Gebruiker:PAvdK/Kladblok/Biologie

Gtk-paste.svg
Dit is het persoonlijke kladblok van PAvdK/Kladblok.
Een kladblok is een subpagina van iemands gebruikerspagina. Het dient als testruimte voor de gebruiker en is geen artikel in de encyclopedie. Wel is het, net als de artikelen in de encyclopedie, voor iedereen zichtbaar en dient het geen onoorbare dingen te bevatten.
Het is, ook in een kladblok, uitdrukkelijk niet toegestaan om zonder toestemming auteursrechtelijk beschermd materiaal van derden te publiceren.
Enkele handige links: Spiekbriefje | Snelcursus
Andere testplaatsen: De algemene zandbak | De probeerpagina van de snelcursus | De sjabloonzandbak


P.A. van der Knaap (overleg) (Navigatie)
Barn star free zone.png

Het is dinsdag 27 september 2022, 21:23
Magyar kikerics

PlantenanatomieBewerken

Anatomisch practicumBewerken

PlantencelBewerken

    • cel
      • celwand
      • protoplast met plasmalemma
        • centrale vacuole met tonoplast
        • cytoplasma
          • celkern met kernmembraan
            • kernplasma
            • nucleolus
          • plastiden
          • overige organellen (microsomen)
  • PlastidenBewerken

    plastiden
    chloroplast fotosynthetisch
    actief
    gekleurd
    (chromatofoor)
    phaeoplast
    rhodoplast
    chromoplast fotosynthetisch
    inactief
    leukoplast ongekleurd

    IntercellulairenBewerken

    1. embryonale cellen zonder intercellulaire ruimtes
    2. oplossen middenlamel bij groei, schizogene vorming,
      • afzetting van pectine-achtig kit- of intercellulair-materiaal
    3. vorming intercellulaire gangen →
      • samenhangend intercellulair-systeem,
      • in verbinding met huidmondjes
    4. sterke, lokaal beperkte groei van cellen, vorming aerenchym (bij water- en moerasplanten)
    5. rhexigene vorming (door schering van het weefsel) of lysigene vorming (door oplossen van cellen) van grotere intercellulaire holten

    CelwandBewerken

    1. celwand bij vrijwel alle plantencellen
    2. bij celdeling wordt in de telofase een nieuwe celwand, de celplaat gevormd
    3. bij de celplaat wordt de middenlamel gevormd,
      • eerst protopectine, later ook kit- en intercellulair-materiaal
    4. nog voordat beide dochtercellen volledig gevormd zijn vindt vorming van primaire celwand plaats
      • met afzetting van kleine hoeveelheden van cellulose-fibrillen in protopectine
    5. oppervlaktegroei van dunne en elastische celwand is nog steeds mogelijk met volumevergroting van de cel:
    6. diktegroei van de celwanden: secundaire celwand, met lagen met hoger cellulose-gehalte, incrustatie (incrustering) van andere materialen
    7. aard van de diktegroei:

