Albanië

land in Europa

Albanië (Albanees: Shqipëria, Shqipnia), officieel de Republiek van Albanië (Toskisch: Republika e Shqipërisë; Gegisch: Republika e Shqipnisë), is een land in Zuidoost-Europa. De officiële en meest gesproken taal is Albanees. Het land grenst kloksgewijs aan Montenegro, Kosovo, Noord-Macedonië, Griekenland en de Ionische en Adriatische Zee. De hoofdstad en grootste stad van Albanië is Tirana in het centrum van het land, dat 610.070 van de in totaal meer dan 3 miljoen inwoners huisvest.

Republika e Shqiperisë
Flag of Albania.svg Albania state emblem.svg
(Details) (Details)
Kaart
Basisgegevens
Officiële landstaal Albanees
Hoofdstad Tirana
Regeringsvorm Parlementaire republiek met een meerpartijenstelsel (democratie)
Staatshoofd Ilir Meta
Regeringsleider Edi Rama
Religie Islamitisch 56,7%, Christendom 28,6%,
Atheïsme 13.79%%[1]
Oppervlakte 28.748 km² [2] (4,7% water)
Inwoners 3.074.579 (2020)[3]
Overige
Motto (Jij Albanië geeft me eer, je geeft mij de naam Albanees) (traditioneel)
Volkslied Hymni i Flamurit
Munteenheid Lek (ALL)
UTC +1 (zomer +2)
Nationale feestdag 28 november
Web | Code | Tel. .al | ALB | 355
Voorgaande staten
Socialistische Volksrepubliek Albanië Socialistische Volksrepubliek Albanië
Detailkaart
Kaart van Albanië
Portaal  Portaalpictogram  Landen & Volken

GeschiedenisBewerken

  Zie Geschiedenis van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
 
Kaart van het eerste Albanese Vorstendom in 1190, gesticht door de Progoni dynastie.

Albanië werd historisch gezien bewoond door Illyriërs en Byzantijnen en later door de Romeinen en Ottomanen. De Albanese dynastie Progoni richtte in 1190 het vorstendom van Albanië op en zo kwam het gebied voor het eerst in handen van de tegenwoordige Albanezen. De Albanezen hadden hierna tot de 15de eeuw Albanië in hun bezit.

Belangrijke Albanese koninkrijken, keizerrijken en prinsdommen gedurende deze periode van Albanië werden geregeerd door dynastieën van Dushmani, Gropa, Zenebishi, Dukagjini, Muzaka, Arianiti, Balsha, Thopia en Shpata.

Onder leiding van de Albanese legercommandant Gjergj Kastrioti werd gevochten tegen de Ottomaanse sultans. De Albanezen wonnen veel veldslagen tegen de legers van de sultans die onder leiding van Murat II de volkeren van de Balkan wilden inlijven bij het Ottomaanse Rijk.

Overwinningen van de Albanezen op de Ottomanen waren onder anderen het Beleg van Krujë, de Slag van Mokra en de Slag bij Oronichea. Aanvankelijk vochten de Serviërs ook mee tegen de Ottomanen om de Balkan te beschermen tegen de Turkse heerschappij, maar bij latere veldslagen steunden de Serviërs de Ottomanen. Mede hierdoor, en de dood van Skanderbeg, kregen de Ottomanen Albanië in hun bezit. Een langdurige overheersing volgde.

 
Karl Thopia, één van de succesvolste Albanese heersers gedurende het middeleeuwse prinsdom.

Toen Albanië door de Eerste Balkanoorlog werd afgesneden van het Ottomaanse Rijk, riep het op 28 november 1912 de onafhankelijkheid uit. Delen van Albanië werden bezet door Servië, Montenegro en Griekenland, maar onder druk van vooral Oostenrijk-Hongarije en Italië werd het land door de internationale gemeenschap erkend. Alleen Montenegro zette het beleg van de noordelijke stad Shkodër door en Griekenland bezette Noord-Epirus in het zuiden van het land. Hoewel Albanië zich tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal verklaarde, vielen Italië, Servië, Montenegro en Griekenland het land binnen om het onderling te verdelen. Begin 1916 werd het noorden en midden van Albanië overgenomen door Oostenrijk-Hongarije terwijl het Koninkrijk Bulgarije het oosten van het land beheerste.

 
Gjin Shpata, bijgenaamd het Zwaard, regeerde samen met Pjetër Losha het zuiden van Albanië.
 
Het wapen van de vorstelijke familie Muzaka, gesticht door Andrea Muzaka. De adelaar is het nationale wapen van de Albanezen.

Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog trokken de verschillende partijen zich terug onder dwang van de Verenigde Staten. Als laatsten verlieten de Italianen in 1920 het land. In 1925 werd Albanië een republiek onder leiding van Ahmet Zogu, een voormalig krijgsheer. In 1928 kroonde hij zichzelf tot koning Zog I. In de jaren dertig werd Albanië meer en meer afhankelijk van Italië, en in 1939 werd het door dat land geannexeerd. Na 1944 werd Albanië een satellietstaat van de Sovjet-Unie, waarmee het in 1961 brak vanwege de destalinisatiepolitiek van Nikita Chroesjtsjov. In 1968 verliet Albanië als eerste en enige land tijdens de Koude Oorlog het Warschaupact en werd het bondgenoot van de communistische Volksrepubliek China.

 
De heilige Angjelina werd geboren in Albanië als dochter van de Albanese edelman Gjergj Arianiti.

Na verkiezingen in 1992 kwam er een einde aan de macht van de Communistische Partij van Albanië. Sindsdien is Albanië een parlementaire democratie. In 1997 brak in het land anarchie uit, na de ineenstorting van piramidefondsen die veel beleggers tot een bankroet hadden gedreven. Vrijemarkthervormingen in het land hebben de weg opengesteld voor buitenlandse investeerders, met name in de energie- en vervoersinfrastructuursector.

GeografieBewerken

 
Satellietfoto van Albanië

Albanië ligt in zuidwesten van het Balkanschiereiland en grenst aan Montenegro, Kosovo, Noord-Macedonië en Griekenland. Het heeft een oppervlakte van 28.748 km² en is ruw en bergachtig, behalve de vruchtbare Adriatische kust. De Korab (2763 m), op de grens met Noord-Macedonië, is het hoogste punt van het land.

De belangrijkste rivieren van Albanië zijn de Drin, de Mat, de Shkumbin, de Vjosë en de Seman, maar de meeste zijn onbevaarbaar. De grootste meren zijn het Meer van Shkodër, het Meer van Ohrid en het Prespameer, alle ten dele buiten Albanië. Meer dan een derde van het land bestaat uit bossen en moerassen, meer dan een derde is weiland en slechts ongeveer een vijfde is gecultiveerd.

Albanië is niet rijk aan eilanden. Het land telt een tiental kleine onbewoonde eilanden voor de kust, plus een aantal nog kleinere eilanden in zijn meren. Het grootste eiland is Sazan, dat aan de ingang van de Golf van Vlorë gelegen is.

KlimaatBewerken

Het kustklimaat is typisch mediterraan, met hete, droge zomers en milde, natte winters. Het bergachtige binnenland, vooral in het noorden, heeft strenge winters en milde zomers.

Steden (bashki)Bewerken

De hoofdstad Tirana is met 557.422 inwoners (2011) veruit de grootste stad van het land. De hele agglomeratie Tirana telde in 2008 een kleine 900.000 inwoners.

Durrës, dat de grootste haven van Albanië heeft en ook het nationale spoorwegknooppunt is, is de tweede stad (175.110 inwoners). Andere grote steden (bashki) zijn respectievelijk (inwoneraantal volgens de volkstelling van 2011):

  1. Elbasan (141.714)
  2. Shkodër (135.612)
  3. Fier (120.655)
  4. Vlorë (104.827)
  5. Kamëz (104.190)

Archeologische plaatsenBewerken

BezienswaardighedenBewerken

Bestuurlijke indelingBewerken

  Zie Bestuurlijke indeling van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Albanië kent naast de centrale overheid ook andere bestuurslagen, territoriale onderdelen waar regels vastgesteld en/of beslissingen worden genomen over bepaalde gebieden en/of hun bewoners. Het betreft de volgende bestuurslagen:

Bestuurslagen[4][a]
centraal niveau prefectuurniveau lokaal niveau
Republiek Albanië
  • Republika e Shqipërisë
prefecturen[b]
  • qarku
gemeenten[c]
  • bashki
bestuurseenheden[d]
  • njësia administrative
  1. De aanduidingen zijn in de ambtstaal Albanees.
  2. De prefecturen zijn ingedeeld in districten (rrheti) zonder bestuurlijke of administratieve rol.
  3. In plaats van gemeente wordt ook wel de vertaling municipaliteit of stad gebruikt.
  4. In 2015 is de bestuursvorm gemeente (komunë) afgeschaft. Deze zijn binnen de nieuwe gemeenten opgevolgd door bestuurseenheden, met alleen gedeconcentreerde taken.

