COVID-19

besmettelijke ziekte veroorzaakt door het virus SARS-CoV-2
Esculaap Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.

COVID-19, voluit coronavirus disease 2019, is een besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door het virus SARS-CoV-2, een van de coronavirussen. De voorheen onbekende ziekte werd eind 2019 voor het eerst opgemerkt in Wuhan, hoofdstad van de Chinese provincie Hubei, en verspreidde zich vervolgens in drie maanden naar andere delen van de wereld. Vanaf 11 maart 2020 was er volgens de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) officieel sprake van een pandemie, de coronapandemie. De ziekte wordt verondersteld een zoönotische oorsprong te hebben.

COVID-19
Infographic van de symptomen van de ziekte
Infographic van de symptomen van de ziekte
Classificatie
Specialisatie Infectieziekte
Gerelateerde aandoeningen SARS
MERS
Beschrijving
Symptomen Koorts (87,9%)[1]
Hoesten (67,7%)
Vermoeidheid (38,1%)
Productie van sputum (33,4%)
Kortademigheid (18,6%)
Spierpijn (14,8%)
Keelpijn (13,9%)
Hoofdpijn (13,6%)
Rillingen (11,4%)
Misselijkheid of braken (5%)
Verstopte neus (4,8%)
Diarree (3,7%)
Oorzaken SARS-CoV-2
Diagnose Polymerasekettingreactie
CT-scan
Immunoassay
Medicatie onderwerp van onderzoek
Coderingen
ICD-10 U07.1
DiseasesDB 60833
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

De belangrijkste symptomen van COVID-19 zijn koorts, hoesten en kortademigheid. Daarnaast komen diarree, buikpijn, verlies van reukzin en smaak en vermoeidheid voor.[2] Bij een ernstig verloop kunnen ook andere organen en de bloedvaten schade oplopen.

Een deel van de besmette personen heeft milde of helemaal geen symptomen. Echter met name bij personen met een verminderde afweer, zoals ouderen en chronisch zieken, kan de ziekte uitlopen op een ernstige longontsteking met soms dodelijke afloop. De ziekte-overdracht vindt vooral plaats via hoesten en niezen, waarbij besmette druppeltjes of aerosolen worden uitgeademd, die dan vervolgens door anderen worden ingeademd, die aldus eveneens besmet raken.

Sinds januari 2020 wordt er wereldwijd naarstig gezocht naar een geneesmiddel voor COVID-19. Ook wordt er gewerkt aan een vaccin tegen SARS-CoV-2.

Ontdekking van de ziekteBewerken

 
Tijdlijn van de besmetting van COVID-19

De ziekte werd voor het eerst vastgesteld in de Chinese miljoenenstad Wuhan bij patiënten met een longontsteking zonder aanwijsbare oorzaak. Het was dokter Li Wenliang die op 30 december 2019 vergeefs de autoriteiten waarschuwde dat een epidemie dreigde. Vervolgens verspreidde de ziekte zich razendsnel, door de afwezigheid van immuniteit onder de plaatselijke bevolking, en doordat veel internationale reizigers vanuit Wuhan het virus mee naar huis namen.

Op 11 maart 2020 maakte de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) bekend dat er officieel sprake was van een pandemie.[3]

NaamgevingBewerken

Op 11 februari 2020 maakte de Wereldgezondheidsorganisatie bekend dat de nieuwe, onbekende virale ziekte de naam COVID-19 zou krijgen, een afkorting van coronavirus disease (coronavirusziekte), plus het jaartal van ontdekking. Volgens directeur-generaal Tedros Adhanom Ghebreyesus van de WHO mocht de naam niet verwijzen naar een bepaalde geografische plek, dier of groep mensen. Ook moest de naam uitspreekbaar zijn.[4]

Dezelfde dag stelde de coronavirussenwerkgroep van het International Committee on Taxonomy of Viruses (ICTV) de naam severe acute respiratory syndrome coronavirus 2 voor, afgekort SARS-CoV-2, naar analogie met het verwante, eerder bekende virus SARS-CoV.

BesmettingBewerken

BesmettingswijzeBewerken

Tussen mensen vindt ziekte-overdracht meestal plaats via druppelinfectie vanuit de luchtwegen. Door experimenten met fretten is bewezen dat het virus zich kan verspreiden via de lucht.[5] Het virus bevindt zich in slijm dat vooral door hoesten en niezen wordt uitgestoten. Tijdens medische behandelingen, zoals intuberen, kunnen besmettelijke aerosolen in de lucht terechtkomen. Besmet slijm kan via de handen op de slijmvliezen van andere personen terechtkomen en kan ook oppervlakken besmetten waardoor het virus zich verder kan verspreiden.[6][7] Besmetting via feces is onzeker,[8] maar bekend van de gerelateerde aandoening SARS. Het is onduidelijk hoe lang het virus buiten het lichaam besmettelijk blijft. Van andere virussen is bekend, dat de duur van de besmettelijkheid afhangt van luchtvochtigheid, temperatuur, ultraviolette straling, het soort oppervlak waarop het virus terechtkomt, de druppelgrootte en de aanvankelijke hoeveelheid virusdeeltjes.

Het virus kan zich zowel diep in de longen als in de bovenste luchtwegen vermenigvuldigen. Dat laatste zou mede verklaren waarom patiënten met milde symptomen al besmettelijk kunnen zijn.[9] In de neus zijn er epitheelcellen met receptoren die gebruikt worden door het virus om binnen te dringen in de cel. Hierdoor is de neus een belangrijke infectieroute.[10]

Binnen gezinnen zijn het vooral volwassenen die het virus overdragen op kinderen. Kinderen raken wel besmet met het virus, maar minder vaak dan volwassenen. Er zijn geen gezinnen bekend waarbij een kind jonger dan 12 jaar de eerste patiënt in het gezin was. Kinderen spelen geen belangrijke rol in de overdracht van het virus. Ze kunnen wel ziek worden, maar met veelal milde klachten. Het lijkt erop dat kinderen het virus minder vaak aan elkaar of aan volwassenen doorgeven.[11]

Een literatuuronderzoek van de Spaanse wetenschapsraad Consejo Superior de Investigaciones Científicas concludeert dat de kans op besmetting bij het zwemmen in zout of gechloreerd water zeer klein is. Het verblijf op bijvoorbeeld oevers of stranden en het zwemmen in zoet zwemwater (meren, plassen) is met een klein risico verbonden.[12][13]

De Nederlandse RIVM-richtlijn noemt 24 uur als latente periode na een doorgemaakte infectie.[14]

IncubatietijdBewerken

De mediaan van de incubatietijd is ongeveer vijf dagen, met uitersten van één tot twaalf dagen; voor quarantaine-doeleinden wordt veertien dagen aangehouden. Er zijn meldingen van Chinese onderzoekers van zeldzame incubatietijden tot 24 dagen.[15]

ReproductiegetalBewerken

Een besmet persoon besmet in een onbeschermde populatie gemiddeld 2,2 andere mensen (het basaal reproductiegetal R0), volgens een schatting van het Europees Centrum voor ziektepreventie, die een tijdlang werd gebruikt.[16] Een reproductiegetal van meer dan één betekent een toenemend aantal besmettingen in de bevolking.

