kans kleiner wordt dat de atomen fotonen zullen absorberen. Tijdens het absorberen van een foton moet er behoud van impuls zijn zodat in het eerste geval de atomen afgeremd zullen worden en in het tweede geval versneld. Omdat er door de dopplerverschuivingen meer atomen zullen zijn die worden afgeremd dan versneld is het volledige effect of het gehele systeem een gemiddelde afremming in de richting van de laserbundel.

Bij het vervallen uit de geëxciteerde toestand (na het absorberen van een foton) naar de grondtoestand wordt door het atoom een foton uitgezonden in een willekeurige richting. Door dit uitzenden van een foton moet wegens behoud van impuls het atoom ook een impulsverandering in de tegengestelde richting ondergaan.

Omdat dit proces zich vele malen herhaalt moet men zich geen zorgen maken om de bijdrage van het vervalproces, gezien het foton in een willekeurige richting wordt uitgezonden zodat het nettoresultaat van veel dergelijke vervallen voor het atoom op nul uitmiddelt.

Het netto resultaat van het gehele proces is dus een gemiddelde vertraging in één specifieke richting. Door gebruik te maken van zes lasers (naar links, rechts, voor, achter, beneden en boven) kan een algemene beweging afgeremd worden. Een dergelijke constructie wordt een optische molasse (of optisch rooster) genoemd.

BeperkingenBewerken

Het is echter niet mogelijk een gas op deze manier tot het absolute nulpunt af te koelen, of anders gezegd, alle atomen perfect tot stilstand te brengen.

Door de spontane emissie van fotonen (vervalgedeelte van het proces) en de kwantisatie van de energie van de fotonen( ) voeren de atomen een random walk uit in de impulsruimte, met stappen ter groote van de impuls van de fotonen. Dit veroorzaakt een opwarmingseffect dat de afkoeling tegen gaat en er zelfs een grens aan oplegt. De laagste temperatuur waarbij deze twee mechanismen elkaar in evenwicht houden wordt de Dopplertemperatuur genoemd. Dit is de laagste temperatuur die men met dopplerkoeling(het systeem met 6 lasers uit de vorige paragraaf) kan bereiken.

Wil men echter nog lagere temperaturen bereiken dan moeten andere technieken aangesproken worden. Men kan bijvoorbeeld gebruikmaken van de Sisyphuskoeling, genaamd naar de mythologische figuur Sisyphus, een laserkoelingstechniek waarbij men tot de zogenaamde recoil-limiet kan koelen.

SpintronicaBewerken

Spintronica, ook bekend als magneto-elektronica, is een opkomende technologie, die de spin van het elektron en zijn magnetisch moment, naast zijn elektrische lading, gebruikt in elektronische componenten.

GeschiedenisBewerken

Spintronica ontstond uit ontdekkingen in de tachtiger jaren betreffende spin-afhankelijke elektron transport verschijnselen in vaste stof apparatuur. Dit omvat de observatie van spin gepolariseerde elektronen injectie van een ferromagnetisch metaal naar een normaal metaal door Johnson and Silsbee (1985),[1] en de ontdekking van giant magnetoresistance onafhankelijk door Albert Fert et al.[2] en Peter Grünberg et al. (1988).[3] De oorsprong van spintronica kan zelfs eerder terug herleid worden tot de ferromagneet/supergeleidende tunneling experimenten voor het eerst uitgevoerd door Meservey en Tedrow,[4] en initiële experimenten op magnetische tunnel juncties door Julliere in de zeventiger jaren.[5] Het gebruik van halfgeleiders voor spintronica kan tenminste teruggevoerd worden tot de theoretische voorstelling van een spin veld-effect-transistor door Datta en Das in 1990.[6]

Spintronica is voortgekomen uit vondsten in de jaren 80 met betrekking tot spin-afhankelijke elektronentransport verschijnselen in vaste stof apparatuur. Dit omvat de waarneming van spin-gepolariseerde elektronen injectie van een ferromagnetisch metaal een normaal metaal door Johnson en Silsbee (1985), [1] en de ontdekking van gigantische magnetoweerstand onafhankelijk door Albert et al. Fert. [2] en Peter Grünberg et al. . (1988). [3] De oorsprong van spintronica is terug te voeren nog verder naar de ferromagneet / supergeleider tunneling experimenten ontwikkeld door Meservey en Tedrow, [4] en de eerste experimenten op magnetische tunneljuncties door Julliere in de jaren 1970. [5] De gebruik van halfgeleiders voor spintronica kan worden teruggevoerd althans de theoretische voorstel van een spin field-effect-transistor door Datta en Das in 1990 [6].