DemografieBewerken

  Zie Bevolking van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
 
Bevolkingsontwikkeling van Albanië

Het ruwe en ontoegankelijke terrein van het land heeft het traditionele Albanië van zijn buren geïsoleerd, waardoor de etnische homogeniteit werd behouden. Volgens een schatting uit 2011 is ongeveer 82,6% van de bevolking etnisch Albanees, 0,9% is Grieks en er zijn verspreide Vlach-, Bulgaarse, Servische en Roma-minderheden.[5]

Albanië kan worden beschouwd als een typisch Balkanland, maar het onderscheidt zich in een aantal opzichten van zijn naaste buren. De bevolking is tamelijk homogeen, de islam is er de dominerende godsdienst en de Albanese taal neemt binnen de Indo-Europese taalfamilie een aparte positie in.

Een groot deel van de etnische Albanezen woont buiten Albanië. In de eerste plaats in Kosovo (al bezien sommigen dat nog altijd als deel van Servië), waarmee er lang een grensgeschil is geweest. Na afloop van de Kosovo-oorlog (juni 1999) werd Kosovo door de VN onder internationaal bestuur geplaatst. Dit heeft geresulteerd in autonomie voor Kosovo en de facto onafhankelijkheid van Servië. 88% van de inwoners van Kosovo is Albanees (2000). Op 17 februari 2008 verklaarde het parlement van Kosovo eenzijdig, in overleg met de Verenigde Staten en het Europese Parlement, de onafhankelijkheid. In eerste instantie leidde dat tot erkenning van het merendeel van de NAVO-landen en die van de Europese Unie, op een paar uitzonderingen na. Kosovo wordt sindsdien erkend door 88 landen.[6]

Tevens is 25% van de bevolking van Noord-Macedonië etnisch Albanees (2002). Daarnaast een aanzienlijk aantal in Griekenland (Epirus) en kleine aantallen in Montenegro en Servië (afgezien van Kosovo). Sinds de Turkse verovering wonen de Arbëreshë in Zuid-Italië, eveneens van Albanese afkomst. De Albanese diaspora in West-Europa en in de Nieuwe Wereld is omvangrijk.

Albanië betekent zoveel als 'het land van de witte bergen'. De Albanese benaming Shqipëri betekent 'land van de adelaar'. Deze adelaar staat ook op de vlag, waarop hij zwart wordt afgebeeld tegen een rode achtergrond.

TaalBewerken

Het Albanees, de enige officiële taal, vormt net zoals het Armeens en het Grieks een aparte tak binnen de Indo-Europese taalfamilie. De Shkumbinrivier, die het land ruwweg in tweeën verdeelt, scheidt sprekers van het noordelijke dialect, het Gegisch (1,8 miljoen sprekers in Albanië), van die van het zuidelijke dialect of Toskisch (2,9 miljoen). De Albanese standaardtaal is gebaseerd op het Toskisch. Naast het Gegisch (dat ook de voertaal is in het grootste deel van Kosovo) en Toskisch zijn er nog twee andere varianten van het Albanees, het Arberisch en het Arvanitika, die gesproken worden door Albanese minderheden in respectievelijk Zuid-Italië en Griekenland. Alle vier deze varianten worden door sommige bronnen als afzonderlijke talen beschouwd. De Albanese Gebarentaal wordt gebruikt door 205.000 mensen. Een aantal Albanezen heeft Italiaans of Frans als tweede taal. Dit wordt veroorzaakt door de geschiedenis van het land en het onderwijs.

Overige inheemse talen in Albanië zijn het Grieks (15.200 sprekers), Macedonisch (4440), Vlach Romani (4000), Aroemeens (3850) en de Montenegrijnse variant van het Servisch (66). De twee belangrijkste immigrantentalen zijn het Turks (710 sprekers) en het Italiaans (520). Massamedia in de Italiaanse taal zoals televisie en radio zijn beschikbaar in heel Albanië en zijn er geliefd.[bron?]

ReligieBewerken

 
Verspreiding per religie in Albanië.

Van oudsher waren de Albanezen een volk die in paganisme geloofden. Later werden zij Oosters Orthodox, Rooms-katholiek en islamitisch, mede door de vele bezettingen van andere volkeren in Albanië.

