Mustafa Kemal Atatürk

Turks politicus (1881-1938)
(Doorverwezen vanaf Atatürk)

Kemal Atatürk[1] (geboren als Mustafa, tot 1934 Mustafa Kemal Pasja, na 1935 Kamâl Atatürk;[2] Thessaloniki, 1881[3]Istanboel, 10 november 1938) was een Turks maarschalk, schrijver, politicus en grondlegger van de republiek Turkije, waarvan hij de eerste president was. Zijn leiderschap ondernam ingrijpende progressieve hervormingen, die Turkije moderniseerden tot een seculiere, industrialiserende natie.[4][5][6] Idealiter een secularist en een nationalist, werden zijn beleid en theorieën bekend als Kemalisme. Vanwege zijn militaire en politieke prestaties wordt Atatürk beschouwd als een van de grootste leiders van de 20e eeuw.[7] De Turkse leider was een van de dragers van de Turkse Onafhankelijkheidsmedaille.

Kemal Atatürk
Mustafa Kemal Atatürk
Geboortedatum 1881
Geboorteplaats Vlag van Ottomaanse Rijk Thessaloniki, Ottomaanse Rijk
Sterfdatum 10 november 1938
Sterfplaats Vlag van Turkije Istanboel, Turkije
Politieke partij Republikeinse Volkspartij
Handtekening Handtekening
Eerste president van Republiek Turkije
Periode 29 oktober 1923 - 10 november 1938
Premier Ali Fethi Okyar
İsmet İnönü
Celal Bayar
Voorganger -
Opvolger İsmet İnönü
Eerste premier van Republiek Turkije
Periode 3 mei 1920 - 24 januari 1921
President -
Voorganger -
Opvolger Fevzi Çakmak
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Ottomaanse periodeBewerken

Eerste jarenBewerken

 
Zuster Makbule, moeder Zübeyde en Mustafa Kemal, 1905

Mustafa werd geboren in een Turks gezin in Thessaloniki (Turks: Selanik) in Ottomaans Macedonië. Rondom zijn precieze geboortedatum bestaat onduidelijkheid, doordat daar in die tijd geen strikte burgerlijke stand bestond. De stad Thessaloniki, waar Mustafa in opgroeide, was een belangrijke handels- en havenstad, die in die tijd tot het Ottomaanse rijk behoorde. Thessaloniki was een zeer kosmopolitische stad, waar vele talen werden gesproken en religies werden beleden. Grieken, Turken en Joden vormden de belangrijkste inwoners van de stad. Mustafa was de zoon van de douanebeambte Ali Rıza. Toen Mustafa zeven jaar oud was overleed zijn vader, en zijn moeder Zübeyde moest haar kinderen alleen opvoeden. Mustafa had meerdere broers en zussen, die behalve zijn zus Makbule allemaal in hun kindertijd zijn overleden. In zijn kindertijd was Mustafa bevriend met Nuri Conker en Salih Bozok, die in dezelfde buurt woonden als hij en waarmee hij zijn hele leven lang bevriend zou blijven.

In zijn jeugd bezocht hij op wens van zijn moeder een religieuze school, maar verwisselde die op eigen verzoek al gauw voor een openbare school, de Şemsi Efendi school, die opgericht was door Şemsi Efendi, die tot de Dönme-gemeenschap van Thessaloniki behoorde. Toen hij klaar was met deze school, werd hij naar de Selanik Mülkiye school gestuurd. Op deze school werd de elfjarige Mustafa op een dag tot bloedens toe in elkaar geslagen door zijn koranleraar, Kaymak Hafız Hoca. Mustafa verklaarde daarna aan zijn moeder dat hij niet meer naar die school zou gaan en dat hij naar een militaire school wilde. Zijn moeder probeerde dat te voorkomen, maar tegen haar wens schreef Mustafa zich uiteindelijk in aan de Selanik Askeri Rüştüyesi, een militaire cadettenschool.

In 1893 begon hij op de militaire cadettenschool, waar hij uitblonk in wiskunde. Van zijn wiskundeleraar kreeg hij de bijnaam Kemal ("de perfecte"). Van 1896 tot 1899 volgde hij de militaire academie in de voormalige Ottomaanse stad Manastir (het tegenwoordige Bitola in Noord-Macedonië). In Manastir leerde hij studiegenoot Ali Fethi Okyar kennen, met wie hij jarenlang bevriend zou blijven. Na afronding van zijn studie in Manastir studeerde hij aan de Ottomaanse Militaire Academie in Istanboel en voltooide deze in 1902. Aansluitend ging hij naar de Ottomaanse Militaire College, waar hij tot 1905 studeerde. Op de Militaire Academie leerde hij studiegenoten als Ali Fuat Cebesoy en Kâzım Karabekir kennen, die een belangrijke rol in zijn leven zouden spelen. In zijn tijd moesten Ottomaanse officieren Duits en Frans leren, waardoor hij beter inzicht kreeg in de Franse geschiedenis en revolutie, alsmede in westerse denkbeelden. In zijn vrije tijd las hij de boeken van Voltaire, Jean-Jacques Rousseau, Montesquieu en de Ottomaanse intellectueel Namık Kemal.

 
Leden van Vatan ve Hürriyet, Beiroet, 1906. Van links naar rechts: Halil, Mustafa Kemal, Lütfi Müfit

Net als zijn studiegenoten zag hij met lede ogen aan hoe het Ottomaanse Rijk steeds verder in verval raakt. Het eens zo machtige Ottomaanse rijk brokkelde af als gevolg van interne spanningen en buitenlandse bemoeienissen. Het Ottomaanse Rijk begon economisch steeds meer afhankelijker te worden van westerse landen en het kon deze landen ook militair niet meer bijbenen. In die tijd werd het Ottomaanse rijk door westerse landen spottend de zieke man van Europa genoemd. Mustafa Kemal begon cafés en geheime genootschappen te bezoeken, waar nagedacht werd over manieren om het autoritair bestuurde rijk te redden. Samen met Ali Fuat Cebesoy hielp hij mee bij de productie van een clandestien politiek blad. Door de politie werd ontdekt, dat hij en zijn vrienden bijeenkomsten hielden over antimonarchistische onderwerpen. Een overheidsspion infiltreerde in hun groep om inlichtingen in te winnen over hen. Na het behalen van zijn diploma in 1905 werd Mustafa Kemal door de politie gearresteerd, waarbij ook Ali Fuat Cebesoy werd gearresteerd. Na enkele maanden opsluiting werd hij alleen vrijgelaten met de steun van Rıza Pasha, zijn voormalige schooldirecteur. Na zijn vrijlating werd Mustafa Kemal toegewezen aan het Vijfde Leger in Damascus als stafkapitein in het gezelschap van Ali Fuat Cebesoy en Lütfi Müfit Özdeş. In Damascus sloot hij zich aan bij een klein geheim revolutionair genootschap, genaamd Vatan ve Hürriyet ("Moederland en Vrijheid"), van hervormingsgezinde officieren onder leiding van koopman Mustafa Elvan Cantekin. Mustafa Kemal werd sterk beïnvloed door diens politieke ideeën.

In 1907 werd hij overgeplaatst naar zijn geboortestad Thessaloniki, waar hij in contact kwam met leden van de Jonge Turken, welke organisatie hun machtsbasis had in Thessaloniki. Hij sloot zich aan, omdat deze beweging hetzelfde doel nastreefde als zijn genootschap en bovendien een grotere organisatie was. In 1908 zette hij zich als sympathisant van de Jonge Turken af tegen sultan Abdülhamit II toen die conservatieve hervormingen wilde doorvoeren. Deze officieren van het seculiere en nationalistische "Comité voor Eenheid en Vooruitgang", bijgenaamd de Jonge Turken pleegden een staatsgreep en maakten van het Ottomaanse rijk een constitutionele monarchie, waarbij Abdülhamit als sultan geen enkele macht meer had. Na de mislukte countercoup in 1909 werd Abdülhamit definitief vervangen door sultan Mehmet V Reşat, die niet meer dan een marionet was onder de Jonge Turken.

 
Staf-majoor Mustafa Kemal samen met Libische strijders in 1912 nabij de stad Tripoli in Libië

In 1911 begon Italië met een militaire invasie van Libië, dat toen onderdeel was van het Ottomaanse rijk. Gelijk hierna brak de Italiaans-Turkse Oorlog uit, waar Mustafa Kemal zich vrijwillig voor aanmeldde. Mustafa Kemal werd naar Ottomaans Libië uitgezonden, waar hij nabij de stad Tripoli als militair officier onder het commando van Enver Pasja tegen de Italiaanse invasie van Libië vocht. Enver Pasja en Mustafa Kemal wisten met hulp van lokale Libische stammen onverwacht veel weerstand te organiseren tegen het Italiaanse leger. Enver Pasja was even oud als Mustafa Kemal en de twee mannen zouden later uitgroeien tot ware rivalen van elkaar. Enver had een hekel aan Mustafa Kemals behoedzame houding t.o.v. de politieke agenda van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang. Op zijn beurt had Mustafa Kemal veel kritiek op Enver en beschouwde hem als een gevaarlijke man, wiens acties het land naar de ondergang zouden kunnen brengen.

Terwijl de oorlog in Libië nog in volle gang was, brak in 1912 de Balkanoorlog uit waarin Balkanlanden als Griekenland, Bulgarije, Montenegro en Servië het deel van het Balkangebied wilden veroveren, dat nog in handen was van het Ottomaanse rijk. Haastig ondertekende het Ottomaanse rijk toen een vredesverdrag (Vrede van Ouchy) met Italië en trok het zijn troepen terug uit Libië. Mustafa Kemal werd teruggehaald naar Istanboel, waar hij werd ingezet bij het heroveren van aan de Balkanlanden verloren gebied. Mustafa Kemal vocht tegen het Bulgaarse leger bij Gallipoli en Bulair (Bolayır). Hij speelde ook een cruciale rol bij de herovering van Edirne en Didymoteicho. In 1913 vond er, als gevolg van het slechte verloop van de Balkanoorlog, een tweede staatsgreep in de Ottomaanse regering plaats. Ditmaal binnen het Comité voor Eenheid en Vooruitgang, waarna Enver Pasja, Talaat Pasja en Djemal Pasja aan de macht kwamen en het Ottomaanse rijk daarna als driemanschap begonnen te regeren. Het Ottomaanse rijk verloor uiteindelijk de Balkanoorlog en daarmee een groot deel van zijn Europees grondgebied. Toen Thessaloniki in handen van de Grieken kwam, vluchtte Mustafa Kemals familie naar Istanbul.

Na het einde van de Balkanoorlog werd Mustafa Kemal aangesteld als militair attaché op de ambassade in de stad Sofia (Ottomaans Bulgarije), waar hij tot aan het begin van de Eerste Wereldoorlog gestationeerd bleef. Zijn aanstelling in Sofia was bewerkstelligd door Enver Pasja, die Mustafa Kemal het liefst zo ver mogelijk wilde hebben van de politieke intriges in Istanbul, zodat Kemal hem niet in de weg zou kunnen staan. Op 1 maart 1914 werd hij tijdens zijn dienst in Sofia gepromoveerd tot de rang van luitenant-kolonel. Vanuit Sofia werd Mustafa Kemal een uitgesproken criticus van de deelname aan de naderende Eerste Wereldoorlog van het Ottomaanse rijk aan de kant van Duitsland. Op 16 juli 1914 stuurde hij vanuit Sofia een officieel bericht naar het Ministerie van Oorlog in Istanboel, waarin hij aandrong op een beleid van neutraliteit in geval van oorlog. Enver Pasja was echter voorstander van een alliantie met Duitsland, wat leidde tot de ondertekening van een geheim alliantie-verdrag met Duitsland op 2 augustus 1914.

Eerste WereldoorlogBewerken

Het Ottomaanse Rijk nam deel aan de Eerste Wereldoorlog aan de zijde van de Centrale Mogendheden tegen de landen van de Entente. Op 29 oktober 1914 liet Enver Pasja Duitse oorlogschepen onder Ottomaanse vlag Russische havens in de Zwarte Zee bombarderen, waarmee het Ottomaanse rijk in de oorlog belandde. Vanwege de alliantie met Duitsland stonden verschillende Ottomaanse legereenheden onder leiding van Duitse commandanten. Mustafa Kemal was totaal niet tevreden met deze situatie.

 
Mustafa Kemal in de loopgraven bij de Slag om Gallipoli, 17 juni 1915, Çanakkale

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Mustafa Kemal eerst gestationeerd bij de Dardanellen. Mustafa Kemal kreeg hierbij de leiding over de 19de divisie van het Vijfde leger van het Ottomaanse Rijk en diende van 25 april 1915 tot 9 januari 1916 onder de Duitse officier Otto Liman von Sanders, die de leiding had over het Vijfde leger. Mustafa Kemal speelde een belangrijke rol in het afslaan van de geallieerde invasie in de Slag om Gallipoli. Door zijn militaire successen werd hij tot kolonel gepromoveerd en steeg zijn aanzien binnen het Ottomaans leger.[8] Het verhaal gaat, dat voor de geallieerde aanval op de Dardanellen begon, Mustafa Kemal zijn soldaten het bevel gaf door te gaan met de strijd tot de dood, zodat er voldoende tijd was voor hulptroepen om aan het front te arriveren. De Gallipoli veldtocht werd een rampzalige nederlaag voor de geallieerden, omdat ze er maar niet in slaagden om voorbij de stranden van Gallipoli te komen. De geallieerden besloten uiteindelijk het offensief af te breken en evacueerden hun troepen. Deze laatste troepen vertrokken op 8 januari 1916.

 
Cevat Pasja en Mustafa Kemal Bey op de dagelijkse Tasvîr-i Efkâr van 29 oktober 1915

Na het einde van de Slag om Gallipoli werd Mustafa Kemal, na een kleine uitstap naar Edirne, op 14 januari 1916 overgeplaatst naar het oostfront, waar op dat moment de oorlog in de Kaukasus aan de gang was. Hier kreeg hij de leiding over de 16de divisie van het Tweede leger, die het moest opnemen tegen het Russische leger, dat werd bijgestaan door Armeense vrijwilligerseenheden. Op 1 april 1916 werd hij gepromoveerd tot brigade-generaal. In de zomer van 1916 slaagde zijn leger erin de steden Muş en Bitlis terug te veroveren op de Russen. Wederom vielen de militaire bekwaamheden van Mustafa Kemal op binnen het Turkse leger. Maar toen de Russen in de herfst opnieuw aanvielen, was zijn leger genoodzaakt zich weer uit de veroverde steden terug te trekken. Op 7 maart 1917 kreeg hij de gehele leiding over het Tweede leger toegewezen.

