Hoofdmenu openen

Een goudveil-essenbos, essenbronbos (Carici remotae-Fraxinetum), ook wel elzenbronbos (Chrysosplenio oppositifolii-Alnetum) genoemd, is een associatie uit het onderverbond van de bronbossen (Circaeo-Alnenion), gekenmerkt door een elzen- en essenrijk bos met een goed ontwikkelde kruidlaag in brongebieden met uittredend zuurstof- en basenrijk water.

Goudveil-essenbos
Goudveil-essenbos met ondergroei van verspreidbladig goudveil
Goudveil-essenbos met ondergroei van verspreidbladig goudveil
Syntaxonomische indeling
Klasse:Querco-Fagetea (Eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond)
Orde:Alnetalia glutinosae
Verbond:Alno-Padion
Onderverbond:Circaeo-Alnenion
Associatie
Carici remotae-Fraxinetum
W.Koch ex Faber, 1926

Naamgeving, etymologie en coderingBewerken

  • Synoniemen: Chrysosplenio oppositifolii-Alnetum, Carici remotae-Fraxinetum, Equiseto telmateiae-Fraxinetum
  • Nederlands: Elzenbronbos, essenbronbos, goudveil-essenbos, bron- of beek-essenbos, elzen-essenbos van bronnen en bronbeken
  • Engels: Sedge ash-alder woods, Fontinal ash-alder woods, Great horsetail ash-alder woods
  • Syntaxoncode (Nederland): 43Aa4
  • BWK-karteringseenheid: Bronbos (vc)

De naam Chrysosplenio oppositifolii-Alnetum is afgeleid van de wetenschappelijke namen van twee kensoorten, het paarbladig goudveil (Chrysosplenium oppositifolium) en de zwarte els (Alnus glutinosa). Carica remotae-Fraxinetum slaat eveneens op twee kensoorten, de ijle zegge (Carex remota) en de gewone es (Fraxinus excelsior).

KenmerkenBewerken

AlgemeenBewerken

Essenbronbossen komen meestal slechts voor als zeer kleine bosfragmentjes rond brongebieden en langs de oevers van de bovenlopen van beken. De bodem is er nat tot zeer nat, maar er is geen stilstaand water. Het water is bovendien koud, gelijkmatig van temperatuur en zuurstofrijk. Dikwijls is het water kalkrijk. Verder is de bodem meestal veen- en kleihoudend. Organisch materiaal wordt er snel gemineraliseerd.

Alhoewel essenbronbos en elzenbronbos in het algemeen als synoniemen worden beschouwd, zijn er vegetatiekundigen die een onderscheid tussen beide maken op basis van de bodemsamenstelling. Essenbronbossen zouden daarbij voornamelijk voorkomen op leemrijke bodems en elzenbronbossen op leemarme, zandige bodems.

StructuurBewerken

Bronbossen vormen het eindpunt van de natuurlijke successie in brongebieden; zij vormen een climaxvegetatie. Ze vormen meestal kleine vlekken en linten in de omringende bossen, soms zo klein dat ze gemakkelijk over het hoofd worden gezien.

Door de relatief natte en slappe bodem waaien bomen in een brongebied sneller om, waardoor er meer licht op de bodem valt en er continue verjonging plaatsvindt.

De boomlaag is hoog opgaand, tot 20 m. Ze is goed ontwikkeld maar soortenarm. Zwarte els en gewone es zijn dominant, enkele andere soorten komen sporadisch voor en dan vooral aan de rand van het brongebied. De struiklaag is in het algemeen slechts matig ontwikkeld en eveneens soortenarm.

De kruidlaag daarentegen is goed ontwikkeld, met een duidelijke periodiciteit: opvallend veel lentebloeiers die vroeg in het voorjaar profiteren van het (in verhouding) warme bronwater en zorgen voor groene vlekken zodra de sneeuw verdwenen is.

De moslaag is meestal eveneens goed ontwikkeld en bevat naast bladmossen eveneens levermossen.

Vaak grenst een essenbronbos aan het drogere parelgras-beukenbos. Zo'n grensgebied wordt gekenmerkt door een overgangszone met toevoeging van daslook, eenbloemig parelgras, gele dovenetel, bosgierstgras, bosanemoon, gevlekte aronskelk en boszegge aan de kruidlaag.

