Hoofdmenu openen

Wikipedia β

Ligging van het Verenigd Koninkrijk binnen de Europese Unie

Brexit is een porte-manteauwoord van 'Britain' en 'exit'. De term heeft betrekking op het uittreden van het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de Europese Unie (EU).

Op 23 juni 2016 werd een door het Britse parlement georganiseerd raadgevend referendum gehouden over het EU-lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk. Een kleine meerderheid van 51,9% van de stemmers koos voor uittreden.

Inhoud

AchtergrondBewerken

  Zie ook Euroscepsis in het Verenigd Koninkrijk

In 1973 is het Verenigd Koninkrijk toegetreden tot de Europese Gemeenschappen (EG). Het Britse EU-lidmaatschap is echter vanaf het begin omstreden geweest in het Verenigd Koninkrijk zelf. Vanaf de toetreding heeft het land stelselmatig voor zichzelf uitzonderingen bedongen op Europese regelgeving.[1] In 1975 werd er al een eerste referendum gehouden over dit lidmaatschap. Een meerderheid van het Britse volk steunde toen de continuering van het lidmaatschap.[2]

Een rechtstreekse afwijzing van de EU was te vinden in het verkiezingsprogramma van de UK Independence Party (UKIP), die in 2014 in het VK ruim een kwart van de stemmen kreeg bij de Europese verkiezingen.

Voornaamste thema bij het referendum van 2016 was immigratie. Vooral de uitbreiding van de EU met een aantal Oost-Europese staten in 2004 zorgde voor een toename in de immigratie naar het VK, mede omdat de Britse regering besloot zonder de optionele transitieperiode arbeidsmigratie uit deze landen toe te staan.[3] In april 2016 stond de teller op drie miljoen immigranten vanuit EU-landen (nog steeds minder dan de helft van de allochtone bevolking), gemiddeld veel hoger opgeleid dan de autochtone bevolking.[4] Hoewel verdedigd met een kosmopolitisch beroep op het "Europese ideaal", was de beslissing om immigratie maximaal toe te staan tevens ingegeven door het gebrek aan een hoogopgeleide beroepsbevolking (door jarenlange onderinvestering in onderwijs) en de wens om zo "competitiever" te worden. Dit heeft geleid tot een anti-immigratiesentiment onder de Britse arbeidersklasse, die tijdens en na het referendum duidelijk (soms met geweld) geuit werd.[3]

Aanloop naar de brexitBewerken

  Zie Referendum over het EU-lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk (2016) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Na de Lagerhuisverkiezingen van 2015 beloofde de herkozen premier David Cameron een bindend referendum te houden over het Britse lidmaatschap van de EU. Hiermee willigde hij een belofte in uit het verkiezingsprogramma van zijn Conservatieve Partij. Bovendien poogde Cameron zo het politieke succes van UKIP af te snijden. Het referendum werd officieel aangekondigd tijdens de Queen's Speech van 27 mei 2015.[5] Premier Cameron gaf aan voor een continuerend lidmaatschap te zijn, mits er werd tegemoetgekomen aan zijn onderhandelingsvoorwaarden. Na overleg daarover met vertegenwoordigers van de EU in Brussel gaf hij aan tevreden te zijn. Op 20 februari 2016 kondigde hij aan dat het referendum plaats zou vinden op 23 juni dat jaar.

Cameron liet leden van het kabinet vrij om te kiezen of ze zich bij de voor- of de tegenstanders van het officiële kabinetsstandpunt wilden aansluiten. Zestien van hen, onder wie naast Cameron zelf ook George Osborne en Theresa May, waren voor 'remain' (in de EU blijven). De vijf die kozen voor 'leave' (uit de EU stappen) waren Michael Gove, Iain Duncan Smith, John Whittingdale, Theresa Villiers en Chris Grayling. De campagne werd geleid door twee onafhankelijke organisaties: Britain Stronger in Europe en Vote Leave.

