Hoofdmenu openen

Brexit

het uittreden van het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de Europese Unie (EU)
Actuele gebeurtenis In dit artikel wordt een actuele gebeurtenis beschreven.
De informatie op deze pagina kan daardoor snel veranderen of inmiddels verouderd zijn.

Brexit, een samentrekking van 'British exit' (Brits vertrek), is het uittreden van het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de Europese Unie (EU), volgend op een op 23 juni 2016 gehouden raadgevend referendum waarbij 51,9% van de stemmers koos voor vertrek. De Britse regering gaf op 29 maart 2017 kennis van het voornemen tot uittreden. Als gevolg hiervan zou het VK op 29 maart 2019 om 23.00 uur lokale tijd uit de EU stappen, tenzij een andere afspraak gemaakt zou worden. Op 22 maart 2019 ging de Europese Raad akkoord met een verlenging van de deadline tot 22 mei 2019 als het Britse Lagerhuis uiterlijk 29 maart 2019 het bereikte terugtrekkingsakkoord zou goedkeuren, en met een verlenging tot 12 april 2019 als die instemming tegen die datum niet verkregen zou worden.[1] Op 29 maart stemde het Lagerhuis tegen het door de Britse regering verkregen uittredingsakkoord, waarmee het VK twee weken de tijd kreeg om per direct zonder brexitakkoord uit de EU te stappen of lang uitstel te vragen om onderhandelingen te starten over een ander akkoord. Dit mondde uit in een nieuw Brits verzoek tot uitstel, waarmee de EU op 11 april 2019 instemde. Het VK kreeg tot 31 oktober 2019 de tijd om tot een akkoord te komen.

 Ligging van het Verenigd Koninkrijk binnen de Europese Unie

Inhoud

AchtergrondBewerken

  Zie ook Euroscepsis in het Verenigd Koninkrijk

Op 1 januari 1973 trad het Verenigd Koninkrijk toe tot de Europese Gemeenschappen (EG). Het Britse lidmaatschap bleef echter vanaf het begin een omstreden kwestie in het Verenigd Koninkrijk zelf. Vanaf de toetreding bleef het land stelselmatig voor zichzelf uitzonderingen bedingen op Europese regelgeving.[2] In 1975 werd er al een eerste referendum gehouden over dit lidmaatschap. Een meerderheid van het Britse volk steunde toen de continuering van het lidmaatschap.[3]

Begin 21e eeuw werd de controverse verscherpt door de uitbreiding van de EU met een aantal Oost-Europese staten in 2004. Deze zorgde voor een toename in de immigratie naar het VK, mede omdat de Britse regering besloot zonder de optionele transitieperiode arbeidsmigratie uit deze landen toe te staan.[4] In april 2016 stond de teller op drie miljoen immigranten vanuit EU-landen (nog steeds minder dan de helft van de allochtone bevolking), gemiddeld veel hoger opgeleid dan de autochtone bevolking.[5] Hoewel verdedigd met een liberaal-kosmopolitisch beroep op het "Europese ideaal", was de beslissing om immigratie maximaal toe te staan tevens ingegeven door het gebrek aan een hoogopgeleide beroepsbevolking (door jarenlange onderinvestering in onderwijs) en de wens om zo "competitiever" te worden. Dit leidde tot een anti-immigratiesentiment onder de Britse arbeidersklasse, dat tijdens en na het referendum duidelijk (soms met geweld) geuit werd.[4] Dit ongenoegen werd al eerder expliciet gemaakt in het verkiezingsprogramma van de UK Independence Party (UKIP), die in 2014 in het VK ruim een kwart van de stemmen kreeg bij de Europese verkiezingen.

Aanloop naar de brexitBewerken

  Zie Referendum in het Verenigd Koninkrijk over het lidmaatschap van de Europese Unie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Aankondiging referendumBewerken

Na de Lagerhuisverkiezingen van 2015 beloofde de herkozen premier David Cameron een bindend referendum te houden over het Britse lidmaatschap van de EU. Hiermee willigde hij een belofte in uit het verkiezingsprogramma van zijn Conservatieve Partij. Bovendien poogde Cameron zo het politieke succes van UKIP af te snijden. Het referendum werd officieel aangekondigd tijdens de Queen's Speech van 27 mei 2015.[6] Premier Cameron gaf aan voor een continuerend lidmaatschap te zijn, mits er werd tegemoetgekomen aan zijn onderhandelingsvoorwaarden. Na overleg daarover met vertegenwoordigers van de EU in Brussel gaf hij aan tevreden te zijn. Op 20 februari 2016 kondigde hij aan dat het referendum plaats zou vinden op 23 juni 2016.