    ReservestoffenBewerken

    KristallenBewerken

    KlierenBewerken

    HarenBewerken

    Blad en huidmondjesBewerken

    VaatbundelsBewerken

    Mechanisch systeemBewerken

    Secundaire diktegroei, hout en bastBewerken

    PeridermBewerken

    WortelBewerken

    Plantenanatomie van zaadplantenBewerken

    1. een bloem is een bebladerde spruit:
      • heterochlamideïsch: kelk + kroon + androecium + gynoecium
      • monochlamideïsch: kelk of kroon + androecium + gynoecium
      • achlamideïsch: androecium + gynoecium
    2. bouw bloemdelen
    3. inplanting bloemdelen
      • acyclisch (primitief kenmerk)
      • cyclisch (afgeleid kenmerk)
    4. kelk en kroon
      • kelkbladen
        • vergroeid - synsepaal
        • niet vergroeid - chorisepaal
      • kroonbladen
        • vergroeid - synpetaal
        • niet vergroeid - choripetaal
    5. knopligging - aestivatie
      • apert
      • valvaat
      • reduplicatief
      • induplicatief
      • quincunciaal
      • contort rechtsdraaiend / linksdraaiend
      • cochleaat
        • cochleaat vicinaal
          • cochleaat vicinaal rechtsdraaiend
          • cochleaat vicinaal linksdraaiend
        • cochleaat distaal
          • cochleaat distaal rechtsdraaiend
          • cochleaat disaal linksdraaiend
    6. symmetrie
      • * radiaal symmetrisch - actinomorf
      • ↓ bifaciaal symmetrisch - zygomorf
      • dorsiventraal symmetrisch
      • % asymmetrisch
    7. geslachtsverdeling
      • in de bloem
        • tweeslachtig: meeldraden + stampers
        • eenslachtig: meeldraden / stampers
      • aan de plant
      • eenhuizig: meeldraden + stampers
      • tweehuizig: meeldraden / stampers
    8. meeldraden
      • haplostemoon: één krans
      • diplostemoon: twee kransen
    9. bouw meeldraad
    10. vorming/ontstaan pollenkorrels
      • succedaal (vooral bij monocotylen): 4 bolkwadranten
      • simultaan (vaak bij dicotylen): 4 kernen op hoekpunten van regelmatige tetraëder
      • wand bestaat uit exine met poriën en intine
    11. embryo, ontwikkeling uit
      • zygote → tweecellig stadium met basale en distale cel → verdere delingen
    12. weefsels
    13. cellen
      1. primaire middenlamel - hoofdzakelijk pectine
      2. primaire wand - cellulose (+ pectine)
      3. secundaire wand - cellulose
      • moleculen → micellen (100 moleculen) → microfibrillen (2000)fibrillen (500 000) → vezel (750 000 000)
      • verhoute celwanden met lignine tussen de moleculen
    14. xyleem - verhout
      1. tracheïden (bij varens, prim. angiospermen)
      2. tracheeën, houtvaten
        • ringvaten
        • spiraalvaten
        • netvaten
        • stippelvaten (hofstippels)
        • laddervaten
    15. floëem
      1. zeefvaten
      2. begeleidende cellen (niet bij gymnospermen)
      3. parenchym (niet bij monocotylen)
    16. idioblasten
      1. cellen met kristallen (CaC2O4)
      2. oliecellen
      3. harscellen
      4. slijmcellen
      5. melksapcellen (groot, vertakt)
    17. ontstaan van kanalen:
      • lysigeen (oplossen van celwanden)
      • rhexigeen (uit elkaar scheuren door de groei)
      • schizogeen (oplossen middenlamel, daarna uit elkaar splijten)
    18. harskanalen: bekleed met epitheel
      • melksapvaten ontstaan uit meerdere cellen
    19. epidermis, celwanden meest niet secundair verdikt[1]:3IIC1 75
      • bestaan uit periderm, cuticula, geen intercellulairen
      • vorm: kubus, tegel, gegolfde rand, cellen ongelijkvormig
    20. cuticula[1]:3IIC1 75
    21. trichoma(ta), door epidermis gevormde aanhangsels[1]:3II... 79
    22. emergentia, door epidermis en onderliggend weefsel gevormde aanhangsels
      • stekels, bv roos (doorns niet, want homoloog met tak, rank of blad)
    23. huidmondjes, stoma(ta)[1]:3II... 76
      • gereguleerde afgifte van waterdamp, uitwisseling van gassen
      • ademholte onder huidmondje
      • sluitcellen, met bladgroen, wand niet-regelmatig verdikt
      • faneropoor: aan de oppervlakte gelegen
      • kryptopoor: verder onder de oppervlakte gelegen
    24. hydathode, waterporie
      • afgedankt huidmondje
      • aan het einde van een vaatbundel
    25. vaatbundels
      1. floëem, met zeefplaten in levende niet-verhoute cellen: zeefvelden; doorgeven organische stoffen geduren 1 vegetatieperiode, daarna afsluiting met kallose-proppen aan het celuiteinde