In juli 1917 werd hij aangesteld als commandant van het Zevende leger van de legergroep Bliksemschicht in Palestina, maar hij kon niet opschieten met maarschalk Erich von Falkenhayn onder wiens commando hij stond. Samen met İsmet İnönü rapporteerde hij daarover aan Talaat Pasja en deed een verzoek om een sterkere verdedigingslinie in het noorden van Syrië, geleid door Turken in plaats van Duitsers. Talaat Pasja weigerde echter aan het verzoek van Mustafa Kemal te voldoen. Ontevreden over de weigering nam Mustafa Kemal begin oktober 1917 ontslag van zijn functie en keerde hij terug naar Istanboel.

In Istanboel kreeg hij de taak prins (en latere sultan) Mehmet VI 'Vahideddin' te vergezellen bij een treinreis naar Oostenrijk-Hongarije en dan verder naar Duitsland. In Duitsland bezocht Mustafa Kemal de Duitse linies van het westfront en concludeerde na een analyse dat de Centrale Mogendheden de oorlog spoedig zouden verliezen. Hij aarzelde niet om zijn mening kenbaar te maken aan keizer Wilhelm II en zijn generaals. Tijdens de reis had Mustafa Kemal ook meerdere gesprekken met Mehmet VI, waarin hij hem probeerde te overtuigen om een nieuw leger te vormen en hem daarbij als zijn adviseur aan te stellen. Tijdens de terugreis naar Istanbul werd Mustafa Kemal ziek en moest hij zijn reis afbreken, terwijl de sultan en zijn gevolg doorreisden. Voor een medische behandeling verbleef hij enige tijd in het ziekenhuis van de stad Karlsbad in Oostenrijk-Hongarije. Vanuit het ziekenhuis komt Mustafa Kemal te horen, dat Mehmet V Reşat overleden is en opgevolgd wordt door zijn broer Mehmet VI. Bij zijn terugkomst in Istanbul komt hij tot de ontdekking, dat Mehmet VI zijn plan heeft opgegeven onder de invloed van Enver Pasja.

Op 7 augustus 1918 stelde Mehmet VI Mustafa Kemal voor een tweede keer aan als bevelhebber van het Zevende Leger in Palestina, dat zich nabij Nablus bevond. Inmiddels had Otto Liman von Sanders begin 1918 het commando van het Ottomaanse leger in de Sinai en de Palestina Campagne overgenomen van Erich von Falkenhayn. In Palestina kreeg Mustafa Kemal te maken met de Arabische Opstand, welke georganiseerd was door Groot-Brittannië, dat de lokale Arabieren tot een opstand had aangemoedigd tegen de Ottomaanse overheersing. Toen Liman von Sanders de strijd verloor bij Megiddo, stond het Britse leger niets meer in de weg om Mustafa Kemals leger aan te vallen. Vanwege een gebrek aan mankracht om het Britse leger aan te kunnen, was Mustafa Kemal genoodzaakt zich helemaal terug te trekken naar Jordanië en dan nog verder naar Aleppo. Zijn intentie was om een sterkere gevechtslinie te vormen, maar ondertussen begonnen steeds meer van zijn soldaten te deserteren. In een paar dagen tijd bereikte het totale aantal deserteurs 300.000 man. De oorlog van Mustafa Kemal werd drastisch veranderd van vechten tegen het Britse leger in vechten tegen het uiteenvallen van zijn eigen troepen. Hij stuurde een woedend telegram naar de Turkse sultan, waarin hij zijn superieuren als Enver Pasja, Cevat Pasja en Cemal Pasja beschuldigde verantwoordelijk te zijn voor de ontstane situatie. Op 30 oktober 1918 verving hij Liman von Sanders als commandant van de legergroep Bliksemschicht. Daarna slaagde hij ondanks de slechte situatie erin, de opmars van het Britse leger tot een halt te brengen. Ondanks dit succes van Mustafa Kemal, zou het Ottomaanse rijk de Eerste Wereldoorlog verliezen. Opmerkelijk genoeg was Mustafa Kemal de enige Ottomaanse commandant, die bij deze oorlog geen nederlaag op zijn naam had staan.

BezettingsperiodeBewerken

 
Mustafa Kemal Pasja in november 1918

Op 30 oktober 1918 werd het verdrag van Mudros ondertekend, waarmee de Ottomaanse capitulatie werd bevestigd. Na de Eerste Wereldoorlog werd het Ottomaanse Rijk grotendeels bezet door de geallieerden. Het gehele Europese deel en een groot deel van Anatolië werden bezet door het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Italië, Frankrijk en Armenië. Ondanks de animositeit van Mustafa Kemal richting het Huis van Osman, ging hij in op het verzoek van de sultan om de door de geallieerden opgelegde demilitarisering van de Ottomaanse legers in goede banen te leiden als commandant van de legergroep Bliksemschicht. Samen met ongeveer vijftig andere officiers vormde hij nu de ruggengraat van de militaire vleugel van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang (İttihat ve Terakki Cemiyeti) (ook wel: Unionisten). Ondanks verzet van Mustafa Kemal werd in de lijn van het Mudrosverdrag op 7 november zijn legergroep door grootvizier Izzet Pasja ontbonden, en was hij gedwongen terug te keren naar Istanboel. Op 13 november 1918 komt hij via Adana per trein aan in Istanboel en moest 3,5 uur wachten op Station Haydarpaşa vanwege 56 oorlogschepen van het bezettingsleger van de Geallieerden. Vandaar werd hij met de Kartal stoomboot naar de overzijde gebracht. Adjudant Mehmet Cevat Abbas Gürer vroeg toen wat er nu ging gebeuren, waarop Mustafa Kemal antwoordde: "Ze zullen gaan zoals ze gekomen zijn" (Geldikleri gibi giderler).[9]

Ondertussen was de regering van grootvizier Talaat Pasja al voor de Ottomaanse capitulatie afgetreden op 8 oktober 1918 en vervangen door een nieuwe pro-Britse regering eerst onder waarneming van Izzet Pasja en daarna Tevfik Pasja en later Damat Ferit Pasja. Sultan Mehmet VI koos uit angst voor zijn positie de zijde van de geallieerden. Toen de geallieerde troepen in november 1918 Istanbul binnentrokken, vluchten Talaat Pasja, Enver Pasja en Cemal Pasja het land uit naar Duitsland aan boord van een Duitse onderzeeboot. Ze weigerden zich aan de geallieerden over te geven. Deze gebeurtenis zou het einde betekenen voor het Comité voor Eenheid en Vooruitgang, waarvan ze de partijleiders waren.

Even dacht Mustafa Kemal erover na om ontslag te nemen uit het leger, maar werd daarvan weerhouden door Izzet Pasja, die hem een administratieve functie toewees bij het ministerie van Oorlog. Mustafa Kemal nam zijn intrek in het Pera Palace hotel, waar vele bevelhebbers van de Geallieerden ook hun intrek hadden. Later verhuisde hij naar het huis van zijn vriend Salih Fansa in Beyoğlu om vervolgens te verhuizen naar het triplex appartement van Madame Kasabyan in Şişli. Moeder Zübeyde Hanım en zus Makbule kwamen over van het huis in Akaratlar, te Beşiktaş en namen de bovenste verdieping in. Mustafa Kemal nam de middelste verdieping in en in de onderste verdieping sliep zijn adjudant Mehmet Cevat Abbas Gürer. In dit huis vonden vele vergaderingen met vrienden en gelijkgezinden plaats.

Mustafa Kemal werd benaderd door leden van de Karakol organisatie. Deze organisatie was in het geheim opgericht op bevel van Talaat Pasja, vlak voor zijn vlucht naar Duitsland. Het doel van Karakol was het organiseren van het verzet in het Anatolisch binnenland. Omdat veel van hun leden waren opgepakt door de geallieerden om te worden berecht bij de Malta-tribunalen, zochten ze naar iemand die het verzet in het binnenland kon leiden. De Karakol-leden vonden Mustafa Kemal een ideale kandidaat voor het leiderschap, wegens zijn goede reputatie binnen het Ottomaans leger. Toen Mustafa Kemal besloot deze taak op zich te nemen, was een gelegenheid om naar het binnenland te vertrekken snel gevonden. De regering van Damat Ferit Pasja maakte zich grote zorgen over het voortdurende geweld tussen de Turkse verzetsstrijders en de verschillende etnische groepen in Oost-Anatolië en het Zwarte zeegebied. Damat Ferit Pasja wilde een militaire inspecteur instellen, die de orde moest herstellen in het binnenland en de Turkse verzetsstrijders moest ontwapenen. Via connecties met minister Mehmet Ali Bey werd Mustafa Kemal tot deze functie van militaire inspecteur benoemd. Op 16 mei 1919 vertrok Mustafa Kemal voor zijn missie per boot naar Samsun, een stad gelegen aan de Zwarte Zee. Hij was heel andere dingen van plan, dan wat Damat Ferit Pasja van hem verlangde.

Turkse OnafhankelijkheidsoorlogBewerken

 
Het congress in de stad Sivas met Mustafa Kemal in het midden zittend, september 1919

Op 19 mei 1919 kwam Mustafa Kemal met de stoomboot SS Bandırma vanuit Istanboel aan in de stad Samsun. Hij verkeerde in gezelschap van nog 48 andere officieren, die om dezelfde reden als hij per boot naar Samsun waren afgereisd. In Samsun organiseerde hij zijn eerste congres, dat zo de aanzet vormde voor de latere Turkse Onafhankelijkheidsoorlog. Hier maakte hij de bevolking attent op het gevaar van opdeling van het land door de geallieerden en op de landing van Griekse troepen in het westen en Italiaanse troepen in het zuiden. Op 22 juni 1919 had hij in de plaats Amasya een ontmoeting met de officieren Ali Fuat Cebesoy, Rauf Orbay en Refet Bele. Met hen stelde hij een circulaire op, waarin gesteld werd dat het land in gevaar was, dat de regering in Istanboel te onmachtig was om het land te beschermen en dat de gehele natie in actie zou moeten komen om dit tegen te gaan. De Amasya-circulaire werd per telegram verspreid over de verschillende verzetshaarden van het land. Om meer steun te verzamelen voor het verzet, hield Mustafa Kemal daarna congressen in achtereenvolgens de steden Balıkesir, Erzurum, Sivas en Alaşehir.

De geallieerden begonnen zijn activiteiten verdacht te vinden. Nadat de geallieerden zijn huis in Istanboel hadden doorzocht, kwamen zij achter zijn plannen en werd hij eind 1919 per direct door de sultan teruggeroepen. Hierop diende hij officieel zijn ontslag in bij het ministerie van Oorlog. Kâzım Karabekir, bevelhebber van de resterende Ottomaanse legers die gestationeerd waren aan de oostgrens, liep samen met andere prominente figuren uit de Ottomaanse legers zoals Fevzi Çakmak en İsmet İnönü over naar de kant van Mustafa Kemal. Met dit leger, dat bestond uit de Anatolische bevolking en restanten van het Ottomaanse leger, kwam Mustafa Kemal in opstand tegen zowel de geallieerde bezetters als tegen de Ottomaanse sultan, die zou duren van 1920 tot 1923.

 
Mustafa Kemal en Salih Bozok observeren vanaf een heuvel de troepenbewegingen tijdens de Slag om Sakarya, 1921

De sultan vond dat Mustafa Kemal en zijn nationalisten een bedreiging vormden voor zijn positie als leider van het Ottomaanse rijk. Hij gaf zijn minister Şevket Süleyman Pasja op 18 april 1920 de opdracht een leger te vormen om de nationalisten te bestrijden. Dit leger stond bekend als de Kuva-yi Inzibatiye of het Kalifaatleger. Gebruikmakend van zijn titel als kalief verklaarde hij de nationalisten tot vijanden van de islam. De Britten ondersteunden het Kalifaatleger, omdat ze af wilden van Mustafa Kemal.

Op 23 april 1920 werd in de stad Ankara het nieuwe Turkse Parlement (de TBMM) opgericht, die zich uitriep als de officiële regering van Turkije. De TBMM verklaarde dat de soevereiniteit onvoorwaardelijk toehoorde aan het volk ("Egemenlik, kayıtsız, şartsız milletindir"). De TBMM zou een belangrijke rol spelen in het nemen van besluiten in de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog. In mei 1920 rukte het Kalifaatleger op vanuit Istanbul naar Adapazarı en dan verder naar Geyve. Bij Geyve ging het de confrontatie aan met het leger der nationalisten. Dit eindigde in een verlies voor het Kalifaatleger. Daarop accepteerde de regering van Istanbul het falen van het Kalifaatleger en besloot het Kalifaatleger terug te trekken naar Istanbul. Op 25 juni 1920 werd aangekondigd dat het Kalifaatleger werd opgeheven en dat de soldaten van de eenheid werden ontslagen.

Op 10 augustus 1920 accepteerde sultan 'Vahideddin' het Verdrag van Sèvres, dat door de geallieerden aan hem was opgedrongen. Door veel Turken werd dit als vernederend gezien. Kemals beweging kreeg hierdoor veel steun onder de Turkse bevolking, hetgeen het regime van de sultan verder verzwakte. Veel parlementsleden uit het Ottomaanse kabinet liepen over naar de TBMM, nadat de sultan hen ontslagen had onder druk van de Britten.

 
Mustafa Kemal Pasja inspecteert de troepen in İzmit, 18 juni 1922

Toen een Grieks invasieleger door fouten van Turkse officieren nog slechts enkele kilometers verwijderd van de TBMM was (Slag om Kütahya-Eskişehir), kreeg Mustafa Kemal naast zijn functie van parlementsvoorzitter ook die van opperbevelheber van het leger. Onder zijn leiding werden de Grieken, hoewel in de meerderheid en beter uitgerust, tijdens de Slag om Sakarya verdreven tot ver achter de Sakarya. Deze veldslag leverde Mustafa Kemal een promotie tot veldmaarschalk op. Na een jaar van voorbereidingen begon hij in 1922 de Slag om Dumlupınar, waarbij de Grieken zich terug moesten trekken tot aan İzmir. Nadat ze ook daar verslagen werden, waren ze genoodzaakt om per boot terug te keren naar Griekenland.