In 2012, IBM scientists mapped the creation of persistent spin helices of synchronized electrons that persisted for more than a nanosecond. This is a 30-fold increase from the previously observed results and is longer than the duration of a modern processor clock cycle, which opens new paths to investigate for using electron spins for information processing.[7]

In 2012 brachten IBM wetenschappers in kaart het creëren van blijvende spin-helices van gesynchroniseerde elektronen die langer duurt dan een nanoseconde. Dit is een 30-voudige toename van de eerder waargenomen resultaten en is langer dan de duur van een moderne processor klokcyclus, die nieuwe wegen opent naar onderzoek voor het gebruik elektronspins voor informatieverwerking. [7]

TheoryBewerken

The spin of the electron is an angular momentum intrinsic to the electron that is separate from the angular momentum due to its orbital motion. The electron's spin is  , implying that the electron acts as a Fermion by the spin-statistics theorem. Like orbital angular momentum, the spin has an associated magnetic moment, the magnitude of which is expressed as

 .

In a solid the spins of many electrons can act together to affect the magnetic and electronic properties of a material, for example endowing a material with a permanent magnetic moment as in a ferromagnet.

In many materials, electron spins are equally present in both the up and the down state, and no transport properties are dependent on spin. A spintronic device requires generation or manipulation of a spin-polarized population of electrons, resulting in an excess of spin up or spin down electrons. The polarization of any spin dependent property X can be written as

 .

A net spin polarization can be achieved either through creating an equilibrium energy splitting between spin up and spin down such as putting a material in a large magnetic field (Zeeman effect) or the exchange energy present in a ferromagnet; or forcing the system out of equilibrium. The period of time that such a non-equilibrium population can be maintained is known as the spin lifetime,  . In a diffusive conductor, a spin diffusion length   can also be defined as the distance over which a non-equilibrium spin population can propagate. Spin lifetimes of conduction electrons in metals are relatively short (typically less than 1 nanosecond), and a great deal of research in the field is devoted to extending this lifetime to technologically relevant timescales.

 
A plot showing a spin up, spin down, and the resulting spin polarized population of electrons. Inside a spin injector, the polarization is constant, while outside the injector, the polarization decays exponentially to zero as the spin up and down populations go to equilibrium.

There are many mechanisms of decay for a spin polarized population, but they can be broadly classified as spin-flip scattering and spin dephasing. Spin-flip scattering is a process inside a solid that does not conserve spin, and can therefore send an incoming spin up state into an outgoing spin down state. Spin dephasing is when a population of electrons with a common spin state, precess at different rates, losing the common spin state over time. In confined structures, spin dephasing can be suppressed, leading to spin lifetimes of milliseconds in semiconductor quantum dots at low temperatures.

By studying new materials and decay mechanisms, researchers hope to improve the performance of practical devices as well as study more fundamental problems in condensed matter physics.

Metal-based spintronic devicesBewerken

The simplest method of generating a spin-polarised current in a metal is to pass the current through a ferromagnetic material. The most common application of this effect is a giant magnetoresistance (GMR) device. A typical GMR device consists of at least two layers of ferromagnetic materials separated by a spacer layer. When the two magnetization vectors of the ferromagnetic layers are aligned, the electrical resistance will be lower (so a higher current flows at constant voltage) than if the ferromagnetic layers are anti-aligned. This constitutes a magnetic field sensor.

Two variants of GMR have been applied in devices: (1) current-in-plane (CIP), where the electric current flows parallel to the layers and (2) current-perpendicular-to-plane (CPP), where the electric current flows in a direction perpendicular to the layers.

Other metals-based spintronics devices:

  • Tunnel magnetoresistance (TMR), where CPP transport is achieved by using quantum-mechanical tunneling of electrons through a thin insulator separating ferromagnetic layers.
  • Spin-transfer torque, where a current of spin-polarized electrons is used to control the magnetization direction of ferromagnetic electrodes in the device.
  • Spin-wave logic devices utilize the phase to carry information. Interference and spin-wave scattering are utilized to perform logic operations.

Spintronic-logic devicesBewerken

Non-volatile spin-logic devices to enable scaling beyond the year 2025[8] are being extensively studied. Spin-transfer torque-based logic devices that use spins and magnets for information processing have been proposed[9] and are being extensively studied at Intel.[10] These devices are now part of the ITRS exploratory road map and have potential for inclusion in future computers. Logic-in memory applications are already in the development stage at Crocus[11] and NEC.[12]

ApplicationsBewerken

Read heads of modern hard drives are based on the GMR or TMR effect.

Motorola has developed a first-generation 256 kb magnetoresistive random-access memory (MRAM) based on a single magnetic tunnel junction and a single transistor and which has a read/write cycle of under 50 nanoseconds.[13] (Everspin, Motorola's spin-off, has since developed a 4 Mb version[14]). There are two second-generation MRAM techniques currently in development: thermal-assisted switching (TAS)[15] which is being developed by Crocus Technology, and spin-transfer torque (STT) on which Crocus, Hynix, IBM, and several other companies are working.[16]

Another design in development, called racetrack memory, encodes information in the direction of magnetization between domain walls of a ferromagnetic metal wire.