      2. xyleem; cellen in reeksen gerangschikt; met verhoute verdikkingen van de celwanden; water kan worden afgegeven aan omgevende cellen
        • tracheïden, buisvormig, nauw, tussenwand niet doorbroken
          • ringvaten & schroefvaten kunnen nog groeien (protoxyleem)
          • netvaten, stippelvaten en laddervaten bijna geheel verhoute celwanden
        • tracheeën, houtvaten, relatief wijd, tussenwanden opgelost
      • vaatbundeltypen zeefdeel: floëem en vaten: xyleem
        1. radiale vaatbundel: vooral wortels, protoxyleen (ster), parenchym, floëem - zeefbundel
        2. concentrische vaatbundel: vooral stammen monocotylen, floëem, xyleem, houtparenchym
        3. collaterale vaatbundel monocotylen: gesloten vaatbundel (geen cambium)
        4. collaterale vaatbundel dicotylen: open vaatbundel met cambium
    26. stele en typen vaatbundels
      • typen
        1. prostele (jeugdstadium varens)
        2. actinostele (wolfsklauwen)
        3. plectostele (wolfsklauwen)
        4. polystele (boomvarens)
        5. sifonostele (prinitieve varens)
        6. dictyostele (veel varens)
        7. eustele (dicotylen)
        8. atactostele (monocotylen)
      • xyleem & floëem
        • angiospermen: tracheïden en tracheeën
        • varens en gymnospermen: alleen tracheïden
        • verder: xyleemparenchym
      • vaatbundel vaak omgeven door
    27. wortel[1]:4IC 113
      • primaire bouw eerst geen cuticula of huidmondjes
        1. rhizodermis (1 cellaag) met
          • atrichoblasten
          • trichoblasten → rizoïden
        2. exodermis (1 cellaag) wordt buitenste cellaag na afsterven rhizodermis
        3. schors (meerdere cellagen dik)
        4. endodermis met doorlaatcellen (1 cellaag)
        5. pericambium of pericykel (1 cellaag)
        6. floëem
          • secundair floëem (secundaire diktegroei)
          • primair floëem
        7. cambium (secundaire diktegroei)
        8. xyleem
          • primair xyleem
          • secundair xyleem (secundaire diktegroei)
        • monocotylen:
          • u-cellen en doorlaatcellen tegenover xyleem
          • sclerenchym binnen
        • gymnospermen en dicotylen, houtige gewassen (niet bij monocotylen) secundaire diktegroei
    28.  ? stengel[1]:113
      • primaire bouw v.e. stengel (houtige gewassen dicotylen, eustele)[1]:4I6 113
        1. epidermis
          • kurkvorming meestal onder de epidermis
        2. primaire schors, cortex
          • kurkvorming in latere stadia in de cortex
        3. mergstralen
        4. vaatbundels
          • primaire bastvezels
          • primair floëem, protofloëem
          • metafloëem
          • secundair floëem
          • procambium → cambium
          • secundair xyleem
          • metaxyleem
          • primair xyleem, protoxyleem
        5. merg, medulla
      • bij angiospermen: secundair floëem heeft begeleidende cellen
      • bij monocotylen: geen duidelijk onderscheid tussen centrale cylinder en schors; sclerenchym buiten
      • diktegroei van de stengel[1]:4I9 118
        • primaire diktegroei bij boomvarens, palmvarens, monocotylen (zoals palmen)[1]:4I9a 120
          • ?
        • secundaire diktegroei gymnospermen, dicotylen, boomvormige Liliiflorae (monocotyl!)[1]:4I9b 120
          • ?
        • secundaire diktegroei dicotylen en gymnospermen
          • ?
    29. hout
      • hout van dicotylen[1]:4I9c 124
        1. tracheeën en tracheïden
        2. houtvezels - sclerenchym
        3. mergstraalparenchym, houtparenchym
      • vergelijking hout gymnospermen en dicotylen
        • hout gymnospermen:4I9c 125
          • eenvoudige bouw
          • geen tracheeën
          • tracheïden (0,5-5 mm)
          • harskanalen omgeven door houtparenchym
            • niet bij coniferen (hars in cellen, later)
          • mergstralen 1 cel breed, vaak intercellulairen
        • hout dicotylen[1]:4I9c 128
          • tracheïden
          • meer parenchym
          • houtvezels
          • tracheeën
          • najaar: libriformvezels
          • houtparenchym
          • mergstralen
          • thyllen
      • bast dicotylen met secundair floëem[1]:4I9d 131
        1. zeefcellen / zeefvaten + begeleidende cellen
        2. bastparenchym + mergstraalparenchym
        3. bastvezels / sclerenchymvezels (enigszins op rijen)
        • (+ idioblasten)
      • secundair floëem (coniferen)