Cameron liet leden van het kabinet vrij om te kiezen of ze zich bij de voor- of de tegenstanders van het officiële kabinetsstandpunt wilden aansluiten. Zestien van hen, onder wie naast Cameron zelf ook George Osborne en Theresa May, waren voor 'remain' (in de EU blijven). De vijf die kozen voor 'leave' (uit de EU stappen) waren Michael Gove, Iain Duncan Smith, John Whittingdale, Theresa Villiers en Chris Grayling. De campagne werd geleid door twee onafhankelijke organisaties: Britain Stronger in Europe en Vote Leave.

VerdeeldheidBewerken

Peilingen die werden gehouden sinds 2010 lieten zien dat het Britse volk verdeeld was over de kwestie. In november 2012 was een meerderheid voor uittreding, terwijl in juni 2015 een meerderheid aangaf voor continuering van het EU-lidmaatschap te zijn.[7][8] Een peiling met het grootste aantal respondenten ooit in het Verenigd Koninkrijk gehouden over het onderwerp (20.000 in maart 2014) had als uitslag dat 41% voor terugtreding was, 41% voor lidmaatschap en dat 18% het niet wist.[9] Als het Verenigd Koninkrijk echter betere voorwaarden zou weten te onderhandelen, zou meer dan 50% voor continuering van het EU-lidmaatschap stemmen.[10] In de maanden leidend naar het referendum verschenen er namens grote (bedrijfs)organisaties of andere sectoren van de samenleving paginagrote advertenties in de kranten met een oproep om voor of tegen het referendum te stemmen. Diverse 'celebrities' uitten zich eveneens publiekelijk als voor- of tegenstander.

Uitslag referendumBewerken

 
Referendumuitslag per district.

 Meerderheid voor in de EU blijven

 Meerderheid voor uittreden

Man en de Kanaaleilanden behoren niet tot het Verenigd Koninkrijk (en zijn geen lid van de EU); Gibraltar wel.

In de ochtend na het referendum bleek het brexitkamp te hebben gewonnen met 51,9% van de stemmen bij een opkomst van 72,2% (33,5 miljoen stemmers); 48,1% stemde voor blijven.[11]

Opvallend bij deze uitslag is het verschil tussen Engeland en Wales enerzijds, waar telkens een meerderheid van ongeveer 53% voor de brexit koos en Schotland en Noord-Ierland anderzijds, waar het "remain"-kamp een meerderheid behaalde (in Schotland zelfs in alle kiesdistricten). Ook Londen, een financieel centrum dat een groot deel van zijn omzet uit continentaal Europa haalt, stemde in meerderheid ervoor om in de EU te blijven.

Juridische nasleepBewerken

Op 14 september 2018 besliste het hooggerechtshof in het Verenigd Koninkrijk dat de kiescommissie, die moest toezien op het eerlijk verloop van het referendum, beslissingen had genomen ten faveure van de Vote Leave-campagne. De Vote Leave-beweging had de maximaal toelaatbare hoeveelheid campagnegeld al uitgegeven, maar kreeg onterecht, zo was gebleken, toestemming om onder meer £ 620.000 door te schuiven naar pressiegroepen die ook voorstanders van Brexit waren, en nu dus konden adverteren.[12]

Onmiddellijke gevolgenBewerken

Politiek leiderschapBewerken

ConservatievenBewerken

Doordat premier Cameron campagne had gevoerd voor de optie "remain" was zijn positie erg wankel geworden. Enkele uren na de definitieve uitslag maakte hij bekend uiterlijk in oktober af te zullen treden als premier en partijleider, omdat hij zichzelf niet de geschikte persoon vond om het land uit de EU te leiden.[13][14]

Van de drie actiefste brexit-voorvechters in de Conservatieve Partij stelde Boris Johnson zich niet kandidaat voor de opvolging van Cameron. Michael Gove viel in de tweede ronde af en Andrea Leadsom trok zich vervolgens terug. Daardoor werd al op 13 juli 2016 Theresa May de opvolger van Cameron als partijleider en premier. Tijdens de campagne voor het referendum had May zich in het "remain"-kamp geschaard, maar zij maakte bij haar aantreden als premier duidelijk dat voor haar de kiezersuitspraak bindend was ("Brexit means Brexit"). In september 2016 stopte Cameron ook als backbencher in het Lagerhuis.[15]

UKIPBewerken

Nigel Farage maakte op 4 juli 2016 zijn aftreden als UKIP-leider bekend, omdat – naar eigen zeggen – zijn doel was bereikt nu zijn jarenlange streven naar een brexit met succes was bekroond.

