Gastheer (biologie)

biologie
Symbiose s.l.
Soort A
← Soort B →
Voordeel
Neutraal
Nadeel
Voordeel
mutualisme,
symbiose s.s.
commensalisme parasitisme
Neutraal
· epifytisme
(bij planten)
amensalisme
Nadeel
· · concurrentie

Een gastheer of waard is in de biologie een organisme dat een ander organisme in of op zich draagt, zoals bij symbiose en parasitisme.

Parasiterende mijten op een hooiwagen.
Mijten liften mee op mestkever (transport, niet parasitair)

In de regel heeft een gastheer geen voordeel bij de samenwerking, maar heeft ook niet altijd last van zijn gast, die soms alleen gebruik maakt van een gastheer om zich te laten vervoeren. Een voorbeeld hiervan zijn parasitaire mijten die weleens op insecten gevonden worden. Ze laten zich slechts vervoeren naar bijvoorbeeld het nest of een mesthoop, om vervolgens over te springen op een andere gastheer, die soms wel geparasiteerd wordt. Bastaardschorpioenen, een groep van 1 à 2 millimeter lange spinachtigen, verplaatsen zich uitsluitend middels andere insecten, en breiden op deze manier hun habitat uit.

Tussen gastheer en gast kunnen verschillende relaties bestaan, bijvoorbeeld parasitisme, dat schadelijk is voor de gastheer, of mutualistische symbiose, waarbij beide partijen profiteren. In het laatste geval is er niet altijd sprake van gastheer en gast, en kan er sprake zijn van gelijkwaardigheid. Bij commensalisme werken twee verschillende organismen weliswaar samen, maar kunnen ze ook zonder elkaar.

Parasieten echter kunnen niet bestaan zonder gastheer, en hebben soms zelfs verschillende gastheren nodig voor hun ontwikkeling. Zo hebben veel lintwormen achtereenvolgens twee, sommigen zelfs drie gastheren. Een gastheer waarin geen geslachtelijke voortplanting van de parasiet plaatsvindt, wordt dan de 'tussengastheer' genoemd.

Teken hebben in hun ontwikkeling van larve via nimf tot imago meestal 3 gastheren, en omdat ze, in tegenstelling tot bijvoorbeeld lintwormen, schadelijke bacteriën bij zich dragen, kunnen ze ziekten overbrengen van de ene gastheer naar de volgende.

Zie ookBewerken

Voortplanting:geslachtelijke voortplanting · ongeslachtelijke voortplanting (apomixis · automixie · binaire deling · maagdelijke voortplanting · parthenogenese · vegetatieve vermeerdering) · knopvorming · mannelijk (♂) · vrouwelijk (♀) · eenslachtig · tweeslachtig () · geslachtsverdeling · eenhuizig (dichogamie · protandrie · protogynie) · tweehuizig
Metamorfose:gedaanteverwisseling (volledige gedaanteverwisseling - onvolledige gedaanteverwisseling) · ei · larve · nimf · instar · subimago · imago · pop · vervelling
Parasitisme:parasiet · vector · tussengastheer · tussenwaardplant · waard / gastheer · waardplant · endoparasiet · ectoparasiet
Mijlpalen:gameet (eicel, zaadcel) → bevruchting (plasmogamiekaryogamie) → zygotemeiose (reductiedeling)
Generatiewisseling:monogenetische cyclus · digenetische cyclus · trigenetische cyclus · gametofoor · gametofyt · gametogenese · generatie · spore · sporofyt · voorkiem
Kernfasewisseling:« kernfase · haplofase · diplofase » · « haplofasische cyclus · haplont · diplofasische cyclus · diplont · diplohaplofasische/heterofasische cyclus · diplohaplont » · « haploïdie · diploïdie · dikaryon »
Meiotische deling:gametische meiose · intermediaire of sporische meiose · zygotische meiose
Ploïdie:haploïdie · diploïdie (diploïdisatie) · triploïdie · tetraploïdie · hexaploïdie · octoploïdie · euploïdie (alloploïdie · autoploïdie) · aneuploïdie
Afwisseling van individuen:haplobiont · diplobiont