Besmettelijkheid virusvariantenBewerken

De virusvariant 'G614', die in mei circuleerde in Amerika, Groot-Brittannië en Europa en ontstaan door mutatie, is mogelijk besmettelijker dan het oorspronkelijke variant 'D614'. G614 heeft een stabieler spike-eiwit.[17]

Asymptomatische besmettingBewerken

Besmetting door mensen bij wie de ziekte geheel zonder klachten verloopt, is niet definitief aangetoond.[18] In maart werden eerste onderzoeken gepubliceerd die een pre-symptomatische besmetting aannemelijk maken.[19][20] De nog niet zieke persoon kan enkele dagen voordat de ziekte uitbreekt al anderen besmetten.

Besmettingsrisico na overlijdenBewerken

Doordat een overledene niet meer ademt en niet meer kan hoesten en niezen is het risico op besmetting, zeker als het lichaam van de overledene eenmaal gewassen is, kleiner dan bij een nog levende patiënt. Na overlijden kan het virus bij lage temperaturen (door koeling) en bij hoge luchtvochtigheid echter nog wel tot 48 uur na overlijden in en op het lichaam intact aangetoond worden. Bij het bewegen van stoffelijke overschotten is een besmettingsrisico denkbaar. Geadviseerd wordt het lichaam voor transport te voorzien van schoon incontinentiemateriaal, in een afsluitbare lijkzak te doen en die aan de buitenzijde te wassen.[21]

Besmettingsrisico bij bloedtransfusies en transplantatiesBewerken

Bloedbank Sanquin vermeldt op zijn website: "Het is nog nooit aangetoond dat het coronavirus of soortgelijke virussen met een bloedtransfusie wordt overgedragen. Ook als je zonder het te weten besmet bent, kan je bloed geen kwaad voor patiënten."[22] Deze vraag kwam prangend naar voren toen het RIVM bekendmaakte dat 3% van de donoren immuniteit had opgebouwd tegen covid-19.[23] Rode Kruis-Vlaanderen steunt deze visie.[24] Het virus is niet overdraagbaar via bloed.

Er is één geval[(sinds) wanneer?] beschreven van besmetting via bloedtransfusie.[25]

Vooralsnog worden de organen van de overledenen niet gebruikt voor transplantatie.[26]

Symptomen en ziekteverloopBewerken

De ziekte wordt gekenmerkt door griepachtige symptomen. De WHO kwam per 20 februari 2020 op basis van 55.924 in laboratoria positief geteste personen op het voorkomen van de volgende meest-voorkomende symptomen: koorts (87,9%), droge hoest (67,7%), vermoeidheid (38,1%), sputum-productie (33,4%), kortademigheid (18,6%), keelpijn (13,9%), hoofdpijn (13,6%), spierpijn (14,8%), koude rillingen (11,4%), misselijkheid of braken (5,0%), verstopte neus (4,8%), diarree (3,7%), bloedspuwing (0,9%) en bindvliesontsteking (0,8%).[1] Ook zijn er meldingen geweest over het ontstaan van doofheid.[27][28][29]

De meeste patiënten hebben geen, milde of matige symptomen, ontwikkelen antilichamen tussen zes tot twaalf dagen,[30] en zijn daarna gedurende een zekere periode beter bestand tegen het virus. Milde symptomen zijn keelpijn, lichte hoest en een verhoging van de lichaamstemperatuur tot 38,0 °C. Matige symptomen zijn vooral longontstekingen die zonder ziekenhuisopname genezen.

In ernstigere gevallen kan de ziekte de longen aantasten door de virale vermeerdering an sich en door hyperreactiviteit van het immuunsysteem.[31][32] De longontsteking kan leiden tot acute respiratory distress syndrome (ARDS). Verder in het lichaam kunnen ontstaan: sepsis, uitval van de nieren, septische shock, trombose met trombotische complicaties, zoals veneuze trombose, longembolie en soms een hart- of herseninfarct[33][34] met mogelijk een fatale afloop. De ziekte lijkt een disfunctie aan de rechterkant van het hart te kunnen veroorzaken, terwijl de linkerkant van het hart zelden wordt geschaad.[35]

Bij kwetsbare ouderen kan de ziekte, net als andere infecties, gepaard gaan met andere geriatrische symptomen zoals delier, een valpartij, syncope (flauwvallen), dehydratie en acuut functieverlies.[36]

ZiekteverloopBewerken

Vier van de vijf patiënten geneest spontaan in circa twee weken. Bij een mild verloop duurt het herstel gemiddeld acht dagen. Bij een zwaar verloop duurt het herstel drie tot zes weken. Na circa vijf tot zeven dagen beginnen patiënten ofwel te herstellen ofwel te verslechteren en kan een ziekenhuisopname nodig worden. In het ziekenhuis zijn er patiënten die met extra zuurstof snel herstellen en patiënten die weken in het ziekenhuis liggen. Het ziekteverloop van het coronavirus is grillig. Er kan een acute verslechtering optreden gepaard gaan met hypoxemie, waarbij de gezondheidstoestand van een patiënt plotseling snel verslechtert.[37][38] Bij mensen die langere tijd behandeld zijn geworden op een intensivecare kan het herstel nog veel langer duren, als ze te maken krijgen met het postintensivecaresyndroom.[39]

Wanneer een virus het lichaam binnenkomt in de mond-neusholte, komt het in aanraking met de neus-, keel- en tongtonsillen (Ring van Waldeyer), een ring van lymfeweefsel dat infecties buiten de luchtwegen moet houden. De symptomen zijn in dit stadium nog beperkt, bijvoorbeeld hoesten en keelpijn. Wanneer het virus doordringt tot de lagere luchtwegen en de longblaasjes aantast, ontstaat pneumonitis, een chronische ontsteking van de longblaasjes. Er treedt een ontstekingsreactie op. De wanden van de longblaasjes zwellen op en er hoopt zich vocht op. Dit beperkt de gaswisseling en veroorzaakt benauwdheid. Er is sprake van shunting: bloed stroomt nutteloos langs de longblaasjes die niet gevuld zijn met verse lucht. De longontsteking is meestal dubbelzijdig. Dat betekent dat een groot deel van het gaswisselingsoppervlak aangedaan is. Dit toch al ernstige ziektebeeld kan snel verslechteren tot acute respiratory distress syndrome (ARDS). Opname op de IC is dan noodzakelijk. Door de hoge mate van ontsteking en het dagenlang roerloos op een IC liggen wordt de bloedstolling geactiveerd en kunnen trombotische complicaties ontstaan.

Bij kinderen ontstaat in zeldzame gevallen een syndroom dat lijkt op de ziekte van Kawasaki. Vermoed wordt dat de ontstekingen veroorzaakt worden door een hyperreactiviteit van het immuunsysteem.[40]

Infectie op celniveauBewerken

Net als het SARS-virus infecteert SARS-CoV-2 mensen door het gebruik van serineprotease TMPRSS2 om via de ACE2-receptoren de cellen binnen te dringen.[41] SARS-CoV-2 heeft echter een tien tot twintig maal hogere receptoraffiniteit (bindingssterkte), wat een verklaring kan zijn voor de hogere mens-op-mens besmettingskans.[42][43] ACE2-receptor en de TMPRSS2 protease komen vooral voor in de epitheelcellen (alveolaire epitheliale type II-cellen) in de neus, met name in de slijmproducerende slijmbekercellen en trilhaarcellen. Ook komen ze veel voor in de epitheelcellen in andere organen zoals de ogen, de longen en de darmen.[10]

De infectie verloopt in verschillende stappen:[44][45]

  1. Het virus bindt zich via spike-eiwitten op zijn oppervlakte aan de ACE2-receptor op de menselijke cel. Spike-eiwitten zitten met z’n drieën bij elkaar. Van de drie spike-eiwitten bindt er één aan de ACE2-receptor.
  2. Het enzym TMPRSS2 klieft de kop van het spike-eiwit. Daardoor verandert de structuur van de drie om elkaar gewikkelde stengels onveranderbaar.
  3. Eén van de drie stengels verlengt en spiest zich in de celmembraan. Daarna klapt de stengel in waardoor de membranen van cel en virus bij elkaar komen.
  4. De cel neemt het virus op via endocytose. Er ontstaat een instulping in de celmembraan die zich afsnoert tot een blaasje in de cel.
  5. In de cel komt het RNA van het virus vrij.
  6. Het RNA van het virus gebruikt onderdelen van de cel om zich te dupliceren.
  7. Op basis van het gedupliceerd RNA worden nieuwe virussen aangemaakt.
  8. Via exocytose verlaten de virussen de cel.