LabourBewerken

De positie van Jeremy Corbyn, de leider van de grootste oppositiepartij, de Labour Party, werd na de uitkomst van het referendum omstreden. Hij was voorstander van blijven in de EU, maar een deel van zijn fractie vond dat hij zich daarvoor onvoldoende had ingezet; Corbyn had, in tegenstelling tot de rechtse vleugel binnen zijn partij, geweigerd een standpunt in te nemen waarin blijven gepaard moest gaan met anti-immigratiemaatregelen en waarin de voordelen van de EU in puur economische termen werden beschreven.[16] De rechtse factie verlangde daarop dat hij aftrad. Toen Corbyn dat weigerde, trokken 23 van de 31 leden van zijn schaduwkabinet zich uit protest terug. Zes dagen na de uitslag van het referendum werd binnen zijn fractie een motie van wantrouwen tegen Corbyn aangenomen met 172 tegen 40 stemmen. Hij bleef echter aan als partijleider. Als reden gaf hij aan dat hij door de partijleden was gekozen, niet door de fractie. Een aangekondigde leiderschapsverkiezing was het resultaat, waarbij Owen Smith zijn uitdager was. Op 24 september 2016 bevestigde een stemming onder de partijleden dat Corbyn vooralsnog leider zou blijven.

Schotland en Noord-IerlandBewerken

 
Anti-brexit-demonstratie van de Assemblee voor Noord-Ierland

In zowel Schotland als Noord-Ierland stemde een meerderheid van de bevolking ervoor om in de EU te blijven (62% en 56%, resp.). In 2014 hield Schotland een referendum over onafhankelijkheid, waarbij 55% tegenstemde. Een belangrijk argument van het tegenkamp in dat referendum was dat de plaats van Schotland binnen de EU onzeker zou worden.[16] Daags na het brexitreferendum kondigde de Schotse SNP-regering al aan een tweede onafhankelijkheidsreferendum voor te bereiden, met een apart Schots EU-lidmaatschap als doel.[17]

Een soortgelijke situatie deed zich voor in Noord-Ierland, waar Martin McGuinness riep om een referendum over aansluiting van dit gebied bij Ierland. Hier speelde ook mee dat een Brits uittreden uit de EU de grens tussen Ierland en Noord-Ierland zou verscherpen, en dat lidmaatschap van beide gebieden in de EU onderdeel was van het Goedevrijdagakkoord.[16][18]

Voorstel voor tweede referendumBewerken

Meer dan drie miljoen mensen tekenden in de eerste dagen na het referendum een petitie voor een nieuw referendum.[19] Zij waren van mening dat er bij het vorige referendum te weinig mensen gestemd hadden en er te weinig echte voorstanders waren van een vertrek uit de EU om de uitslag geldig te verklaren. Zij vonden dat er een nieuw referendum gehouden moest worden waaraan minstens 75% van de kiesgerechtigden moest meedoen en minimaal 60% van de kiezers voor of tegen gestemd moest hebben om de uitslag geldig te verklaren.

Bij 10.000 ondertekenaars zou de regering verplicht zijn om met een reactie te komen. Bij minimaal 100.000 ondertekenaars diende het voorstel in het parlement besproken te worden.[20][21] Het is onduidelijk hoeveel Britten op rechtmatige wijze van de petitie gebruikgemaakt hebben.[22]

Op 20 oktober 2018 liepen in Londen ca. 700.000 mensen, met name jongeren, mee met de "People's Vote March", een protestmars tegen de brexit. Zij eisten een tweede referendum over de brexit, hoewel May al had aangegeven dat dit was uitgesloten.[23]

Uitstraling over EuropaBewerken

 
"Brexit-muur" in Dover (gemaakt door Banksy)

De uitslag in het Verenigd Koninkrijk leidde tot pleidooien van Europese politici om ook hun landen te laten uittreden uit de Europese Unie. Op dezelfde manier als brexit ontstond eerder al het woord "grexit", dat betrekking heeft op een eventueel uittreden van Griekenland uit de eurozone. In Frankrijk drong Marine Le Pen, de leidster van het Front National, aan op een "frexit", een standpunt waar ze later weer afstand van nam. In Italië spraken sommigen van "iexit". In Nederland vond met name PVV-leider Geert Wilders dat Nederland het Britse voorbeeld moest volgen ("nexit").