Op 11 oktober 1922 werd in de stad Mudanya een wapenstilstand gesloten. Hierna begonnen in november de vredesbesprekingen met de geallieerde landen in de stad Lausanne in Zwitserland. Mustafa Kemal stelde İsmet İnönü aan als leider van de Turkse delegatie bij de vredesbesprekingen. Op 23 juli 1923 werd het vredesverdrag van Lausanne overeengekomen, dat grotendeels de grenzen van de nieuwe staat Turkije vastlegde en de regering van Mustafa Kemal erkende als rechtmatige regering daarvan. Het vredesverdrag van Lausanne diende als vervanging van het vredesverdrag van Sèvres en werd door veel Turken als meer acceptabel gezien.

Turkse republiekBewerken

Vestiging van de republiekBewerken

 
Atatürk spreekt het volk toe in Bursa, 1924

Na het einde van de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog werd op 1 november 1922 het sultanaat officieel afgeschaft door de TBMM en Mustafa Kemal werd erkend als de nieuwe leider van Turkije. Sultan Mehmet VI werd verbannen naar Malta en werd opgevolgd door zijn neef Abdülmecit II, maar alleen in de functie van kalief, niet als sultan. Het was toen nog niet duidelijk wat voor staatsvorm Turkije zou krijgen. Het volk bleef de nieuwe kalief Abdülmecit II als het nieuwe staatshoofd zien. Mustafa Kemal wilde aan de onduidelijke situatie een eind maken. Nadat de Lausanne-onderhandelingen waren afgerond, werd door Mustafa Kemal op 29 oktober 1923 officieel de republiek uitgeroepen. Deze dag zou daarna ieder jaar door de Turkse regering herdacht worden en tot een officiële feestdag uitgeroepen worden.

Turkije werd een seculiere republiek met Mustafa Kemal als eerste president. Mustafa Kemal plaatste zijn vertrouwelingen in politiek gunstige posities, zodat hij verzekerd was van de goede uitvoer van zijn geplande hervormingen. Zo werd İsmet İnönü benoemd tot de eerste premier, Kâzım Özalp werd minister van Defensie en Fevzi Çakmak werd de stafchef van de Turkse strijdkrachten. Onder de leiding van Mustafa Kemal werd er een politieke partij opgericht, de CHP (Cumhuriyet Halk Partisi, Republikeinse Volkspartij) (1923-1938), waarvan hij benoemd werd tot partijvoorzitter. Hij zorgde voor een nieuwe grondwet voor Turkije. Ankara werd de nieuwe hoofdstad van Turkije, omdat dat centraler in het land gelegen was dan Istanboel en omdat het nieuwe Turkse parlement daar gevestigd was. De politieke ideeën die Mustafa Kemal in de loop van zijn presidentschap zou ontwikkelen, worden het Kemalisme genoemd. Het Kemalisme werd pas in 1931 gedefinieerd in het partijprogramma van de CHP. Op 5 februari 1937 werd het Kemalisme officieel opgenomen in de Turkse grondwet.

HervormingsbeleidBewerken

 
Toen in 1928 het latijnse schrift voor de Turkse taal ingevoerd zou worden, ging Atatürk met schoolbord en krijt het land in en gaf het volk enkele demonstraties van het nieuwe Turkse alfabet, 1928, Kayseri

Atatürk wilde van Turkije een modern land maken door verregaande sociale en politieke hervormingen in te voeren. Volgens Atatürk was de teloorgang van het Ottomaanse rijk veroorzaakt door de te grote invloed van de islamitische geestelijken op het rijk. Deze geestelijken wezen elke vernieuwing vanuit de westerse wereld af. Hoewel Atatürk niet tegen religie was, vond hij dat een staat ook zonder religie geregeerd kon worden. Hij wou definitief afrekenen met de Ottomaanse erfenis van zijn land. Omdat Atatürk moest breken met oude vastgeroeste traditionele opvattingen, liet hij zijn hervormingen op een radicale en dwingende manier uitvoeren.

Zijn grootste hervorming was de invoering van het secularisme in een strengere vorm genaamd laïcisme. Op 3 maart 1924 schafte hij het kalifaat af. Hierop werd ook de gewezen kalief Abdülmecit II, een neef van Mehmet VI, gedwongen Turkije te verlaten. Vanuit islamitische landen werd geprotesteerd tegen deze actie van Atatürk, waarna zij verschillende congressen organiseerden (Cairo 1926, Mekka 1926, Jeruzalem 1931) om een nieuw kalifaat te kiezen, maar zij kwamen niet tot een consensus. Dit is de reden dat de islamitische wereld geen centrale leiding meer kent. Tegelijk met het afschaffen van het kalifaat stichtte Atatürk de Diyanet, een presidium voor godsdienstzaken, die de functie van Sjeikh ul-Islam verving en als taak kreeg alle moskeeën en andere islamitische instellingen in het land te controleren. Op 8 april 1924 schafte hij de sharia-rechtbank af. Op 30 november 1925 liet Atatürk alle islamitische soefikloosters (tekke's) sluiten. Op 10 april 1928 liet Atatürk in de grondwet het artikel verwijderen, dat stelt dat de islam in Turkije de staatsgodsdienst is. In plaats daarvan werd in de grondwet opgenomen, dat Turkije een seculiere republiek is.

 
Atatürk bezoekt studenten in Adana, 19 november 1937. Atatürk bezocht vaak scholen tijdens zijn presidentschap.

In de begindagen van de Turkse republiek was het analfabetisme onder de bevolking van Turkije hoog. Atatürk wilde dit bestrijden, omdat een goed opgeleide bevolking mede zorgt voor de vooruitgang en modernisatie van een land. Op 3 maart 1924 sloot Atatürk de islamitische scholen (medrese's) en stelde de rest van de bestaande scholen onder toezicht van de staat. Voortaan werd seculier en wetenschappelijk onderwijs de norm. Atatürk riep ook de hulp in van de Amerikaanse pedagoog en filosoof John Dewey, die op uitnodiging van Atatürk naar Turkije kwam op 19 juli 1924. John Dewey bezocht in drie maanden verschillende Turkse scholen en praatte met verschillende leraren, waarna hij in een rapport zijn aanbevelingen deed.[10] Dit rapport werd door de Turkse regering als leidraad gebruikt voor het opzetten van een modern schoolsysteem in Turkije. Onder Atatürks leiding werden duizenden nieuwe scholen gebouwd, werd het basisonderwijs gratis en verplicht gemaakt voor zowel jongens als meisjes. Vanaf 1927 werd het gemengd onderwijs ingevoerd voor het basisonderwijs. Atatürks hervormingen op het gebied van onderwijs maakten het onderwijs veel toegankelijker. Tussen 1923 en 1938 steeg het aantal leerlingen op basisscholen met 224% van 342.000 tot 765.000. Het aantal leerlingen op middelbare scholen nam 12,5 keer toe van ongeveer 6.000 tot 74.000. Het aantal leerlingen op middelbare scholen werd bijna 17 keer zo groot van 1.200 naar 21.000.

In 1925 voerde Atatürk een kledingcode in voor een moderne, westers georiënteerde kledingwijze voor zowel mannen als vrouwen. De fez werd officieel afgeschaft en vervangen door westerse hoeden en petten. In 1926 werd het strafrecht overgenomen vanuit het Italiaanse strafrecht en werd het burgerlijk wetboek overgenomen vanuit het Zwitsers burgerlijk wetboek. Vanaf begin 1926 liet Atatürk de islamitische kalender vervangen door de gregoriaanse kalender en zondag werd de officiële rustdag in plaats van de vrijdag, de traditionele islamitische rustdag. Deze hervorming zorgde voor een betere aansluiting bij de werktijden in westerse landen.

 
Atatürk spreekt tot een burger in İzmir, 1931. Atatürk prefereerde persoonlijk contact te hebben met het volk om te weten wat er onder hen leefde.

Destijds werd de Turkse taal geschreven in Arabische letters. Maar het gebruik ervan voor de Turkse taal was onhandig. Atatürk wilde dit veranderen door over te stappen naar het Latijns alfabet. Hij stelde een taalcommissie samen van taalkundigen, die een nieuw Turkse alfabet creëerde met Latijnse letters. De Taalcommissie stelde een overgangsperiode van vijf jaar voor, maar Atatürk vond dit veel te lang en bracht het terug tot drie maanden. Op 1 november 1928 werd de wet aangenomen voor de adoptie en implementatie van het nieuwe Turkse alfabet, waarna op scholen het nieuwe alfabet geïntroduceerd werd. Voor volwassenen werden er zogenaamde volksscholen (Millet mektebleri) opgericht, waar ze het nieuwe alfabet konden leren. Dit voorzag dat heel Turkije binnen een aantal maanden volledig overstapte. Het culturele aspect van deze hervorming was enorm. Niet alleen was het Turks hierna makkelijker te leren, het zorgde ook voor betere aansluiting bij de Westerse wereld.

Op 12 april 1931 richtte Atatürk de Turkse Historische Vereniging (Türk Tarih Kurumu, TTK), die als taak had de Turkse geschiedenis nader te bestuderen. Op 12 juli 1932 richtte Atatürk de Turkse Taalvereniging (Türk Dil Kurumu, TDK) op, die als taak had de Turkse taal te reguleren. Een van de taken van de Turkse Taalvereniging was om de Turkse taal te ontdoen van Arabische en Perzische leenwoorden. De taalvereniging werd geleid door de Armeense taalkundige Agop Dilaçar, die door Atatürk persoonlijk voor deze functie was uitgenodigd. Atatürk kende hem van de Eerste Wereldoorlog, waar hij als soldaat onder Atatürk gediend had in het Syrisch front.

In 1934 werd de achternamen-wet ingevoerd. Iedereen in het land moest voortaan een familieachternaam hebben. Het Turkse parlement gaf hem de achternaam Atatürk, wat 'Vader der Turken' betekent, als erkenning voor de rol die hij speelde bij de totstandkoming van de moderne Turkse Republiek.[11] Hij maakte iedereen in het land tot Turks staatsburger en propageerde een sterk nationalisme als middel om onderlinge verbondenheid onder het volk te creëren. Bekend is zijn leus "Hoe gelukkig is degene, die zich Turk noemt" ("Ne mutlu Türküm diyene"). Deze leus sprak hij voor het eerst uit bij een beroemde speech op 29 oktober 1933 tijdens de tiende viering van het Turkse Republieksfeest (Cumhuriyet bayramı). Zijn regering voerde een beleid van turkicisatie om een homogene en verenigde natie te creëren.[12][13][14] Onder Atatürk werden niet-Turkse minderheden onder druk gezet om in het openbaar Turks te spreken,[15] niet-Turkse toponiemen en achternamen van minderheden moesten worden gewijzigd in Turkse namen.[16][17]

VrouwenrechtenBewerken

 
Atatürk luistert naar wat een gesluierde vrouw hem te zeggen heeft, 1930, Samsun

In de Ottomaanse periode was de positie van de vrouw ondergeschikt aan die van de man. Atatürk vond dat Turkije zich niet naar een moderne maatschappij kon ontwikkelen, als vrouwen niet op een gelijkwaardige manier konden participeren in de samenleving. Atatürk zei herhaaldelijk: "Onze meest dringende huidige taak is om de moderne wereld in te halen. We zullen de moderne wereld niet inhalen als we slechts de ene helft van de bevolking moderniseren." Atatürk wilde daarom een einde maken aan de achterstelling van de vrouw, hoewel deze vrouwenemancipatie voornamelijk van bovenaf door de staat opgelegd werd. Parallel aan deze ontwikkeling was er in de beginjaren van de republiek ook een vrouwenbeweging (Kadınlar Halk Fırkası) actief, die in 1923 was opgericht en die ijverde voor betere rechten voor vrouwen. Bekende vrouwen bij deze beweging waren Nezihe Muhiddin en Halide Edib Adıvar.

 
Achttien vrouwen werden gekozen in het Turkse parlement bij de verkiezingen van 1935.

Met de aanname van het Zwitsers burgerlijk wetboek in 1926 door het Turkse parlement kregen Turkse vrouwen gelijke burgerrechten in Turkije.[18] Deze gelijke rechten waren op het gebied van o.a. het erfrecht, het recht om te scheiden, het recht over voogdij van de eigen kinderen, het recht om te studeren, het recht op een eigen beroepskeuze en andere rechten. Het religieuze huwelijk werd niet erkend en vervangen door het burgerlijk huwelijk. De aanname van het nieuwe burgerlijk wetboek betekende automatisch de afschaffing van polygamie. Turkse mannen konden voorheen met maar liefst vier vrouwen tegelijk trouwen en naar believen van hen scheiden zonder juridische stappen te hoeven ondernemen. Op 3 april 1930 kregen vrouwen stemrecht bij lokale verkiezingen bij wet nr. 1580. Enkele jaren later, in 1934, kregen vrouwen volledig algemeen stemrecht. Dit was lang voor veel westerse landen dit ingevoerd hadden in hun land.[19] Het dragen van moderne westerse kleren werd voor vrouwen aangemoedigd. Het dragen van een hoofddoek werd nadrukkelijk afgeraden maar niet verboden. Atatürks vrouw Latife Uşşaki toonde hierbij het initiatief door demonstratief haar hoofddoek af te doen en die publiekelijk niet meer te dragen. Vrouwen werden aangemoedigd om in "mannenberoepen" te werken zoals in de rechten, geneeskunde en openbare diensten. Atatürk gaf zelf het voorbeeld door zijn geadopteerde dochters de kans te geven om te studeren. Atatürk presenteerde zijn adoptiedochters als rolmodellen voor de moderne Turkse vrouw. Overigens was er al een zeer klein aantal Turkse vrouwen actief in dit soort beroepen, maar die werden niet erkend of gewaardeerd, tot de aanpassing van de wet hier verandering in bracht. Voorbeelden van dergelijke vrouwen zijn Suat Berk (rechter), Süreyya Ağaoğlu (advocaat), Safiye Ali (arts), Remziye Hisar (chemicus) en Afife Jale (toneelactrice).

