Hoofdmenu openen

Associatie van struikhei en stekelbrem

(Doorverwezen vanaf Genisto anglicae-Callunetum typicum)

De associatie van struikhei en stekelbrem of struikhei-stekelbremassociatie (Genisto anglicae-Callunetum) is een associatie van het Verbond van struikhei en kruipbrem, een plantengemeenschap gekenmerkt door een droge heidevegetatie met overwegend struikhei.

Associatie van struikhei en stekelbrem
Struikhei-stekelbremvegetatie, Polen
Struikhei-stekelbremvegetatie, Polen
Syntaxonomische indeling
Klasse:Calluno-Ulicetea (Droge heiden)
Orde:Calluno-Ulicetalia (Struikheide-orde)
Verbond:Calluno-Genistion pilosae (Struikhei en kruipbrem)
Associatie
Genisto anglicae-Callunetum
Tüxen, 1937

Inhoud

Naamgeving, etymologie en coderingBewerken

  • Synoniemen: Genisto anglicae-Callunetum
  • Nederlands: Struikhei-stekelbremassociatie, struikheide-stekelbremassociatie
  • Duits: Sandginsterheide
  • Syntaxoncode (Nederland): 20Aa1

De naam Genisto anglicae-Callunetum is afgeleid van de wetenschappelijke namen van twee kensoorten binnen de associatie, de struikhei (Calluna vulgaris) en de stekelbrem (Genista anglica).

KenmerkenBewerken

AlgemeenBewerken

De struikhei-stekelbremassociatie is algemeen op voedselarme zand- of zandleemgronden met een min of meer uitgesproken podzolbodem. Meestal is er wel een dunne, halfverteerde humuslaag. De aanwezige voedselrijkdom en de vochtigheid van de bodem bepalen welke sub-asscociatie precies voorkomt.

Deze vegetaties zijn slechts halfnatuurlijk, zonder menselijk ingrijpen wordt zij op den duur verdrongen door bos. De meeste heidevegetaties worden reeds vanaf de Middeleeuwen in stand gehouden door de mens, door het kappen van het bos, beweiden met schapen en het weghalen van het strooisel voor de stal.

De climaxvegetatie op deze bodem is meestal een eiken-berkenbos (Betulo-Quercetum).

StructuurBewerken

Stuikhei-stekelbremvegetaties vormen een zeer soortenarme begroeiing, met struikhei als aspectbepalende soort. Vooral hogere planten schitteren door hun afwezigheid.

De boomlaag is net als in de meeste heidevegetaties volledig afwezig. De struiklaag is wel vertegenwoordigd, onder de vorm van dwergstruiken als de struikhei zelf en enkele bremsoorten.

De kruidlaag is bijzonder arm in soorten, slechts enkele grassen, naast de veel zeldzamere wolfsklauwen.

Op open plaatsen kan de moslaag zich goed ontwikkeld, met overwegend bladmossen en lichenen.

Waar het terrein natter wordt, kan de struikhei-stekelbremassociatie geleidelijk overgaan in de dophei-associatie. Op die plaatsen komen struikhei en dophei naast elkaar voor. Dikwijls zijn dit ook de plaatsen waar beide soorten het best floreren.

OnderverdelingBewerken

In de struikhei-stekelbremassociatie worden in Vlaanderen nog drie sub-associaties onderscheiden.

Sub-associatie typicumBewerken

De meest bekende en verbreidde van de drie sub-associaties. Ze wordt gekenmerkt door de absolute dominantie van struikhei, wat in de late zomer het typische beeld geeft van de 'purperen heide'. Andere hogere planten zijn er nauwelijks te vinden.

Deze sub-associatie komt voor op de meest droge, voedselarme zandgronden, met een uitgesproken podzol-profiel, een laag onverteerde humus (mor-humus) en een zeer lage grondwaterstand.

Sub-associatie sieglingietosumBewerken

Een sub-associatie met in verhouding een grote soortenrijkdom aan grassen en met verschillende bremsoorten.

Ze komt voor op iets voedselrijkere zandleemgronden met een beter verteerde humuslaag (moder-humus), die meer vocht ophoudt. Dit is een vegetatie die men dikwijls langs paden in de droge heide vindt.

De benaming is afkomstig van de wetenschappelijke naam van het tandjesgras (Sieglingia decumbens), een differentiërende soort voor deze sub-associatie ten opzichte van typicum.

Sub-associatie cladonietosumBewerken

Een open dwergstruikenvegetatie op een zeer droge en humusarme bodem. Op dergelijke plaatsen zijn vooral mossen en lichenen aspectbepalend, en de soortendiversiteit van deze mossen kan bijzonder hoog zijn.

Deze gemeenschap is typisch voor gestabiliseerde duinen waaruit alle strooisel verdwenen is.

De benaming is afkomstig van het geslacht Cladonia, de rendier- en bekermossen, differentiërende soorten voor deze sub-associatie ten opzichte van typicum

SoortensamenstellingBewerken

De associatie heeft voor België en Nederland als belangrijkste soorten:

BoomlaagBewerken

Geen soorten

 
Struikhei
 
Stekelbrem

StruiklaagBewerken

Kensoort Diff.soort Abundantie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
kA A/F Stekelbrem Genista anglica
kA A/F Kruipbrem Genista pilosa
kK D Struikhei Calluna vulgaris
kK O Gaspeldoorn Ulex europaeus niet in Nederland
O Duitse brem Genista germanica
O Brem Cytisus scoparius
 