Albanië is een multireligieus land. Het land is zeer tolerant als het gaat om religie en kent geen officiële religie. De meeste Albanezen stellen hun etniciteit boven hun geloof. Een bekend motto van de Albanezen is: Het geloof van de Albanezen is Groot-Albanië. Deze overtuiging wordt ook breed gedragen door de Albanese diaspora over de hele wereld.

In praktijk zijn de meeste religieuze Albanezen moslim, zij leven veelal rond de hoofdstad Tirana en de provincie Kukës. Het Rooms-katholieke geloof vind men in het noorden en centrum van het land, in de vele traditionele dorpen in de omgeving van Shkodër en Lezhë. Het laatst prominente geloof is de Albanees-Orthodoxe Kerk, deze stroming van het christendom komt veel voor in het zuiden van Albanië, de belangrijkste steden van de Orthodoxe Albanezen zijn Korçë en Gjirokastër.

CultuurBewerken

 
Gjergj Kastrioti (Skanderbeg), de nationale volksheld van de Albanezen

Albanië kent een rijke historie aan volkshelden en sluit deze volkshelden enorm in het hart. Door het feit dat Albanezen vaak te maken hadden met diverse overheersers en dit nooit echt tot assimilatie leidde zijn zij een enorm trots volk. De Albanese taal wordt tevens ook gezien als een van de oudste talen in Europa en behoort tot geen enkele andere taalfamilie.

De vlag van Albanië verwijst naar het embleem van volksheld Skanderbeg, die de prominente rode vlag met de zwarte adelaar voor het eerst in 1443 gebruikte in de strijd tegen de Ottomanen.

SportBewerken

De populairste sport in Albanië is voetbal. Het nationale elftal kwalificeerde zich in oktober 2015 voor het eerst voor een groot eindtoernooi, het EK 2016 in Frankrijk. De drie grootste en populairste voetbalclubs in Albanië zijn KF Tirana, Partizan Tirana en KS Vllaznia Shkodër. Zij spelen in de Kategoria Superiore, de hoogste voetbalcompetitie van het land.

Een andere populaire sport in Albanië is volleybal. Doorgaans wordt het vooral door vrouwen uitgeoefend.

EconomieBewerken

  Zie economie van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Albanië, dat in beide wereldoorlogen zwaar gehavend werd, heeft van alle Europese landen de laagste levensstandaard. In 2010 had Albanië een bruto binnenlands product (bbp) van 1236 miljard lek of zo’n 9 miljard euro.[7] Per hoofd van de bevolking is dit iets minder dan 3000 euro. Het land telt ruim 1 miljoen arbeidskrachten waarvan ongeveer de helft zich bezighoudt met de landbouw;[5] de meerderheid van de rest van de bevolking is betrokken bij een of andere vorm van industrie.

De economie van het land haperde vooral in de vroege jaren negentig van de twintigste eeuw toen Albanië snel van een strak gecontroleerd systeem tot een markteconomie probeerde over te gaan. Tijdens deze periode was het werkloosheidscijfer ongeveer 40%, maar tegen het eind van het decennium was dit weer gedaald tot 20%.

De landbouw werd vroeger gesocialiseerd in de vorm van collectieve en staatslandbouwbedrijven, maar in 1992 was alle landbouwgrond geprivatiseerd. Tarwe en graan, katoen, tabak, aardappels en suikerbieten worden gekweekt en vee wordt gefokt. Albanië is rijk aan delfstoffen, in het bijzonder olie, bruinkool, koper, chroom, kalksteen, zout, bauxiet en aardgas. De chemische industrie, mijnbouw, landbouwverwerking en de vervaardiging van textiel, kleding, timmerhout en cement zijn de belangrijkste industriële sectoren. Het land heeft verscheidene hydro-elektrische installaties. Door de economische neergang tijdens de jaren 90 blijft Albanië hoofdzakelijk een ontwikkelingsland.

De buitenlandse handel geschiedt voornamelijk via de zee. De uitvoer van Albanië bestaat voornamelijk uit de natuurlijke rijkdommen en levensmiddelen en de invoer vooral uit machines, andere industrieproducten en consumptiegoederen. De belangrijkste handelspartners zijn Italië, Griekenland, Turkije, Duitsland en China.[5] In de vroege jaren negentig werd Albanië lid van het Internationaal Monetair Fonds en van de Wereldbank.