De twaalfde internationale vrouwenconferentie werd op 18 april 1935 in Istanboel gehouden, gepresideerd door de Egyptische nationalistische feminist Huda Sha'arawi. De conferentie koos Huda uit tot vice-president van de Internationale Vrouwenunie en beschouwde Atatürk als een rolmodel voor haar en zijn acties. Ze schreef in haar memoires:

"Na afloop van de conferentie in Istanboel kregen we een uitnodiging om de viering bij te wonen die werd gehouden door Mustafa Kemal Atatürk, de bevrijder van het moderne Turkije ... In de salon naast zijn kantoor stonden de uitgenodigde afgevaardigden in de vorm van een halve cirkel, en na enkele ogenblikken ging de deur open en kwam Atatürk binnen, omgeven door een aura van majesteit en grootsheid, en een gevoel van prestige overheerste. Eervol, toen ik aan de beurt was, sprak ik rechtstreeks met hem zonder vertaling, en de scène was uniek voor een oosterse moslimvrouw die opkwam voor de Internationale Vrouwenautoriteit. Hij hield een toespraak in de Turkse taal waarin hij bewondering en dankbaarheid uitdrukte voor de Egyptische vrouwen voor de bevrijdingsbeweging die hij leidde in Turkije, en ik zei: dit is het ideaal om Oh, de oudere zus van de islamitische landen, te verlaten, hij moedigde alle landen van het Oosten aan om te proberen de rechten van vrouwen te bevrijden en te eisen, en ik zei: al de Turken beschouwden je als de waardigheid van hun vader en ze noemden je Atatürk, ik zeg dat dit niet genoeg is, maar je bent voor ons "Atasjarq" [Vader van het Oosten]. De betekenis ervan kwam niet van een vrouwelijk delegatiehoofd en hij bedankte me heel erg voor de grote invloed, en toen smeekte ik hem om ons een foto te presenteren van zijne excellentie voor publicatie in het tijdschrift L'Égyptienne."[20]

EconomieBewerken

 
Atatürk en premier İsmet İnönü tijdens het bezoek aan de Nazilli katoenweeffabriek op 9 oktober 1937. Atatürk ondersteunde in toenemende mate grote door de overheid gesubsidieerde industriële complexen. Hij ondersteunde de ontwikkeling van de nationale landbouw-, textiel-,[21][22][23] machine-, vliegtuig-[24][25][26] en automobielindustrie.[27]

Bij het begin van de Turkse republiek was de economische situatie als volgt. Het land was nog herstellende van de oorlog. De economie van Turkije was voornamelijk gebaseerd op de landbouw, waarvan de productie door de oorlog hinder had opgelopen. De bestaande landbouw was primitief en de productie laag, omdat er een gebrek was aan mechanisch landbouwgereedschap, doordat er in Turkije bijna geen industrie bestond. De boeren bezaten zelf geen landbouwgrond. In plaats daarvan werkten ze voor de grootgrondbezitters, de zogenaamde agha's, die de meeste landbouwgronden bezaten. De weinige industrie met het bijbehorend spoorwegennetwerk was in de handen van buitenlanders. Turkije bezat geen olie- en gasvelden en een groot deel van de bevolking was analfabeet. Volgens het overeengekomen vredesverdrag van Lausanne moest Turkije de uitstaande schulden van het voormalig Ottomaanse rijk afbetalen. Verder had Turkije last van de capitulaties, die tijdens de Ottomaanse periode waren toegekend aan westerse landen en die volgens het Lausanne-verdrag nog tot 1929 geldig zouden blijven. De capitulaties gaven westerse landen gunstige handelsvoorrechten. Zo had Turkije niet het recht om invoerrechten te heffen op buitenlandse import, om zo de eigen producten te beschermen.

Al in februari 1923, toen de vredesonderhandelingen in Lausanne nog bezig waren, werd in de stad İzmir het eerste Turkse economiecongres gehouden, waarin werd besproken wat het economisch beleid voor de komende jaren zou worden. Bij de opening van dit congres hield Atatürk een toespraak met de boodschap dat er geen politieke onafhankelijkheid kan zijn zonder economische onafhankelijkheid en dat de strijd voor een waarlijk onafhankelijk Turkije nu pas echt begonnen was. Bij dit historisch belangrijke congres debatteerden meer dan 1100 afgevaardigden, bestaande uit boeren, handelaren, arbeiders en industriëlen, over economische vraagstukken. Een groot deel van het debat ging over de keuze tussen liberalisme of etatisme als het economisch beleid voor de Turkse republiek. Het congres riep op tot een protectie van de lokale industrie, maar keerde zich niet tegen buitenlandse investeringen zolang buitenlanders maar geen bevoordeelde positie hadden. De politieke leiding koos aldus voor een gemengde economie. Tot 1930 zou dit het economisch beleid van de Turkse regering worden. Het beleid was liberaal in de zin, dat het particuliere ondernemingen toeliet. Het beleid was niet liberaal in de zin dat de Turkse staat zich niet buiten de economie hield. De staat greep in waar het om grote investeringen ging. Grote investeringen door de staat waren nodig, omdat Turkije in die tijd een zwakke private sector had.

 
Atatürk aan het werk in zijn bosboerderij, Ankara, 14 juli 1929

Atatürk opteerde voor het omvormen van Turkije tot een modern industrieel land en begon met een programma tot industrialisatie, waarbij vele fabrieken door Atatürk werden geopend. Maar tegelijkertijd erkende Atatürk ook, dat het grootste deel van de Turkse economie uit de landbouw bestond. Niet voor niets noemde Atatürk de boer de meester van het volk ("Köylü milletin efendisidir"). Volgens Atatürk diende de staat daarom extra aandacht te schenken aan de boeren. In 1925 werden de boeren geholpen door de afschaffing van de Aşar (tiende penning), die vervangen werd door een landbelasting (arazi vergisi).[18] Er werden stukken landbouwgrond toegewezen aan boeren die geen land bezaten. Dit leidde echter wel tot verzet van de grootgrondbezitters. De Ziraatbank (Landbouwbank) verstrekte renteloze leningen aan de boeren. Er werden landbouwscholen en instituten opgericht, waar er opleidingen werden aangeboden aan de boeren. Er werden maatregelen genomen om de producten van de boeren te beschermen. Boeren werden aangemoedigd om zich te verenigen in coöperaties. Vanaf 1925 stichtte Atatürk verschillende modelboerderijen in het land, met als doel als voorbeeld te dienen voor de boeren. De belangrijkste hiervan is de Bosboerderij (Orman Çiftliği, de naam is Atatürk Orman Çiftliği sinds 1950) gelegen nabij Ankara, die door Atatürk zelf werd onderhouden. Hier experimenteerde hij met het modernste landbouwgereedschap en de nieuwste landbouwtechnieken van die tijd. De genomen maatregelen in de landbouw hadden direct invloed. In de jaren 1923-1926 verbeterde de landbouw met een spectaculaire groei van 90%. In de jaren 1927-1928 werd de landbouw echter getroffen door een droogte en was de groei in de periode 1927-1930 nog maar 11%.

 
Atatürk samen met Celal Bayar in de trein. Atatürk maakte veel gebruik van de trein om door het land te reizen, 12 november 1937

De belangrijkste investering van de Turkse staat was het spoorwegennetwerk. Een goed spoorwegennetwerk was zeer belangrijk om logistieke ondersteuning te verlenen aan het industriële goederenvervoer en het zorgde bovendien voor een uitbreiding van het personenvervoer. Het reeds bestaande spoor voldeed hier niet in voldoende mate aan, doordat het niet uitgebreid genoeg was en alleen het westen van het land bediende. Het bestaande spoorwegennetwerk was grotendeels in handen van buitenlandse firma's. De Turkse staat maakte grote investeringen om het spoor uit te breiden voor goederen- en personenvervoer. De bouw van het spoorwegennetwerk begon al in 1923. In 1929 was 800 kilometer spoor aangelegd en in 1930 was er 5400 kilometer spoor aangelegd. In 1927 werd de Turkse Staatsspoorwegen opgericht om het beheer van het spoor over te nemen van de buitenlandse firma's. Buitenlandse aandeelhouders van het spoor werden door de staat uitgekocht. Uiteindelijk zou het hele spoorwegennetwerk door de staat worden gekocht. In 1925 werd een andere zeer belangrijke tak in buitenlandse handen, het tabaksmonopolie uitgekocht in Turkije. Het werd omgezet in een staatsmonopolie, waarin later andere sectoren zoals alcohol, suiker, lucifers en explosieven werden opgenomen. Deze monopolies werden vervolgens gedeeltelijk verpacht aan particuliere ondernemingen.

Atatürk wilde ook de financiële infrastructuur verbeteren. Eerst werd Ziraatbank (Landbouwbank) gereorganiseerd. De afdelingen van de bank in Izmir en in Istanbul werden samengevoegd met die in Ankara. De grootste bank van Turkije was in die tijd de Ottomaanse bank, die als staatsbank diende, maar in handen was van Britse en Franse aandeelhouders. Atatürk wilde een einde maken aan deze buitenlandse invloed. Hij erkende dat Turkije behoefte had aan een eigen nationale bank. Hiertoe vestigde hij op 26 augustus 1924 de Türkiye İş Bankası (Zakenbank) en de Türkiye Sanayi ve Maadin Bankası (Industrie en mijnenbank). Hij benoemde Celal Bayar tot directeur van de Türkiye İş Bankası. Om deze bank draaiende te houden nam Atatürk zelf een aanzienlijk aandeel in de bank van 250.000 Turkse lira's. Dit geld was afkomstig van de donaties die de Indiase Moslimliga had gedaan ter steun aan de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog. In 1927 verhoogde de Türkiye İş Bankası zijn kapitaal door te fuseren met de İtibar-ı Milli Bankası (Nationale Kredietbank), die tijdens de Eerste Wereldoorlog opgericht was door het voormalige Comité voor Eenheid en Vooruitgang. In 1926 werden de voorbereidingen getroffen voor de oprichting van een centrale bank, genaamd de Merkez bank, die de rol van staatsbank kon overnemen van de Ottomaanse bank. De Merkez bank begon uiteindelijk op 3 oktober 1931 te functioneren.

 
Atatürk en Cevat Abbas Gürer met zijn dochter Sevda kijken naar de vliegshow bij de opening van de vliegopleiding Türkkuşu op de luchthaven Etimesgut, 3 mei 1935

Atatürk ondersteunde de vestiging van een automobielindustrie. In 1923 werd de Turkse Automobiel Associatie opgericht. In 1925 werd het tabaksmonopolie door de staat uitgekocht van buitenlanders. Dit werd een staatsmonopolie, waaraan later andere sectoren werden toegevoegd zoals alcohol, suiker, lucifers en explosieven. Veel havens werden beheerd door buitenlanders. De havens werden genationaliseerd in 1926 en als resultaat begon zich de Turkse scheepvaart te ontwikkelen. Op 16 februari 1925 richtte Atatürk de Turkse luchtvaartvereniging (Türk Hava Kurumu) op. Atatürk benoemde zijn adjudant Cevat Abbas Gürer tot directeur van de Turkse luchtvaartvereniging. Bovendien werd er in 1926 een vliegtuigfabriek gevestigd in de stad Kayseri, wat het begin betekende van de Turkse vliegtuigindustrie. In 1933 werd Turkish Airlines opgericht. Op 3 mei 1935 werd een vliegopleiding in het leven geroepen, genaamd Türkkuşu. Volgens Atatürk zouden vliegtuigen een steeds belangrijkere rol spelen in de wereld en zou Turkije achterlopen als het niet meedeed in de vliegtuigindustrie. Een bekende uitspraak van Atatürk hierover was: "De toekomst ligt in de lucht" ("İstikbal göklerdedir").

In 1930 barstte een wereldwijde economische crisis uit, bekend als de Grote Depressie. De economische crisis trof ook Turkije en vernietigde de markt voor de Turkse landbouw. In die tijd bestond er nog geen systeem van voorraadbeheersing en prijsregulatie, dus werden de boeren extra hard geraakt door de crisis. Het enige pluspunt voor Turkije was dat de capitulaties een jaar eerder definitief afgeschaft waren. Om de economische problemen op te lossen nam de Turkse regering de beslissing om een beleid van uitsluitend economisch etatisme oftewel staatsinterventie te voeren (Devletçilik). Men geloofde dat dat beleid de Turkse economie uit het slop zou trekken, waarbij de staat zich vooral op de industrie zou richten. Als voorbeeld nam men de Sovjet-Unie, wier economie weinig door de wereldwijde economische crisis aangetast was door haar plangeleide economische beleid. Binnen de Turkse leiding streden twee stromingen met elkaar. De ene geleid door premier İsmet İnönü zag het etatisme als een betere permanente oplossing voor de economie. De andere geleid door Celal Bayar, directeur van de Türkiye İş Bankası, zag het etatisme als een tijdelijk noodzakelijke oplossing, totdat de Turkse economie rijp genoeg was om over te gaan op een vrije markteconomie. De frictie tussen beide groepen werd verergerd doordat er nu eenmaal weinig investeringsmogelijkheden waren. Het conflict werd opgelost toen Atatürk in 1932 Celal Bayar benoemde tot minister van Economische Zaken, waardoor de coördinatie van het economisch beleid verzekerd was. In 1937 kreeg Atatürk ruzie met İsmet İnönü over het te voeren beleid. Als gevolg hiervan liet hij hem als premier vervangen door Celal Bayar op 25 oktober 1937. Onder Celal Bayar werd een meer liberale koers gevoerd voor de economie.

Atatürk leende in 1933 geld van de Sovjet-Unie ter waarde van 8 miljoen Turkse lira's. Met het geleende geld werden er door de overheid gesubsidieerde holdings opgericht om de industrie te stimuleren, zoals Sümerbank voor de industrie en Etibank voor de mijnbouw. Hoewel niet socialistisch raakte de economie Turkije wel beïnvloed door de Sovjet-Unie. Een Russische delegatie bezocht Turkije in 1933 om de Turkse regering economisch advies te geven. Zij stelde voor een vijfjarenplan op te stellen en zich te concentreren op de sectoren textiel, ijzer, papier, cement en chemicaliën. Turkije volgde dit advies op en stelde het eerste vijfjarenplan op voor de jaren 1934-1938. Het vijfjarenplan bleek succesvol en vanaf de tweede helft van de jaren 30 wist Turkije zich uit de economische crisis te trekken. Na de dood van Atatürk en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 zou het weer slechter gaan met de Turkse economie, ondanks dat Turkije neutraal bleef in de Tweede Wereldoorlog.