There are magnetic sensors using the GMR effect.

Semiconductor-based spintronic devicesBewerken

Ferromagnetic semiconductor sources (like manganese-doped gallium arsenide GaMnAs),[17] increase the interface resistance with a tunnel barrier,[18] or using hot-electron injection.[19]

Spin detection in semiconductors is another challenge, which has been met with the following techniques:

  • Faraday/Kerr rotation of transmitted/reflected photons[20]
  • Circular polarization analysis of electroluminescence[21]
  • Nonlocal spin valve (adapted from Johnson and Silsbee's work with metals)[22]
  • Ballistic spin filtering[23]

The latter technique was used to overcome the lack of spin-orbit interaction and materials issues to achieve spin transport in silicon, the most important semiconductor for electronics.[24]

Because external magnetic fields (and stray fields from magnetic contacts) can cause large Hall effects and magnetoresistance in semiconductors (which mimic spin-valve effects), the only conclusive evidence of spin transport in semiconductors is demonstration of spin precession and dephasing in a magnetic field non-collinear to the injected spin orientation. This is called the Hanle effect.

ApplicationsBewerken

Applications such as semiconductor lasers using spin-polarized electrical injection have shown threshold current reduction and controllable circularly polarized coherent light output.[25] Future applications may include a spin-based transistor having advantages over MOSFET devices such as steeper sub-threshold slope.

Magnetic-tunnel transistor: The magnetic-tunnel transistor with a single base layer, by van Dijken et al. and Jiang et al.,[26] has the following terminals:

  • Emitter (FM1): It injects spin-polarized hot electrons into the base.
  • Base (FM2): Spin-dependent scattering takes place in the base. It also serves as a spin filter.
  • Collector (GaAs): A Schottky barrier is formed at the interface. This collector regions only collects electrons when they have enough energy to overcome the Schottky barrier, and when there are states available in the semiconductor.

The magnetocurrent (MC) is given as:

 

And the transfer ratio (TR) is

 

MTT promises a highly spin-polarized electron source at room temperature.

See alsoBewerken

ReferencesBewerken

  1. {{Cite doi|10.1103/PhysRevLett.55.1790}}
  2. {{Cite doi|10.1103/PhysRevLett.61.2472}}
  3. {{Cite doi|10.1103/PhysRevB.39.4828}}
  4. PII: 0370-1573(94)90105-8
  5. {{Cite doi|10.1016/0375-9601(75)90174-7}}
  6. S. Datta and B. Das (1990). Electronic analog of the electrooptic modulator. Applied Physics Letters 56 (7): 665–667. DOI: 10.1063/1.102730.
  7. M. Walser, C. Reichl, W. Wegscheider, and G. Salis. Direct mapping of the formation of a persistent spin helix. Nature Physics. DOI: 10.1038/nphys2383.
  8. International Technology Roadmap for Semiconductors
  9. {{Cite doi|10.1038/nnano.2010.31}}
  10. http://arxiv.org/abs/1112.2746
  11. http://www.crocus-technology.com/pr-12-08-11.html
  12. http://www.nec.com/en/press/201206/global_20120611_02.html
  13. http://www.sigmaaldrich.com/materials-science/alternative-energy-materials/magnetic-materials/tutorial/spintronics.html
  14. http://www.everspin.com/technology.php
  15. The Emergence of Practical MRAM http://www.crocustechnology.com/pdf/BH%20GSA%20Article.pdf
  16. http://www.eetimes.com/news/latest/showArticle.jhtml?articleID=218000269
  17. {{Cite doi|10.1103/PhysRevB.62.8180}}
  18. {{Cite doi|10.1063/1.1449530}}
  19. {{Cite doi|10.1103/PhysRevLett.90.256603}}
  20. {{Cite doi|10.1103/PhysRevLett.80.4313}}
  21. Polarized optical emission due to decay or recombination of spin-polarized injected carriers - US Patent 5874749
  22. {{Cite doi|10.1038/nphys543}}
  23. Electronic measurement and control of spin transport in silicon : Abstract : Nature
  24. {{Cite doi|10.1038/447269a}}
  25. {{Cite doi|10.1103/PhysRevLett.98.146603}}
  26. van Dijken, Sebastiaan; Jiang, Xin; Parkin, Stuart S. P.; , "Room temperature operation of a high output current magnetic tunnel transistor," Applied Physics Letters , vol.80, no.18, pp.3364-3366, May 2002

de Broglie–Bohm theoryBewerken

The de Broglie–Bohm theory, also called the pilot-wave theory, Bohmian mechanics, and the causal interpretation, is an interpretation of quantum theory. In addition to a wavefunction on the space of all possible configurations, it also includes an actual configuration, even in situations where nobody observes it. The evolution over time of the configuration (that is, of the positions of all particles or the configuration of all fields) is defined by the wave function via a guiding equation. The evolution of the wavefunction over time is given by Schrödinger's equation.