        1. zeefcellen zonder eindelingse zeefplaten
        2. parenchym
        3. vezels, karakteristiek voor secundair floëem
        • (geen begeleidende cellen)
    30. kurk (meestal geen intercellulairen)
      • functies
        • afsluitingsweefsel (vervanging cuticula, epidermis)
        • flobafeen, bederfwerende stof
      • fellogeen is een secundair cambium
      • plaats vorming (stengel):
        1. door epidermis
        2. in de schors vlak onder epidermis
        3. dieper in de schors
        4. door pericambium of pericykel (bij wortel)
      • periderm-dorming[1]:4I9eβ 132
      • lenticellen[1]:4I9eγ 133
    31. 'Borkebildung'[1]:4I9f 134 alles buiten fellogeen
      • epidermis
      • cortex
    Levensvorm, groeivorm:boom · bladverliezend · chamefyt · dwergstruik · eenjarige plant · epifyt · fanerofyt · geofyt · grasachtige plant · groeivorm · groenblijvend · halfstruik · hapaxant · heester · helofyt · hemikryptofyt · houtige plant · hydrofyt · klimplant · kruidachtig · levensduur · levensvorm · liaan · loofboom · loofverliezend · meerjarige plant · monocarpisch · naaldboom · overblijvend kruid · overblijvende plant · pol · rozet · struik · succulent · teloomtheorie · therofyt · tweejarige plant · vaste plant · waterplant
    Wortel:bijwortel · centrale cilinder · diktegroei · endodermis · exodermis · luchtwortel · medulla · merg · penwortel · pericambium · pericykel · rhizodermis · rizoïde ·secundaire diktegroei · centrale cilinder · topmeristeem · wortel · wortelhaar · wortelmutsje · zijwortel
    Stengel, stam:bast · cambium · centrale cilinder · cladodium · cladofyl · concaulescentie · cortex · diktegroei · fyllocladium · knoop · lenticel · metatopie · stekel · stele · spil · stengel · tak · topmeristeem · schors · stam · uitloper · vertakking · wortelstok
    Blad:ader · blad · bladgroen · bladgroenkorrel · bladkussen · bladmoes · bladnerf · bladschede · bladschijf · chloroplast · bladstand · bladsteel · bladvoet · catafyl · cladoprofyllum · chlorenchym · fyllodium · fyllotaxis · hoofdnerf · kokertje · ligula · nerf · nervatuur · prefoliatie · ptyxis · steunblaadje · tongetje · tuitje · vernatie · zaadlob · zijnerf
    Bloemgameetspore:actinomorf · androecium · androfoor · androgynofoor · anthofoor · anthere · anthotaxis · bijkelk · bloemstengel · bloeiwijze · bloemgestel · bloem · bloembodem · bloembekleedsel · bloemdek · bloemdekblad · bloemkroon · bloemstengel · bractee · calyx · carpel · carpofoor · caulis · connectivum · corolla · discus · epicalyx · estivatie · filament · funiculus · gametofyt · gynoecium · gynofoor · helmbindsel · helmdraad · helmhokje · helmhokje · hoogteblad · hypanthium · hypsofyl · inflorescentie · integument · kegel · kelk · kelkblad · knopligging · kroon · kroonblad · macrospore · meeldraad · meeldraaddrager · microspore · navelstreng · nucellus · omwindsel · ovarium · ovulum · periant · perigoon · petaal · placenta · pollenbuis · receptaculum · schijf · schutblad · sepaal · sporangium · spore · sporofyl · sporophyllum · sporofyt · stamper · stamperdrager · stempel · stengel · stigma · stijl · stylopodium · strobilus · tepaal · theca · vruchtbeginsel · vruchtblad · zaadbeginsel · zaadknop · zaadknopkern · zaadlijst · zygomorf
    Vruchtzaadkieming:carpel · cotyl · cryptocotylair · embryo · endosperm · epigeïsch · fanerocotylair · hypogeïsch · integument · kieming · kiemopening · kiemwit · mierenbroodje · perisperm · pluimpje · schijnvrucht · vaatmerk · vrucht · vruchtbeginsel · vruchtblad · zaad · zaadhuid · zaadlijst · zaadlob · zygote
    Morfologie & anatomie:apoplast · blad · bladgroenkorrel · bladstand · bloeiwijze · bloem · bloemkroon · boomkruin · celwand · chloroplast · collenchym · cortex · cuticula · eicel · epidermis · felleem · fellogeen · felloderm · fenologie · floëem · fytografie · gameet · gametofyt · groeivorm · haar · houtvat · huidmondje · hypodermis · intercellulair · kelk · klierhaar · kurk · kurkcambium · kurkschors · levensduur · levensvorm · merg · meristeem · middenlamel · palissadeparenchym · parenchym · periderm · plantaardige cel · plastide · schors · sclereïde · sclerenchym · spermatozoïde · sponsparenchym · sporofyt · stam · steencel · stengel · stippel · symplast · tak · thallus · topmeristeem · trachee · tracheïde · tylose · vaatbundel · vacuole · vrucht · wortel · xyleem · zaad · zaadcel · zeefvat · zygote