ImmuniteitBewerken

COVID-19 is een nieuwe ziekte, waardoor er weinig bekend is over de immuniteit.

Methodes die het bloed aanwezige specifieke antilichamen tegen het virus testen kunnen geen immuniteit aantonen, omdat niet bekend is welke titer daarvoor nodig is.[46] Dergelijke tests geven epidemiologische informatie: ze laten zien of een persoon een infectie heeft doorgemaakt.

Adaptieve immuunresponsBewerken

Immuniteit kan worden opgebouwd door de B-lymfocyten (kortweg B-cellen) en T-lymfocyten (kortweg T-cellen). Zij vormen samen de verworven (adaptieve) immuunrespons.[47][48]

B-cel-immuniteitBewerken

Er zijn aanwijzingen dat genezen patiënten immuniteit opbouwen voor ten minste meerdere maanden.[49] De bevindingen zijn echter voorlopig, omdat de uitbraak van begin 2020 is,[50][51] en deels gebaseerd op ervaringen met andere ziekten, zoals SARS[52] en griep[53] of op resultaten van kortlopend onderzoek bij Resusapen.[54] Ook milde symptomen veroorzaken een sterk immuunreactie met antilichamen die minstens 41 dagen later de virus neutraliseren. In de Franse studie heeft van 98% van de besmette personen antilichamen ontwikkeld.[55][56] De hoeveelheid antilichamen neemt na verloop van tijd af.[57] Enkel op basis van de aanwezige antilichamen zou de immuniteit tijdelijk zijn.

T-cel-immuniteitBewerken

Personen die door COVID-19 geïnfecteerd zijn geweest, met geen of milde symptomen, kunnen een negatieve serologische antilichamentest resultaat hebben, maar wel positief testen met de T-cel-test.[58]

In het bloed van bloeddonoren uit de VS dat voor de uitbraak van de pandemie werd afgenomen, werden T-cel-reacties tegen (delen van) Sars-CoV-2 aangetoond. Vermoedelijk ontstonden die als reactie op veel voorkomende, andere coronavirussen die bepaalde overeenkomsten met Sars-CoV-2 hebben. De klinische relevantie van deze observaties is onduidelijk en een bron voor speculaties over mogelijke partiële immuniteit in de bevolking.[59][60]

DiagnostiekBewerken

  Zie COVID-19-diagnostiek voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Op 7 januari 2020 was de genetische code van het virus bekend. Hierdoor werd het ontwikkelen van testen mogelijk.

De Foundation for Innovative New Diagnostics (FIND) in Genève houdt een lijst bij van nieuwe testen en evalueert deze met internationale laboratoria.[61]

Naast een test op Sars-CoV-2 wordt ook getest op bacteriële infecties en influenza om die beide als oorzaak of superinfectie uit te kunnen sluiten.

Honden kunnen getraind worden om COVID-19 besmettingen te detecteren door de geur van zweet[62] en urine.[63]

Moleculaire PCR-testBewerken

De standaard diagnosemethode is door middel van een omgekeerde polymerasekettingreactietest (rRT-PCR) op een sputummonster of een nasofaryngeaal uitstrijkje.[64] De diagnose 'COVID-19' wordt volgens de richtlijn van het RIVM op 12 maart 2020 als volgt gesteld: ‘Elke persoon waarbij door middel van RT-PCR op twee onafhankelijke targets een infectie met SARS-CoV-2 is vastgesteld, ongeacht of deze persoon voldoet aan de klinische en epidemiologische criteria voor een verdenking.’[7]

In sommige gevallen is er een positief testresultaat na herstel. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de negatieve test, waarna de patiënt als hersteld werd gezien, slecht werd uitgevoerd. Een andere mogelijkheid is dat er door de hoge gevoeligheid van de test nog kleine achtergebleven deeltjes worden gedetecteerd. Dit is ook bekend van test voor andere luchtwegaandoeningen, zoals influenza.[65]

Serologische testsBewerken

In principe kan men in plaats van het virus, ook het voorkomen van antilichamen tegen het virus testen. Daarmee is ook een in het verleden doorgemaakte infectie op te sporen.

Het een monoklonaal antilichaam tegen SARS-CoV-2 kan in principe het virus in het bloed worden vastgesteld en een passive immunisering worden ontwikkeld.[66][67]

RadiologieBewerken

Bij een röntgenonderzoek kan een normale opname richtingwijzend zijn bij de verdenking op longontsteking. Bij een bewezen COVID-19-infectie wordt vaak een computertomografie uitgevoerd, omdat hiermee veelal veranderingen vastgesteld kunnen worden voordat deze op een normale opname zichtbaar zijn.[68] Kenmerkend zijn ondoorzichtige veranderingen van het longparenchym die op melkglas lijken. Scans duiden ook op stollingsproblemen in de vaten zoals longembolieën. De diagnostiek middels een CT-scan kan in bepaalde gevallen zelfs sneller en effectiever zijn dan die middels RT-PCR.[69] Radiologen uit Changsha beschreven meerdere patiënten waarbij de diagnose COVID-19 op grond van de CT-bevinding gesteld werd met een aanvankelijk negatieve RT-PCR-test die pas na meerdere herhalingen positief bleek.[70] Bij een epidemie kan vandaar als triagestrategie een typische CT-bevinding aanleiding zijn om snel met de therapie te beginnen, ook als de RT-PCR-test (nog) negatief is.[71]

BehandelingBewerken

Er is geen geneesmiddel voor de ziekte bekend, daarom worden patiënten in (thuis)isolatie geplaatst. Wel kunnen de symptomen verminderd worden, zodat het immuunsysteem tijd krijgt om het virus te bestrijden. Ook zijn er onderzoeken gaande waarin onderzocht wordt of bestaande medicijnen voor andere ziekten ook tegen COVID-19 werkzaam zijn en waarin de ontwikkeling van nieuwe medicijnen en vaccins beoogd wordt.[72][73]

Voor genezende behandelingen, ondersteunende behandelingen en voor symptoombestrijding is ontwikkeling van medische kennis nodig gebaseerd op klinische ervaring, vastgelegde casuïstiek en wetenschappelijk onderzoek.

Door de hoge mate van ontsteking en het dagenlang roerloos op een IC liggen wordt de bloedstolling geactiveerd en kunnen trombotische complicaties ontstaan. Nederlands onderzoek wees uit dat het zinvol is deze complicaties te behandelen in het ziekenhuis met een gepaste hoeveelheid bloedverdunners. Later werd dit advies verder uitgebreid naar de huisartsenpraktijk, derhalve in een veel vroeger stadium van besmetting.[74]

Bij zeer ernstig zieke patiënten kunnen er complicaties van de ziekte optreden, zoals een bacteriële superinfectie. Deze patiënten krijgen hiertegen antibiotica toegediend.

