Hoofdmenu openen
Matthias Stom: Christus bij Kajafas (ca. 1630)

Het proces tegen Jezus of verhoor van Jezus[1] is een verhaal in het Nieuwe Testament dat in alle vier canonieke evangeliën (Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes) op verschillende wijze wordt verteld. De episode vormt een onderdeel van de passie van Jezus, waarin de vraag of hij de messias (Latijn: christus) is, dan wel de "Zoon van God", een centrale rol speelt in zijn terdoodveroordeling door eerst het Sanhedrin en daarna de Romeinse gouverneur Pontius Pilatus. Het proces wordt voorafgegaan door de arrestatie van Jezus en gevolgd door de Kruisweg van Jezus; de verloochening van Petrus fungeert als intermezzo in alle vier evangeliën.

De verhaallijnen zijn grotendeels hetzelfde, maar de vier verslagen spreken elkaar tegen met betrekking tot de settings, de personages, de handelingen en de chronologie. Ook vertonen de evangeliën afwijkende intermezzi dan wel plot-twists. Het proces tegen Jezus is vaak verbeeld in christelijke kunst en is een essentieel thema in de christelijke theologie.

SyntheseBewerken

Zoals bij alle verhalen die in meerdere nieuwtestamentische evangeliën zijn beschreven, zijn in de verslagen over het proces tegen Jezus kleinere en grotere verschillen te ontwaren. Dit maakt het voor geleerden moeilijk om te reconstrueren wat de historische Jezus daadwerkelijk is overkomen.

Proces bij Kajafas of AnnasBewerken

 
Volgens Joh. 18:22 werd Jezus bij ex-hogepriester Annas een klap gegeven (Madrazo 1803)

Wat duidelijk is, is dat Jezus na zijn arrestatie werd meegevoerd naar een vergadering van Joodse religieuze en wellicht ook seculiere leiders, die in Matteüs en Marcus (en Johannes 11:47) het Sanhedrin genoemd wordt. Onduidelijk is of dat plaatsvond bij het huis dan wel paleis van de officiële hogepriester Kajafas (in Marcus en Matteüs) of bij het paleis van diens vader Annas, die de vorige hogepriester was maar nog steeds veel informele autoriteit uitoefende (in het evangelie volgens Johannes); Lucas noemt geen namen van hogepriesters. Alle vier vermelden dat de Verloochening van Petrus geschiedde tijdens het proces tegen Jezus; Marcus en Matteüs vermelden dat aan het einde, Lucas aan het begin, terwijl Johannes de twee verhalen door elkaar heen vertelt.

Proces bij Pilatus (en Herodes Antipas?)Bewerken

Marcus en Matteüs vertellen bijna hetzelfde korte proces dat Jezus onderging bij Pilatus, met het verschil dat Matteüs een intermezzo inlast (27:3–10) over het lot van Judas Iskariot, de discipel die Jezus uitleverde, berouw kreeg, zijn beloning van 30 zilverstukken terug de Tempel insmeet en zichzelf uit spijt ophing. Hierbij dient opgemerkt te worden dat dit relaas significant tegenspreekt wat Handelingen 1:15–20, waarin Judas van het geld een stuk grond kocht maar ten val kwam en verongelukte.[2](20:10) Lucas geeft een afwijkende, langere weergave van het proces bij Pilatus, waarbij Jezus tussendoor werd langsgestuurd bij Herodes Antipas omdat hij een Galileër was en daarom niet onder het Romeinse gezag van Pilatus viel; dit wordt niet beschreven door de andere evangeliën. Johannes' beschrijving van Jezus' berechting door Pilatus duurt verreweg het langst: Pilatus liep vele malen het pretorium in en uit om binnen Jezus en buiten de Joodse autoriteiten te ondervragen; hij verkeerde in grote twijfel over wat hij moest doen.

Jezus versus BarabbasBewerken

 
Pilatus waste zijn handen in onschuld volgens Matteüs 27:24 (Hendrick ter Brugghen ca. 1620).