Vooralsnog zijn nationale parlementen niet geneigd gebleken daartoe referenda te organiseren.

Financiële marktenBewerken

Binnen een paar weken na de referendumuitslag deden zich grote gevolgen voor op de financiële markten. De koers van het pond zakte naar $1,30, de laagste koers sinds 1985, terwijl elders in Europa de aandelenkoersen van Deutsche Bank en Monte dei Paschi di Siena inzakten, de laatste met 80%. De rentes op Duitse en andere staatsobligaties zakten onder nul doordat beleggers massaal hun bankaandelen voor staatsschuldpapieren inruilden.[24] Wat er met de status van de Londonse City als bankenhoofdstad van Europa zou gebeuren was onzeker; Frankfurt, Parijs en Dublin wedijverden om de opvolging.[25] Veel financiële instellingen maken zich zorgen over het vertrek uit de EU vanwege het kwijtraken van de paspoortrechten om vrij diensten elders in de Europese Economische Ruimte aan te mogen bieden.[26]

PressiegroepenBewerken

In september 2016 werd de "brexit support group" opgericht onder de naam Change Britain. Tot de initiatiefnemers, afkomstig van zowel de Conservatieve Partij als Labour, behoort een aantal voormalige "vote leave"-campagnevoerders, onder wie Lagerhuislid Gisela Stuart en de oud-ministers Michael Gove, Nigel Lawson, Digby Jones en David Owen. Hun doel is het "afleveren van het referendumresultaat op de effectiefste manier". Minister van buitenlandse zaken en voormalig "Vote leave"-voorman Boris Johnson gaf te kennen dat hij het streven van de groep steunde.[27] Ook de "remain"-campagne kreeg een opvolger in de vorm van een groep politici onder de naam Open Britain. Hiervan maken onder anderen de oud-ministers Anna Soubry, Norman Lamb en Pat McFadden deel uit. Ook hier loopt het lidmaatschap dwars door de partijen heen.[28] Beide pressiegroepen hebben tot doel invloed uit te oefenen op de denkrichtingen en beslissingen van het kabinet-May inzake uittreding uit de EU.

Aanloop naar de uittredingBewerken

 
Brief van de Britse minister-president Theresa May, waarin een beroep op artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie werd gedaan.

Harde of zachte brexitBewerken

Aangezien het referendum slechts de vraag had beantwoord of de meerderheid in de EU wilde blijven of eruit wilde stappen, bleef de vraag over, wat voor relatie het Verenigd Koninkrijk na uittreding met de EU zou willen onderhouden. Er waren twee hoofdmogelijkheden: een 'harde brexit' (doorsnijden van vrijwel alle banden) of een 'zachte brexit', waarbij het VK onderdeel zou blijven uitmaken van de Europese interne markt, Euratom en/of andere aan de EU gerelateerde instituten. Een van de varianten van de 'zachte Brexit' (soft Brexit) zou het lidmaatschap van de Europese Vrijhandelsassociatie kunnen zijn, maar er werden ook diverse andere varianten genoemd.

De regerende Conservatieve Partij bleef ook na het referendum intern sterk verdeeld over de te volgen koers. Theresa May omzeilde deze verdeeldheid lange tijd door Brexit is Brexit of Brexit means Brexit ('Brexit betekent Brexit') te herhalen, soms met de toevoeging and we are going to make a success of it ('en we gaan er een succes van maken'). Het plan dat de regering-May in juli 2018 presenteerde zou een tussenvorm zijn.

Oppositiepartij Labour hield zich lang op de vlakte, tot ze begin 2018 met een plan voor een zachte brexit kwam.[29]

Artikel 50Bewerken

Artikel 50 van het Verdrag van Maastricht voorziet na het Verdrag van Lissabon (2007) in een procedure om uit te treden uit de Europese Unie. Een lidstaat kan overeenkomstig zijn grondwettelijke bepalingen besluiten zich uit de Unie terug te trekken. De Europese Raad sluit dan een akkoord met deze staat over de voorwaarden, waarbij rekening wordt gehouden met het kader van de toekomstige betrekkingen van die staat met de Unie. De Verdragen zijn niet meer van toepassing op de betrokken staat met ingang van de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na de kennisgeving van de terugtrekking.[30]