Nederlands voorlopig adviesBewerken

Op 3 maart 2020 kwam het RIVM me een voorlopig advies voor behandelaars.

Optimale zorg is de belangrijkste behandeling van patiënten met COVID-19. Daarnaast is bij patiënten met een ernstige infectie, die zuurstoftoediening nodig hebben, dexamethason een behandeling waarvan aangetoond is dat dit mortaliteit vermindert en risico op intubatie verlaagt. Verder kan remdesivir in een vroeg stadium van infectie, waarbij (nog) geen beademing nodig is, een bijdrage leveren aan eerder klinisch herstel. Er zijn echter geen data over combinatietherapie. Bij een deel van de COVID-19-patiënten zal combinatietherapie een behandeloptie zijn.[75]

Bij behandeling met andere antivirale of immuunmodulerende middelen of plasmatherapie dient dit te gebeuren binnen een wetenschappelijk klinisch onderzoek en niet via off-labelgebruik.

Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen deed een oproep aan zorgverleners en patiënten om bijwerkingen van medicijnen voor de behandeling van de infectie en medicijnen voor andere aandoeningen te melden bij het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb.[76] Ook zal het Lareb de veiligheidsbewaking uitvoeren zodra gevaccineerd kan worden.[77]

Goedgekeurde geneesmiddelenBewerken

Antivirale middelenBewerken

RemdesivirBewerken

Op 25 juni 2020 werd bekend dat de Europees Geneesmiddelenbureau de virusremmer remdesivir onder voorwaarden en voor een jaar als eerste medicijn tegen COVID-19 heeft goedgekeurd.[78] Dit oorspronkelijk als medicijn tegen ebola bedoelde middel, een RNA-polymerase-inhibitor, remt de aanmaak van virussen. Het is bedoeld voor coronapatienten in het ziekenhuis die kampen met een longontsteking. Na toediening van het middel herstellen ze gemiddeld vier dagen eerder. Remdesivir werd al enige tijd als enig (dus niet in combinatie met een ander) geneesmiddel onderzocht.[79][80][81] Hoewel Remdesivir volgens eerste berichten niet leek te werken[82] gaf de Amerikaanse instantie die toelating van voedsel en medicijnen regelt, FDA, al eerder (op 1 mei 2020) toestemming voor het gebruik hiervan bij patiënten die zuurstof wordt toegediend of worden beademd.[83]

Experimenten met geneesmiddelenBewerken

Net als bij eerdere ernstige infectie-ziekten, worden bij COVID-19 bestaande middelen tegen andere ziekten en virussen toegediend aan patiënten. Er lopen verschillende onderzoeken, maar voor betrouwbare conclusies over werking en bijwerking is tijd nodig.

DexamethasonBewerken

Uit een klinische studie in het Verenigd Koninkrijk blijkt dat COVID-19-patiënten aan zuurstof of kunstmatige ademhaling sneller genezen en er minder sterfgevallen zijn (een derde minder bij kunstmatige ademhaling en 20% bij zuurstof toevoeging).[84] Het heeft weinig of geen effecten bij milde symptomen. De dexamethason-steroïde is een immuunsuppressiva die de overreactie van het immuunsysteem in de longen afremt. Dexamethasone is een goedkoop, veelgebruikt medicament dat voor andere doelen wordt gebruikt.

TociluzumabBewerken

Artsen van het Zuyderland medisch centrum in Sittard en Geleen beproefden twee medicijnen bij 86 COVID-19-patiënten bij wie het immuunsysteem in reactie op het coronavirus op hol was geslagen. Artsen gaven de patiënten eerst prednison, een medicijn dat het immuunsysteem in toom houdt. Als dat niet effectief genoeg was voegden ze er het reumamedicijn tocilizumab aan toe. Dat middel onderdrukt het effect van een specifieke afweerstof. Vergeleken met een even grote controlegroep van coronapatiënten die een paar weken eerder opgenomen waren geweest, lag de sterfte 65 procent lager: in de behandelde groep overleden 14 patiënten, in de controlegroep 41. De behandelde groep herstelde dubbel zo snel en er hoefden ruim 70 procent minder patiënten te worden beademd. Tocilizumab remt alleen IL-6, terwijl dexamethason meer stoffen remt die vrijkomen bij ontstekingen waardoor ook andere afweerreacties worden uitgeschakeld.[85][86][87] De resultaten van niet-gerandomiseerd onderzoek, zeker met een controlegroep uit een andere tijdsperiode, zijn moeilijk te interpreteren. Dit onderzoek bevestigt de meerwaarde van corticosteroïden bij ernstige covid-19, maar de toegevoegde waarde van tocilizumab is niet uit deze data halen.[88]

Andere antivirale medicatieBewerken

Er bestaat, afgezien van Remdesivir, nog geen specifieke behandeling voor dit virus, maar diverse (andere) antivirale middelen worden getest op effectiviteit. Daaronder protease-remmers zoals indinavir, saquinavir en camostat en de griepmedicijnen oseltamivir en interferon beta.[89][90][91] Lopinavir/ritonavir zijn niet werkzaam tegen de ziekte.[92]

Bradykinine-remmersBewerken

In Nijmegen is voorgesteld icatibant te gebruiken omdat het oedeem in de longen kan verminderen. Icatibant is een peptidomimeticum dat werkt als een selectieve en specifieke antagonist van bradykinine B2-receptoren. Het middel stopt het lekken van de longbloedvaten. Onderzoek in dit en andere ziekenhuizen moet uitwijzen of het middel werkt. Voor dit onderzoek is, omdat het voor medicijn-ontwikkeling niet de gebruikelijke route volgt, toestemming gevraagd en verkregen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de betrokken medisch-ethische commissie, aldus de betrokkene Nijmeegse onderzoekers, internist Frank van de Veerdonk en apotheker Roger Brüggemann.[93][94] Het medicijn om bradykinine te remmen is in Nederand al bij een specifieke aandoening geregistreerd[95] en als weesgeneesmiddel in de handel. Met een ander soortgelijk Nederlands geneesmiddel Ruconest (recombinante humane C1-esteraseremmer (rhC1INH)) is inmiddels een proef gestart in Zwitserland.[96]

GM-CSF-middelenBewerken

In België is een onderzoek gestart met het al in 1991 toegelaten sargramostim, waarbij een recombinante granulocyte macrophage colony-stimulating factor (GM-CSF) functioneert als een immunostimulator.[97][98]

ResveratrolBewerken

Op 1 mei 2020 suggereerde Peter van der Voort, hoofd IC van het Universitair Medisch Centrum Groningen dat resveratrol mogelijk kan helpen de effecten te verminderen van het virus SARS-CoV-2, dat de ziekte COVID-19 veroorzaakt. Dat zou met name het geval zijn bij mensen met overgewicht. Verder onderzoek is nodig om hierover zekerheid te verkrijgen.[99] Het middel vermindert de concentratie van de stof leptine, waar coronapatiënten veel van in het bloed hebben en dat tot trombose leidt. Van resveratrol wordt verondersteld dat het een gunstige werking heeft bij het voorkomen van hartaandoeningen en kanker. Het heeft een positief effect op de stofwisseling bij obese mannen.