Grote wolfsklauw
 
Klein warkruid
 
Tandjesgras

KruidlaagBewerken

Kensoort Diff.soort Abundantie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
kA Z Kleine wolfsklauw Lycopodium tristachyum
kA Z Klein warkruid Cuscuta epithymum
kV Z Grote wolfsklauw Lycopodium clavatum
dA Fijn schapengras Festuca ovina subsp. tenuifolia
F Grote bremraap Orobanche rapum-genistae
dS Tandjesgras Sieglingia decumbens sub-associatie sieglingietosum
dS Tormentil Potentilla erecta sub-associatie sieglingietosum
dS Pilzegge Carex pilulifera sub-associatie sieglingietosum
dS Borstelgras Nardus stricta sub-associatie sieglingietosum
 
Ruig haarmos
 
Cladonia
 
Boskronkelsteeltje

MoslaagBewerken

Kensoort Diff.soort Abundantie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
kK F Heideklauwtjesmos Hypnum jutlandicum
dK Gewoon gaffeltandmos Dicranum scoparium
dK Bronmos Pleurozium schreben
dA A/F Ruig haarmos Polytrichum piliferum
dS A/F Cladonia Cladonia sp. sub-associatie cladonietosum
dS F Peermos Pohlia nutans sub-associatie cladonietosum
dS F Boskronkelsteeltje Campylopus flexuosus sub-associatie cladonietosum
dS F Gewoon kronkelsteeltje Campylopus pyriformis sub-associatie cladonietosum
dS F Open rendiermos Cladina portentosa sub-associatie cladonietosum

FaunaBewerken

De droge heide met zijn warme microklimaat is vooral interessant voor reptielen en insecten. Vooral de vegetaties van de subassociatie sieglingietosum, waarbij open warme plekken afgewisseld worden met dichte vegetatie zijn interessant.

Soorten als de zandhagedis en de gladde slang komen praktisch enkel op dergelijke terreinen voor. Ook de hazelworm is er te vinden.

Ook veel ongewervelden, vooral vlinders zoals de heivlinder en de kleine vuurvlinder, sluipwespen als de grijze spinnendoder, mestkevers en sprinkhanen prefereren droge heideterreinen. Veel van deze soorten zijn door het verdwijnen van deze terreinen zeldzaam geworden.

Verspreiding en voorkomenBewerken

De verspreiding van de struikheidestekelbremassociatie is beperkt tot de Atlantische provincie: de kuststrook van West-Europa, Groot-Brittannië en Ierland. Het is een typische vegetatie die zich thuis voelt in streken met een maritiem klimaat, met hoge luchtvochtigheid, niet te warme zomers en geen strenge winters.

In België is ze te vinden in de heidegebieden van de Antwerpse Kempen (onder andere in de Kalmthoutse Heide in Kalmthout, het Groot Schietveld in Brasschaat en het Turnhouts Vennengebied), en in Limburg (onder andere in de Hoge Kempen).

Bedreiging en beschermingBewerken

Net als de dopheide-associaties zijn de meeste struikheide-stekelbremassociaties geen climaxvegetatie. Ze zijn ontstaan ten gevolge van oude landbouwsystemen, waar na ontbossen en afbranden de overblijvende, onbebouwde grond werd gebruikt voor begrazing door schapen. Plaggen en strooisel van de heidegronden werden met mest uit de stal op het bouwland gebracht als compost. Heideplaggen deden ook dienst als bouwmateriaal of brandstof.

Ze vragen dus regelmatig beheersmaatregelen om te blijven bestaan, zo niet treedt vrij snel verbossing op. De verwaarlozing van dit beheer is een eerste belangrijke bedreiging.

Een tweede belangrijke bedreiging, die zelfs bij een goed heidebeheer voor problemen zorgt, is de vergrassing. Vooral het pijpenstrootje en de bochtige smele dreigen op vele plaatsen de droge heide te overwoekeren. Er zijn verschillende oorzaken voor de toenemende vergrassing, die elkaar versterken.

Ten eerste is er de overbemesting door nabijgelegen landbouwgronden en door atmosferische stikstofdepositie. Ook de struikhei profiteert van een hoger voedselaanbod, maar als gevolg hiervan wordt de strooisellaag tussen de planten dikker. En deze strooisellaag is nefast voor de zaden van de struikhei, die naakte bodem nodig hebben om te kiemen.

Een tweede probleem is dat deze strooisellaag ideaal is voor de ontwikkeling van het heidehaantje, een keversoort die leeft van de bladeren van de struikhei, regelmatig plagen veroorzaakt en dan zware schade kan toebrengen aan de droge heide.

De derde algemeen aanvaarde oorzaak van de vergrassing is de zure neerslag, die nefast is voor vegetatie op een reeds zure bodem, en die eveneens de struikhei verzwakt.

Het beheer of de herontwikkeling van de droge heide moet dus gericht zijn op twee punten: Voor de instandhouding van de struikheide-stekelbremassociatie zijn twee soorten beheersmaatregelen nodig:

  • het tegengaan van de natuurlijke successie door het regelmatig kappen van de boomopslag;
  • het tegengaan van de eutrofiëring door verschillende ingrepen zoals het maaien van de kruidlaag, begrazen, afbranden van de vegetatie en/of het plaggen van de toplaag van de bodem.

De keuze van de (combinatie van) beheersmaatregelen zal onder meer afhankelijk zijn van de grootte en de toestand van het terrein, de beleidsopties en het beschikbare werkkracht. Vooral plaggen is erg arbeidsintensief, maar levert - indien goed uitgevoerd - binnen enkele jaren terug een gezonde vegetatie op. Plaggen kan ook gebruikt worden om een volledig verwaarloosde en vergraste heide terug interessant te maken, doordat de zaden van de struikhei in de bodem zeer lange tijd kiemkrachtig blijven.