    DiktegroeiBewerken

    Primaire bouw van de stengel (A6)Bewerken

    Rangschikkingen in het primaire permanente weefsel (A7)Bewerken

    … → vorming van → … einde primaire groei secundaire diktegroei
    procambium-strengen floëem xyleem primaire bastvezels
    • protoderm (→ epidermis)
       
       
       
    • oerschors (→ cortex)
       
    • bladprimordia
       
       
       
    • procambium streng
    • restmeristeem
       
       
       
       
       
       
    • oermerg
       (→ medulla)
    • epidermis
       
       
       
    • primaire schors (cortex)
       
       
    • primair floëem
      • protofloëem
         
    • procambium streng
    • restmeristeem
      • cambium
         
         
         
         
         
         
    • merg (medulla)
    • epidermis
       
       
       
    • primaire schors (cortex)
       
       
    • primair floëem
      • protofloëem
         
    • procambium
    • restmeristeem
      • cambium
         
         

    •  
      • protoxyleem
         
    • merg (medulla)
      • (mergholte)
    • epidermis
       
       
       
    • primaire schors (cortex)
      • primaire bastvezels
    • primair floëem
      • protofloëem
      • metafloëem
         
      • cambium
         
         
    • primair xyleem
      • metaxyleem
      • protoxyleem
         
    • merg (medulla)
      • (mergholte)
    • epidermis
       
      • kurkcambium (fellogeen)
      • kurk
    • primaire schors (cortex)
      • primaire bastvezels

    •  
      • metafloëem
    • secundair floëem
       
    • cambium
    • secundair xyleem &
        secundaire mergstralen
    • primair xyleem
       
       
      … primaire mergstralen
    • merg (medulla)
      • (mergholte)
    •  epidermis 
        periderm
    • kurkcambium &
        kurk
    • schors (cortex) &
        bastvezels

    •  
      • metafloëem
    • secundair floëem
       
    • cambium
    • secundair xyleem &
        secundaire mergstralen
    • primair xyleem
       
       
      … primaire mergstralen
    • merg (medulla)
      • (mergholte)
  • Schors, bast, korst, cortexBewerken

     
    schema dwarsdoorsnede wortel met beginnende secundaire groei.
    Definities
    • cortex (schors): het primaire grondweefsel van stengel of wortel, dat ligt tussen epidermis en de centrale cilinder
    • endodermis (schorsgrenslaag): binnenste cellaag van de schors. Dit kan o.a. zijn: zetmeelschede (stengel), schede van Caspary (vooral in ondergrondse delen) of mesofylschede (blad).
    • korst (rhytidoma): het laatst gevormde felleem en de daardoor geïsoleerde weefsels die er buiten liggen. Het weefsel is dood.
    • felloderm (kurkschors): het weefsel dat naar binnen toe gevormd is door het fellogeen. De cellen zijn parenchymatisch of sklerotiseren tot steencellen.
    • pericykel: een weefsel, gelegen tussen de schorsgrenslaag en de vaatbundels; bestaande uit parenchym en/of vezels.
    • schil: alle weefsels tezamen buiten het cambium. Oorspronkelijk is dit epidermis, schors, pericykel, primair floëem, secundair floëem, mergverbinding buiten het cambium en eventueel in deze weefsels gevormd periderm. In een later ontwikkelingsstadium kunnen deze weefsels geheel of gedeeltelijk verdwijnen.

    De primaire schors of cortex is bij stengels van vaatplanten het gedeelte tussen de centrale cilinder en epidermis of exodermis. Bij primaire wortels gaat het om de zone tussen de centrale cilinder en de rhizodermis.