In alle vier evangeliën wordt het proces uiteindelijk beslecht door een publieke stemming. Er was een Joods gebruik om ieder jaar met het Pesachfeest een veroordeelde misdadiger amnestie verlenen en vrij te laten. De Romeinse gouverneur, in dit geval Pilatus, had het privilege om te bepalen wie dat was. Hij liet zich hierbij 'adviseren' door de aanwezige menigte. De evangeliën spreken elkaar tegen over wie met dit idee kwam om Jezus' lot om deze manier te beslechten. Alleen in Marcus en Matteüs geeft de alwetende verteller uitleg over deze amnestiegewoonte en geeft uitleg over Barabbas, een gevangene die veroordeeld was wegens moord en een anti-Romeinse opstand, als mogelijke tegenkandidaat van Jezus; in Johannes herinnerde Pilatus de Joodse autoriteiten aan dit gebruik, hij repte niet over Barabbas; Lucas laat niemand de amnestiegewoonte uitleggen, de verteller zegt alleen kortaf dat Barabbas een 'misdadiger' was. Alleen in Matteüs opperde Pilatus Barabbas als alternatief op Jezus, in de andere drie evangeliën was het de aanwezige menigte die (volgens Marcus en Matteüs op instigatie van de hogepriesters (en volksoudsten)) opperde dat Barabbas moest worden vrijgelaten in plaats van Jezus. In alle evangeliën was de gehele menigte uiteindelijk voor het vrijlaten van Barabbas en het kruisigen van Jezus; alleen Matteüs 27:19 verhaalt dat Pilatus' eigen vrouw hem smeekte om Jezus te laten gaan. Pilatus liet zich tot slot onder druk van de menigte overhalen om Barabbas amnestie te verlenen en Jezus te laten kruisigen, ook al sprak hij volgens Matteüs, Lucas en Johannes expliciet uit dat Jezus naar zijn mening onschuldig was. Met name in Johannes probeerde de gouverneur nog lang te onderhandelen met de Joodse leiders en de menigte, maar zwichtte hij toen zij dreigden de keizer bij de zaak te betrekken. In Matteüs 27:24–25 waste Pilatus tenslotte zijn handen terwijl hij tegen de menigte zei: 'Ik ben onschuldig aan de dood van deze man. Zie het zelf maar op te lossen.' (Deze symbolische daad leidde tot de Nederlandse uitdrukking 'zijn handen in onschuld wassen'), waarna de menigte terugriep: 'Laat zijn bloed ons dan maar worden aangerekend, en onze kinderen!'

Jezus afgevoerdBewerken

Jezus werd volgens de synoptici weggevoerd door Romeinse soldaten, maar volgens Johannes door de hogepriesters.

Matteüs en Marcus beschrijven daarna bijna dezelfde gebeurtenissen: de soldaten mishandelden en bespotten Jezus door hem te slaan, te verkleden met een doornenkroon en sarcastisch uit te maken voor 'koning van de Joden'. Een soortgelijke mishandeling en gedwongen verkleding met doornenkroon (maar zonder verbale bespotting) door soldaten vond ook plaats in Johannes, maar dit gebeurde al eerder in het verhaal, tijdens de amnestiestemming onder toeziend oog van Pilatus. In het Evangelie volgens Lucas vond er geen mishandeling door soldaten plaats direct na Jezus' terdoodveroordeling; Jezus werd alleen eerder in het bijzijn van Herodes bespot en een pronkgewaad van ongenoemde kleur (ἐσθῆτα λαμπρὰν) aangedaan, maar geen doornenkroon opgezet en niet geslagen (Lucas 23:11). Marcus en Johannes vermelden dat het een gewaad van purper (πορφύραν, πορφυροῦν ἱμάτιον) was, maar Matteüs beschrijft het als scharlakenrode mantel (χλαμύδα κοκκίνην).

De volgende scène in alle canonieke evangeliën is de Kruisweg.