Chloroquine en hydroxychloroquineBewerken

Op 17 februari 2020 werd gerapporteerd dat chloroquine bij klinische tests werkzaam bleek tegen COVID-19. Het was getest in meer dan 10 ziekenhuizen in Beijing en de Chinese provincies Guangdong en Hunan, op initiatief van onderzoekers van de KU Leuven.[100][101] In vitro onderzoek laat zien dat chloroquine werkzaam is tegen het virus. De benodigde concentratie is in principe haalbaar in vivo, maar klinische studie is nodig.[102] De resultaten zijn nog niet in een wetenschappelijk tijdschrift gepubliceerd en de goede informatie over de effectiviteit, bijwerkingen en statistische significantie ontbreekt. Het uitproberen van chloroquine was opgepakt op grond van eerdere bevindingen in de SARS-epidemie in 2004.[103]

Er loopt sinds maart 2020 een proef aan de Rijksuniversiteit Groningen waarbij het chloroquine tot de juiste deeltjesgrootte verpulverd wordt en vervolgens geplaatst wordt in een speciale inhalator: de cyclops, waardoor het medicijn diep doordringt in de longen van een patiënt.[104] Dit betreft dus een specifiek lokale toepassing rechtstreeks in de door het coronavirus aangetaste longen. Op deze wijze zou het medicijn niet enkel kunnen genezen, maar ook kunnen beschermen.[105]

In Frankrijk is Didier Raoult, specialist in tropische infectieziekten, begonnen met het geven van de combinatie van het verwante hydroxychloroquine en azithromycine aan besmette patiënten. Hij claimt een genezingspercentage van 75% binnen 6 dagen. Van de controlegroep was 90% nog ziek.[106][107] Andere wetenschappers hebben echter sterke twijfels bij de onderzoeksopzet en de conclusies.[108][109]

Hydroxychloroquine is wereldwijd geregistreerd voor een aantal indicaties waaronder reumatoïde artritis, systemische lupus erythematodes en ook de behandeling van acute aanvallen en profylaxe van malaria veroorzaakt door Plasmodium vivax, P. falciparum, P. ovale en P. malariae.[110] De Amerikaanse president Donald Trump gelooft in dit middel, terwijl de wetenschappelijke onderbouwing nog onvoldoende is. Hij kwam in conflict met de FDA inzake het niet-geregistreerd gebruik van dit geneesmiddel bij preventie en genezing van COVID-19. Het middel is wereldwijd beschikbaar maar net als chloroquine nog niet goedgekeurd voor deze specifieke indicatie.[111][112] Verschillende mensen overleden na zelfmedicatie door de bijwerkingen van het middel. Inmiddels heeft de FDA noodmaatregelen genomen om in de Verenigde Staten de behandeling van met Covid-19 patiënten met (hydroxy)chloroquine te waarborgen.[113] Dit gebruik werd aldaar sterk bevorderd door de interventie van Donald Trump. De president drong aldaar met succes aan op snelle toepassing van de 2 bovenstaande geneesmiddelen.[112]

In Nederland gebruiken naar schatting iets meer dan de helft van de patiënten in het ziekenhuis (hydroxy)chloroquine.[114]

Negatieve resultaten hydroxychloroquineBewerken

Een retrospectief onderzoek van 368 patiënten in militaire ziekenhuizen in de Verenigde Staten concludeerde in een voorpublicatie van 21 april 2020 dat hydroxychloroquine niet verhindert dat patiënten beademd moeten worden en dat het met een groter sterfterisico verbonden is.[115] Volgens een andere voorpublicatie, over onderzoek in vier Franse ziekenhuizen bij 181 patiënten, was er geen positieve werking van hydroxychloroquine. Bij 10% van de patiënten moest vanwege de bijwerkingen - hartritmestoornissen - het middel stopgezet worden.[116] de FDA waarschuwt dan ook inzake het gebruik buiten ziekenhuizen.[117] Ondertussen is in Frankrijk het gebruik van hydroxychloroquine bij COVID-19-patiënten verboden.[118]

BloedplasmaBewerken

Soms kan aan patiënten die al hersteld zijn gevraagd worden bloed te doneren om acute gevallen te behandelen met antilichaamrijk plasma en voor het ontwikkelen van een vaccin.[119] Door de bloedbank wordt een serum met antilichamen ontwikkeld zodat passieve immuniteit bij een patiënt ontstaat.[120][121][122][123] In Nederland heeft Sanquin geconstateerd dat alleen toediening in een vroeg stadium van de besmetting zin heeft. Daartoe heeft de overheid opdracht gegeven hiermee aan de slag te gaan.[124]

HyperimmunoglobulineBewerken

Onderzoek naar hyperimmunoglobuline loopt. Eerder is aangetoond dat dit middel werkzaam is bij de behandeling van ernstige, acute, virale luchtweginfecties.[125]

VaccinBewerken

  Zie COVID-19-vaccin voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Sinds januari 2020 wordt er door meerdere organisaties en bedrijven aan vaccins tegen het SARS-CoV-2 virus gewerkt onder coördinatie van de WHO.[126] Bij de ontwikkeling van een vaccin moeten pre-klinische en klinische onderzoeken worden gedaan. Dit traject duurt doorgaans ten minste een jaar tot anderhalf jaar.[127][128][129][130][131] Het in Leiden gevestigde bedrijf Janssen Vaccines maakte in juni 2020 na veelbelovende dierexperimenten bekend een door genetische manipulatie verkregen mogelijk vaccin te gaan testen op mensen. Vanwege de Nederlandse regelgeving worden deze in de VS en België uitgevoerd en in landen met veel besmettingen. Eerder is de gebruikte techniek toegepast bij ebola en hiv. In juni besloten Nederland, Frankrijk, Duitsland en Italië een bestelling te plaatsen bij het farmaceutisch bedrijf AstraZeneca dat samen met de Universiteit van Oxford een vaccin ontwikkelt.

BeademingBewerken

Een deel van de patiënten heeft extra zuurstof nodig door middel van beademing. Eventueel aangevuld met vernevelen, uitzuigen, afwisselend liggen op de linker- en rechterzij, rug en buik, hulp bij rechtop zetten en bij hoesten. Tijdens de coronapandemie ontstond hierdoor in 2020 een tekort aan beademingsapparaten. Een aantal bedrijven en instituten vonden oplossingen, onder meer studenten van de TU Delft.[132] Op de markt verschenen meerdere opensource-oplossingen.[133][134]

PrognoseBewerken

RisicofactorenBewerken

Potentiële risicofactoren voor een slechte prognose zijn hogere leeftijd, hoge SOFA-score en een hoeveelheid d-dimeer groter dan 1 μg/ml.[135]

Onder degenen die aan COVID-19 stierven, hadden velen al bestaande aandoeningen, waaronder diabetes, hypertensie en hart- en vaatziekten,[136] en de mediane tijd van initiële symptomen tot de dood was 14 dagen (bereik 6-41 dagen).[137] Nierdialyse- en niertransplantatiepatiënten zijn extra vatbaar voor ernstige complicaties en hebben een hogere kans op overlijden. [138] Bij mensen met een verstandelijke beperking in Nederland ligt het aantal bewezen COVID-19-infecties in de leeftijd van 40 t/m 69 jaar hoger dan in de algemene populatie. Van deze mensen woont circa 90% in een groep.[139]

Er zijn aanwijzingen dat in gebieden met grote luchtverontreiniging (door landbouw, vervoer of industrie), zoals delen van Noord-Brabant, Italië, de VS en China het aantal COVID-19-slachtoffers groter is, maar niet duidelijk is hoe het verband precies is.[140][141][142][143]

Vooral slachterijen zijn vanwege hun lage werktemperatuur en recirculatie-ventilatie brandhaarden van besmetting.[144] Bij een Duitse vleesverwerker bleek 25% van het personeel besmet.[145] Ook in de Verenigde Staten, Nederland en Wales werden bij testen hoge percentages besmettingen gevonden.[146][147] Het koelsysteem van slachthuizen wordt ook als zelfstandige mogelijke infectiebron gezien.[148]

MortaliteitBewerken

In een toespraak over de WHO-werkgroep in China berichtte de directeur-generaal van de WHO op 24 februari dat de mortaliteit in Wuhan bij 2-4% ligt, maar buiten Wuhan met 0,7% lager ligt. Het sterftecijfer kan verder ook verschillen van land tot land. Mogelijke oorzaken zijn een verschil in de druk op de gezondheidszorg, de leeftijdsopbouw van de bevolking en het aantal mensen dat getest wordt.