    • stengel (caulis).
      • schil
        • korst, rhytidoma
          •  
          •  
        • kurk, periderm
          • felleem
          • fellogeen
          • felloderm
        • schors, cortex
        • bast
      • cambium
      • hout, xyleem
        •  
        •  
      • merg, medulla

    schil
    Alle weefsels tezamen buiten het cambium. Oorspronkelijk is dit epidermis, schors, pericykel, primair floëem, secundair floëem, mergverbinding buiten het cambium en eventueel in deze weefsels gevormd periderm. In een later ontwikkelingsstadium kunnen deze weefsels geheel of gedeeltelijk verdwijnen.

    Periderm

    Die de:Borke (Periderm) ist die äußerste Schicht der Rinde bei den meisten Bäumen. Sie entsteht aus dem Kork und abgestorbenen Teilen des Bastes

    Da die Epidermis jedoch ein Dauergewebe ist, sich ihre Zellen also nicht teilen können, reißt sie durch den Prozess des sekundären Dickenwachstums auf und die Pflanze muss ein sekundäres Abschlussgewebe bilden, das Periderm.

    Um die Funktion der hinfälligen Epidermis zu ersetzen, reembryonalisiert die Pflanze zunächst Rindenzellen (das bedeutet, dass diese wieder teilungsfähig werden). Diese dadurch entstandene sekundär meristematische wenigreihige Zellschicht nennt man Phellogen. Dieses gibt nach innen Phelloderm und nach außen Kork (Phellem) ab. Bei einigen Bäumen bleibt dieses zuerst gebildete Periderm (Oberflächenperiderm, Periderm = Phellogen + Phelloderm + Phellem) – die Rinde – sehr lange, oder gar ihr Leben lang intakt. Hier werden oft Lentizellen als Durchlüftungsorgane eingebaut.

    Het periderm bij zaadplanten met secundaire diktegroei bestaat uit verschillende weefsels en vervangt als afsluitingsweefsel tijdens de diktegroei de epidermis of de rhizodermis. Het periderm is bij stengels een secundaire en bij wortels een tertiaire weefsellaag, die van buiten naar binnen bestaat uit kurk (felleem), kurkcambium (fellogeen) en soms ook kurkschors (felloderm, kurkparenchym).

    Het periderm kan op verschillende wijzen ontstaan: uit de epidermis, direct onder de epidermis, dieper gelegen in de primaire schors of (bij wortels) uit het pericambium of uit de pericykel. Door de diktegroei wordt de epidermis van de stengels of rhizodermis van de wortel stuk getrokken en vervangen door het periderm. Het periderm beschermt de plant net zoals de epidermis.


    bast
    zie floëem.

    bastparenchym: lengteparenchym voorkomend in het floëem. baststraal: deel van de mergstraal dat in de bastgelegen is. bastvezel: zie vezel.

    de:Bast

    Der Bast ist das lebende Gewebe unter der Borke von Bäumen und anderen verholzten Pflanzen (sekundäres Phloem). Bast besteht aus Siebröhrenzellen (welche die Siebröhren bilden), Geleitzellen, Bastfasern und Speicherzellen. Deshalb ist das Bastgewebe eines lebenden Baumes feucht und im Verhältnis zum Holz und zur Borke sehr weich, aber immer auch zäh und sehr widerstandsfähig.

    Die Phloemfasern sind flexible, lange Zellen, auf welche weichere Fasern aufbauen (z. B. in Flachs oder Hanf). Der verkorkte Bast bildet die Schutzschicht für Sprossachse und Wurzel bei Pflanzen.


    • Rinde
      • Borke: äußerste Schicht der Rinde; entsteht aus dem Kork und abgestorbenen Teilen des Bastes; sekundäre Rinde
      • Bast: das lebende Gewebe unter der Borke
    cortex (botanie) (schors)
    het primaire grondweefsel van stengel of wortel, dat ligt tussen epidermis en de centrale cilinder.
    de:Rinde:

    Als de:Rinde (lat. cortex) werden bei der Sprossachse und der Wurzel von Gefäßpflanzen (Tracheophyta) alle Gewebe außerhalb des Zentralzylinders bezeichnet.

    Wenn der Ausdruck Rinde im Alltag verwendet wird, ist meist jedoch nur ein Teil der Rinde von Gehölzen gemeint, nämlich das Abschlussgewebe, das spezifischer Periderm oder Borke genannt wird.

