Levenscyclus (zaadplanten)

Zie Levenscyclus (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Levenscyclus.

De levenscyclus van zaadplanten wordt gewoonlijk anders beschreven dan in termen van kernfasewisseling en generatiewisseling. De levenscyclus bij zaadplanten loopt van zaad tot zaad.[1]:p.85-96. De levenscyclus van de hogere plant.

Zaden en zaadvormingBewerken

Levenscyclus van zaadplanten
zaad  →  verspreiding,
dormancy, kieming
 →  kiemplant
generatieve
voortplanting
groei
voortplantings-
stadium
ontwikkeling van
voortplantingsorganen
jeugd-
stadium
veroudering vegetatieve voortplanting,
en verjonging
ouderdoms-
stadium

De zaden vormen de belangrijkste diasporen van de zaadplanten (naaktzadigen en bedektzadigen). De bedektzadigen vormen vruchten met zaden, die voor de verspreiding kunnen zorgen. De verspreiding (disseminatie) van de zaden (en van de eenzadige vruchten) begint met het verlaten van de moederplant.

Sommige zaden kennen een dormancy (rusttoestand), waarin zij een ongunstige periode (zoals droge periode, winter) kunnen overleven. De dormancy kan gebroken worden door toetreden van vocht (scarificatie), door een koudeschok of door een combinatie (koude stratificatie).

Terend op zijn reservestoffen ontkiemt het zaad tot een kiempje met een spruit en een worteltje. In het jeugdstadium ontwikkelen zich stengels en wortels en bladeren, gaat de plant water en voedsel opnemen voor de fotosynthese. Met een gewoonlijk sterke groei wordt het voortplantingsstadium bereikt, en kan de plant zich vegetatief en/of generatief vermeerderen.

Bij monocarpische planten of hapaxanten (planten die gedurende hun leven slechts eenmaal bloeien) luidt de zaadvorming het afsterven van de plant in. Planten die meerdere malen kunnen bloeien en vruchtzetten zijn de overblijvende of polycarpische planten. Deze overblijvende planten kunnen zich veelal goed vegetatief vermeerderen.

Door verouderingsverschijnselen is de levensduur van dergelijke planten bij veel soorten niet onbeperkt, maar sommige boomsoorten zeer hoge leeftijden kunnen bereiken, van vele honderden tot enkele duizenden jaren.

Kieming en kiemplantBewerken

  Zie ook Zaad, Kieming en Kiemplant.

Een kiemplant is een jonge plant, die zich ontwikkelt uit het embryo in het zaad. De ontwikkeling van de kiemplant begint met de kieming van het zaad.

Een kiemplant van de tweezaadlobbige bestaat uit de kiemwortel, het hypocotyl (het stengeldeel onder de zaadlobben) en de zaadlobben.

Bij een eenzaadlobbige kiemplant komt als eerste het coleoptyl (een buisvormige structuur) boven de grond. Hierin zit het eerste blaadje. Grasachtigen zoals granen, mais en gras zijn voorbeelden van eenzaadlobbigen. Ook bloemen als lelies, orchideeën, tulpen en narcissen behoren tot deze groep van planten. Kiemplanten van orchideeën hebben helemaal geen zaadlobben en worden daarom wel 'acotyledonen' genoemd.

De kiemplanten van naaktzadigen hebben een gevarieerde bouw. Zo kunnen kiemplanten van dennensoorten tot twintig zaadlobben hebben.

Jeugdstadium en volwassen stadiumBewerken

Levenscyclus en levensduur van zaadplanten

Nadat de zaadlob(en) verschenen zijn, komt het eerste ware blad tevoorschijn, begint het jeugdstadium van de plant en gaat de kiemplant over is de fase van de zaailing.