VergelijkingBewerken

De arrestatie van Jezus wordt verhaald in de verzen Matteüs 26:57–27:31, Marcus 14:53–15:20, Lucas 22:54–23:26 en Johannes 18:13–19:16.[3] Het proces kan worden onderverdeeld in vier episoden: Jezus werd berecht bij de Sanhedrin (bij Kajafas of Annas); Jezus werd berecht bij Pilatus (volgens Lucas ook kort bij Herodes Antipas); Pilatus woog de stemming onder de menigte om Barabbas amnestie te verlenen en Jezus ter dood te veroordelen; Jezus werd afgevoerd door Romeinse soldaten (volgens Johannes de hogepriesters) en mishandeld en/of bespot (volgens Lucas en Johannes gebeurde dat nog voordat hij werd veroordeeld, volgens Marcus en Matteüs pas erna). In alle evangeliën fungeert de Verloochening van Petrus als intermezzo, Matteüs voegt een intermezzo toe dat het lot van Judas beschrijft. Onderstaande vergelijking is gemaakt op basis van de Nieuwe Bijbelvertaling (2004).

Matteüs Marcus Lucas Johannes
Proces bij Kajafas/Annas Matteüs 26:57–67
  • Jezus naar paleis Kajafas gevoerd.
  • Sanhedrin voerde valse getuigen aan.
  • Jezus zweeg. Kajafas: 'Bent u de messias, de Zoon van God?'
  • Jezus: 'U zegt het, maar nu zult u de Mensenzoon naast de Almachtige zien zitten en op de wolken van de hemel.'
  • Kajafas scheurde zijn kleren en riep: 'Godslastering! Geen getuigen meer nodig, hij heeft nu zelf God gelasterd! Wat denkt u?'
  • De rest antwoordde: 'Hij is schuldig en verdient de doodstraf!'
  • Jezus bespuwd, geslagen. 'Wie heeft je geslagen, messias?'

Marcus 14:53–65
  • Jezus naar huis hogepriester gevoerd.
  • Sanhedrin voerde valse getuigen aan.
  • Jezus zweeg. Hogepriester: 'Bent u de messias, de Zoon van de Gezegende?'
  • Jezus: 'Dat ben ik, en u zult de Mensenzoon naast de Machtige zien zitten en op de wolken van de hemel.'
  • Hogepriester scheurde zijn kleren en zei: 'Geen getuigen meer nodig, u heeft godslastering gehoord! Wat is uw oordeel?'
  • Allen oordeelden dat hij schuldig was en de doodstraf verdiende.
  • Jezus bespuwd, geblinddoekt en geslagen. 'Profeteer nu maar!'

Lucas 22:54–71
  • Jezus naar huis hogepriester gevoerd.


  • Jezus bespot, gegeseld, geblinddoekt. 'Wie heeft je geslagen?'
  • [Sanhedrin] vroeg Jezus of hij messias was.
  • Jezus: 'U gelooft mij toch niet, maar nu zal de Mensenzoon naast de Almachtige zitten.'
  • Allen: 'U bent dus de Zoon van God?'
  • Jezus: 'U zegt dat ik het ben.'
  • Allen: 'Geen getuigen meer nodig, hij heeft het nu zelf gezegd!'
Johannes 18:13–28
  • Jezus naar paleis Annas gevoerd.


  • Jezus vertelde Annas over zijn prediking.
  • Dienaar van Annas gaf Jezus een klap, Jezus vroeg waarom.
  • Annas stuurde Jezus geboeid naar Kajafas.

  • Verloochening van Petrus (2).

  • Jezus van Kajafas naar Pilatus gevoerd.
Proces bij Pilatus Matteüs 27:1–14
  • Volgende ochtend kozen de hogepriesters en volksoudsten de doodstraf voor Jezus.


  • Pilatus: 'Bent u de koning van de Joden?' Jezus: 'U zegt het.'
  • Jezus zweeg verder, wat Pilatus verwonderde.
Marcus 15:1–5
  • 's Ochtends vergaderden de hogepriesters, oudsten, schriftgeleerden en het Sanhedrin, boeiden Jezus en voerden hem naar Pilatus.
  • Pilatus: 'Bent u de koning van de Joden?' Jezus: 'U zegt het.'
  • Jezus zweeg verder, wat Pilatus verwonderde.
Lucas 23:1–12
  • De hele raad stond op en bracht Jezus naar Pilatus.
  • Ze beschuldigden Jezus dat hij het volk van het rechte pad afleidde en aanspoorde tot belastingontduiking, en zichzelf de messias, een koning noemde.
  • Pilatus: 'Bent u de koning van de Joden?' Jezus: 'U zegt het.'
  • Pilatus: 'Ik zie geen schuld aan hem.'
  • Zij: 'Hij ruit in heel Judea en Galilea het volk op met zijn preken!'
  • Pilatus stuurde Jezus naar Herodes Antipas omdat hij een Galileër was.