Buitenlandse relatiesBewerken

In het buitenlands beleid hanteerde Atatürk zijn motto: "Vrede in het land, vrede in de wereld" ("Yurtta sulh, cihanda sulh").[28] Deelname aan oorlogen hadden het land alleen maar ellende gebracht en Atatürk wilde dit niet meer. Daarom ging hij geen militaire operaties aan in het buitenland, maar concentreerde zich allereerst op het moderniseren van Turkije. Buitenlandse issues zouden worden opgelost door vreedzame methoden tijdens zijn presidentschap. Ditzelfde beleid zou worden voortgezet door zijn opvolger İsmet İnönü en dit zou leiden tot het niet deelnemen van Turkije aan de Tweede Wereldoorlog.

 
Bezoek van de Griekse premier Eleftherios Venizelos aan Ankara op 29 oktober 1930. Voorste rij: Eleftherios Venizelos tweede van links, Atatürk vierde van links, Kâzım Özalp zesde van links, Afet İnan eerste van links

Apart van het vredesverdrag van Lausanne werd er tussen Atatürk en de Griekse premier Eleftherios Venizelos afgesproken, dat er een bevolkingsuitwisseling tussen Turkije en Griekenland zou plaatsvinden. Hiervan werden uitgezonderd de in Istanbul wonende Grieken en de in het Griekse deel van Thracië wonende Turken. Deze overeenkomst trad op 1 mei 1923 in werking. In totaal werden zo'n twee miljoen mensen gedwongen te verhuizen, ongeveer 1,5 miljoen Grieken en 0,5 miljoen Turken. Beide landen kregen toen in korte tijd te maken met een grote instroom van immigranten, waarvan de opvang niet altijd even gemakkelijk was. Immigranten aan beide zijden waren hier zeer ontevreden over. Desondanks waren zowel Atatürk als Venizelos vastbesloten om de Grieks-Turkse relaties te verbeteren. In de jaren daarna werkten ze samen aan de verdere normalisatie van de relaties tussen hun landen. Dit leidde tot het ondertekenen van het vriendschapsverdrag tussen Griekenland en Turkije op 30 oktober 1930.

Na het vredesverdrag van Lausanne ontstond er een territoriaal geschil tussen Turkije en Engeland over de regio Mosoel. Volgens Turkije had Engeland dit gebied op een illegale wijze verkregen, omdat Engeland het gebied veroverde drie dagen na de wapenstilstand van Mudros. Mosoel was erg gewild door beide landen, omdat het vermoeden bestond, dat er olie in de grond zat. Engeland probeerde van alles om zijn belang in de regio te behouden. Zo trachtte Lord Curzon, de minister van Buitenlandse Zaken van Engeland, Turkije voor te houden, dat het bestaan van olie in Mosoel niet meer dan hypothetisch was. Het conflict werd voorgelegd aan de Volkenbond, waarna die in 1925 het gebied aan het Brits mandaatgebied Irak toewees. Atatürk overtuigde het Turks parlement ervan, dat het accepteren van het besluit van de Volkenbond niet betekende dat Turkije Mosul moest opgeven, maar eerder kon wachten op een betere tijd waarin Turkije sterker zou zijn. Op 5 juni 1926 ondertekende Atatürk samen met Engeland en Irak het verdrag van Ankara, waarbij Turkije formeel afstand deed van Mosoel in ruil voor 10 procent van de olieopbrengsten voor vier jaar en een financiële compensatie van 700.000 Engelse ponden door Engeland. Na de ondertekening van het verdrag begonnen de betrekkingen tussen Turkije en Irak geleidelijk te verbeteren. Koning Faisal en zijn ministers brachten in juli 1931 een staatsbezoek aan Turkije en begin 1932 werden de Turks-Iraakse verdragen van residentie, handel en uitlevering ondertekend.

 
Balkantop in maart 1938 in Ankara. Van links af: Atatürk, Milan Stojadinović van Joegoslavië, Ioannis Metaxas van Griekenland, Nicolae Petrescu-Comnen van Roemenië.

Om de Turkse economie te verbeteren deed Atatürk in de tweede helft van de jaren '20 een oproep aan de Balkanlanden voor economische samenwerking met Turkije. De Balkanlanden hadden echter toen geen interesse om samen te werken met hun voormalige vijand. Het aan de macht komen van de fascisten in Italië onder leiding van Benito Mussolini verontrustte Atatürk, met name de expansionistische ambities van Mussolini richting de Balkan, de Middellandse Zee en Turkije. Italië was na de Italiaans-Turkse Oorlog in het bezit gekomen van de Dodekanesos eilanden, gelegen vlak voor de zuidwestkust van Turkije. Mussolini liet geregeld aan de Turkse regering horen dat Italië nog steeds de zuidwestkust van Turkije wilde, zoals overeengekomen was in het verdrag van Sèvres. Turkije had dit verdrag echter nooit geratificeerd. Om tegenwicht te bieden aan Mussolini deed Atatürk wederom een voorstel aan de Balkanlanden om tot een samenwerkingsovereenkomst te komen. Ditmaal hadden de Balkanlanden geen andere keus, want ook zij voelden de dreiging van Italië alsook van Duitsland, waar Adolf Hitler in 1933 aan de macht was gekomen. Na diplomatiek overleg werd op 9 februari 1934 het Balkan-pact gesloten, ondertekend door Griekenland, Joegoslavië, Roemenië en Turkije. In het Balkan-pact werd afgesproken de geopolitieke status quo in de Balkan te handhaven en af te zien van territoriale claims tussen de Balkanlanden, om zodoende zorg te dragen voor de vrede en stabiliteit in de regio. Atatürks inspanningen om de vrede te bewaren in de Balkan maakten dusdanig veel indruk op Eleftherios Venizelos, dat hij in 1934 Atatürk nomineerde voor de Nobelprijs voor de Vrede.[29] Na Atatürks dood hield het Balkan-pact echter niet lang stand. Toen de asmogendheden in 1941 Joegoslavië binnenvielen, kwam geen van de landen van het Balkan-pact Joegoslavië te hulp. Dit betekende automatisch het einde van het pact.

 
Bezoek van de Russische militaire leider Kliment Vorosjilov aan Ankara op 29 oktober 1933 tijdens het Turkse Feest van de Republiek

De relaties tussen Turkije en de pas opgerichte Sovjet-Unie, waar de communisten de macht overgenomen hadden van de Russische tsaar, waren tijdens Atatürks presidentschap goed te noemen. Russische communisten hadden tijdens de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog Atatürk met wapens en goud ondersteund. Nog voor Turkije en de Sovjet-Unie waren gevestigd, was al een vriendschapsverdrag op 16 maart 1921 ondertekend door Vladimir Lenin en Atatürk. De betrekkingen tussen de twee landen waren vriendschappelijk, maar waren gebaseerd op het feit dat ze gemeenschappelijke vijanden hadden: Groot-Brittannië en Frankrijk. De Sovjet-Unie zag Turkije onder Atatürk als een potentieel land dat over zou kunnen gaan op het communisme. Atatürk speelde daar wel op in om de Sovjet-Unie gunstig te stemmen, maar in werkelijkheid was Atatürk niet van plan om het communisme in te voeren. In 1929 nam Turkije de verbannen Sovjet-politicus Leon Trotski over van de Sovjet-Unie. Turkije plaatste hem op het eiland Büyükada in de zee van Marmara, waar hij van april 1929 tot juli 1933 zou verblijven.

De relaties met Engeland en Frankrijk waren sinds de stichting van de Turkse republiek slecht, omdat die landen in de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog de vijand waren geweest. Vanaf de tweede helft van de jaren '30 begon de relatie met deze landen echter zienderogen te verbeteren. De reden hiervoor was de opkomst van nazi-Duitsland en het fascistische Italië. Dit dreef ongewild Turkije, Engeland en Frankrijk naar elkaar, tot ongenoegen van de Sovjet-Unie. Sinds het vredesverdrag van Sèvres van 1921 waren de zeestraten Bosporus en Dardanellen aan beide oevers gedemilitariseerd en tot internationaal territorium verklaard. De situatie daar was na het verdrag van Lausanne van 1923 niet veel anders. De zeestraten stonden onder toezicht van een internationale commissie, waarin alle grote mogendheden waren vertegenwoordigd, evenals Griekenland en de landen van de Zwarte Zee, maar niet Turkije zelf. Turkije kreeg pas een vertegenwoordiger in de commissie toen het in 1932 tot de Volkenbond werd toegelaten. In april 1936 vroeg de Turkse regering om teruggave van de zeestraten. Gezien de oplopende spanningen met Duitsland en Italië werd dit verzoek toegewezen door Engeland en Frankrijk, om zo te bewerkstelligen dat Turkije niet voor de kant van Duitsland zou kiezen. In het daarop gesloten verdrag van Montreux van 20 juli 1936 werd bepaald dat Turkije de soevereiniteit over het gebied terugkreeg in ruil voor een gegarandeerde vrije doorvaart. Als gevolg van de verbeterde relaties bracht Edward VIII van het Verenigd Koninkrijk in 1936 een bezoek aan Turkije.

 
Bezoek van Amanoellah Khan op 21 mei 1928, Ankara. Van links naar rechts: Soraya Tarzi, Atatürk, Amanoellah Khan, İsmet İnönü

Afghanistan, dat in 1919 onafhankelijk werd onder leiding van Amanoellah Khan, had tijdens de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog financiële en militaire hulp verleend aan Turkije. Daarom ging Turkije na de oorlog vriendschappelijke betrekkingen aan met Afghanistan. Op 1 maart 1921 hielden Turkse en Afghaanse delegaties besprekingen in Moskou, waarna een alliantie-overeenkomst werd ondertekend tussen beide landen. In 1928 bracht Amanoellah Khan van Afghanistan een bezoek aan Turkije. Amanoellah Khan had, net als Atatürk, moderniseringshervormingen doorgevoerd op het gebied van onderwijs en vrouwenrechten in Afghanistan. Khan zou echter kort na zijn terugkeer in Afghanistan afgezet worden door conservatieve moslims, die zijn hervormingen zouden afschaffen.

 
Bezoek van Reza Sjah in juni 1934

Een ander land waarmee Turkije betrekkingen aanging was Iran. Daar was sjah Reza Pahlavi in 1921 aan de macht gekomen, die net als Atatürk ernaar streefde zijn land te moderniseren en seculier te maken. Op uitnodiging van Atatürk kwam de sjah in juni 1934 naar Turkije voor een officieel staatsbezoek. Tijdens hun ontmoeting sprak de sjah in het Azerbeidzjaans en Atatürk in het Turks, waardoor ze elkaar konden verstaan. Atatürk maakte met sjah Reza een reis naar İzmir en vandaar via Balıkesir naar Çanakkale en dan weer terug naar Ankara. In feite was de sjah van plan om van Iran een republiek te maken, net als Atatürk gedaan had in Turkije, maar hij gaf zijn idee op toen hij werd geconfronteerd met tegenstand van de Britten en de islamitische geestelijkheid in zijn land. Reza's erfenis van modernisering zou zich in Iran echter niet voortzetten. In 1979 zou de macht in Iran worden overgenomen door islamitische fundamentalisten, die de hervormingen teniet zouden doen.

Op 8 juli 1937 werd het Sadabad-pact gesloten tussen Turkije, Irak, Iran en Afghanistan. Dit was een niet-aanvalsverdrag en was een soortgelijk pact als het Balkan-pact met de Balkanlanden. Behalve de Balkanlanden had Mussolini namelijk ook expansionistische ambities in de richting van het Midden-Oosten, waardoor landen in het Midden-Oosten zich bedreigd voelden. De onmiddellijke uitkomst van het verdrag was dat het Mussolini ervan weerhield zich met het Midden-Oosten te bemoeien.

Syrië was sinds de afsplitsing van het Ottomaanse rijk na de Eerste Wereldoorlog een maandaatgebied van Frankrijk geworden, bekend als Frans Mandaat Syrië. Omdat er veel Turken in een deelgebied van Syrië, genaamd sandjak Alexandretta, woonden, hadden de Turken daar een speciale status gekregen om hen tegemoet te komen. Toen de nieuw gekozen leiding van sandjak Alexandretta in 1936 naar een onafhankelijk Syrië begon te streven met aansluiting van sandjak Alexandretta, leidde dit tot protest van de daar wonende Turken, waarbij rellen uitbraken tussen de Turkse en de Arabische bevolking. Atatürk legde dit conflict voor aan de Volkenbond met het verzoek dit gebied toe te voegen bij Turkije, wegens de grote Turkse bevolking in het gebied. Namens de Volkenbond stelden de vertegenwoordigers van Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Nederland, België en Turkije een grondwet voor sandjak Alexandretta op, die het als een autonome sandjak binnen Syrië vestigde. Ondanks enig etnisch geweld werden er in 1938 verkiezingen gehouden door de plaatselijke wetgevende vergadering en werd de republiek Hatay uitgeroepen, die zich een jaar later bij Turkije aansloot.[30]

Pogingen tot invoering van de democratieBewerken

Tijdens de beginperiode van de republiek regeerde de CHP het land grotendeels als eenpartijstaat. Maar het was vanaf begin af aan Atatürks bedoeling om na de moderniseringshervormingen een volwaardige democratie in te voeren. Atatürk heeft twee keer een poging gedaan om de democratie in Turkije in te voeren. Beide pogingen mislukten echter.