    "Schors" heeft een verschillende betekenis in de plantenanatomie en in het dagelijkse spraakgebruik. In het laatste geval gaat het plantenanatomisch gezien om de bast / korst. ??;korst (rhytidoma): het laatst gevormde felleem en de daardoor geïsoleerde weefsels die er buitenliggen. Het weefsel is dood.


    The term cork is used to denote the outer derivatives of the cork cambium specifically. Bark, on the other hand, is an inclusive term for all tissues outside of the vascular cambium. The two regions of the bark are the outer bark, composed of dead tissues, and the inner bark, composed of living tissues of the secondary phloem. Outer bark is shed continually from a tree, often in a distinctive pattern, as the circumference increases because its dead cells cannot accommodate the increased diameter.

    Stelairtheorie (A8)Bewerken

    Stengel (A9)Bewerken

    Primaire diktegroei (A9a)Bewerken

    Bij boomvarens, palmvarens en veel momocotylen is voor het begin van de lengtegroei reeds veel geleiden weefsel en stevigheidsweefsel gevormd.

    Secundaire diktegroei (A9b)Bewerken

    Gymnospermen, dicotylen en sommige boomvormige Liliiflorae (zoals Dracaena, Cordyline, Yucca en Aloë) hebben toename stevigheidsweefsel door secundaire diktegroei door vorming secundair permanent weefsel, die worden toegevoegd aan het primair weefsel of functioneel vervangen. De secundaire weefsels worden gevormd door een cambium.

    Bij gymnospermen en dicotylen treedt de secundaire diktegroei op in samenhang met het geleidingsweefsel. Bij de vorming van de primaire open vaatbundel ligt tussen het protofloeem en het protoxyleem een ongedifferentieerde rest van het procambium, dat zich later door bijna uitsluitend tangentiale (perikliene) delingen omvormt tot een kenmerken rijencambium (alle dochtercellen worden in een radiale rij achter elkaar liggende cellen gevormd).

    Hout (A9c)Bewerken

    Dicotylen
    Hout van gymnospermen
    Dendrochronologie
    Hout van dicotylen

    Der Bast (A9d)Bewerken

    Gevolgen buiten het cambium (A9e)Bewerken

    dilatatie
    vorming van periderm
    lenticellen

    Borkebildung (A9f)Bewerken

    Wondherstel (A9g)Bewerken

    plaatjesBewerken

    Pagina schors

    • calloseprop: een sterk lichtbrekende dikke propvan callose, die op een zeefplaat afgezet kanworden en waarin nog plasmadraadjes aanwezigkunnen zijn.

    Evolutie van plantenBewerken

    De evolutiegeschiedenis van planten[1] begint met de abiogenese of het ontstaan van het leven. Het ontstaan van het eerste leven vond naar schatting 3,6 miljard jaar geleden plaats.

    inleidingBewerken

    Over de evolutie van dieren is er veel wetenschappelijke en populair-wetenschappelijke literatuur, meer dan over de evolutie van planten. Dit zoocentrisme kan samenhangen met het feit dat de mens ook tot de dieren behoort, of met de geromantiseerde voorstellingen betreffende dinosauriërs en hun uitsterven.[2]

    Een mogelijke misvattingen over evolutie, dat er een doel bestaat of dat evolutie gericht is, is mogelijk ontstaan doordat soms duidelijke herkenbare trends worden herkend in de fossielen-reeksen, waar deze niet zijn (pareidolie zoals het duidelijk herkenbare mannetje in de maan).

    Darwin ging uit van vijf stellingen:[3]

    1. al het leven is ontstaan uit een eenvoudig, eencellig organisme
    2. alle volgende soorten zijn ontstaan uit voorgaande soorten
    3. grotere overeenkomst tussen taxa wijst of een nauwere verwantschap en op een kortere tijd sinds de evolutionaire scheiding
    4. het proces van soortvorming is geleidelijk en langdurig
    5. hogere taxa als geslachten en families ontstaan door dezelfde evolutionaire processen als die voor het ontstaan van soorten

    Voor bepaalde soorten en enkele hogere taxa zijn de laatste twee proposities twijfelachtig, maar de eerste drie hebben uitgebreide experimentele bevestigingen, zowel moleculair, vergelijkend anatomisch als morfologisch.