Sterftekans (%) per leeftijd en land
Leeftijd 80+ 70–79 60–69 50–59 40–49 30–39 20–29 10–19 0–9
China (per 11 februari)[149] 14,8 8,0 3,6 1,3 0,4 0,2 0,2 0,2 0,0
Italië (per 12 maart)[150] 16,9 9,6 2,7 0,6 0,1 0,1 0,0 0,0 0,0
Zuid-Korea (per 15 maart)[151] 9,5 5,3 1,4 0,4 0,1 0,1 0,0 0,0 0,0

ErfelijkheidBewerken

Erfelijke verschillen bij patiënten met verschillende ziekteverlopen worden onderzocht.[153][154]

  • Er is niet veel effect gevonden door genetische variatie van ACE2 en TMPRSS2, die de mate van ernst van COVID-19 zou kunnen verklaren. Mogelijk speelt genetische variantie binnen het ACE2-gen een rol bij hypertensie en chronische ontstekingen, die vaak voorkomen bij ernstige COVID-19-gevallen.[155]
  • Bloedgroep A heeft een hogere kans op een hogere mate van ziek zijn.[156]
  • Uit onderzoek blijkt dat mogelijk het ApoE-gen met variant e4e4 het risico verhoogt op een ernstige COVID-19-infectie.[157]
  • Door een defect in de Toll-like receptor 7, kortweg TLR7, wordt het virus niet geïdentificeerd en wordt vervolgens de afweer niet geactiveerd.[158]

MaatregelenBewerken

Beleidsscenario's verspreidingssnelheidBewerken

Beleidsmakers kunnen kiezen voor uiteenlopende pakketten van maatregelen om een COVID-19-epidemie tegen te gaan, te beteugelen of te beëindigen. De keuze voor een pakket of scenario wordt onder meer bepaald door de mate van verspreiding van het virus, de capaciteit van het zorgsysteem en allerlei politieke/ethische opvattingen, bijvoorbeeld over de economie, de kwaliteit van leven, de verantwoordelijkheid van de burger en de rol van de staat. Hier volgen enkele mogelijke aanpakken.

  • Niets doen; geen overheidinterventies. Dit veroorzaakt overbelasting van de zorg en veel sterfgevallen in korte tijd, ook van niet-COVID-19-patiënten. Er wordt gemikt op een mogelijk snelle groepsimmuniteit en is er een relatief korte periode van economische inactiviteit.
  • Casus + contactopsporing; iedereen wordt meerdere malen getest. Meer testen geeft een vroegere detectie, tracering van contacten en verhoogt daarmee het vinden van milde gevallen. Positief getesten worden in isolatie geplaatst. De rest van het gezin gaat thuis in quarantaine. Contacten worden opgespoord en getest. Iedereen moet zich houden aan het meermalig testen. Zeer veel testen nodig. Zeer kwetsbaar voor herintroductie van virus door import of resthaard.
  • Targeted lockdown: Fase 1: iedereen met griepachtige en COVID-19-achtige symptomen moet zich thuis isoleren, inclusief de rest van het gezin. Opgenomen patiënten en zorgpersoneel in ziekenhuizen worden getest. Fase 2: Ook zorgpersoneel van kwetsbare groepen wordt getest. Fase 3: Ook personeel van scholen met kinderen onder de 12 jaar en fysiotherapeuten worden getest.
  • Total lockdown; maximale eliminatie van contacten, iedereen moet in huis blijven, ongeacht of iemand wel of geen symptomen heeft. Zeer kwetsbaar voor herintroductie van virus door import of resthaard. Dit komt omdat er veel mensen zijn die niet in contact zijn gekomen met het virus en geen immuniteit hebben opgebouwd.
  • Flexibele lockdown: in het begin de spreiding voldoende afremmen, zodat de zorgsystemen niet overbelast geraakt, maar daarna wel een gematigde spreiding toelaten in de hoop dat het reproductiegetal onder de een blijft. Kwetsbare groepen die veel risico lopen moeten wel voor een lange periode afgeschermd worden om de mortaliteit te beperken. Na verloop van tijd bouwen meer mensen immuniteit op, waardoor het gemakkelijker wordt om het reproductiegetal onder de een te houden, maar groepsimmuniteit is geen doel op zich. In Zweden wordt deze strategie grotendeels toegepast op basis van vrijwilligheid en eigen verantwoordelijkheid van personen en bedrijven. In die zin is er in Zweden geen door de overheid opgelegde 'lockdown'. Voorbeelden van flexibele lockdown zijn tijdelijk geen in- en uitreis in een bepaald gebied, het instellen van de avondklok, beperken van groepsaantallen, meteen testen terugkerende reizigers, controle op naleven quarantaine of niet toestaan van evenementen voor jongeren.

PreventieBewerken

 
Het effect van het verspreiden van infecties over een lange periode, bekend als het afvlakken van de curve; door een lagere piek kunnen gezondheidsdiensten hetzelfde volume patiënten beter beheren.[159][160]

Als een overheid kiest voor preventie zal, mede omdat dragers mogelijk al besmettelijk zijn voordat ziekteverschijnselen worden opgemerkt, de gehele bevolking voorzorgsmaatregelen in acht moeten nemen, niet alleen al ziek geworden personen. Dergelijke maatregelen zijn onder meer sociale distantie, vermijden van drukte waar veel mensen zijn en goede handhygiëne, het vermijden van sociale contacten en lichamelijk contact, regelmatig handen wassen, hoesten en niezen in de binnenkant van de elleboog, papieren zakdoekjes gebruiken, geen hand schudden, niet met handen aan mond, neus en ogen zitten, ten minste anderhalve of twee meter afstand bewaren en thuis blijven bij krijgen van verkoudheidsklachten. Verdere maatregelen kunnen zijn: in- en uitreisbeperkingen (met name gericht op risico-gebieden), onnodig reizen vermijden, evenementen verbieden, scholen, bedrijven en organisaties of afdelingen sluiten, vergaderingen beperken, extra schoonmaken van voorwerpen die door meerdere mensen worden aangeraakt, thuiswerken, studeren via internet. Vroege detectie, snelle reactietijden en hoge snelheid bij de uitvoering van de maatregelen en case-evaluatie beperken de verspreiding. Resultaten uit onderzoek tonen aan dat het combineren van quarantaine met andere preventiemaatregelen mogelijk meer effect heeft dan de quarantaine alleen. Het is belangrijk de quarantaine zo vroeg mogelijk te starten. Hoe vroeger de quarantaine kan gestart worden, hoe meer effect en hoe minder kosten er zijn.[161] Hiernaast zijn preventieve maatregelen mogelijk die gericht zijn op op (andere) risico-factoren, zoals het bieden van extra bescherming van kwetsbare groepen, het vermijden van contact met dieren en het niet frequenteren van gebieden met veel luchtverontreiniging, dan wel sanering van dergelijke gebieden.