  • Herodes was blij, maar Jezus antwoordde hem niet. Hogepriesters en schriftgeleerden beschuldigden Jezus. Herodes en zijn soldaten begonnen Jezus te bespotten, deden hem een pronkgewaad aan en stuurden hem terug naar Pilatus.
Johannes 18:28–38
  • 's Morgens vroeg werd Jezus naar Pilatus gebracht.
  • Pilatus vroeg buiten waarom, 'de Joden' zeiden omdat alleen Pilatus de doodstraf kon opleggen.
  • Pilatus binnen: 'Bent u de koning van de Joden?' Jezus: 'Mijn koningschap is niet van deze wereld, anders hadden mijn discipelen zich wel tegen mijn arrestatie verzet.'
  • Pilatus: 'U bent dus koning?' Jezus: 'U zegt dat ik koning ben. Ik ben gekomen om van de waarheid te getuigen, en wie die wil, luistert naar mij.' Pilatus: 'Wat is waarheid?'
  • Pilatus buiten: 'Ik zie geen schuld aan hem.'
Jezus versus Barabbas Matteüs 27:15–26
  • Verteller geeft uitleg over amnestiestemming en Barabbas.
  • Pilatus vroeg volk: 'Moet ik Barabbas of Jezus 'de messias' vrijlaten?'
  • Pilatus' vrouw smeekte hem Jezus vrij te laten. Hogepriesters en volksoudsten ruiden volk op tegen Jezus.
  • Pilatus vroeg volk: 'Wie moet ik vrijlaten?' Volk: 'Barabbas!'
  • Pilatus: 'Wat moet ik met Jezus doen?' Volk: 'Kruisig hem!'
  • Pilatus: 'Wat heeft hij dan misdaan?' Volk, luider: 'Kruisig hem!'
  • Pilatus waste handen in onschuld. Volk: 'Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!'
  • Pilatus liet Barabbas vrij, liet Jezus geselen en afvoeren.
Marcus 15:6–15
  • Verteller geeft uitleg over amnestiestemming en Barabbas.
  • Pilatus vroeg menigte: 'Wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?'
  • Hogepriesters ruiden menigte op om Barabbas vrij te laten.
  • Pilatus: 'Wat wilt u dan dat ik doe met de man die u de koning van de Joden noemt?' Menigte: 'Kruisig hem!'
  • Pilatus: 'Wat heeft hij dan misdaan?' Menigte, luider: 'Kruisig hem!'
  • Pilatus liet Barabbas vrij, liet Jezus geselen en afvoeren.
Lucas 23:13–25
  • Pilatus tegen hogepriesters en volksleiders: 'Ik heb Jezus niet schuldig bevonden, Herodes ook niet. Dus ik gesel hem en laat hem vrij.'
  • Maar zij riepen: 'Weg met hem! Laat Barabbas vrij!'
  • Verteller geeft uitleg over Barabbas.
  • Pilatus poogde Jezus vrij te pleiten, maar na aanhoudend geschreeuw voor kruisiging ging Pilatus akkoord.
  • Pilatus liet Barabbas vrij, liet Jezus afvoeren.
Johannes 18:39–19:16
  • Pilatus gaf uitleg over amnestiestemming; koning van de Joden vrijlaten?
  • Iedereen schreeuwde: 'Hem niet, maar Barabbas!'
  • Pilatus liet Jezus geselen. Soldaten kleedden Jezus met doornenkroon en purpermantel, Pilatus presenteerde hem.
  • Hogepriesters en gerechtsdienaars scheeuwden: 'Kruisig hem!' Pilatus: 'Doe maar, ik zie geen schuld in hem.' 'De Joden': 'Hij moet sterven omdat hij zichzelf Zoon van God noemde.'
  • Pilatus, bang, ondervroeg Jezus. Jezus: 'Uw macht komt van boven; wie mij aan u heeft uitgeleverd draagt de meeste schuld.' Pilatus wilde Jezus vrijlaten.
  • 'De Joden': 'Hem vrijlaten betekent ongehoorzaamheid aan de keizer.'
  • Pilatus: 'Moet ik uw koning kruisigen?' Hogepriesters: 'Wij hebben geen andere koning dan de keizer!'
  • Pilatus droeg Jezus over aan hen ter kruisiging.
Jezus afgevoerd Matteüs 27:27–31
  • Romeinse soldaten namen Jezus mee naar het pretorium.
  • Soldaten kleedden Jezus uit en deden hem scharlakenrode mantel en doornenkroon om, gaven hem een rietstok.
  • Soldaten knielden voor Jezus neer en zeiden spottend: 'Gegroet, koning van de Joden.'
  • Ze bespuwden hem, pakten de rietstok weer af en sloegen hem.
  • Ze trokken de mantel uit, zijn kleren weer aan en leidden hem weg.
Marcus 15:16–20
  • Romeinse soldaten namen Jezus mee het pretorium in.
  • Soldaten deden Jezus een purperen gewaad aan en een doornenkroon op.
  • Soldaten huldigden Jezus: 'Gegroet, koning van de Joden!'
  • Ze sloegen hem met een rietstok, bespuwden hem en bogen onderdanig voor hem.
  • Na de bespotting trokken ze het purperen gewaad uit, zijn kleren weer aan en brachten hem naar buiten ter kruisiging.
Lucas 23:26
  • Jezus weggevoerd door Romeinse soldaten.
  • [Geen mishandeling door soldaten]
Johannes 19:16
  • Jezus weggevoerd door hogepriesters.
  • [Geen mishandeling door soldaten; die gebeurde wel eerder, zie 19:1–3]