SoortensamenstellingBewerken

De associatie heeft voor België en Nederland als belangrijkste soorten:

 
Zwarte els
 
Gewone es
 
Hazelaar
 
Boswederik
 
Bosereprijs
 
Reuzenpaardenstaart
 
Verspreidbladig goudveil
 
Hangende zegge
 
Moerasspirea
 
Paarbladig goudveil
 
Wijfjesvaren
Boomlaag
Kensoort Diff.soort Presentie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
kK >70% Gewone es Fraxinus excelsior
>80% Zwarte els Alnus glutinosa
>30% Gewone esdoorn Acer pseudoplatanus
>20% Zomereik Quercus robur
Struiklaag
Kensoort Diff.soort Presentie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
kV >20% Gewone vogelkers Prunus padus
kK >10% Aalbes Ribes rubrum
>50% Hazelaar Corylus avellana
>20% Gelderse roos Viburnum opulus
>20% Wilde lijsterbes Sorbus aucuparia
>20% Grauwe wilg Salix cinerea
Kruidlaag
Kensoort Diff.soort Presentie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
kA >50% Boswederik Lysimachia nemorum
kA >30% Bosereprijs Veronica montana
kA >20% Reuzenpaardenstaart Equisetum telmateia
kA >20% Verspreidbladig goudveil Chrysosplenium alternifolium
kA >10% Hangende zegge Carex pendula
kA >10% Slanke zegge Carex strigosa
kV >40% Bloedzuring Rumex sanguineus
kV >20% Reuzenzwenkgras Festuca gigantea
kV >10% Dagkoekoeksbloem Silene dioica
kK >50% Groot heksenkruid Circaea lutetiana
kK >40% Bosanemoon Anemone nemorosa
kK >40% Gewoon speenkruid Ranunculus ficaria
kK >30% Bosandoorn Stachys sylvatica
kK >30% Kruipend zenegroen Ajuga reptans
kK >20% Klimop Hedera helix
kK >20% Gevlekte aronskelk Arum maculatum
kK >10% Gewone salomonszegel Polygonatum multiflorum
kK >10% Knopig helmkruid Scropularia nodosa
>70% Moerasspirea Filipendula ulmaria
>70% Grote brandnetel Urtica dioica
>70% Paarbladig goudveil Chrysosplenium oppositifolium
>60% Wijfjesvaren Athyrium filix-femina
>60% IJle zegge Carex remota
>60% Gele dovenetel Lamiastrum galeobdolon
>50% Kruipende boterbloem Ranunculus repens
>50% Gewone braam Rubus fruticosus
>50% Bittere veldkers Cardamine amara
>50% Gewone engelwortel Angelica sylvestris
>40% Pinksterbloem Cardamine pratensis
>40% Ruw beemdgras Poa trivialis
>40% Groot springzaad Impatiens noli-tangere
>40% Kleefkruid Galium aparine
>30% Witte klaverzuring Oxalis acetosella
>30% Slanke sleutelbloem Primula elatior
>30% Gewone dotterbloem Caltha palustris
>30% Robertskruid Geranium robertianum
>30% Echte valeriaan Valeriana officinalis
>30% Grote wederik Lysimachia vulgaris
>30% Hop Humulus lupullus
>30% Kale jonker Cirsium palustre
>30% Ruwe smele Deschampsia cespitosa
>20% Bosgierstgras Milium effusum
>20% Moeraswalstro Galium palustre
>20% Muskuskruid Adoxa moschatellina
>20% Hondsdraf Glechoma hederacea
>20% Lidrus Equisetum palustre
>20% Moerasstreepzaad Crepis paludosa
>20% Geel nagelkruid Geum urbanum
>20% Grote kattenstaart Lythrum salicaria
>20% Moeraszegge Carex acutiformis
>20% Bitterzoet Solanum dulcamara
>20% Koninginnekruid Eupatorium cannabinum
>20% Watermunt Mentha aquatica
>20% Eenbes Paris quadrifolia
>20% Gewone hennepnetel Galeopsis tetrahit
>20% Framboos Rubus idaeus
 
Beekdikkopmos
Moslaag
Kensoort Diff.soort Presentie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
kA >20% Beekdikkopmos Brachythecium rivulare
kK >50% Gerimpeld boogsterremos Plagiomnium undulatum
kK >10% Geplooid snavelmos Eurynchium striatum
>60% Fijn laddermos Eurhynchium praelongum
>50% Gewoon sterrenmos Mnium hornum
>40% Gewoon dikkopmos Brachythecium rutabulum
>20% Gewone pellia Pellia epiphylla
>20% Gewoon kantmos Lophocolea bidentata
>20% Groot rimpelmos Atrichum undulatum
>10% Rondbladig boogsterremos Plagiomnium affine