VoorbereidingenBewerken

De Europese Commissie drong bij monde van voorzitter Jean-Claude Juncker erop aan dat het Verenigd Koninkrijk zo snel mogelijk een beroep op dit artikel zou doen. Het Europees Parlement sloot zich daarbij aan. Camerons opvolger May maakte echter duidelijk dat zij dit niet voor het einde van 2016 zou doen. Eerst wilde zij haar beleid bepalen en onderhandelingsteams samenstellen. In het kabinet-May werd David Davis benoemd tot Secretary of State for Exiting the European Union (minister van Vertrek uit de Europese Unie), wat inhield dat hij leiding zou gaan geven aan de voorbereidingen en de onderhandelingen voor de brexit. In juli 2016 werd de vroegere Eurocommissaris Michel Barnier benoemd tot hoofdonderhandelaar namens de Europese Commissie voor de uittredingsgesprekken met het Verenigd Koninkrijk. Hij komt aan het hoofd te staan van een nieuwe Dienst, de Taskforce voor de voorbereiding en het verloop van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50 VEU.[31] Onderhandelaar namens het Europees Parlement wordt Guy Verhofstadt, europarlementariër en voormalig premier van België.[32]

Na het starten van de artikel-50-procedure, waartoe alleen de betrokken lidstaat (dus het VK zelf) het initiatief kon nemen, zou er twee jaar de tijd zijn om over de voorwaarden te onderhandelen en nieuwe verdragen te sluiten voordat de uittreding officieel zou zijn. In navolging van Juncker drong Donald Tusk, de voorzitter van de Europese Raad, er tijdens een eerste gesprek met May op 8 september 2016 op aan dat de onderhandelingen over de brexit zo snel mogelijk zouden beginnen.[33]

Begin oktober 2016 kondigde premier May aan dat het opstarten van artikel 50 voor eind maart 2017 zou gebeuren.[34] Nadat in het Lagerhuis enig tumult was ontstaan verzekerde zij dat het parlement de gelegenheid zou krijgen vooraf te debatteren over de te volgen strategie.[35] Op 3 november 2016 bepaalde een uitspraak van het High Court of Justice dat een beslissing van het parlement noodzakelijk was om een procedure volgens artikel 50 te kunnen opstarten.[36] De regering gaf aan dat zij tegen deze uitspraak in beroep zou gaan bij het Supreme Court (het Hooggerechtshof van het Verenigd Koninkrijk).

In november 2016 lekte via de Financial Times een memorandum uit waarin stond dat de Britse regering nog steeds geen concrete plannen had voor de uittreding, als gevolg van de verdeeldheid binnen het parlement. Verwacht werd dat er minstens 30.000 extra ambtenaren nodig zouden zijn. Volgens een regeringswoordvoerder zou het gaan om een ongevraagd advies van Deloitte waarin de regering zich niet herkende.[37]

Op 24 januari 2017 bevestigde het Supreme Court de uitspraak van 3 november 2016 van het High Court of Justice met 8 tegen 3 stemmen.[38] In reactie hierop diende David Davis op 26 januari 2017 een wetsvoorstel in bij het Lagerhuis. Deze "European Union (Notification of Withdrawal) Act", bestaande uit twee artikelen, bepaalt dat de premier artikel 50 mag inroepen in weerwil van de European Communities Act 1972 en andere wetgeving.[39] In een toelichting op het wetsvoorstel verklaarde de regering dat het tevens voorziet in uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom), een stap die de bijnaam Brexatom heeft gekregen.[40]

Begin procedureBewerken

Op 8 februari 2017 gaf het Britse Lagerhuis, met de goedkeuring van een nieuw wetsvoorstel, aan May definitief groen licht om met de onderhandelingen over de uittreding te beginnen.[41] Op 28 maart stuurde Theresa May een brief naar Donald Tusk waarmee Artikel 50 officieel in gang werd gezet. Deze brief werd op 29 maart 2017 ontvangen en gehonoreerd. De uittredingsprocedures van het Verenigd Koninkrijk waren daarmee gestart.[42] Dit is de bovengenoemde kennisgeving van de terugtrekking. De Verdragen zijn dus niet meer van toepassing op het Verenigd Koninkrijk met ingang van de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na 29 maart 2019.