Typen van reproductie bij zaadplanten zijn: geslachtelijke voortplanting (seksuele reproductie) en ongeslachtelijke voortplanting (aseksuele reproductie). Van geslachtelijke voortplanting is sprake als de voortplanting plaatsvindt met ontwikkeling van voortplantingsorganen, zaden en vruchten door middel van twee ouder-planten. Van ongeslachtelijke voortplanting spreekt men bij vegetatieve voortplanting bij slechts een enkele ouder-plant.

Ongeslachtelijke voortplantingBewerken

 
Zandzegge met met ondergrondse stolonen.

Vrijwel alle planten kunnen zich ongeslachtelijk voortplanten, zoals door sporevorming (bij mossen en varens), agamospermie, apomixis, automixie, binaire deling, parthenogenese of maagdelijke voortplanting en door vegetatieve vermeerdering.

Ongeslachtelijke voortplanting kan bij zaadplanten op veel verschillende manieren plaatsvinden, zoals met stolonen (uitlopers), wortelstokken en broedbollen. Ze produceren bollen, knollen, okselknolletjes of broedknoppen.

Sommige plantensoorten, zoals paardenbloem of veldbeemdgras, kunnen zich ongeslachtelijk via zaad voortplanten. Dit wordt apomixis genoemd.

De mens heeft daar nog verschillende technieken voor vegetatieve vermeerdering aan toegevoegd, zoals stekken, enten, afleggen, klonen, oculeren en weefselkweek.

Populaties lopen bij geslachtelijke voortplanting het risico goede eigenschappen kwijt te raken of onvoordelige te ontwikkelen. Ongeslachtelijke voortplanting heeft als nadeel dat de genetische variatie binnen een populatie beperkt blijft. Aanpassingen zijn pas functioneel bij wijzigende milieuomstandigheden. Bij ongeslachtelijke voortplanting is er echter geen genetisch verschil tussen ouderplant en de nakomelingen. Bij somatische mutaties kunnen echter wel verschillen ontstaan.

Geslachtelijke voortplantingBewerken

Vorming van reservestoffen
bij bedektzadigen
    • zaadknop (ovulum)
      • 1-2 integumenten met micropyle
      • nucellus = macrosporangium
        • perisperm (2n)
        • kiemzakmoedercel = embryozakmoedercel =
           macrosporemoedercel = macrosporocyt
           meiose
          • macrosporetetrade (1n, haploïde)
            • 3 macrosporen †
            • 1 functionele macrospore = kiemzakkern
              • macroprothallium (≈ "embryozak")
                • 3 antipoden,
                • 2 synergiden
                • eicel of eikern (ovum)
                  bevruchting ( ♂ gamete)
                  • zygote (2n, diploïde)
                    • embryo
                      • kiemdrager (suspensor)
                      • worteltje
                      • 2 zaadlobben (cotylen)
                      • spruit
                • 2 polaire celkernen
                  • secundaire embryozakkern (2n)
                    dubbele bevruchting ( ♂ gamete)
                    • secundair endosperm (3n, triploïde)
          • primair endosperm (1n, haploïde)
  • Verklaring:
    opslagplaats voor reservestoffen

    De organen voor geslachtelijke voortplanting van zaadplanten staan bij elkaar in kegels of in bloemen. De mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen staan in een volledige bloem bij elkaar, of staan gescheiden in mannelijke en vrouwelijke bloemen.

    Zaadplanten planten zich geslachtelijk voort door middel van zaden en vruchten (met daarin de embryo's van de nakomelingen). De zich geslachtelijk voortplantende zaadplanten kunnen worden ingedeeld naar hun levensduur[2].

    De hoofdonderverdeling in monocarpische planten en overblijvende planten is naar het aantal malen dat de plant gedurende zijn hele leven bloeit. Aan de hand van de bouw, met name aan het wortelgestel, valt gewoonlijk de levensduur van de plant in te schatten.

    Monocarpische, eenmaal bloeiende planten worden gekenmerkt doordat alle spruiten fertiel (bloem- of vruchtdragend) zijn, de stengels en verhout maar kruidachtig zijn, en de wortels niet zeer sterk ontwikkeld zijn.

