Hoofdmenu openen
Galilea en Judea ten tijde van Jezus

Het Openbaar optreden van Jezus begint met het Doopsel van Jezus in de Jordaan door Johannes de Doper en eindigt met het Passieverhaal, zijn lijden, sterven en verrijzen.[1] . Volgens het Evangelie volgens Lucas hoofdstuk 3 vers 23, staat : Jezus begon zijn verkondiging toen hij ongeveer dertig jaar was.[2]

Doop en verzoekingBewerken

Jezus werd gedoopt in Bethanië aan de overkant van de Jordaan (Jo 1:28) en de Geest daalde op hem neer in de vorm van een duif (Jo 1:32-33). Vervuld van de Heilige Geest trok Jezus weg van de Jordaan en geleid door de Geest, zwierf hij veertig dagen rond in de woestijn, waar hij door de duivel op de proef werd gesteld. (Lc 4:1-2).

In GalileaBewerken

 
Wonderbare visvangst van Pieter van Edingen (II), 16de eeuw

Nadat Johannes de Doper gevangen was genomen, ging Jezus naar Galilea. (Mc 1:14) In Galilea, gaf hij er onderricht in de synagogen, verkondigde het goede nieuws van het Koninkrijk van God en genas iedere ziekte en kwaal onder het volk. Allen, die ergens aan leden en die gekweld werden door ziekte of door pijn, bezetenen, maanzieken en verlamden werden bij hem gebracht. Allen werden door hem genezen. (Mt 4:23-24)

Aan het meer van Galilea ontmoette Jezus zijn eerste leerlingen, zij waren vissers en hij zij : "Kom volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken". (Mt 4:19). Het verhaal van de Wonderbare visvangst zet deze oproep kracht bij.(Lc 5:1-11)

Nadat hij zijn twaalf apostelen had aangesteld (Lc 6:13-16), onderrichtte hij hen, de pijlers van de Christelijk ethiek (Mt 5-7) en lichtte de Blijde boodschap toe met een waaier van parabels. Onder zijn volgelingen waren er ook enkele vrouwen, waaronder Maria Magdalena. (Lc 8:2-3)

Na de onthoofding van Johannes de Doper trok hij zich terug in de plaats Betsaïda, maar de mensen kwamen het te weten en volgden hem. De toeloop was enorm, meer dan vijfduizend.(Lc 9:10-17).

Nadat Jezus het geloof van zijn apostelen had getest (Mt 14:25-34), zond hij hen uit om het Koninkrijk Gods te prediken. (Lc 9:2). Naast de apostelen wees Jezus zeventig anderen aan en zond hen twee aan twee voor zich uit naar elke stad en plaats waarheen hijzelf van plan was te gaan. (Lc 10:1-24)

Naar JeruzalemBewerken

Op weg naar Jeruzalem beklom Jezus samen met Petrus, Jakobus en Johannes een hoge berg. Daar onderging Jezus voor hun ogen een transfiguratie en naast hem verscheen Mozes en de profeet Elia.(Mc 9:2-13) De gedaanteverandering wordt gezien als de aankondiging van Jezus' verrijzenis.

 
Lazarus, 6de eeuw mozaïek, Basiliek van Sant'Apollinare Nuovo, Ravenna

Toen Jezus hoorde dat zijn vriend Lazarus, de broer van Marta en Maria ernstig ziek was, keerde hij naar Bethanië terug. Bij zijn aankomst lag Lazarus al vier dagen in zijn graf. Jezus zei: „Neemt de steen weg en wat ik zal zeggen is, opdat zij zouden geloven dat de Heer mij heeft uitgezonden.” Hij riep met een luide stem: „Lazarus, kom naar buiten!” De man, die dood was geweest, kwam naar buiten, zijn voeten en handen met zwachtels omwonden en een doek om zijn gelaat gebonden. (Jo 11-12:1-8)

In Jericho verbleef hij in het huis van de hoofdtollenaar Zacheüs, tot ongenoegen van zij die de man kenden.(Lc 19:1-10) Ook vertelde hij zijn leerlingen wat er hem te wachten stond, eenmaal in Jeruzalem aangekomen. (Lc 18:31-34)

In JeruzalemBewerken

 
Jezus op de ezel, Adriaen van Wesel, ca. 1490, Catharijneconvent, Utrecht

Toen de grote schare, die naar het feest was gekomen, de volgende dag hoorde dat Jezus naar Jeruzalem kwam, namen zij palmtakken en gingen hem tegemoet. Ze riepen : "Hosanna ! Gezegend is hij die komt de naam van de Heer, de koning van Israël!” Jezus vond een jonge ezel, ging erop zitten en reed Jeruzalem binnen (Jo 12 : 12-14). Vervolgens ging hij de tempel binnen, wierp allen die in de tempel verkochten en kochten eruit en keerde de tafels van de geldwisselaars en de banken van de duivenverkopers om. En hij zei tot hen: „Er staat geschreven: ’Mijn huis moet een huis van gebed zijn, maar jullie maken het tot een rovershol.” (Mt 21: 12-13).

Later gaf hij ook onderricht in de tempel. De overpriesters en de Schriftgeleerden en de oudere mannen kwamen naar hem toe en zeiden tot hem: „Met welke autoriteit doet u deze dingen? Of wie heeft u die autoriteit gegeven om deze dingen te doen?” (Mc 11:27-28). Telkens zette hij hen voor schut. De overpriesters en de Schriftgeleerden hadden er genoeg van en zochten naar een doeltreffende manier om hem uit de weg te ruimen, maar zij waren bevreesd voor het volk. Zo kwamen ze bij Judas Iskariot, een van de twaalf apostelen (Lc 22:2-6). Judas vroeg : „Wat geef je mij als ik hem verraad?”. Ze antwoordden "dertig zilverstukken" (Mt 26:15)

PassieverhaalBewerken

  Zie Goede Week voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Zie ookBewerken