 
Grondleggers van de Progressieve Republikeinse Partij, circa 1924, station Haydarpaşa. Van links naar rechts: Adnan Adıvar, Ali Fuat Cebesoy, Kâzım Karabekir, Rauf Orbay, Refet Bele

De eerste poging tot een zekere vorm van democratie was al in de beginperiode van de kersverse Turkse republiek. Na de seculaire hervormingen en de afschaffing van het kalifaat in Turkije, waren niet alle leden van Atatürks partij tevreden over deze veranderingen. Sommigen hadden met name bezwaar tegen de seculiere hervormingen. Atatürk stond toe dat deze leden een eigen partij begonnen. Zij richtten op 17 november 1924 de Progressieve Republikeinse Partij (Terakkiperver Cumhuriyet Fırkası; TCF) op met als grondleggers Kâzım Karabekir, Adnan Adıvar, Ali Fuat Cebesoy, Rauf Orbay en Refet Bele. Veel van de kopstukken van de partij hadden als generaals meegevochten in de Turkse onafhankelijkheidsoorlog. De partij was voor een liberale economie, maar al gauw werd de partij ervan beschuldigd een islamitische agenda te voeren. Atatürk liet de partij definitief opheffen op 5 juni 1925.

Een jaar later in juni 1926 werd er een poging tot een moordaanslag op Atatürk ontdekt in de stad İzmir en voorkomen. Na onderzoek bleek het te gaan om een kleine bende huurmoordenaars onder leiding van voormalig parlementslid Ziya Hurşit. Voormalige leden van het Progressieve Republikeinse Partij en voormalige leden van de Comité voor Eenheid en Vooruitgang werden ervan verdacht de opdracht tot de moordpoging te hebben gegeven en mee te hebben geholpen bij de organisatie ervan. Atatürk reageerde furieus en liet veel partijleden oppakken. Hiervan ontsnapten alleen Rauf Orbay en Adnan Adıvar, omdat die al naar het buitenland waren vertrokken. Ook de feministische schrijfster Halide Edib Adıvar, de vrouw van Adnan Adıvar, vertrok toen samen met haar man naar het buitenland. Een rechtszaak volgde door een Turks onafhankelijkstribunaal, eerst gehouden in İzmir en later in Ankara, waarna een aantal leden van de partij de doodstraf kreeg. Critici beschuldigden Atatürk ervan de zaak te gebruiken om zijn tegenstanders uit de weg te ruimen. Enkele prominente leden van de Progressieve Republikeinse Partij werden onder druk van de publieke opinie en van tekenen van onrust in het leger weer vrijgelaten, waaronder Kâzım Karabekir, Ali Fuat Cebesoy, Refet Bele en Cafer Tayyar Eğilmez. Politiek was hun rol echter uitgespeeld. Rauf Orbay en Adnan Adıvar zouden pas na de dood van Atatürk weer terug durven te keren naar Turkije.

 
Atatürk houdt een toespraak, de Nutuk, in het parlement op 15 oktober 1927. Boven hem staat İsmet İnönü. Bovenin staat de tekst: "Soevereiniteit behoort toe aan het volk"

Van 15 tot 20 oktober 1927 op het tweede congres van de CHP las Atatürk een belangrijke toespraak voor, genaamd de Nutuk. De toespraak behandelde de samenvatting van de gebeurtenissen tussen het begin van de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog op 19 mei 1919 en de oprichting van de Republiek Turkije in 1923. De toespraak is een belangrijke bron voor de studie van het kemalisme. Het duurde zesendertig uur (over een periode van zes dagen) om door Atatürk te worden gelezen. Ongeveer twee derde van deze toespraak bestond uit zware kritiek op de volgende personen: Kâzım Karabekir, Rauf Orbay, Refet Bele, Mersinli Cemal pasja, Nureddin pasja, Kara Vasıf bey, Zeki bey, Celaleddin Arif bey, Cafer Tayyar pasja, Ali Ihsan pasja, Bekir Sami bey, Rıza Nur bey, Edhem bey en zijn broers, Selahaddin bey, Hussein Avni bey, Ali Rıza pasja, Şerif pasja, Ahmet Izzet pasja en Çürüksulu Mahmud pasja. Atatürk liet hun aandeel in de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog voortaan weg uit de Turkse geschiedenisboeken. Vanaf dat moment werd er in geschiedenislessen op Turkse scholen net gedaan, alsof Atatürk geheel eigenhandig het Turkse verzet georganiseerd en geleid had in de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog.

 
Okyars dochter Nermin Kırdar, Atatürk en Ali Fethi Okyar op 18 augustus 1930 in Atatürks zomerhuis in Yalova. Hier ontstond het idee voor de oprichting van de Vrije Republikeinse Partij ter bevordering van de democratie.

In 1930 werd er vanuit het parlement (TBMM) een beroep gedaan op Atatürk om de democratie opnieuw in te voeren. Op 11 augustus 1930 besloot Atatürk om nog een keer te proberen een multipartijenstelsel in te voeren. Hij vroeg aan Ali Fethi Okyar, die net als ambassadeur van Parijs teruggekeerd was naar Turkije, om een nieuwe partij samen te stellen, waarbij Atatürk erop stond dat de nieuwe partij de republikeinse en seculiere principes zou respecteren. Ali Fethi Okyar stond erop, dat hij alle vrijheid zou krijgen. Ali Fethi Okyar richtte de Vrije Republikeinse Partij (Serbest Cumhuriyet Firkasi; SCF) op en werd de voorzitter van de nieuwe partij. De partij streefde naar een vrije markteconomie, buitenlandse investeringen, vrijheid van meningsuiting en directe verkiezingen (Turkije had toen nog steeds het systeem van getrapte verkiezingen). Om aan te geven dat hij het serieus meende, gaf Atatürk zelfs de opdracht aan een aantal van zijn vertrouwelingen om lid te worden van de partij, onder wie zijn vriend Nuri Conker en zijn zus Makbule.

De Vrije Republikeinse Partij werd spoedig een groot succes en verkreeg een grote aanhang, maar werd al snel het oppositiecentrum tegen Atatürks hervormingen, in het bijzonder tegen de rol van religie in het publieke leven. Toen Okyar in september 1930 de stad İzmir bezocht, ontstonden er rellen met de politie en de partijaanhang, waarbij de politie op de menigte schoot. In oktober 1930 waren er plaatselijke verkiezingen en de SCF slaagde erin 30 van de 502 gemeenteraden te winnen. Hoewel het een klein aantal zetels betrof, alarmeerde dit de regeringspartij CHP, die verbaasd en geschrokken reageerde op de verkiezingswinst van de SCF. In een parlementair debat beschuldigde Okyar de CHP van grootschalige verkiezingsfraude. Atatürk deelde Okyar daarna vertrouwelijk mee, dat hij in deze omstandigheden niet langer onpartijdig kon blijven en dwong Okyar zijn partij de SCF te ontbinden. Dit gebeurde op 16 november 1930. Okyar beschuldigde toen Atatürk ervan zich niet aan zijn belofte te hebben gehouden. De vriendschap tussen Okyar en Atatürk leed hier ernstig onder.

Een maand later op 23 december 1930 vond er een incident plaats in het plaatsje Menemen, nabij Izmir. Een groep jonge derwisjen, aangevoerd door een zekere Mehmet, riep op tot de herinvoering van de sharia en het kalifaat. Er ontstonden rellen tussen hen de gendarmerie, waarbij Mehmet en het hoofd van de gendarmerie Mustafa Fehmi Kubilay werden vermoord. Hierna werden 2000 arrestaties verricht, die veel voormalige SCF-leden betroffen, waarna 28 mensen werden terechtgesteld. Het incident in Menemen werd door de CHP beschouwd als serieuze bedreiging voor de seculiere hervormingen.

De gebeurtenissen kwamen op Atatürk over als een ontnuchterende ervaring. Atatürk achtte het experiment met de democratie daarom mislukt en hij vond dat de tijd nog niet rijp was voor de invoering van de democratie en stelde deze uit voor een latere periode. Om meer grip te krijgen over de situatie werden in 1931 alle oppositiepartijen verboden. Officieel was er toen een eenpartijstaat aan de macht in Turkije, wat in feite neerkwam op een dictatuur. Volgens Atatürk waren deze maatregelen nodig, wegens de politieke instabiliteit en de armoede in het land. De democratie zou pas na Atatürks dood definitief ingevoerd worden. Atatürks opvolger İsmet İnönü zou de democratie in 1945 invoeren.

KritiekBewerken

 
Een Britse cartoon van 1923 die de heerschappij van Atatürk in Turkije hekelde

Als leider van de nationale beweging 1919-1923 werd Atatürk door de geallieerden beschreven als "overvaller". De Britse eerste minister Lord Balfour (1848 - 1930) noemde hem in dit verband de "verschrikkelijkste van alle verschrikkelijke Turken" (most terrible of all the terrible Turks).[31] De Britse officier Harold Courtenay Armstrong (1892-1943), die tijdens de geallieerde bezetting van Istanboel diende als militair attaché-assistent, publiceerde in 1932 een uiterst kritisch boek over Atatürk met de titel Grey Wolf: Mustafa Kemal – An Intimate Study of a Dictator.[32] De nationaal bekende Istanboelse journalist Ali Kemal (1869 - 1922) had ook veel kritiek op hem. Ali Kemal diende ook als minister van Binnenlandse Zaken in de regering van Damat Ferit Pasja tijdens de geallieerde bezetting van Istanboel. Voor zijn te grote Britsgezindheid zou Ali Kemal uiteindelijk vermoord worden door leden van de nationale beweging van Atatürk tijdens de inname van Istanboel.

Dat Atatürk Turkije veranderde in een seculiere staat leidde behalve tot instemming ook tot kritische geluiden. Zo was de conservatieve islamitische geestelijkheid het helemaal niet eens met de afschaffing van het kalifaat en de scheiding tussen religie en staat. Ook een aantal leden van het TBMM (Turks parlement) waren het hiermee niet eens. Atatürks 'wereldse', op het Westen stoelende, leefwijze oogstte eveneens kritiek. Hij was een liefhebber van wijn, raki en andere alcoholische dranken, hetgeen volgens velen niet in overeenstemming met de islam was. Sommige islamisten beweerden dat hij in werkelijkheid een Dönme was, in een poging om hem in diskrediet te brengen. Deze tweedeling tussen de seculieren en de islamisten, die in feite al in de Jong-Turkse periode ontstond, zou later voor spanningen blijven zorgen in de Turkse politiek.

Hij wordt ook bekritiseerd vanwege zijn autoritarisme.[33][34] Ook het uitgesproken Turkse nationalisme dat hij – evenals de nationaal-liberale Jonge Turken – voorstond en waarvan niet-Turkse bevolkingsgroepen in Klein-Azië en Anatolië zoals Grieken, Koerden, Assyriërs, Arameeërs en Armeniërs het slachtoffer werden, werd hem niet door iedereen in dank afgenomen. Vele minderheden zijn als gevolg van zijn nationalistische ideologie onderdrukt. Dit Turks nationalisme en het streven naar een homogene culturele staat Turkije – zoals door Atatürk voorgestaan – zou ook na zijn regering slepende conflicten veroorzaken.[35][36][37][38] De Koerden moesten assimileren; ze werden "bergturken" genoemd;[39] aan hen werd verboden het Koerdisch te spreken; en ze mochten zichzelf niet Koerdisch noemen.[40][41] In het Verdrag van Lausanne werden de Armeniërs, Grieken, Joden en later ook Bulgaren erkend als etnische minderheden in Turkije, echter zowel de Arameeërs als de Koerden werden niet erkend en niet beschouwd als Turken. De niet-erkende minderheden moesten op bevel van Atatürk verplicht een Turkse achternaam aannemen.[42]

OverlijdenBewerken

 
Begrafenisstoet van Atatürk, 21 november 1938, Ankara

In 1937 waren er al aanwijzingen dat de gezondheid van Atatürk verslechterde. Begin 1938 werd hij ziek tijdens zijn reis naar Yalova. Na een korte behandelingsperiode in Yalova werd een duidelijke verbetering van zijn gezondheid waargenomen, waarna hij zijn reis hervatte. Maar zijn toestand verslechterde opnieuw na zijn reis eerst naar Ankara en vervolgens naar Mersin en Adana. Bij zijn terugkeer naar Ankara in mei werd hem aangeraden om naar Istanbul te gaan voor behandeling, waar hij werd gediagnosticeerd met levercirrose, die te wijten was aan zijn jarenlange alcoholgebruik. Tijdens zijn verblijf in Istanbul deed hij zijn best om zijn normale levensstijl aan te houden. Hij leidde de vergadering van de Raad van Ministers, werkte aan de Hatay-kwestie en ontving koning Carol II van Roemenië tijdens zijn bezoek in juni. Daarna bleef hij aan boord van zijn jacht, genaamd de Savarona, tot eind juli, waarna zijn gezondheid wederom verslechterde.

Atatürk werd bedlegerig, waarna een speciale kamer met bed voor hem werd gereserveerd in het Dolmabahçepaleis te Istanboel. Destijds fungeerde het Dolmabahçepaleis van de vroegere Ottomaanse sultan als zijn officiële residentie wanneer hij in Istanbul verbleef. Op 15 september 1938 liet hij zijn testament vaststellen. Hij liet al zijn persoonlijke bezittingen na aan zijn Republikeinse Volkspartij (CHP) onder de voorwaarde, dat zijn zuster Makbule, zijn geadopteerde kinderen en de kinderen van Ismet Inönü financieel ondersteund werden. Ook wilde hij dat er financiële steun zou komen voor de Turkse Taalvereniging en de Turkse Historische Vereniging. Vanaf 16 oktober geraakte hij vijf dagen lang in een coma, waarna hij weer ontwaakte. Zijn doktoren suggereerden toen, dat het eten van artisjok hem goed zou doen. Deze groente werd toen besteld, maar bereikte hem te laat. Hij stierf op 10 november 1938 op 57-jarige leeftijd.[43] De klok in de kamer waar Atatürk stierf, werd stilgezet op 9:05 uur, de tijd van zijn overlijden. De volgende dag al koos het Turkse parlement oud-premier İsmet İnönü als president.[44]

Na de dood van Atatürk was het land in diepe rouw gedompeld. Veel mensen uitten zichtbaar hun verdriet, want boven alles hield het volk echt van Atatürk. Zijn lichaam werd in een met vlag bedekte kist op een door paarden getrokken koets in een massale rouwstoet van Istanboel naar Ankara vervoerd en daar te ruste gelegd in het Etnografisch Museum in een marmeren kist. Maar liefst 17 landen stuurden speciale vertegenwoordigers om de begrafenisceremonie bij te wonen, waarvan 9 landen ook gewapende detachementen hadden gestuurd om mee te lopen met de begrafenisstoet, waaronder Engeland, Iran en Joegoslavië. Het graf in het Etnografisch Museum was slechts tijdelijk bedoeld als rustplaats voor Atatürk. Turkse ambtenaren planden een monumentaal mausoleum voor Atatürk op de hoogste heuvel van Ankara, Rasattepe zoals die destijds heette (later veranderd in Anıttepe), toen aan de rand van stad gelegen (nu in het midden van de stad). Dit mausoleum werd in vijftien jaar voltooid en kreeg de naam Anıtkabir. In 1953 werd het lichaam van Atatürk naar het mausoleum verplaatst en daar herbegraven.