    Overblijvende, meermalen bloeiende planten hebben veel steriele spruiten, wortelstokken of uitlopers, de stengels zijn verhout en/of de wortels zijn goed ontwikkeld.

    Zaadplanten hebben voor de kieming van de zaden en de eerste levensfase van de kiemplant meestal reservestoffen, die bestaan uit zetmeel, vetten en eiwitten. Deze bevinden zich in bepaalde weefsels in de zaden van zaadplanten. De reservestoffen zijn afkomstig van fotosynthese en verdere assimilatie door de ouderplant. Ze zijn nodig voor de groei en ontwikkeling van het planten-embryo, en vervolgens voor de kieming en de groei van de jonge plant.

    Verspreiding van diasporenBewerken

    Het zaad van zaadplanten bestaat uit uitgegroeide zaadknoppen. Bij naaktzadigen staan de zaadknoppen vrij op een asje (steeltje) of op een schub, bij bedektzadigen staan 1 of meer zaadknoppen in het vruchtbeginsel en zijn daar omsloten door vruchtbladen. Rijpe zaden bevatten het embryo, dat kan uitgroeien tot een kiemplant. Bij veel soorten van bedektzadigen kan het vruchtbeginsel met zaadknoppen in de bloem uitgroeien tot een vrucht. Meerdere onderdelen van de bloem kunnen deelnemen aan de vorming van de 'vrucht' (schijnvrucht).

    Zaden kunnen op een natuurlijke wijze worden verspreid, zoals door de plant zelf, door de wind, water, dieren maar ook door de mens. Zaden kunnen ook mechanisch verspreid worden.[1]:p.86-89.

    Verspreiding door de plant zelfBewerken

    Verspreiding door de plant zelf wordt ook wel autochorie genoemd. Het mechanisme is mechanisch of fysiologisch.

    Mechanisch verspreiding. Bij de ooievaarsbeksoorten en springzaadsoorten, zoals reuzenbalsemien, springen de vruchten bij aanraking zodanig open dat de zaden weggeschoten worden, 'ballistochorie'. Bij viooltjes en wolfsmelksoorten springt de doosvrucht open bij droogte en worden de zaden weggeslingerd.

    Fysiologisch verspreiding. Bij de springkomkommer worden bij aanraking de zaden weggespoten.

    WindverspreidingBewerken

     
    Vruchten van paardenbloem.

    Verspreiding door de wind wordt anemochorie genoemd. Door speciale aanhangsels aan de vrucht, het zaad of zaadvormen kan de wind het zaad verspreiden. Zo zit bijvoorbeeld aan de vrucht van de paardenbloem een soort parapluutje, het pappus of vruchtpluis. Het pappus is in feite de bloemkelk en kan de vorm van pluis, een kransje van schubben of een soort kroontje aannemen. Het vruchtpluis zit vast op een steeltje (het rostrum), daaronder zit de piramide en het vruchtlichaam. Dit laatste heeft ribben en bevat veelal stekels aan de bovenkant.

    Ook zijn er veel planten gevleugelde vruchten zoals bij de esdoorn (Acer) en linde (Tilia).

    Zeer fijn zaad zoals bij tabak, orchideeën of bremraap wordt ook door de wind verspreid.

    Verspreiding door waterBewerken

     
    Kiemende kokosnoot op het strand, Hawaii.

    Verspreiding door water heet hydrochorie.

    Sommige zaden kunnen makkelijk blijven drijven door luchtholten in de wand of een waterdichte wand en kunnen langs oevers tot ontkieming komen; dit zijn de 'nautohydrochoren'. Dit komt voor bij de zaden van de els en kokosnoot. Bij overstromingen kunnen de zaden verder landinwaarts terecht komen.

    Bij 'ombrohydrochoren' gebeurt de verspreiding door spatwater van opvallende regendruppels.

    Verspreiding door dierenBewerken

     
    Myrmecochore (door mieren verspreid) zaden van stinkende gauwe met mierenbroodje.