FaunaBewerken

Door de rijkdom aan basen- en zuurstofrijke kwel, is het aandeel amfibieënsoorten dat dit bostype bevolkt relatief hoog. Vuursalamander, Alpenwatersalamander, kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker behoren in Nederland tot de typische soorten van dit bostype. In Duitse en Poolse bossen bewoont de Europese moerasschildpad de houtrijke kwelmoerassen. In Nederland komen de hazelworm en de ringslang aan de struweelrijke randen van het Essenbronbos voor. De ringslang is daarbij direct afhankelijk van de hooilanden die vaak grenzen aan dit bostype. Daar jagen ze hoofdzakelijk op poelkikkers en bruine kikkers.

De avifauna van het Essenbronbos is tamelijk arm en weinig representatief. IJsvogel en waterspreeuw behoren tot de typische soorten van de beekrijke zones van dit bostype. Nachtegaal, zanglijster, kleine- en middelste bonte specht, buizerd, winterkoninkje, sperwer en af en toe een wielewaal behoren tot de vaste gebruikers.

Ree, vos, konijn, steenmarter en met name de das behoren tot de typerende grotere landzoogdiersoorten van dit bostype in Nederland. In Duitse en Poolse bossen behoren verder lynx, wolf, wilde kat, edelhert, eland, wild zwijn, Europese otter, boommarter, Europese nerts en bever tot de typerende grote landzoogdieren van het Essenbronbos. Het aantal soorten kleine landzoogdieren is tamelijk laag. Typerend zijn konijn, egel, woelrat, rosse woelmuis, aardmuis en vrijwel alle spitsmuissoorten. Dit bostype is verder rijk aan vleermuizen.

GeologieBewerken

In dit bostype vindt bij kalkhoudende bronnen vaak brongesteentevorming (travertijn) plaats in de zones waar de kwel door de kiezelpakketten naar boven komt en kalk afzet.

Biologische WaarderingskaartBewerken

In de Biologische Waarderingskaart (BWK) van Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest staat deze associatie bekend als bronbos (vc).

Het komt voor als lijnvormig element langsheen bronbeken in de vorm van een houtkant, of zelden als vlakvormig element van enkele vierkante meters tot enkele honderden vierkante meters.

Het bronbos staat gewaardeerd als 'Biologisch zeer waardevol'.

Verspreiding en voorkomenBewerken

Essenbronbossen zijn beperkt tot de Atlantische provincie, van noordwest-Spanje over West-, Noord- en Midden-Europa tot in de Baltische landen.

Door het specifieke en zeer beperkte habitat, de afhankelijkheid van zuiver water en de relatieve kwetsbaarheid voor allerlei vormen van menselijke activiteit is dit een van de zeldzaamste plantengemeenschappen in Europa.

NederlandBewerken

De meest intacte bosgemeenschappen die dit bostype in Nederland vertegenwoordigen, vindt men in het Bunderbos, gelegen tussen Elsloo en Meerssen in Zuid-Limburg. Bij het Gelderse Ubbergen ligt het bos Kastanjedal, dat beschouwd mag worden als een parkachtig relict van dit bostype en het Refter bronnenbos, welke in augustus 1984 als natuurmonument is benoemd.

BelgiëBewerken

Essenbronbossen zijn in Vlaanderen beperkt tot de Leemstreek. Het is onder ander te vinden in het Meerdaalwoud en het Zoet Water te Leuven, het Hallerbos in Halle en het Zoniënwoud bij Brussel.

Bedreiging en beschermingBewerken

Het voortbestaan van een bronbos is in hoge mate afhankelijk van de continue aanvoer van koud en zuiver water. De belangrijkste bedreigingen zijn dus de aantasting van de waterkwantiteit en/of -kwaliteit. Verdroging, door het oppompen of afleiden van bronwater voor drinkwaterwinning of landbouw, is nefast voor deze gemeenschap. Overbemesting en vervuiling zorgen ervoor dat de zeldzame planten verdrongen worden door meer algemene soorten die op voedselrijkdom zijn gericht, zoals brandnetels.

Een derde belangrijke bedreiging is de toenemende recreatie in bosgebieden, die voor dergelijke kleine gemeenschappen op een kwetsbare moerassige bodem eveneens funest is.