Nagedachtenis en erfenisBewerken

 
Bezoekers van het Anıtkabir mausoleum te Ankara bidden voor Atatürk, 2017

In de vijftien jaar dat hij aan de macht was, wist Atatürk in een rap tempo Turkije te moderniseren en een enorme invloed uit te oefenen op het politieke, sociale en economische leven in Turkije, welke invloed nog decennialang voort zou duren. Zijn pogingen tot modernisatie bereikten echter veelal de bovenlaag van de samenleving, met name in de grote steden. Op het platteland waren zijn sociale hervormingen minder zichtbaar, waar de conservatieve en religieuze opvattingen nog lange tijd de boventoon zouden voeren. Op het platteland zag men Atatürk voornamelijk als redder van de natie. Hoewel Atatürk veelal geregeerd had als dictator, zou Turkije door zijn beleid zich later ontwikkelen naar een democratie. Ongetwijfeld was Atatürk de juiste man op de juiste plaats geweest voor Turkije. Zonder hem zou Turkije een arm onderontwikkeld land zijn geworden zonder enige vorm van betekenis.

Zijn voormalige vijanden de Brits premier Winston Churchill en de Griekse premier Eleftherios Venizelos spraken later hun bewondering uit voor Atatürk. Amanoellah Khan van Afghanistan, Reza Shah van naburig Iran en Habib Bourguiba van Tunesië namen Atatürk als voorbeeld en probeerden seculiere hervormingen in hun land door te voeren. Ook president Franklin Delano Roosevelt van de Verenigde Staten was diep onder de indruk van Atatürk, met name hoe Atatürk in een relatief korte tijd zijn land wist om te vormen naar een seculaire industriestaat. De Amerikaanse president was van plan om Atatürk in Turkije te bezoeken, maar dit ging niet door vanwege Atatürks verslechterde gezondheid en overlijden daarna. Ook Adolf Hitler was nagenoeg een bewonderaar van Atatürk.

Het Turkse leger nam zijn dood de taak op zich de gevestigde principes van de Turkse republiek, zoals ingesteld door Atatürk, te bewaken, met name die van het secularisme. Het leger zou ingrijpen wanneer die principes naar hun mening in gevaar kwamen. Dit gebeurde in 1960, 1971 en 1980, waarbij het leger een staatsgreep pleegde van tijdelijke aard om het bestuur van het land later weer terug te geven aan het volk. In 1997 werd slechts gedreigd met een staatsgreep om de zittende regering te dwingen om af te treden. Eigenlijk is dit iets waar Atatürk principieel op tegen was. Hij vond dat het leger zich niet moest inmengen in de politiek. In 1951 vaardigde de toenmalige Turkse premier Adnan Menderes een wet (5816) uit die beledigingen tegen Atatürk strafbaar stelde. Dit was opmerkelijk, want zijn partij de Democratische partij (Demokrat Parti, DP) was een oppositiepartij van de Republikeinse Volkspartij (CHP), de partij opgericht door Atatürk.

In Turkije bestaat er een ware persoonlijkheidscultus rond Atatürk, die al tijdens zijn presidentschap begon. Bijna in elke stad in Turkije staan standbeelden en bustes van Atatürk. Portretten van hem hangen in alle scholen, overheidsgebouwen en openbare gebouwen. Atatürks portret staat op de nationale munteenheid, de Turkse lira. Vele straat- en plaatsnamen in Turkije zijn naar hem genoemd. Soms wordt zijn beeltenis ook gebruikt als symbool voor het secularisme, de moderniteit en de eenheid van het land, wanneer het islamisme in Turkije teveel de kop opsteekt. Ook bij verschillende landen over de hele wereld zijn er straten naar hem genoemd. Er staan standbeelden en gedenktekens van hem in Australië, Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten, Cuba, Mexico, Chili, Venezuela, Macedonië, Roemenië, Israël, Azerbeidzjan, Kazachstan en Japan.

Elk jaar op zijn sterfdag loeien in Turkije de sirenes op zijn tijdstip van overlijden en wordt er door de Turkse regering en bevolking een minuut stilte gehouden voor Atatürk. Officieel wordt Atatürk elk jaar op 19 mei herdacht. Die dag wordt tevens het Jeugd- en sportfeest gehouden. Veel sportfestiviteiten worden dan georganiseerd door scholen in het land. Op belangrijke feestdagen komt de Turkse regering samen op het mausoleum van Atatürk en plaatsen een krans op zijn graf. Wanneer buitenlandse leiders een officieel bezoek aan Turkije brengen, is het de traditie, dat ze ten eerste het graf van Atatürk bezoeken, voordat ze de premier of president te spreken krijgen.

In 1981 werd de honderdste verjaardag van Atatürk geëerd door de VN en UNESCO door dat jaar uit te roepen tot het "Atatürk-jaar van de wereld" en een internationaal symposium over Atatürk in Parijs te organiseren. Een resolutie werd door de VN en UNESCO aangenomen, waarin Atatürk werd beschreven als "een uitzonderlijk hervormer op de gebieden, welke thans ook door de Unesco worden nagestreefd" en "een leider van de eerste strijd tegen het kolonialisme en imperialisme" en "een opmerkelijke promotor van het gevoel van begrip tussen volkeren en duurzame vrede tussen de naties van de wereld, die zijn hele leven werkte aan de ontwikkeling van harmonie en samenwerking tussen volkeren zonder onderscheid".[45][46]

Samenvatting belangrijke maatschappelijke hervormingenBewerken

 
Atatürk bij de opening van het staatsmuseum voor kunst en beeldhouwkunst, 1934, Ankara

Let op: sommige hervormingen van Atatürk kunnen door voorstanders als positief gezien worden en door tegenstanders als negatief

  • Hij schafte het sultanaat af en voerde de republiek in.
  • De hoofdstad werd van Istanboel naar Ankara verplaatst.
  • Hij schafte de sharia af en voerde de scheiding tussen religie en staat in.
  • Het onderwijs kwam onder controle van de Turkse regering. Seculier en wetenschappelijk onderwijs was essentieel. Scholen van buitenlanders werden onder staatstoezicht geplaatst.
  • Er werd een onderwijsmobilisatie opgestart om de mensen geletterd te maken.
  • Hij veranderde het Arabische schrift waarmee het Turks werd geschreven naar het Latijns schrift.
  • De Arabische cijfers (٣ ,٢ ,١,...) werden veranderd naar Europese cijfers (1, 2, 3,...).
  • De islamitische kalender werd vervangen door de gregoriaanse kalender.
  • Hij gaf de islamitische geleerde Muhammed Hamdi Yazır de opdracht om de Koran in het Turks te vertalen. Deze vertaling wordt beschouwd als een van de beste Koranvertalingen in het Turks.
  • Er werd besloten om bepaalde delen van de islamitische eredienst in het Turks te maken, in het Turks te prediken (khutbah) en de azan in het Turks te reciteren. Tegenwoordig zijn er alleen predikingen in het Turks.
  • Voor het eerst werden op radio's religieuze uitzendingen in de Turkse taal gemaakt.
  • Turkse vrouwen kregen gelijke burgerrechten en politieke rechten. Vrouwen werden aangemoedigd om in "mannenberoepen" te werken. Vrouwen kregen stemrecht in 1930. Bij de Turkse parlementsverkiezing van 1935 werden 18 vrouwen verkozen in het parlement.
  • Het dragen van moderne westerse kleren werd aangemoedigd. Voor vrouwen werd het dragen van een hoofddoek nadrukkelijk afgeraden maar niet verboden.
  • Hij verbood polygamie.
  • De Volkshuizen (Halkevleri) werden opgericht om de mensen te verlichten en de invloed van de conservatieve kringen te verminderen. Er werden gratis cursussen aangeboden over de onderwerpen literatuur, drama, muziek, schone kunsten, spreken en schrijven, evenals handwerk en maatwerk. Mensen en volksliederen werden onderzocht. De Volkshuizen hadden ook bibliotheken en leeszalen.
  • Turks theater werd ondersteund. Voor het eerst werden Turkse opera's opgevoerd.
  • Hij ondersteunde de ontwikkeling van schilder- en beeldhouwkunst.
  • De zware belastingen die de dorpelingen moesten betalen, werden verlaagd.
  • De economische voorrechten die aan buitenlanders werden gegeven, werden afgeschaft en hun productievoertuigen en spoorwegen werden genationaliseerd.
  • De Turkse Staatsspoorwegen, de Turkish Airlines, de Algemene Directie van Mineraal Onderzoek en Exploratie, de Hıfzıssıhha Enstitüsü, de Türkkuşu, de Sümerbank, de Etibank, de Turkse Onderwijsvereniging, de Turkse Historische Vereniging, de Turkse Taalvereniging en vele andere instellingen werden opgericht.
  • Er werd een Turkicisatiebeleid gevoerd, waarbij werd getracht een homogene en verenigde natie te creëren. Niet-Turkse minderheden (Koerden, Arabieren, Assyriërs, Grieken, enz.) werden onder druk gezet om Turks in het openbaar te spreken, niet-Turkse toponiemen en achternamen van minderheden moesten worden gewijzigd in Turkse namen.
  • De Hagia Sophia werd omgebouwd van een moskee tot een museum.

De persoon AtatürkBewerken

PrivélevenBewerken

 
Zijn vrouw Latife en Atatürk, 3 maart 1923
 
Geadopteerde dochters van Atatürk, jaren 1930. Van links af: Rukiye Erkin, Sabiha Gökçen, Afet İnan en Zehra Aylin

Toen Atatürk in 1914 militair attaché was in Bulgarije, had hij een liefdesrelatie met Dimitrina Kovacheva, de dochter van de Bulgaarse generaal Stiliyan Kovachev. Ze ontmoetten elkaar tijdens een bal op oudejaarsavond. De twee dansten met elkaar en begonnen de volgende dagen elkaar in het geheim te ontmoeten. Tot twee keer toe vroeg hij de generaal om de hand van zijn dochter, maar die weigerde zijn verzoek steeds, omdat hij een moslim was en dan ook nog eens een Ottomaans officier. Dimitrina werd door haar vader gedwongen te trouwen met een Bulgaarse man. Kort daarna brak de Eerste Wereldoorlog uit, waarna Atatürk naar het front bij Gallipoli vertrok om aan de oorlog deel te nemen.

Tijdens de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog leerde Atatürk Latife Uşşaki kennen tijdens zijn verblijf in het huis van haar familie in İzmir op 8 september 1922. Zeer onder indruk van haar goede manieren en geschooldheid, besloot hij na de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog met haar te trouwen. Met de hulp van stafchef Fevzi Çakmak vroeg hij op 29 januari 1923 toestemming van haar familie om met haar te trouwen. Ze hadden geen huwelijksreis vlak na hun bruiloft, omdat de verkiezingen voor het parlement eraan kwamen. Hij ontving de vertegenwoordigers van lokale kranten de dag na zijn huwelijk. Hij bereidde zich voor op zijn openbare toespraak op 2 februari. De rondreis door Anatolië, was een kans om het ongesluierde gezicht van zijn vrouw te laten zien als rolmodel voor moderne Turkse vrouwen. Latife zou hem daarna vaak vergezellen bij zijn tochten door het land. Als presidentsvrouw maakte Latife deel uit van de vrouwenemancipatiebeweging. Hun huwelijk was echter geen lang leven beschoren. Na veelvuldige ruzies scheidden de twee op 5 augustus 1925. De precieze omstandigheden die leidden tot de scheiding zijn niet bekend gemaakt. Nadien zouden zowel hij als Latife niet meer hertrouwen. Uit hun huwelijk zijn geen kinderen voortgekomen.

Atatürk adopteerde tijdens zijn leven achtereenvolgens een zoon en zes dochters: Abdurrahim Tuncak, Sabiha Gökçen, Afet İnan, Rukiye Erkin, Zehra Aylin, Nebile İrdelp en Ülkü Adatepe. Bovendien had hij een jongen onder zijn bescherming: Sığırtmaç Mustafa Demir. Atatürk bood zijn adoptiekinderen volop mogelijkheden om te studeren. Sabiha Gökçen werd de eerste luchtvaartpionier van Turkije en 's werelds eerste vrouwelijke gevechtspiloot. Afet İnan werd lerares geschiedenis en later professor in de sociologie. Op initiatief van Afet Inan richtte Atatürk de Turkse Historische Vereniging op in 1931 met het doel de Turkse geschiedenis beter te bestuderen.

Persoonlijkheid en levensstijlBewerken

 
Atatürk in de bibliotheek van zijn presidentiële villa in Çankaya. Rechtsonder de tafel is een glimp van zijn hond Foks te zien, 16 juli 1929

Als persoon was Atatürk perfectionistisch, pragmatisch en een harde werker. Als militair officier werd hij door zijn naasten omschreven als zeer bekwaam, maar ook als een moeilijk mens. Als president had hij een zeer inspannende levensstijl. Lange uren hard werken, heel weinig slapen en werken aan zijn projecten en dromen waren zijn manier van leven. Atatürk hield zijn maaltijden eenvoudig, meestal gestoofde bonen met rijst (kuru fasulye ve pilav). Atatürk consumeerde vaak een halve liter raki per dag, rookte 3 pakjes sigaretten per dag en dronk 15 kopjes Turkse koffie per dag. Het avondeten van Atatürk tijdens zijn presidentschap was een evenement op zich. Vrijwel elke avond werden aan zijn eettafel denkers, schrijvers, kunstenaars, wetenschappers, politici, diplomaten en goede vrienden uitgenodigd in zijn presidentiële villa in Çankaya met wie hij discussies voerde. Onderwerpen waren zeer gevarieerd, waarbij suggesties werden gedaan, kritiek geuit en plannen werden gemaakt over de toekomst van de Turkse republiek. Deze discussies konden tot in diep in de nacht duren. Atatürk was dan ook een nachtmens. Hij ging vaak laat naar bed, waarbij hij de hele ochtend sliep en pas in de middag weer opstond om te ontbijten.