    Verspreiding door dieren wordt zoöchorie genoemd. Typen van zoöchorie zijn verspreiding door mieren myrmecochorie of door de mens anthropochorie.

    Vogels dragen in belangrijke mate bij aan de verspreiding van zaden door het eten van bessen en andere soorten vruchten en door het verslepen van noten. Van gaaien is het bekend dat deze in het najaar eikels begraven, om later te kunnen foerageren van de zaadlobben van de gekiemde eikels: 'ornithochorie'. Er zijn ook zaden van sommige plantensoorten die eerst door het maag-darmkanaal van een vogel gegaan moeten zijn alvorens te kunnen kiemen. De loewak, een civetkatachtige, eet de bessen van de koffie. Het vruchtvlees wordt verteerd, maar de pit blijft intact en passeert het maag-darmkanaal.[3]

    Omdat aan sommige 'myrmecochore' zaden een mierenbroodje (elaiosoom) zit, worden deze door mieren versleept. Een voorbeeld zijn de zaden van holwortel.

    Ook zoogdieren en reptielen verspreiden zaden door het eten van bessen, het verslepen van noten of het in hun vacht meenemen van klitten of zaden. De zaden van kleefkruid hechten zich makkelijk aan veel materialen.

    Levensduur en ouderdomsstadiumBewerken

    Levenscyclus en levensduur van zaadplanten

    De planten die afsterven na de eerste bloei en zaadzetting, de monocarpische planten of hapaxanten, zijn de eenjarige planten, de tweejarige planten en de meerjarige planten, afhankelijk van of de bloei plaatsvindt binnen een jaar na het kiemen, of in het volgende jaar, of pas meer jaren later. Aan de hand van de bouw van de plant, met name van het wortelgestel, valt vaak de levensduur in te schatten.

    Als alle spruiten fertiel (bloem- of vruchtdragend) zijn, de stengels niet verhout zijn, en de wortels niet zeer sterk ontwikkeld zijn, gaat het om een monocarpische, eenmaal bloeiende plant.

    Als er veel steriele spruiten, wortelstokken of uitlopers zijn, als de stengels verhout zijn en/of als de wortels goed ontwikkeld zijn, gaat het om een overblijvende, polycarpische, meermalen bloeiende plant.

    Monocarpische plantenBewerken

    Monocarpische planten, ook wel hapaxanten of semelpare planten genoemd, bloeien slechts eenmaal. Het kenmerk is dat de plant zich slechts één maal in zijn leven voortplant. Na de bloei en de vruchtzetting sterft de plant af. Een verdere onderverdeling is afhankelijk er van of de plant zijn gehele levenscyclus afwikkelt binnen een jaar, in twee jaar of daar meer jaren voor nodig heeft in eenjarige planten, tweejarige planten en meerjarige planten.

    Eenjarige planten, annuellen of therofyten ( ) voltooien hun levenscyclus van kieming tot zaadvorming binnen één jaar. Als voorbeeld kunnen de akkeronkruiden gelden, die binnen een jaar zaad moeten zetten. Veel soorten overwinteren als zaad of als kiemplant.

    Tweejarige planten ( ,   ) leven twee jaar waarbij de planten in het eerste jaar kiemen en groeien. In het tweede jaar bloeien de planten en produceren ze zaad, hierna sterven de planten af.

    Meerjarige planten ( ) doen verscheidene jaren over hun ontwikkeling, maar aan het eind daarvan bloeien ze slechts een maal. Bekende voorbeelden zijn een aantal bamboe's die na een lange periode van vegetatieve groei eenmaal bloeien en dan afsterven.