Vervroegde verkiezingenBewerken

  Zie Britse Lagerhuisverkiezingen 2017 voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Om een sterker mandaat voor de onderhandelingen met de EU te verkrijgen, besloot May in april 2017 om op 8 juni vervroegde Lagerhuisverkiezingen uit te schrijven (een zogenoemde snap election). Deze verkiezingen leverden haar niet het gewenste mandaat op: in plaats van winst voor de Conservatieve Partij, verloor deze haar absolute meerderheid in het Lagerhuis, terwijl Jeremy Corbyns Labour Party een voor velen verrassende winst boekte van 30 zetels. Corbyns wankele positie binnen Labour werd door de winst gestabiliseerd. UKIP, nu zonder Farage, verdween geheel uit het Lagerhuis.

VisserijverdragBewerken

In de aanloop naar de brexit begon het Verenigd Koninkrijk op 3 juli 2017 met het opzeggen van het Visserijverdrag van Londen uit 1964, waarin het land afgesproken had dat vissers uit de landen Nederland, België, Frankrijk, Ierland en het toenmalige West-Duitsland mochten vissen in de Britse 12-mijlszone. In ruil daarvoor kreeg het Verenigd Koninkrijk het recht om ook in de 12-mijlszone van de andere landen te vissen. In de praktijk werd er door de andere landen relatief veel gevist in de Britse 12-mijlszone, maar visten de Britten amper in de andere zones. De opzegtermijn van het contract was twee jaar.[43]

UittredingswetBewerken

Op 12 september 2017 werd de EU Withdrawal Bill – de uittredingswet – door het Lagerhuis aangenomen met 326 stemmen voor en 290 tegen. Daardoor konden de onderhandelingen worden voortgezet en kon de Europese wetgeving worden omgezet in Britse wetten.[44]

Tussenakkoord (december 2017)Bewerken

Op 8 december 2017 werd er een tussenakkoord bereikt over de voorwaarden waaronder de Britten de EU zouden verlaten. De financiële afrekening zou voor de Britten 40 tot 60 miljard bedragen, in plaats van de 20 miljard waar eerder sprake van was. Ook over de rechten van EU-burgers die in het Verenigd Koninkrijk wonen werd overeenstemming bereikt. Verder werd afgesproken dat er geen harde grens zou komen tussen Noord-Ierland en Ierland.[45]

Aanloop naar definitief akkoordBewerken

november-december 2018

ConceptakkoordBewerken

Op 13 november 2018 lag er een conceptakkoord klaar over de Britse uittreding. In dit akkoord was bepaald dat het Verenigd Koninkrijk na de uittreding lid zou blijven van de douane-unie van de EU. Ook zou de grens tussen Noord-Ierland en Ierland na 29 maart 2019 open blijven, zonder grenscontroles. Deze regeling staat bekend als de "Ierse backstop".[46] Er zou een einde komen aan het vrije verkeer van personen van buiten het VK.[47] Tevens was vastgelegd dat het VK tot en met 2020 zou blijven bijdragen aan de EU-begroting. Daarmee zou een bedrag zijn gemoeid van 39 miljard Britse pond (45 miljard euro).[48] Eerder had de EU verlangd dat het VK zich aan toegezegde financiële verplichtingen zou houden, ook die van na 2020. In dat geval zou het VK een bedrag van omgerekend honderd miljard euro hebben moeten betalen.

May meldde de volgende dag in eerste instantie dat er binnen haar kabinet overeenkomst was bereikt over het akkoord.[49] Al snel bleek echter dat er kritiek op was, zowel van de kant van de Labour Party als vanuit de unionistische DUP en vanuit Mays eigen partij, de Conservatieven. Veel van de "harde" brexiteers vonden het voorgestelde akkoord te slap, onder meer omdat het VK ook na de uittreding sterk gebonden zou blijven aan de EU-regels op het gebied van handel. De volgende morgen traden meerdere Britse ministers uit onvrede over het akkoord af: de twee brexit-ministers Dominic Raab en Suella Braverman, de onderminister voor Noord-Ierland Shailesh Vara en de minister voor Werk en Transport, Esther McVey.[50]

Dreiging Spaans vetoBewerken

Op 20 november werd bekend dat Spanje dreigde met een veto tegen de deal, omdat Spanje zich niet kon vinden in de passage in het akkoord over de toekomst van Gibraltar na de brexit. Spanje vond dat het hier niet als volwaardige gesprekspartner werd genoemd. Gibraltar is bij de Vrede van Utrecht (1713) door Spanje voorgoed afgestaan aan het Verenigd Koninkrijk, maar de Britse soevereiniteit in dit gebied is voor Spanje altijd een twistpunt gebleven.[51] Uiteindelijk werd hierover nog voor het eind van de week overeenstemming bereikt, waarna de 27 overige EU-lidstaten op 25 november in Brussel instemden met de brexitdeal.[52]