InterpretatieBewerken

Motief voor executieBewerken

Volgens Amerikaans nieuwtestamenticus Bart D. Ehrman dient het proces van Jezus te worden begrepen door zijn publieke optreden als prediker te verbinden met de redenen van zijn arrestatie en de redenen waarom hij uiteindelijk ter dood veroordeeld werd. Daarin moet de rol van Judas Iskariot worden begrepen als iemand die niet alleen de Joodse autoriteiten verklapte waar Jezus zich bevond, maar wellicht dat Judas privé-informatie heeft overgeleverd die Jezus voor het publiek verborgen had willen houden. Volgens Ehrman kan dit geweest zijn dat Jezus daadwerkelijk van zichzelf geloofde dat hij de Zoon van God, de messias was en daarmee de toekomstige koning van de Joden (en/of koning van Israël), hetgeen hem in rechtstreeks conflict zou brengen met de Joodse religieuze dan wel Romeinse seculiere autoriteiten vanwege godslastering respectievelijk rebellie.[2](1:45) Jezus noemde zichzelf echter nooit zo tijdens zijn publieke optredens; in Marcus 8:29–30 suggereerde Petrus dat Jezus daadwerkelijk de messias was, maar Jezus verbood de discipelen hierover te spreken.[2](7:32) Desondanks kan Jezus hebben gedacht dat hij de messias was. Zo suggereerde Jezus dat zijn twaalf discipelen de twaalf stammen van Israël zouden regeren en dat hij over zijn discipelen zou regeren zoals hij nu al deed.[2](11:05) Als Judas dergelijke doctrines van Jezus had doorgespeeld aan de hogepriesters, dan was dat voldoende om Jezus ter dood te veroordelen (wat zij al sinds de Tempelreiniging wilden). Tijdens het proces werden deze beschuldigingen tegen Jezus ingebracht en hij kon ze niet ontkennen (in Marcus 14:61–62 bevestigde Jezus zelfs rechtstreeks dat hij de messias was[2](25:48)), hetgeen leidde tot zijn executie.[2](16:58)