 
Atatürk neemt een verzoekschrift van een leerling in ontvangst, 1930, Sivas

Na invoering van de kledingcode besteedde hij extra aandacht aan wat voor hij kleren hij publiekelijk droeg om zo een modern mogelijk imago te creëren. Zo droeg Atatürk soms een deukhoed, soms een Engelse bolhoed, soms een panamahoed en soms een hoge hoed. Als vreemde talen kon Atatürk Frans, Duits, Perzisch, Arabisch, Grieks, Bulgaars en Russisch spreken. Regelmatig hield Atatürk uitstappen door het land per trein om zo contact te leggen met het volk. Atatürk was een liefhebber van de natuur en hield ervan om tijd buiten door te brengen. Zo was hij vaak te vinden in zijn bosboerderij. Atatürk had een hond genaamd Foks en een paard genaamd Sakarya. In zijn vrije tijd hield Atatürk zich bezig met naar muziek luisteren, dansen, paardrijden en zwemmen. Hij speelde graag backgammon en biljart. Hij was geïnteresseerd in Zeybek dans, Turks worstelen en liederen uit de Balkan. De zomermaanden bracht hij door in zijn zomerhuis in de stad Yalova. Hij liet in 1929 zijn zomerhuis speciaal daar bouwen wegens het thermische kuuroord van Yalova, die hij vaak ter ontspanning bezocht. Ook in zijn zomerhuis zat hij niet stil en was hij voortdurend bezig met zijn werk.

Al van jongs af aan las Atatürk veel boeken in zijn vrije tijd, voornamelijk over geschiedenis en filosofie. In zijn latere leven zou Atatürk zelf ook enkele boeken schrijven. Eens zei een politicus, die een hekel had aan meer lezen dan nodig was, tegen hem: "Denk je soms, dat je naar Samsun bent kunnen gaan door een boek te lezen?" Waarop Atatürk antwoordde: "Toen ik een kind was, was ik arm. Toen ik twee penningen kreeg, zou ik er één ervan aan een boek uitgeven. Als ik dit alles niet zo had gedaan, dan zou ik nu niet zijn geweest waar ik nu ben." [47]

Atatürk deed tijdens zijn leven de volgende uitspraak over zichzelf:

"Er is één eigenschap die ik al sinds mijn kindertijd heb. In het huis, waar ik woonde, vond ik het nooit leuk om tijd door te brengen met mijn zus of met een vriend. Van kinds af aan ben ik altijd het liefst alleen en onafhankelijk geweest, zo heb ik altijd geleefd. Ik heb nog een eigenschap: ik heb nooit enig geduld gehad met enig advies of vermaning die mijn moeder – mijn vader stierf heel vroeg – mijn zus of een van mijn naaste verwanten op mij opdrongen volgens hun inzicht. Mensen, die bij hun familie wonen, weten dat er altijd onschuldige en oprechte waarschuwingen zijn van links en rechts. Er zijn slechts twee manieren om ermee om te gaan. Je negeert ze of je gehoorzaamt ze. Ik geloof dat geen van beide manieren de juiste is." [48]

Opvattingen over religieBewerken

Er bestaat een controverse over de religieuze overtuigingen van Atatürk, omdat hij soms tegenstrijdige uitspraken hierover heeft gedaan.[49] Sommige Turkse bronnen beweren dat hij een vrome moslim was.[50][51][52] Volgens andere bronnen was Atatürk echter een agnost, d.w.z. geen doctrinaire deïst of zelfs een atheïst.[53][54] Sommige onderzoekers hebben benadrukt dat zijn mening over religie in de loop der tijd veranderde en dat zijn positieve opvattingen over religie in het begin van de jaren twintig beperkt waren.[55] Bronnen wijzen erop dat Atatürk een religieuze scepticus en een vrijdenker was.[56] In zijn jeugd onderging hij een religieuze opleiding, zij het van korte duur. Tijdens zijn militaire training kreeg hij ook lessen in de islam. Atatürk kende de Arabische taal goed genoeg om de Koran te begrijpen en te interpreteren. Bij het voorbereiden van de geschiedenisboeken voor de middelbare scholen schreef hij het hoofdstuk over islamitische geschiedenis zelf. Atatürks religieuze kennis was aanzienlijk hoog van aard en niveau.[57]

 
Atatürk met Abdurrahman Kamil Efendi, de moefti van Amasya. Abdurrahman Kamil had Atatürk actief gesteund tijdens de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog, 22 november 1930

Uitspraken Atatürk over religie:

"Religie is een schoon gevoel, die niet voor vuile spelletjes zoals de politiek gebruikt moet worden. Religie moet geleefd worden waar het thuishoort, namelijk op het toneel van een rein geweten."
"In de republiek Turkije aanbidt iedereen God zoals hij wil. Er zal niemand iets aangedaan worden vanwege hun religieuze ideeën. De Turkse Republiek heeft geen officiële religie. Niemand in Turkije zou moeten proberen zijn ideeën te dwingen aan anderen te accepteren, dat is niet toegestaan. Nu zullen, oprechte gelovigen, mensen met een diep geloof, de noodzaak leren van vrijheid."
"Ik heb geen religie en soms wens ik alle religies op de bodem van de zee. Hij is een zwakke heerser die religie nodig heeft om zijn regering hoog te houden; het is alsof hij zijn volk in een val zou vangen. Mijn volk gaat de principes van democratie leren, de dictaten van de waarheid en de leringen van de wetenschap. Bijgeloof moet verdwijnen. Laat ze aanbidden zoals ze willen, ieder kan zijn eigen geweten volgen, op voorwaarde dat het de gezonde rede niet verstoort of hem dwingt te handelen tegen de vrijheid van zijn medemensen." [58]

Atatürk was echter niet tegen religie. Zie zijn uitspraak hierover:

"Religie is een belangrijke instelling. Een natie zonder religie kan niet overleven. Toch is het ook erg belangrijk om op te merken dat religie een schakel is tussen God en de individuele gelovige. De bemiddeling van de vromen kan niet worden toegestaan. Degenen die religie voor hun eigen voordeel gebruiken, zijn verfoeilijk. Wij zijn tegen een dergelijke situatie en zullen dit niet toestaan. Degenen die religie op zo'n manier gebruiken, hebben ons volk jarenlang voor de gek gehouden; het is juist tegen zulke mensen dat we hebben gevochten en zullen blijven vechten. Weet dat alles wat in overeenstemming is met de rede, logica en de voordelen en behoeften van onze mensen, evenzeer in overeenstemming is met de islam. Als onze religie niet in overeenstemming was met rede en logica, zou het niet de perfecte en de uiteindelijke religie zijn." [59]

Atatürk was voor vrijheid van godsdienst. Maar zijn toespraken en publicaties bekritiseerden wel het gebruik van religie als politieke ideologie.[51] Volgens hem zijn religies de basis geweest van de tirannie van koningen en sultans.[60] Hij stelde dat religie in overeenstemming moet zijn met rede, wetenschap en logica. Het probleem was volgens Atatürk niet religie, maar hoe gelovigen religie begrepen en toepasten. De enige manier om dit tegen te gaan was door het analfabetisme en de vooroordelen onder het Turkse volk aan te pakken.[61] Atatürk liet de Koran in het Turks vertalen, omdat hij wilde dat zijn volk wist wat er precies in de Koran staat. Voorheen werd de Koran namelijk door een imam geïnterpreteerd, die het vervolgens aan het volk uitlegde.

TriviaBewerken

 
Atatürk woont het Turkse kinderfeest bij in Ankara, 23 april 1929. Van links naar rechts: Defensieminister Kâzım Özalp, Atatürk, zoon en vrouw van İsmet İnönü
  • Om de oprichting van de Grote Nationale Assemblee van Turkije (TBMM) op 23 april 1920 tijdens de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog te herdenken, werd deze datum door Atatürk tot een nationale feestdag uitgeroepen in 1921. In 1927 besloot Atatürk hier een nationaal kinderfeest van te maken (Turks: Ulusal Egemenlik ve Çocuk Bayramı, letterlijk: "De feestdag van nationale soevereiniteit en kinderen"). Het idee voor het kinderfeest kwam op aanbeveling van het Instituut voor Kinderbescherming. Sindsdien wordt dit feest ieder jaar op 23 april door Turkse schoolkinderen zeer uitbundig gevierd met verschillende evenementen en festiviteiten, zoals het Turkse kinderfestival. In 1938 werd er bovendien voor de jeugd nog een andere feestdag ingesteld. In dat jaar riep de regering de datum 19 mei uit tot de nationale Jeugd- en Sportdag ter herdenking van de aankomstdag van Atatürk per boot in de stad Samsun, wat algemeen beschouwd wordt als de startdatum van de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog.
  • Toen in 1933 Adolf Hitler aan de macht kwam, baarde dat de Joodse wetenschappers in Duitsland en Oostenrijk flinke zorgen, waaronder Albert Einstein, die toen professor was aan de universiteit van Berlijn. Gelijk daarna werden alle Joodse wetenschappers ontslagen van hun functie, waardoor veel Joodse wetenschappers Duitsland wilden verlaten om in andere landen werk te zoeken. Op 17 september 1933 schreef Einstein een brief naar Atatürk met het verzoek om 40 Joodse wetenschappers en doktoren op te nemen in Turkije. Einstein was op het idee van de brief gebracht door Sami Günzberg, de joodse tandarts van Atatürk, die Einstein toevallig ontmoet had bij een Joodse internationale conferentie in Parijs. Mede door bemiddeling van Sami Günzberg raakte Atatürk overtuigd van het grote potentieel van de Joodse wetenschappers voor de opbouw van de Turkse republiek. Atatürk liet de Joodse wetenschappers samen met hun families en assistenten overkomen naar Turkije. Het totaal aantal overgekomen wetenschappers liep op tot ongeveer 300. Ook Einstein wilde eerst naar Turkije, maar koos dan toch voor de Verenigde Staten. De komst van de Joodse wetenschappers betekende een flinke stijging van het wetenschappelijk niveau van de Turkse universiteiten. Met hun hulp werd in Ankara de Ankara universiteit opgericht en werd in Istanbul de universiteit Darülfünün (Huis der Wetenschappen) heropgericht als de Universiteit van Istanboel. Tijdens hun verblijf in Turkije leidden Joodse wetenschappers vele Turkse academici op, waarna in de jaren 50 sommige terugkeerden naar Duitsland en anderen emigreerden naar Israël of de Verenigde Staten.[62][63][64][65]
  • Tijdens zijn schooljaren blonk Atatürk uit in wiskunde. Atatürk was dermate enthousiast over dit vak, dat hij tijdens zijn presidentschap speciaal voor middelbare scholieren een boek schreef over meetkunde met de titel Geometri en dit publiceerde in 1937. Hij wilde hiermee een geheel eigen bijdrage leveren aan de verbetering van het wiskundeonderwijs in Turkije.
  • Atatürks geboortehuis in de stad Thessaloniki in Griekenland bestaat nog steeds en is ingericht als museum. Toen de Grieks-Turkse relaties in de jaren 30 verbeterden, besloot de gemeente Thessaloniki in 1933 als teken van goede wil het huis cadeau te doen aan Turkije. De definitieve aankoop door de Turkse staat werd in 1937 voltooid, waarna het huis vanaf 1953 geopend werd als museum. Pal naast het huis is een Turks consulaat gevestigd. In Turkije zijn van het huis replica's gebouwd in de plaatsen Ankara, Antalya en Taşucu. De Grieks-Turkse relaties zouden echter na de dood van Atatürk niet altijd even goed zijn. In 1955 vond er een bomaanslag plaats op het nabijgelegen Turkse consulaat, waarbij ook het Atatürk-huis beschadigd werd. De volgende dag bereikte het nieuws hierover Turkije en dit vormde de aanleiding voor de Turkse rellen tegen de Griekse gemeenschap van Istanboel.
  • İsmet İnönü werd na zijn dood op 28 december 1973 begraven precies voor het plein voor het mausoleum van Atatürk. Hiertoe werd besloten door de toenmalige Turkse regering ter ere van de vriendschap van İnönü met Atatürk.
  • De (voormalige) belangrijkste luchthaven in Turkije werd in 1985 naar hem vernoemd: Atatürk Airport (Turks: İstanbul Atatürk Havalimanı). Luchthaven Istanboel Sabiha Gökçen, de tweede belangrijkste luchthaven gebouwd in 2009, is vernoemd naar de eerste vrouwelijke piloot van Turkije, die ook een geadopteerde dochter van Atatürk is.

PublicatiesBewerken

Atatürk publiceerde vele boeken en hield gedurende zijn militaire loopbaan een dagboek bij. Atatürks dagboeken en militaire notities tijdens de Ottomaanse periode werden als één verzameling gepubliceerd. Een andere collectie besloeg de periode tussen 1923 en 1937 en omvat alle documenten, notities, memoranda, mededelingen (als president) in meerdere volumes, getiteld Atatürk'ün Bütün Eserleri ("Alle werken van Atatürk").

De lijst met boeken die zijn bewerkt en geschreven door Atatürk wordt hieronder weergegeven, gerangschikt op publicatiedatum:

  1. Takımın Muharebe Tâlimi, 1908 (vertaald vanuit het Duits)
  2. Cumalı Ordugâhı – Süvâri: Bölük, Alay, Liva Tâlim ve Manevraları, 1909
  3. Ta’biye ve Tatbîkat Seyahati, 1911
  4. Bölüğün Muharebe Tâlimi, 1912 (vertaald vanuit het Duits)
  5. Ta’biye Mes’elesinin Halli ve Emirlerin Sûret-i Tahrîrine Dâir Nasâyih, 1916
  6. Zâbit ve Kumandan ile Hasb-ı Hâl, 1918
  7. Nutuk, 1927
  8. Vatandaş için Medeni Bilgiler, 1930 (voor het burgerschapsonderwijs op middelbare scholen)
  9. Geometri, 1937 (voor de wiskundelessen op middelbare scholen)

Zie ookBewerken

  Mediabestanden die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Mustafa Kemal Atatürk op Wikimedia Commons.