    Hoewel er een (verre) verwantschap is tussen dieren en planten, zijn er grote onderlinge verschillen.[4] Bij dieren worden de cellen vooral door glycoproteïnes (met name cadherines) bijeen gehouden, maar bij planten meest door pectines (multifunctionele vertakte en veresterde polysachariden). Plantencellen stevigheid hebben door het bezit van celwanden, waar dierlijke cellen alleen een celmembraan hebben. De plantaardige celwanden zijn opgebouwd uit cellulose, een van de sterkste natuurlijke polymeren. Plantencellen bevatten chloroplasten, waardoor ze in aanwezigheid van licht door middel van fotosynthese water, koolstofdioxide en nog enkele andere elementen kunnen omzetten in levende cellen. Daarnaast produceren ze zuurstof, wat een bepalende invloed heeft voor de atmosfeer en het leven aan het aardoppervlak.

    Bij 'evolutie' gaat het om afstamming met modificaties om overerving van eigenschappen binnen een populatie met de variatie daarin. Dit sluit plasticiteit uit omdat deze bij individuen optreedt en niet erfelijk is. Fenotypische plasticiteit is vooral groot bij sessiele organismen zoals landplanten die moeten overleven in een veranderlijke omgeving.[5]

    ontstaan van het eerste levenBewerken

    In de geschiedenis van het leven van planten zijn er 8 belangrijke gebeurtenissen:[6]

    1. Het ontstaan en de evolutie van de eerste vormen van het cellulair leven; de oorsprong van het leven.
    2. Het ontstaan en de ontwikkeling van fotosynthetiserende cellen. Fotosynthese is een onderdeel van de stofwisseling, waarbij zonlicht in chemische energie wordt omgezet. De drie basale metabolische systemen zijn:
      1. pentosefosfaatcascade met een oxidatieve fase (met de vorming van NADPH) en een niet-oxidatieve fase (met de vorming van pentose)
      2. glycolyse, de afbraak van glucose waarbij vrijkomende energie wordt opgeslagen in ATP (adenosinetrifosfaat) en in NADH (nicotinamide-adenine-dinucleotide).
      3. fotosynthese, waarbij lichtenergie wordt gebruikt om koolstofdioxide om te zetten in koolhydraten, zoals glucose.
    3. De evolutie van meercellige organismen onder de prokaryotische micro-organismen.
    4. Het verschijnen van de eerste eukaryoten, dat wil zeggen organismen
      • met organellen in hun cellen en
      • die zich geslachtelijk voortplanten.
        De huidige evolutietheorie stelt dat de eerste eukaryoten zijn geëvolueerd uit oude losse symbiotische combinaties van prokaryootachtige levensvormen.
    5. De verovering van het land door planten, en hun groei in de atmosfeer.
    6. Het ontstaan van geleidend weefsel.
    7. De evolutie van zaden voor de voortplanting.
    8. De opkomst van bloemplanten.

    fotosyntheseBewerken

      Zie artikel: Fotosynthese, Fotosysteem, Rubisco, Lichtreacties, Calvincyclus (donkerreacties)

    Energie en verbindingen worden gebruikt om te overleven, voor de groeien en de voortplanting.

    Vooral de bij oxygene fotosynthese als bijproduct vrijkomende zuurstof heeft een dramatische invloed gehad op de zich ontwikkelende jonge Aarde.

    meercelligheidBewerken

      Zie artikel: Meercellig organisme

    De prokaryoten zijn de oudere en ongetwijfeld de meer fysiologisch veerkrachtige en ecologisch succesvolle levensvormen en kennen alleen ongeslachtelijke voortplanting.

    eukaryotenBewerken

    De organellen zijn belangrijke compartimenten voor de gespecialiseerde biochemische en genetische processen.

    Er is (nog) geen overeenstemming over het biologische voordeel van geslachtelijke voortplanting. De meest succesvolle vormen van leven, de bacteria, kennen alleen ongeslachtelijke voortplanting.

    landplantenBewerken

    Droogteresistentie door:

    • Sporofyt met cuticula.
    • Meiosporen droogteresistent door wand met sporenpollenine

    geleidend weefselBewerken

    zadenBewerken

    bloemplantenBewerken

    geleidend weefsel en vaatbundelsBewerken

    evolutie van zadenBewerken

    bloemplantenBewerken