    Overblijvende plantenBewerken

    Overblijvende planten, ook wel polycarpische planten of pollakanten bloeien meermalen gedurende hun leven. Deze planten hebben vaak een vertakte hoofdwortel, al of niet verhoute stengels en niet-bloeiende (vegetatieve) stengels en kunnen meerdere malen in hun leven bloeien. De planten gebruiken de opgevangen zonne-energie in hun jeugdstadium om vegetatief te groeien. Ongeslachtelijke voortplanting komt meestal ook voor bij deze overblijvende soorten. De belangrijkste verdere onderverdeling is naar secundaire diktegroei, dus de af- of aanwezigheid van een verhoute stengels, takken of stammen in vaste planten (overblijvende kruiden) en houtige planten.

    Vaste planten ( ) zijn kruidachtige (dus niet-verhoute), overblijvende zaadplanten, die meer dan eenmaal tijdens hun levensduur kunnen bloeien én langer dan twee jaar leven.

    De houtige planten ( ) worden gekenmerkt door secundaire diktegroei, waardoor de takken, stammen en wortels veel hout (secundair xyleem) bevatten. Hieronder vallen bomen, die in het algemeen een onderscheid hebben tussen de (hoofd-)stam en de takken. Ze groeien dan uit tot boven de een- tot meerjarige planten, waardoor ze een gunstige concurrentiepositie veroveren door betere mogelijkheden tot het opvangen van zonlicht. Houtige planten, vooral bomen, kunnen een hoge levensduur bereiken. De vrijwel onbeperkte levensduur van sommige boomsoorten kan bereikt worden door de vorming van nieuwe organen (stengels, wortels en bladeren) ter vervanging van verloren gegane organen. De struiken (ook wel 'heesters') worden gekenmerkt doordat ze zich onmiddellijk boven of al in de grond vertakt in een aantal takken. Lianen zijn verhoute klimplanten, maar ze hebben steun nodig van andere planten om omhoog te groeien.