Sociale onthoudingBewerken

Aanscherpende maatregelen op gebied van sociale onthouding die zijn gericht op minder viruscirculatie onder kwetsbare groepen ten opzichte van de rest van de bevolking. Daarmee kan intussen groepsimmuniteit in de rest van de bevolking worden opgebouwd en wordt tevens de zorg ontlast. Voor degenen die wonen in zorginstellingen, zorgtehuizen en hospices betekent dit vaak dat ze van bezoek verstoken blijven.

Beschermend materiaalBewerken

Om in ziekenhuizen besmetting te voorkomen, zijn medische handschoenen en mondkapjes van het type FFP2 van belang bij het verplegend personeel op de intensive care en bij bepaalde handelingen van besmette patiënten en FFP1 voor het overige personeel.[162]

Zorgmedewerkers in de verpleeghuiszorg, huisartsenzorg, thuiszorg en gehandicaptenzorg dienen een chirurgisch mondmasker te dragen indien er sprake is van een hoestende of niezende medewerker of patiënt en een contact van meer dan vijf minuten is binnen 1,5 meter afstand.[163]

Ook voor anderen, bijvoorbeeld mensen die reizen met het openbaar vervoer, is in sommige landen bescherming via eenvoudige vormen van mondkapjes verplicht gesteld omdat deze kunnen bijdragen aan de beperking van de verspreiding van het virus. Het dragen van dergelijke mondkapjes vermindert de spreiding van virussen in de lucht,[164][165][166] ook bij mensen die geen symptomen hebben en onbewust drager zijn. Deze mondkapjes worden gezien als een aanvullende maatregel, met name voor situaties waar onvoldoende afstand gehouden kan worden. Men mag het mondkapje niet aanraken en moet vooraf en achteraf handen wassen.

Vaccinatie luchtwegaandoeningen actualiserenBewerken

In Duitsland worden mensen boven de leeftijd van 60 en chronisch zieken aanbevolen om hun vaccinatiestatus te controleren en zonodig om zich te laten vaccineren tegen pneumokokken, kinkhoest en influenza. In Nederland krijgen mensen vanaf 60 jaar vanaf najaar 2020 een vaccinatie tegen pneumokokkenziekte aangeboden.[167] De vaccinaties helpen niet tegen COVID-19, maar kunnen een eventuele bijkomende infectie voorkomen.

In het Radboudziekenhuis wordt een onderzoek gedaan naar het effect van het BCG-vaccin, tegen tuberculose, op het verloop van een COVID-19-infectie bij 60-plussers. Uit eerder onderzoek bleek dit vaccin de afweer tegen andere ziektes dan TBC kan verhogen.[168]

De Britse premier Boris Johnson riep iedereen op zich in de aanloop naar de winter 2020 te laten inenten tegen griep zodat de gezondheidszorg niet overbelast wordt door een gelijktijdige golf van COVID-19 en griep.[169]

Vroege detectieBewerken

Dagelijks rapporteren deelnemers in een checker app van ziekenhuizen vragen over de symptomen. Medisch deskundigen, ondersteund door technologie, beoordelen de ingestuurde gegevens op COVID-19-verdenkingen. Bij dergelijke verdenkingen krijgen het dringende advies in quarantaine te gaan en worden met extra aandacht gevolgd. Ook kunnen ze worden doorverwezen voor verder onderzoek en testen en zo nodig volgt een opname. Er wordt regionaal samengewerkt met huisartsen en er worden lokale protocollen gehanteerd voor doorverwijzing.

De deelnemende ziekenhuizen verwerken gegevens uit de app centraal op basis van gezamenlijk beleid en protocollen. Een ‘medical board’ waarin vanuit elk ziekenhuis een longarts vertegenwoordigd is, heeft dagelijks overleg en past het beleid zo nodig aan.

MeldplichtBewerken

In veel landen, waaronder Nederland en België,[7][170] geldt een meldplicht. In Nederland geldt al bij het vermoeden van deze ziekte een meldplicht in groep A. Dit is de hoogste categorie samen met 5 andere ziekten.[171]

ContactonderzoekBewerken

Onderzocht wordt waar en met wie de patiënt met COVID-19 contact heeft gehad. Deze mensen worden gecontroleerd op mogelijke ziekteverschijnselen. Bij ziekteverschijnselen volgt een test. Als er COVID-19 wordt geconstateerd, wordt ook deze persoon geïsoleerd. Ook van deze persoon wordt dan bekeken waar en met wie hij de afgelopen twee weken contact heeft gehad. In Duitsland worden containment scouts ingezet bij contactonderzoek.[172]

QuarantaineBewerken

Als een persoon geen ziekteverschijnselen heeft, maar wel onbeschermd contact heeft gehad met een patiënt met een bewezen infectie, gaat diegene in (thuis)quarantaine.[bron?] De quarantaine duurt tot de incubatietijd is verlopen. Als de ziekte zich in die periode niet heeft gemanifesteerd, wordt de quarantaine opgeheven.

Maatregelen bij besmetting of infectieBewerken

Bij een positieve uitslag volgt zo snel mogelijk een bron- en contactonderzoek om uitbreiding van de ziekte onder de bevolking te beperken, vooral voor groepen met een hoog risicoprofiel, en de capaciteit in de zorg te beperken tot mensen die het echt nodig hebben. Het bronnenonderzoek vervalt, maar het contactonderzoek wordt wel gedaan. Deze fase is mitigatie. Indien onvoldoende zorg voorhanden is, komt een fase waarbij door middel van triage bepaald zal moeten worden wie geholpen kan worden.

CohorteringBewerken

Door het ruimtelijk afscheiden van besmette of van verdachte COVID-19 patiënten worden andere afdelingen en zorgmedewerkers ontlast en wordt bespaard op (schaarse) materialen.

IsolatieBewerken

Als een persoon wel ziekteverschijnselen heeft, is isolatie van toepassing. Bij thuisisolatie en wonen met meerdere personen verblijft de patiënt in een aparte kamer, waarbij contact met huisgenoten moet worden vermeden. Ook contact met huisdieren (o.a. aaien, knuffelen, kussen of laten likken) wordt afgeraden, ook al is de kans dat dieren het virus kunnen doorgeven klein.[173]

Latente periode verlengenBewerken

Er is een periode van 24 uur vlak na de ziekte waarin de patiënt geen symptomen meer heeft, maar nog wel een latente drager van de infectie kan zijn. Afhankelijk van de viruscirculatie per regio kan uitgegaan worden van een langere periode. Hierdoor wordt de kans op verspreiding door besmetting in de regio kleiner.[174]

EpidemiologieBewerken

  Zie Coronapandemie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Uit cijfers van de WHO van het aantal besmettingen in China blijkt dat van het aantal besmettingen dat per 20 februari 2020 waren gemeld dat 78% van deze besmettingen was vastgesteld bij mensen tussen de 30 en 69 jaar en slechts 10,2% was gemeld bij mensen jonger dan 30 jaar.[175] Uit onderzoek in diverse landen blijkt dat mannen vaker in het ziekenhuis worden opgenomen dan vrouwen. Circa 62-70% is man.[176] Dit is opmerkelijk omdat de verdeling van diagnosestelling tussen de geslachten wel ongeveer gelijk is.[177] Ook mensen met overgewicht zijn oververtegenwoordigd op de IC;[178] volgens Brits onderzoek heeft 70% van de opnames in de IC overgewicht.[176]

Genetische verwantschapBewerken

Uit onderzoek naar de genetische verwantschap van het virus bleek dat in Nederland meerdere introducties uit het buitenland zijn geweest die leiden tot meerdere clusters op verschillende plekken.[179][180] Deze kennis is van belang voor het ontwikkelen en toepassen van een vaccin.