Verhouding tussen Joodse en Romeinse autoriteitenBewerken

Een belangrijk historisch vraagstuk blijft waarom Jezus werd gearresteerd door de Joodse religieuze autoriteiten – de Sanhedrin onder leiding van hogepriester Kajafas en zijn vader Annas – maar geëxecuteerd door de Romeinse staatsautoriteiten – de gouverneur Pontius Pilatus.[2](21:54)[4](3:48) Volgens Ehrman zou het 'niet godslasterlijk' zijn geweest dat Jezus in Marcus 14:61–62 bevestigde dat hij de messias was, maar wel dat hij zei dat 'de Mensenzoon binnenkort uit de wolken van de hemel zou komen', ook al zei Jezus niet expliciet over zichzelf dat hij de Mensenzoon was; dat is slechts de aanname van Marcus.[2](25:48) Een andere reden dan blasfemie was dat Jezus mogelijk een rel of zelfs een opstand tegen de bestaande Joods–Romeinse orde wilde ontketenen tijdens Pesach (zoals in de loop der jaren al vaak was gebeurd) en dat een dergelijk risico meteen in de kiem gesmoord diende te worden.[4] Dat de Joodse autoriteiten de zaak doorverwezen naar Pilatus in plaats van hem zelf af te handelen kan zijn geweest uit gehoorzaamheid, uit angst dat sympathie voor Jezus onder de bevolking (indien die breed gedragen was, wat onduidelijk is) zou kunnen omslaan in vijandigheid jegens de Joodse autoriteiten (die daarom liever de verantwoordelijkheid op de Romeinen wilden afwentelen), of omdat de Joodse autoriteiten niet het recht hadden om zelf de doodstraf uit te voeren (zoals Johannes 18:32 beweert) en dus de Romeinse autoriteiten moesten overtuigen om de doodstraf voor hen uit te voeren.[4](4:33)

SchuldvraagBewerken

Het verhaal van alle canonieke evangeliën dat er een grote menigte aanwezig waren bij het proces tegen Jezus door Pilatus en dat Pilatus zou luisteren naar de stemming onder deze menigte, is historisch erg onwaarschijnlijk. Uit buitenbijbelse bronnen zoals de geschriften van Flavius Josephus blijkt dat Pilatus een behoorlijk wrede heerser was die bijna iedere weerstand tegen zijn gezag beantwoordde met bruut geweld.[4](6:08) Bovendien blijkt dat de christelijke bronnen, inclusief de evangeliën en latere christelijke geschriften, naarmate de tijd verstreek, steeds sterker de schuld van het Joodse volk voor de dood van Jezus benadrukten, en steeds meer de verantwoordelijkheid van de Romeinen afzwakten. In Marcus (geschreven rond 70 n.Chr.) ging Pilatus vrij snel akkoord om Jezus te kruisigen, terwijl in de andere drie canonieke evangeliën Pilatus expliciet uitsprak dat Jezus naar zijn mening onschuldig was. Matteüs (geschreven rond 80 n.Chr.) voegt toe dat Pilatus zijn handen in onschuld waste en de Joodse menigte de bloedschuld op zich en haar nageslacht nam; in Johannes (geschreven rond 90 n.Chr.) wordt Jezus door Pilatus uitgeleverd aan de Joodse autoriteiten, afgevoerd door de hogepriesters en uiteindelijk door hen gekruisigd in plaats van door Romeinse soldaten; in het 2e-eeuwse apocriefe Evangelie volgens Petrus is het zelfs niet Pilatus die Jezus ter dood veroordeelde en uitvoerde, maar de Galilees-Joodse koning Herodes Antipas. Eind 2e eeuw ontstond er zelfs een christelijke legende dat Pilatus spijt had dat hij Jezus had laten executeren en zichzelf tot het christendom bekeerde.[4](8:15) De Ethiopisch-Orthodoxe Tewahedo Kerk erkende Pilatus in de 6e eeuw als een heilige op grond van het verslag gegeven in de 4e-eeuwse Handelingen van Pilatus,[5] terwijl zijn vrouw (volgens latere legendes Procla of Claudia Procula geheten), die volgens Matteüs 27:19 een vreemde droom zou hebben gehad waarin zij de opdracht kreeg om Jezus' kruisiging te voorkomen, zich eveneens tot christen zou hebben bekeerd en in dezelfde kerk ook de heiligenstatus heeft verkregen.[6][4](13:42) De vroegchristelijke schrijvers probeerden waarschijnlijk de Romeinen steeds onschuldiger af te schilderen om zo de Joden steeds schuldiger te laten lijken; op deze manier konden de vroege christenen, die aanvankelijk vervolgd werden in het Romeinse Rijk, beweren dat de Romeinen nooit tegen Jezus waren geweest noch andersom, en dat de dood van Jezus volledig aan de Joden te wijten was en niet aan de Romeinen, en dat de Romeinen dus ook de christenen niet zouden moeten vervolgen.[4](13:55)