The de Broglie–Bohm theory is explicitly non-local: The velocity of any one particle depends on the value of the guiding equation, which depends on the whole configuration of the universe. Because the known laws of physics are all local, and because non-local interactions combined with relativity lead to causal paradoxes, many physicists find this unacceptable.

This theory is deterministic. Most (but not all) variants of this theory that support special relativity require a preferred frame. Variants which include spin and curved spaces are known. It can be modified to include quantum field theory. Bell's theorem was inspired by Bell's discovery of the work of David Bohm and his subsequent wondering if the obvious non-locality of the theory could be eliminated.

This theory results in a measurement formalism, analogous to thermodynamics for classical mechanics, which yields the standard quantum formalism generally associated with the Copenhagen interpretation. The measurement problem is resolved by this theory since the outcome of an experiment is registered by the configuration of the particles of the experimental apparatus after the experiment is completed. The familiar wavefunction collapse of standard quantum mechanics emerges from an analysis of subsystems and the quantum equilibrium hypothesis.

The theory has a number of equivalent mathematical formulations and has been presented by a number of different names. The de Broglie wave has a macroscopical analogy termed Faraday wave.

Tuncay ÇinibulakBewerken

Tuncay Çinibulak
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Algemene informatie
Volledige naam Tuncay Çinibulak
Geboren 1970
Geboorteplaats Tuzluca
Land   Nederland
Beroep schrijver, dichter, journalist, columnist
Werk
Genre proza
Website
Portaal      Literatuur

Tuncay Çinibulak (Tuzluca (Oost-Turkije), 1970) is een Nederlandse journalist, schrijver en dichter van Turkse komaf. Hij heeft in diverse Nederlandse bladen artikelen, opiniestukken en columns gepubliceerd waaronder de Volkskrant, Trouw, Metro en De Groene Amsterdammer.

LevenBewerken

Tuncay Çinibulak werd geboren in een plaats in het uiterste oosten van Turkije. In 1980 kwam hij naar Nederland en woonde samen met zijn familie in Deventer in een typische "allochtonenwijk". Hij besloot wat van zijn leven te maken door Journalistiek te studeren aan de Hogeschool Utrecht, waar ook hij de kans kreeg om als uitwisselingsstudent een jaar te studeren aan de State University of New York. In 1996 studeerde hij af en zette hij zijn studie voort aan de Universiteit van Wales in Cardiff, waar hij een mastersopleiding voltooide in 1997. Terug in Nederland begon hij freelance te werken voor verschillende Nederlandse kranten. Hij woonde in die tijd in Amsterdam, wat alom bekend staat als het journalistieke bolwerk van Nederland. Hij was een tijdje columnist bij de gratis krant Metro en het Amsterdams Stadsblad.

In 2006 kwam hij met het idee een zaken- en cultuurblad te beginnen over Turks-Nederlands gerelateerde onderwerpen. Dit werd het tijdschrift Tulpia, dat tevens het streven had om als brugfunctie te dienen tussen de Nederlanders en de Turkse gemeenschap in Nederland. Tuncay Çinibulak fungeerde als hoofdredacteur van Tulpia, dat actief was tot aan 2012, maar daarna om financiële redenen genoodzaakt was te stoppen. In 2021 besloot hij Tulpia weer nieuw leven in te blazen door het te herstarten.

In zijn vrije tijd houd hij zich bezig met het schrijven van gedichten. Verhalen en gedichten van zijn hand zijn onder andere geplaatst in de bloemlezingen Het land in mij (1996) en Een hand uit de nacht (2002). Ook heeft hij gedichten gepubliceerd in literaire bladen, waaronder Extaze en Rood Koper. Hij heeft meegedaan aan meerdere gedichtwedstrijden. Een aantal van zijn gedichten is bekroond, onder meer met de Dunya Poëzieprijs in 2000 en de El Hizra Poëzieprijs in 1999. Zijn gedicht Frida is in 2018 opgenomen in de gedichtenbundel Grenzenloos. Hij is een van de samenstellers van de Turkstalige bundel Balad Şiir Vakfı (2018, vertaling: Gedichtenanthologie), dat gedichten bevat van de in Nederland levende dichters van Turkse komaf.

Tuncay Çinibulak verzorgt trainingen voor persoonlijke ontwikkeling en tevens over poëzie. Daarnaast werkt hij als adviseur en trainer ten bate van welzijnsorganisaties.

PublicatiesBewerken

  • Tuncay Çinibulak, Nazmi Turkkol op wisselspoor, 2021, Tulpia Media & Maatschappij, ISBN 9789082807110

Externe linksBewerken