VerdeeldheidBewerken

Peilingen die werden gehouden sinds 2010 lieten zien dat het Britse volk verdeeld was over de kwestie. In november 2012 was een meerderheid voor uittreding, terwijl in juni 2015 een meerderheid aangaf voor continuering van het EU-lidmaatschap te zijn.[6][7] Een peiling met het grootste aantal respondenten ooit in het Verenigd Koninkrijk gehouden over het onderwerp (20.000 in maart 2014) had als uitslag dat 41% voor terugtreding was, 41% voor lidmaatschap en dat 18% het niet wist.[8] Als het Verenigd Koninkrijk echter betere voorwaarden zou weten te onderhandelen, zou meer dan 50% voor continuering van het EU-lidmaatschap stemmen.[9] In de maanden leidend naar het referendum verschenen er namens grote (bedrijfs)organisaties of andere sectoren van de samenleving paginagrote advertenties in de kranten met een oproep om voor of tegen het referendum te stemmen. Diverse 'celebrities' uitten zich eveneens publiekelijk als voor- of tegenstander.

Uitslag van het referendumBewerken

 
Referendumuitslag per district. Geel: meerderheid voor in de EU blijven, blauw: meerderheid voor uittreden. N.b.: Man en de Kanaaleilanden behoren niet tot het Verenigd Koninkrijk (en zijn geen lid van de EU); Gibraltar wel.

In de ochtend na het referendum bleek het brexitkamp te hebben gewonnen met 51,9 % van de stemmen bij een opkomst van 72,2%.[10]

Opvallend bij deze uitslag is het verschil tussen Engeland en Wales, waar telkens een meerderheid van ongeveer 53% voor de brexit koos en Schotland en Noord-Ierland, waar het "remain"-kamp een duidelijke meerderheid behaalde (in Schotland zelfs in alle kiesdistricten). Ook Londen, een belangrijk financieel centrum dat een groot deel van zijn omzet uit continentaal Europa haalt, stemde in meerderheid ervoor om in de EU te blijven.

Nasleep van de beslissing tot uittredenBewerken

Politiek leiderschapBewerken

ConservatievenBewerken

Doordat premier Cameron campagne had gevoerd voor de optie "remain" was zijn positie erg wankel geworden. Enkele uren na de definitieve uitslag maakte hij bekend uiterlijk in oktober af te zullen treden als premier en partijleider, omdat hij zichzelf niet de geschikte persoon vond om het land uit de EU te leiden.[11][12]

Van de drie actiefste brexit-voorvechters in de Conservatieve Partij stelde Boris Johnson zich niet kandidaat voor de opvolging van Cameron. Michael Gove viel in de tweede ronde af en Andrea Leadsom trok zich vervolgens terug. Daardoor werd al op 13 juli 2016 Theresa May de opvolger van Cameron als partijleider en premier. Tijdens de campagne voor het referendum had May zich in het "remain"-kamp geschaard, maar zij maakte bij haar aantreden als premier duidelijk dat voor haar de kiezersuitspraak bindend was ("Brexit means Brexit"). In september 2016 stopte Cameron ook als backbencher in het Lagerhuis.[13]

UKIPBewerken

Nigel Farage maakte op 4 juli 2016 zijn aftreden als UKIP-leider bekend, omdat – naar eigen zeggen – zijn doel was bereikt nu zijn jarenlange streven naar een brexit met succes was bekroond. Ook wenste hij meer privacy.

LabourBewerken

De positie van Jeremy Corbyn, de leider van de grootste oppositiepartij, de Labour Party, werd na de uitkomst van het referendum omstreden. Hij was voorstander van blijven in de EU, maar een deel van zijn fractie vond dat hij zich daarvoor onvoldoende had ingezet; Corbyn had, in tegenstelling tot de rechtse vleugel binnen zijn partij, geweigerd een standpunt in te nemen waarin blijven gepaard moest gaan met anti-immigratiemaatregelen en waarin de voordelen van de EU in puur economische termen werden beschreven.[14] De rechtse factie verlangde daarop dat hij aftrad. Toen Corbyn dat weigerde, trokken 23 van de 31 leden van zijn schaduwkabinet zich uit protest terug. Zes dagen na de uitslag van het referendum werd binnen zijn fractie een motie van wantrouwen tegen Corbyn aangenomen met 172 tegen 40 stemmen. Hij bleef echter aan als partijleider. Als reden gaf hij aan dat hij door de partijleden was gekozen, niet door de fractie. Een aangekondigde leiderschapsverkiezing was het resultaat, waarbij Owen Smith zijn uitdager was. Op 24 september 2016 bevestigde een stemming onder de partijleden dat Corbyn vooralsnog leider zou blijven.