    Zie ookBewerken

    Levenscyclus en voortplanting van organismen
    Ongeslachtelijke voortplanting:apomixis · automixie · binaire deling · maagdelijke voortplanting · parthenogenese · vegetatieve vermeerdering · knopvorming
    Geslachtelijke voortplanting:mannelijk (♂) · vrouwelijk (♀) · eenslachtig · tweeslachtig () · geslachtsverdeling · eenhuizig (dichogamie · protandrie · protogynie) · tweehuizig
    Metamorfose:gedaanteverwisseling (volledige gedaanteverwisseling - onvolledige gedaanteverwisseling) · ei · imago · instar · larve · nimf · pop · subimago · vervelling
    Parasitisme:ectoparasiet · endoparasiet · gastheer · gastheerwisseling · infestatie · parasiet · tussengastheer · tussenwaardplant · vector · waard · waardplant
    Mijlpalen:gameet (eicel, zaadcel) → bevruchting « plasmogamiekaryogamie » → zygote; meiose, reductiedeling
    Generatiewisseling:monogenetische cyclus · digenetische cyclus · trigenetische cyclus · gametofoor · gametofyt · gametogenese · generatie · spore · sporofyt · voorkiem
    Kernfasewisseling:« kernfase · haplofase · diplofase » · « haplofasische cyclus · haplont · diplofasische cyclus · diplont · diplohaplofasische/heterofasische cyclus · diplohaplont » · « haploïdie · diploïdie · dikaryon »
    Meiotische deling:gametische meiose · intermediaire of sporische meiose · zygotische meiose
    Ploïdie:haploïdie · diploïdie · diploïdisatie · fractionatie · triploïdie · tetraploïdie · hexaploïdie · octoploïdie · euploïdie (alloploïdie · autoploïdie) · aneuploïdie
    Afwisseling van individuen:haplobiont · diplobiont
    Verdere:levenscyclus (zaadplanten) · levensfase
    Levensvorm, groeivorm:boom · bladverliezend · chamefyt · dwergstruik · eenjarige plant · epifyt · fanerofyt · geofyt · grasachtige plant · groeivorm · groenblijvend · halfstruik · hapaxant · heester · helofyt · hemikryptofyt · houtige plant · hydrofyt · klimplant · kruidachtig · levensduur · levensvorm · liaan · loofboom · loofverliezend · meerjarige plant · monocarpisch · naaldboom · overblijvend kruid · overblijvende plant · pol · rozet · struik · succulent · teloomtheorie · therofyt · tweejarige plant · vaste plant · waterplant
    Wortel:bijwortel · centrale cilinder · diktegroei · endodermis · exodermis · luchtwortel · medulla · merg · penwortel · pericambium · pericykel · rhizodermis · rizoïde ·secundaire diktegroei · centrale cilinder · topmeristeem · wortel · wortelhaar · wortelmutsje · zijwortel
    Stengel, stam:bast · cambium · centrale cilinder · cladodium · cladofyl · concaulescentie · cortex · diktegroei · fyllocladium · knoop · lenticel · metatopie · stekel · stele · spil · stengel · tak · topmeristeem · schors · stam · uitloper · vertakking · wortelstok
    Blad:ader · blad · bladgroen · bladgroenkorrel · bladkussen · bladmoes · bladnerf · bladschede · bladschijf · chloroplast · bladstand · bladsteel · bladvoet · catafyl · cladoprofyllum · chlorenchym · fyllodium · fyllotaxis · hoofdnerf · kokertje · ligula · nerf · nervatuur · prefoliatie · ptyxis · steunblaadje · tongetje · tuitje · vernatie · zaadlob · zijnerf
    Bloemgameetspore:actinomorf · androecium · androfoor · androgynofoor · anthofoor · anthere · anthotaxis · bijkelk · bloemstengel · bloeiwijze · bloemgestel · bloem · bloembodem · bloembekleedsel · bloemdek · bloemdekblad · bloemkroon · bloemstengel · bractee · calyx · carpel · carpofoor · caulis · connectivum · corolla · discus · epicalyx · estivatie · filament · funiculus · gametofyt · gynoecium · gynofoor · helmbindsel · helmdraad · helmhokje · helmhokje · hoogteblad · hypanthium · hypsofyl · inflorescentie · integument · kegel · kelk · kelkblad · knopligging · kroon · kroonblad · macrospore · meeldraad · meeldraaddrager · microspore · navelstreng · nucellus · omwindsel · ovarium · ovulum · periant · perigoon · petaal · placenta · pollenbuis · receptaculum · schijf · schutblad · sepaal · sporangium · spore · sporofyl · sporophyllum · sporofyt · stamper · stamperdrager · stempel · stengel · stigma · stijl · stylopodium · strobilus · tepaal · theca · vruchtbeginsel · vruchtblad · zaadbeginsel · zaadknop · zaadknopkern · zaadlijst · zygomorf
    Zaadvruchtkieming:carpel · cotyl · cryptocotylair · embryo · endosperm · epigeïsch · fanerocotylair · hypogeïsch · integument · kieming · kiemopening · kiemwit · micropyle · micropylilaire buis · mierenbroodje · perisperm · pluimpje · schijnvrucht · vaatmerk · vrucht · vruchtbeginsel · vruchtblad · zaad · zaadhuid · zaadlijst · zaadlob · zygote
