Tanzimaat

Tanzimaat is de aanduiding van een belangrijke periode in de geschiedenis van het Osmaanse Rijk: 1839 - 1876.

Op 3 november 1839 kondigde de regering van de nieuwe sultan Abdul Mecit een decreet af, waarin hervormingen werden aangekondigd. Opsteller was de hervormingsgezinde minister van buitenlandse zaken, Mustafa Resit Pasja.

Leven, eer en eigendom van de onderdanen zouden voortaan gelijkelijk worden beschermd, ongeacht hun godsdienstige gezindheid. Belastingen zouden door de staat worden geheven en geïnd, en niet worden verpacht. De dienstplicht zou worden ingevoerd voor alle onderdanen, ongeacht hun etniciteit. Voor het Tanzimaat bestond het Ottomaanse leger vooral uit soldaten die etnisch toebehoorden tot een van de Turkse volkeren (uitgezonderd de Janitsaren en de Basji-bozoek).

Een tweede hervormingsdecreet (Hatt I Humayun) verscheen op 18 februari 1856. Aangekondigd werd de gelijkstelling van alle inwoners, ongeacht hun geloof, in het onderwijs en de rechtspraak. In de praktijk echter bleven christenen en joden tweederangs burgers.

De hervormingen gedurende het Tanzimaat mondden onder sultan Abdul Hamid II uiteindelijk uit in de eerste Ottomaanse grondwet. Ahmed Sefik Mithat Pasja was een Ottomaans grootvizier die met zijn vooruitstrevende en liberale ideeën als één der samenstellers van de Ottomaanse grondwet gold. In december 1876 deed daarmee de constitutionele parlementaire monarchie zijn intrede in het Ottomaanse Rijk.[1]