Schotland en Noord-IerlandBewerken

In zowel Schotland als Noord-Ierland stemde een meerderheid van de bevolking voor in de EU blijven (62% en 56%, resp.). Dit grote regionale verschil met Engeland en Wales kan verstrekkende gevolgen hebben voor de eenheid van het Verenigd Koninkrijk. Al in 2014 hield Schotland een referendum over onafhankelijkheid, waarbij 55% tegenstemde. Een voornaam argument van het tegenkamp in dat referendum was dat de plaats van Schotland binnen de EU onzeker zou worden.[14] Daags na het brexitreferendum kondigde de Schotse SNP-regering al aan een tweede onafhankelijkheidsreferendum voor te bereiden, met een apart Schots EU-lidmaatschap als doel.[15]

Een soortgelijke situatie doet zich voor in Noord-Ierland, waar Martin McGuinness riep om een referendum over aansluiting van dit gebied bij Ierland. Hier speelt ook mee dat een Brits uittreden uit de EU de grens tussen Ierland en Noord-Ierland verscherpt, en dat lidmaatschap van beide gebieden in de EU onderdeel is van het Goede Vrijdag-akkoord.[14]

Voorstel tweede referendumBewerken

Meer dan drie miljoen mensen tekenden in de eerste dagen na het referendum een petitie voor een nieuw referendum.[16] Zij zijn van mening dat bij het vorige referendum te weinig mensen gestemd hebben en te weinig voor een vertrek uit de EU om de uitslag geldig te verklaren. Zij vinden dat er een nieuw referendum gehouden moet worden waaraan minstens 75% van de kiesgerechtigden moet meedoen en minimaal 60% van de kiezers voor of tegen gestemd moet hebben om de uitslag geldig te verklaren. Bij 10.000 ondertekenaars is de regering verplicht om met een reactie te komen en bij minimaal 100.000 ondertekenaars dient het voorstel in het parlement besproken te worden.[17][18] Vooralsnog is onduidelijk hoeveel Britten op rechtmatige wijze van de petitie gebruikgemaakt hebben.[19]

Uitstraling over EuropaBewerken

De uitslag in het Verenigd Koninkrijk heeft geleid tot pleidooien van Europese politici om ook hun landen te laten uittreden uit de Europese Unie. In Frankrijk dringt Marine Le Pen, de leidster van het Front National, aan op een "frexit", in Nederland is het PVV-leider Geert Wilders die vindt dat Nederland het Britse voorbeeld moet volgen ("nexit"). Vooralsnog zijn de nationale parlementen niet geneigd daartoe referenda te organiseren.

Financiële marktenBewerken

Binnen een paar weken na de referendumuitslag deden zich grote gevolgen voor op de financiële markten. De koers van het pond zakte naar $1,30, de laagste koers sinds 1985, terwijl elders in Europa de aandelenkoersen van Deutsche Bank en Monte dei Paschi di Siena inzakten, de laatste met 80%. De rentes op Duitse en andere staatsobligaties zakten onder nul doordat beleggers massaal hun bankaandelen voor staatsschuldpapieren inruilden.[20] Wat er met de status van de Londonse City als bankenhoofdstad van Europa gebeurt is onzeker; Frankfurt, Parijs en Dublin wedijveren om de opvolging.[21]

PressiegroepenBewerken

In september 2016 werd de oprichting bekendgemaakt van een "brexit support group" onder de naam Change Britain. Tot de initiatiefnemers, afkomstig van zowel de Conservatieve Partij als Labour, behoort een aantal voormalige "vote leave"-campagnevoerders, onder wie Lagerhuislid Gisela Stuart en de oud-ministers Michael Gove, Nigel Lawson, Digby Jones en David Owen. Hun doel is het "afleveren van het referendumresultaat op de effectiefste manier". Minister van buitenlandse zaken en voormalig "Vote leave"-voorman Boris Johnson gaf te kennen dat hij het streven van de groep steunde.[22] Ook de "remain"-campagne kreeg een opvolger in de vorm van een groep politici onder de naam Open Britain. Hiervan maken onder anderen de oud-ministers Anna Soubry, Norman Lamb en Pat McFadden deel uit. Ook hier loopt het lidmaatschap dwars door de partijen heen.[23] Beide pressiegroepen hebben tot doel invloed uit te oefenen op de denkrichtingen en beslissingen van het kabinet-May inzake uittreding uit de EU.

Aanloop naar de uittredingBewerken

 
Brief van de Britse minister-president Theresa May, waarin een beroep op artikel 50 van het Verdrag van Lissabon werd gedaan.