Consensus onder godsdiensthistoriciBewerken

De verhalen over het proces tegen Jezus kunnen niet zonder historisch-kritische evaluatie worden gebruikt om een goed beeld te krijgen van het historische proces tegen Jezus. De verhalen waren er mede op gericht de schuld voor Jezus' kruisiging bij de Joden neer te leggen om problemen voor christenen met de Romeinen te voorkomen.[7]

Waarom de Romeinen Jezus veroordeelden en executeerden kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Er zijn echter enkele mogelijkheden die door diverse godsdiensthistorici als waarschijnlijk of mogelijk worden beschouwd:

  • De meeste historici beschouwen het incident in de tempel als belangrijkste aanleiding. Ook volgens de evangeliën begint de behandeling van Jezus' zaak met de aanklacht van zijn dreigement jegens de tempel, maar waren de getuigenverklaringen niet "afdoende".[8] Als de hogepriester Kajafas en zijn adviseurs hadden geweten dat Jezus als een "koning" zou zijn onthaald, hadden ze zich al eerder met zijn zaak beziggehouden. De hogepriester was verantwoordelijk voor de orde in Judea en Jeruzalem in het bijzonder. Aangezien Kajafas langer als hogepriester onder de Romeinen diende dan wie dan ook, kan worden aangenomen dat hij capabel was. De hogepriester wilde Jezus daarom dood om dezelfde reden waarom Antipas Johannes dood wilde: hij zou problemen kunnen veroorzaken.
    Jezus was gevaarlijk, want hij had volgelingen. Hij had enige tijd over "het koninkrijk" onderwezen. Hij had fysieke actie ondernomen in de tempel. Hij was niet gek en dus potentieel gevaarlijk. Daarom adviseerde Kajafas Pilatus Jezus te executeren. Volgens de evangeliën zette Kajafas zijn oordeel kracht bij door Jezus te beschuldigen van godslastering,[9] wat kan duiden op een ultieme poging steun te krijgen voor het doodsvonnis dat hij hoe dan ook wilde vellen (ongeacht of dit een terechte grondslag van de veroordeling was).
    De Romeinen wilden onrust tijdens Pesach vermijden, beschouwden Jezus als een onruststoker en executeerden hem daarom.
  • De tweede richting zoekt de verklaring voor de executie in de eerste plaats bij het gegeven dat Jezus en zijn aanhangers door Pontius Pilatus werden aangezien, al dan niet terecht, voor opstandelingen tegen het Romeinse gezag in Judea.[10] De formulering 'koning van de Joden' verraadt het perspectief van buitenstaanders. Hieruit volgt, dat de Romeinen Jezus executeerden omdat ze hem beschouwden als iemand die de macht over de Joden wilde grijpen.[11]
    In dit geval blijft wel de vraag open, waarom alleen Jezus als leider van de vermeende opstand werd vervolgd, aangezien de Romeinen in andere gevallen tot collectieve straffen overgingen.[12]

Het precieze verloop van de gerechtelijke procedure tegen Jezus bij de Joodse en Romeinse autoriteiten is onmogelijk te reconstrueren. Uit wat we weten over Pilatus' verdere handelen bij processen en executies, kunnen we met grote waarschijnlijkheid concluderen dat het verslag in de evangeliën over Jezus' ondervraging een poging was problemen met de Romeinen te voorkomen: Philo (tijdgenoot van Pilatus) schreef over Pilatus' executies zonder proces[13] en Pilatus werd uiteindelijk uit zijn ambt gezet vanwege grootschalige en slecht doordachte executies.[14] Naar alle waarschijnlijkheid ontving Pilatus Kajafas' aanklacht, liet Jezus geselen en ondervroeg hem kort. Toen de antwoorden niet bevredigend waren, stuurde hij hem naar het kruis zonder er verder over te hoeven nadenken.

In de kunstBewerken

Zie ookBewerken