Uitgestelde stemmingBewerken

Op 4 december begon het beslissend debat tussen May en het Britse Lagerhuis over de deal, dat vijf dagen zou duren. De overeenkomst zelf moest op 11 december worden goedgekeurd.[53] Een groot deel van het Lagerhuis bleef echter sceptisch ten aanzien van het voorstel, en May leed meerdere nederlagen na elkaar.[54] Op 10 december werd de stemming voor onbepaalde tijd uitgesteld. Het akkoord had onvoldoende steun in het Lagerhuis, met name vanwege de kwestie over de Noord-Ierse/Ierse grens na de brexit.[55] May wilde de onderhandelingen met de EU heropenen, maar EU-voorzitter Donald Tusk liet meteen weten dat daarvan geen sprake kon zijn. Op 17 december werd afgesproken dat er in de derde week van januari in het Lagerhuis over het akkoord gestemd ging worden. Ook sprak May zich uit tegen een nieuw referendum over wel of geen brexit.[56]

Januari - maart 2019Bewerken

 
Betogers op 15 januari 2019 bij het Palace of Westminster
 
Brief van May aan Donald Tusk met het verzoek om uitstel van de brexitdatum

Eerste stemming over Mays dealBewerken

De stemming in het Lagerhuis vond uiteindelijk plaats in de avond van 15 januari 2019. Hierbij werd de voorgenomen brexit-deal weggestemd met 432 stemmen tegen, 202 stemmen voor en 16 onthoudingen.[57] Het verschil van 230 stemmen was de grootste nederlaag in het Lagerhuis sinds het begin van de Britse parlementaire democratie, meer dan een eeuw geleden. Het oude record uit 1924, toen het verschil 'slechts' 166 stemmen bedroeg, werd daarmee ruimschoots gebroken.[58][59] Van Mays Conservatieve Partij stemden 198 leden voor en 112 tegen. Drie Labourleden stemden voor de deal.

Op 16 januari 2019 verwierp het Lagerhuis een door Labourleider Jeremy Corbyn tegen de regering ingediende motie van wantrouwen met 325 tegen 306 stemmen. Hierdoor behield May het initiatief inzake een oplossing voor het brexitakkoord.[60]

Het Lagerhuis nam op 29 januari met 432 tegen 202 stemmen een amendement aan van de conservatief sir Graham Brady om met de EU in overleg te treden over een andere regeling voor de grens tussen Noord-Ierland en Ierland. Dezelfde dag stemde het Lagerhuis, met 318 stemmen voor en 310 tegen, dat het VK niet zonder een EU-akkoord uit de Europese Unie mocht stappen. De EU gaf opnieuw aan dat van heronderhandelingen geen sprake kon zijn, maar voegde eraan toe dat als het VK uitstel zou willen van uittreding, dit in stemming zou worden gebracht. Een strikte voorwaarde was dat alle EU-landen met dat uitstel akkoord zouden gaan.[61][62]

Tweede stemming over Mays dealBewerken

Tussen januari en 12 maart 2019 probeerde May via onderhandelingen een gewijzigde regeling te bewerkstelligen, met name over de backstop. Over de uitkomst was men verdeeld: May zei dat "de noodoplossing (de backstop) niet permanent van aard is", terwijl Juncker aangaf dat "de werking van het akkoord niet is gewijzigd".[63] Nadat de juridisch adviseur van de Conservatieve Partij, Geoffrey Cox, had aangegeven dat het Verenigd Koninkrijk zich nog altijd niet éénzijdig uit de backstop kon terugtrekken,[64] werd het aangevulde akkoord op 12 maart 2019 door het Lagerhuis verworpen met 242 stemmen voor het akkoord en 391 tegen.[65]

Uitstel brexitdatumBewerken

Twee dagen na de stemming over het aangevulde akkoord stemde het Lagerhuis voor uitstel van de brexit, met 412 tegen 202 stemmen.[66]