    Morfologie & anatomie:apoplast · blad · bladgroenkorrel · bladstand · bloeiwijze · bloem · bloemkroon · boomkruin · celwand · chloroplast · collenchym · cortex · cuticula · eicel · epidermis · felleem · fellogeen · felloderm · fenologie · floëem · fytografie · gameet · gametofyt · groeivorm · haar · houtvat · huidmondje · hypodermis · intercellulair · kelk · klierhaar · kurk · kurkcambium · kurkschors · levensduur · levensvorm · merg · meristeem · middenlamel · palissadeparenchym · parenchym · periderm · plantaardige cel · plastide · schors · sclereïde · sclerenchym · spermatozoïde · sponsparenchym · sporofyt · stam · steencel · stengel · stippel · symplast · tak · thallus · topmeristeem · trachee · tracheïde · tylose · vaatbundel · vacuole · vrucht · wortel · xyleem · zaad · zaadcel · zeefvat · zygote
    Plantkunde en deelgebieden
    Geobotanie (planten als onderdeel van de biosfeer)
    Plantengeografie:adventief · areaal · beschermingsstatus · bioom · endemie · exoot · flora · floradistrict · floristiek · hoogtezonering · invasieve soort · Plantengeografie · status · stinsenplant · uitsterven · verspreidingsgebied
    Paleobotanie:archeobotanie · dendrochronologie · fossiele planten · gyttja · palynologie · pollenzone · varens · veen
    Vegetatiekunde & plantenoecologie:abundantie · associatie · bedekking · biodiversiteit · biotoop · boomlaag · bos · Braun-Blanquet (methode) · broekbos · climaxvegetatie · clusteranalyse · coenocline · concurrentie · constante soort · contactgemeenschap · differentiërende soort · dwergstruweel · ecologische gradiënt · ecologische groep · Ellenberg-indicatorwaarde · gemeenschapsgradiënt · grasland · heide · kensoort · kruidlaag · kwelder · minimumareaal · moeras · moslaag · ordinatie · pioniersoort · plantengemeenschap · potentieel natuurlijke vegetatie · presentie · regenwoud · relevé · ruigte · savanne · schor · steppe · struiklaag · struweel · successie · syntaxon · syntaxonomie · Tansley (methode) · toendra · tropisch regenwoud · trouw · veen · vegetatie · vegetatielaag · vegetatieopname · vegetatiestructuur · vegetatietype · vergrassing · verlanding
    Idiobotanie (planten onder gecontroleerde omstandigheden)
    Plantenmorfologie & -anatomie:beschrijvende plantkunde · adventief · apoplast · blad · bladgroenkorrel · bladstand · bloeiwijze · bloem · bloemkroon · boomkruin · celwand · chloroplast · collenchym · cortex · cuticula · eicel · epidermis · felleem · fellogeen · felloderm · fenologie · floëem · fytografie · gameet · gametofyt · groeivorm · haar · houtvat · huidmondje · hypodermis · intercellulair · intercellulaire ruimte · kelk · kroonblad · kurk · kurkcambium · kurkschors · levensduur · levensvorm · merg · meristeem · middenlamel · palissadeparenchym · parenchym · periderm · plantaardige cel · plastide · schors · sclereïde · sclerenchym · spermatozoïde · sponsparenchym · sporofyt · stam · steencel · stengel · stippel · symplast · tak · thallus · topmeristeem · trachee · tracheïde · tylose · vaatbundel · vacuole · vrucht · wortel · xyleem · zaad · zaadcel · zeefvat · zygote
    Plantenfysiologie:ademhaling · bladzuigkracht · evapotranspiratie · fotoperiodiciteit · fotosynthese · fototropie · fytochemie · gaswisseling · geotropie · heliotropisme · nastie · plantenfysiologie · plantenhormoon · rubisco · stikstoffixatie · stratificatie · transpiratie · turgordruk · vernalisatie · winterhard · worteldruk
    Plantensystematiek:taxonomie · botanische nomenclatuur · APG I-systeem · APG II-systeem · APG III-systeem · APG IV-systeem · algen · botanische naam · cladistiek · Cormophyta · cryptogamen · classificatie · embryophyta · endosymbiontentheorie · endosymbiose · evolutie · fanerogamen · fylogenie · generatiewisseling · groenwieren · hauwmossen · kernfasewisseling · korstmossen · kranswieren · landplanten · levenscyclus · levermossen · mossen · PPG I-systeem · roodwieren · varens · zaadplanten · zeewier
    Overig
    Bijzondere plantkunde:algologie · bryologie · dendrologie · fycologie · lichenologie · mycologie · pteridologie
    Sjablonennavigatie biogeografisch · navigatie bloeiwijzen · navigatie plantenhormonen · navigatie plantkunde · navigatie stinsenplanten · navigatie fytografie bloemplanten · navigatie fytografie mossen · navigatie fytografie varens · navigatie vegetatiekunde