SterftecijferBewerken

Er is verschil tussen absolute sterfte en oversterfte. De absolute sterfte is het aantal mensen waarbij COVID-19 als doodsoorzaak op de doodsoorzaakverklaring staat. Echter, een deel van de mensen die overlijden zou zonder COVID-19 ook op korte termijn overleden zijn. Daarnaast is niet van iedere overledene duidelijk wat de exacte doodsoorzaak was, vooral bij diegenen die niet in het ziekenhuis overleden zijn. Daarom wordt per periode het aantal overledenen vergeleken met het aantal verwachte overledenen. Dit gebeurt aan de hand van eerdere sterftecijfers. Dit wordt per geslachts- en leeftijdscategorie gedaan om te corrigeren voor verandering in de bevolkingsopbouw. Oversterfte is daardoor een maat voor de dodelijkheid van een aandoening, die wel pas achteraf te berekenen valt. Effecten van levensduurverkorting (vroegtijdige sterfte) of levensduurverlenging (laattijdige sterfte) zijn moeilijk te meten door de veelheid van factoren die hierbij een rol spelen. Het sterftecijfer kan mogelijk worden beïnvloed door een sterftebespoedigingseffect, meerdere sterftepieken in de loop van de tijd, hogere morbiditeit en sterfte op de langere termijn van herstelde patiënten of van andere zieken die niet de zorg vroegen of kregen die ze nodig hadden.[181]

Overzicht databronnenBewerken

Een overzicht van databronnen die gerelateerd zijn aan het coronavirus en het bijbehorende ziektebeeld COVID-19.[182][183]

Statistieken verspreidingBewerken

Door statistieken ontstaat een beeld van de verspreiding en de opbouw van groepsimmuniteit. Met de statistieken kan gepoogd worden de omvang van de epidemie in te schatten en kunnen wiskundige piramidescenario's en simulaties worden gemaakt en de ontwikkeling van het reproductiegetal in samenhang met het sterftecijfer.

Het vergelijken van statistieken van verschillende landen en regio's is echter moeilijk, onder meer door verschillen in sensitiviteit en specificiteit van testen, waardoor er verschillen zijn in het aandeel foutpositieve en foutnegatieve uitslagen. Ook in hoeverre er sowieso getest wordt, verschilt per regio. Minder testen kan het gevolg zijn van de geringe beschikbaarheid van de tests, de onbetrouwbaarheid daarvan of de politieke gevoeligheid. Daarnaast worden in een aantal landen ook overledenen meegeteld die niet zijn getest, maar die wel de bij COVID-19 behorende symptomen vertoonden. Dat kan ertoe leiden dat een land als België meer overledenen telt dan andere landen waar alleen geteste overledenen worden geregistreerd.[184]

RegistratiesBewerken

In diverse systemen worden verdachte, bevestigde, opgenomen en overleden COVID-19 patiënten geregistreerd.

Klinisch onderzoekBewerken

Met een antilichaamtest wordt getest of iemand antistoffen tegen het virus in het bloed heeft. Dit is een bewijs dat die persoon met het virus in aanraking is geweest.

De monsters die routinematig worden ontvangen in de Nivel-griepsurveillance worden in de peilstations ook getest op SARS-CoV-2 om de verspreiding van het virus in de algemene bevolking van Nederland in kaart te brengen. Er wordt ook op antilichamen getest via de bloedbank. Verder zijn er virologische dagstaten.

Mogelijk komt er nog een thuistest op basis van een monoklonaal antilichaam tegen SARS-CoV-2 waarmee kan worden gemeld.

RioolwateronderzoekBewerken

Het rioolwater wordt gemeten op het vóórkomen van RNA-sporen van het virus afkomstig van de ontlasting van besmette burgers. Hiermee wordt de verspreiding van het virus onder de gehele bevolking gemeten, inclusief de mensen die niet worden getest. Ook kan zo worden gevolgd of het virus langzaam verdwijnt in de populatie of weer terugkomt.[185][186]

Modellen effecten strategieënBewerken

In diverse landen werden wiskundige modellen ontwikkeld om de effecten van verschillende exit-strategiën door te rekenen en vooraf in te kunnen schatten. Ook dashboards werden ontwikkeld met diverse actoren om snel te kunnen ingrijpen als gegevens boven drempelwaarden komen. Voorbeelden van indicatoren kunnen zijn reproductiegetal, rioolwater, naleving, testen, besmettingen, bron- en contactonderzoek, ziekenhuisopnames, IC-opnames.

SeizoenenBewerken

De verwachting is dat COVID-19, net als andere luchtinfectieziekten zoals influenza, vooral een 'winterziekte' is, die in de lente en zomer minder verspreiding heeft. Bij een nieuwe ziekte is er geen zekerheid dat deze dit patroon gaat volgen. Volgens de laatste statistieken is er wel een seizoenseffect. Het risico op infectie in de buitenlucht is veel minder dan binnenskamers. Eerste berekeningen uit China tonen aan dat het virus zich het best verspreidt bij een temperatuur vlak onder de 9 graden Celsius.[187] Volgens een Nederlandse studie zou er omgekeerde correlatie zijn tussen griepinfecties en de hoeveelheid pollen en hooikoorts. Een hypothese is dat een actieve immuunreactie in de neus tegen pollen de infectie door de griepvirus verhindert.[188]

SARS-CoV-2 infecties bij en door dierenBewerken

Coronavirussen komen algemeen voor bij sommige huisdieren en wilde dieren. Hoewel het niet vaak gebeurt, kunnen met coronavirus besmette dieren het virus naar mensen overdragen. Van vleermuizen is bekend dat ze direct en indirect (via andere diersoorten) een belangrijke besmettingsbron vormen.

Er zijn enkele gevallen beschreven waarbij huisdieren besmet waren met SARS-CoV-2, na contact met mensen. Deze dieren tonen overigens niet altijd ziekteverschijnslen. De gevallen betreffen besmettingen bij honden, katten, fretten en nertsen. In het laatste geval ging het om een Nederlandse nertsenfarm. Er wordt in de VS tot nu toe vanuit gegaan dat er geen bewijs is dat gezelschapsdieren bijdragen aan de verspreiding van SARS-CoV-2.[189] In New York zijn tijgers en leeuwen besmet geraakt.[190]

Resusapen worden als proefdieren gebruikt voor medische experimenten met SARS-CoV-2.[191]

In Nederland werden tot 9 juli 2020 twintig nertsenboerderijen geïnfecteerd. De nertsen werden geruimd.[192] Bovendien lijkt het erop dat nertsen mensen hebben besmet.[193] De rol van katten in de verspreiding rond nertsboerderijen moet worden onderzocht. Voorgesteld wordt nertsboerderijen ook preventief te ruimen.[194][195] Het aantal besmette bedrijven loopt gestaag op sinds die datum met 1 per dag.[196]

Zie ookBewerken

  Zie de categorie COVID-19 van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.