Op 21 maart vroeg May in Brussel om de brexitdatum te verplaatsen naar 30 juni 2019. Ze gaf aan dat als het Lagerhuis tegen een brexitakkoord zou stemmen, ze de tijd nodig had om de benodigde wetgeving door te voeren. De EU-leiders gaven uitstel tot 22 mei, op voorwaarde dat het Lagerhuis uiterlijk 29 maart akkoord moest gaan met het brexitakkoord. Zou het VK niet akkoord gaan, dan kreeg May tot 12 april de gelegenheid af te spreken om zonder akkoord uit de EU te stappen of om lang uitstel aan te vragen. In het laatste geval diende het VK deel te nemen aan de EU-verkiezingen voor het Europees Parlement op 23-26 mei 2019.[67]

Op 5 april vroeg May in een brief aan de EU opnieuw om een verschuiving van de brexitdatum naar 30 juni.[68] Tijdens een EU-top in de nacht van 10 op 11 april werden de EU-lidstaten en het Verenigd Koninkrijk het eens over een nieuw uitstel van de brexitdatum tot 31 oktober.[69]

Stemmingen over alternatieve optiesBewerken

Het Lagerhuis stemde op 27 maart acht keer over de brexit, zonder tot een oplossing te komen. De stemmingen waren als volgt:

  • Uittreden zonder akkoord met de EU: tegen 400, voor 160
  • Uittreden, maar douane-unie en afspraken over Europese interne markt aanhouden: tegen 283, voor 188
  • Uittreden, maar afspraken over Europese interne markt aanhouden: tegen 377, voor 65
  • Uittreden, maar douane-unie aanhouden: tegen 272, voor 264
  • Uittreden, maar douane-unie aanhouden en handhaven meeste afspraken over Europese interne markt: tegen 307, voor 237
  • Aanblijven: tegen 293, voor 184
  • Uitstel en tweede referendum over wel of niet uittreden: tegen 295, voor 268
  • Uittreden, doch alle EU-afspraken aanhouden en tegelijkertijd onderhandelen over vrijhandelsverdrag met EU: tegen 422, voor 139

Dezelfde dag gaf May te kennen dat als het Lagerhuis op 29 maart, de oorspronkelijke datum van vertrek uit de EU, tot overeenstemming kwam over de brexit-deal die zij eerder al twee keer ter stemming had ingebracht, maar telkens verworpen werd, zij na de stemming zou aftreden als premier. Daarmee hoopte zij naar eigen zeggen te bereiken dat de stemmers er alsnog tijdig voor zouden kiezen om de EU met een akkoord te verlaten. Twee van haar grootste tegenstanders, Boris Johnson en Jacob Rees-Mogg, gaven daarop aan dat zij voor Mays brexit-deal zouden stemmen.

Op 1 april stemde het Lagerhuis nogmaals over alternatieven voor Mays deal, maar ook deze keer werden alle opties weggestemd. De optie om na de brexit lid te blijven van douane-unie kwam slechts drie stemmen tekort.[70]

Derde stemming over Mays dealBewerken

Het Lagerhuis stemde op 29 maart tegen een deel van het door de Britse regering met de rest van de EU overeengekomen brexitakkoord (344 leden stemden tegen en 286 voor). Alleen het uittredingsakkoord werd deze keer in stemming gebracht. De reden hiervoor was dat het conform de regelgeving van het Lagerhuis niet mogelijk was om over hele brexitakkoord te stemmen, aangezien dat al eens eerder was weggestemd. Het directe gevolg van deze stemmingsuitslag was dat May tot vóór 12 april de tijd kreeg om aan te kondigen dat het VK zonder akkoord de EU zou verlaten, of dat het land om lang uitstel zou vragen om onderhandelingen te starten over een ander soort brexitakkoord.[71] Alle 27 EU-landen dienden met een lang uitstel akkoord te gaan.

BrexodusBewerken

In het jaar na het referendum zouden ongeveer 17.000 Britten hebben getracht een ander staatsburgerschap te verwerven, terwijl ook vele bedrijven zich elders vestigden. Voor deze uittocht uit het Verenigd Koninkrijk werd de term Brexodus bedacht (van exodus = uittocht) en voor zowel Britse als niet-Britse inwoners die vooruitlopend op de Brexit hun heenkomen reeds in het buitenland zochten Brexiles (van exile= banneling).[72][73][74] In de berichten werd een aantal van 100.000 personen vermeld.[75]

Zie ookBewerken

Externe linksBewerken

Wikinieuws heeft nieuwsartikelen over dit onderwerp: Brexit
Wikiquote heeft een of meer citaten gerelateerd aan Brexit.