Artikel 50Bewerken

Artikel 50 in het Verdrag betreffende de Europese Unie voorziet na het Verdrag van Lissabon (2007) in een procedure om uit te treden uit de Europese Unie. De Europese Commissie, het uitvoerend orgaan van de EU, drong bij monde van voorzitter Jean-Claude Juncker erop aan dat het Verenigd Koninkrijk zo snel mogelijk een beroep op dit artikel zou doen. Het Europees Parlement sloot zich daarbij aan. Camerons opvolger May maakte echter duidelijk dat zij dit niet voor het einde van 2016 zou doen. Eerst wilde zij haar beleid bepalen en onderhandelingsteams samenstellen. In het kabinet-May is David Davis benoemd tot Secretary of State for Exiting the European Union (minister van Vertrek uit de Europese Unie); hij zou leiding gaan geven aan de voorbereidingen en de onderhandelingen voor de brexit. In juli 2016 werd de vroegere Eurocommissaris Michel Barnier benoemd tot hoofdonderhandelaar namens de Europese Commissie voor de uittredingsgesprekken met het Verenigd Koninkrijk. Onderhandelaar namens het Europees Parlement wordt Guy Verhofstadt, europarlementariër en voormalig premier van België.[24]

Na het starten van de artikel 50-procedure, waartoe alleen de betrokken lidstaat (dus het VK zelf) het initiatief kon nemen, zou er twee jaar de tijd zijn om over de voorwaarden te onderhandelen en nieuwe verdragen te sluiten voordat de uittreding officieel zou zijn. In navolging van Juncker drong Donald Tusk, de voorzitter van de Europese Raad, er tijdens een eerste gesprek met May op 8 september 2016 op aan dat de onderhandelingen over de brexit zo snel mogelijk zouden beginnen.[25]

Begin oktober 2016 kondigde premier May aan dat het opstarten van artikel 50 voor eind maart 2017 zou gebeuren.[26] Nadat in het Lagerhuis enig tumult was ontstaan verzekerde zij dat het parlement de gelegenheid zou krijgen vooraf te debatteren over de te volgen strategie.[27] Op 3 november 2016 bepaalde een uitspraak van het High Court of Justice dat een beslissing van het parlement noodzakelijk was om een procedure volgens artikel 50 te kunnen opstarten.[28] De regering gaf aan dat zij tegen deze uitspraak in beroep zou gaan bij het Supreme Court (het Hooggerechtshof van het Verenigd Koninkrijk).

In november 2016 lekte via de Financial Times een memorandum uit waarin stond dat de Britse regering nog steeds geen concrete plannen had voor de uittreding, als gevolg van de verdeeldheid binnen het parlement. Verwacht werd dat er minstens 30.000 extra ambtenaren nodig zouden zijn. Volgens een regeringswoordvoerder zou het gaan om een ongevraagd advies van Deloitte waarin de regering zich niet herkende.[29]

Op 24 januari 2017 bevestigde het Supreme Court de uitspraak van 3 november 2016 van het High Court of Justice met 8 tegen 3 stemmen.[30] In reactie hierop diende David Davis op 26 januari 2017 een wetsvoorstel in bij het Lagerhuis. Deze "European Union (Notification of Withdrawal) Act", bestaande uit twee artikelen, bepaalt dat de premier artikel 50 mag inroepen in weerwil van de European Communities Act 1972 en andere wetgeving.[31] In een toelichting op het wetsvoorstel verklaarde de regering dat het tevens ziet op uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom), een stap die de bijnaam Brexatom heeft gekregen.[32]

Op 8 februari 2017 gaf het Britse Lagerhuis, met de goedkeuring van een nieuw wetsvoorstel, aan premier May definitief groen licht om met de onderhandelingen over de uittreding te beginnen.[33]

Op 28 maart 2017 stuurde Theresa May een brief naar Donald Tusk waarmee Artikel 50 officieel in gang werd gezet. Deze brief werd op 29 maart 2017 ontvangen en gehonoreerd. De uittredingsprocedures van het Verenigd Koninkrijk waren daarmee gestart.[34]

VariaBewerken

  • Op dezelfde manier als brexit ontstond eerder al het woord 'grexit', dat betrekking heeft op een eventueel uittreden van Griekenland uit de eurozone.

Zie ookBewerken

Externe linksBewerken