Economische cijfersBewerken

  • Munteenheid: lek (ALL) (100 qindarka); koers: ALL 1 = EUR 0,0075 (2017)
  • Bruto binnenlands product: US$13,16 miljard (2013)[8]
    • Aandelen per sector: landbouw (17,5%), industrie (15,3%) en diensten (67,2%) (2013)[8]
  • Inflatie: 2% (2013)[8]
  • Beroepsbevolking: 1,129 miljoen (2013)[8]
    • Aandelen per sector: landbouw (47,8%), industrie (23,0%) en diensten (29,2%) (2010)[8]
    • Werkloosheid: 12,9% (2013)[8]
  • Export: $1,226 miljard (2013)[8]
  • Import: $4,115 miljard (2013)[8]
    • Importpartners: Italië (31,9%), Griekenland (9,5%), China (6,4%), Duitsland (6,0%) en Turkije (5,7%) (2012)[8]

ToerismeBewerken

  Zie toerisme in Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Door het strenge communistische beleid dat Albanië heeft gekend, en dat het land gedurende decennia grotendeels gesloten hield voor buitenlandse bezoekers, staat het toerisme in Albanië nog in de kinderschoenen, en is de infrastructuur naar West-Europese normen beperkt. De Albanese toerisme-industrie groeit echter elk jaar, en speelt een steeds prominentere rol in de Albanese economie.

De relatief ongerept gebleven Albanese kustlijn, met in het zuiden Sarandë en de Albanese Rivièra en in het noorden Durrës en Shëngjin, is nog steeds vooral populair bij de Albaneestaligen zelf, maar langzaam maar zeker trekt ze ook westerlingen aan. Andere troeven van Albanië zijn vooral de unieke cultuur en taal, ontstaan door de afwisselende overheersingen die Albanië in zijn woelige geschiedenis heeft gekend, de ongerepte berggebieden in het noorden en zuidoosten, en de bruisende steden, met name Tirana.

Reisgidsenuitgeverij Lonely Planet plaatste Albanië in 2010 op nummer één van haar top tien van te bezoeken landen in 2011.

PolitiekBewerken

Politiek systeemBewerken

 
Plenaire zaal van de Volksvergadering van Albanië.

Albanië is een republiek met een parlement dat uit één kamer bestaat, de Volksvergadering van Albanië (Kuvendi i Shqipërisë), waarvan de afgevaardigden via algemene verkiezingen voor de termijn van vier jaar worden gekozen. Het parlement kiest de president voor een termijn van vijf jaar, en de president benoemt de premier. De uitvoerende macht wordt uitgeoefend door een ministerraad die door de premier wordt benoemd en door de president wordt goedgekeurd.

De laatste parlementsverkiezingen in Albanië vonden plaats op 25 juni 2017. De sociaaldemocratische lijst van premier Edi Rama behaalde een duidelijke overwinning.

StaatshoofdenBewerken

De voorgangers van Ilir Meta als staatshoofd waren de volgende (sinds 1925):

Internationale betrekkingenBewerken

Albanië is lid van de Verenigde Naties, de NAVO, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de Raad van Europa, de Wereldhandelsorganisatie en de Organisatie voor Islamitische Samenwerking en is een van de oprichtende leden van de Unie voor het Middellandse Zeegebied. Sinds 2014 is het land kandidaat-lid van de Europese Unie.

In Tirana zijn 35 buitenlandse ambassades gevestigd, daarnaast zijn er over de rest van het land nog een viertal Griekse en Italiaanse consulaten verspreid. Albanië zelf onderhoudt 36 ambassades in het buitenland.

Verkeer en vervoerBewerken

De enige luchthaven in Albanië met lijndiensten is de luchthaven van Tirana, die in 2007 volledig werd vernieuwd. Albanië heeft geen nationale luchtvaartmaatschappij. 's Lands grootste maatschappij is de lagekostenmaatschappij Belle Air, die echter sinds eind 2013 geen vluchten meer uitvoert.

De Albanese spoorwegen zijn circa 677 kilometer lang (1986). Het spoorwegnet verkeert in slechte staat en wordt weinig gebruikt.

Het wegennet meet in totaal circa 18.000 kilometer, waarvan 5400 kilometer is geasfalteerd. De wegen zijn niet altijd in even goede staat. Vooral in het afgelegen zuiden is de weg op veel plekken versleten. Meestal zijn alleen de snelwegen en 'rode wegen' op een autokaart geasfalteerd. Sinds 2006 zijn er drie nieuwe snelwegen in aanleg die oost-west en noord-zuid met elkaar verbinden. De noord-zuid route is 440 kilometer lang en loopt van Hani i Hotit aan de grens met Montenegro via Gjirokastër tot aan de grens met Griekenland en Sarandë. De oost-west route begint bij de Griekse grens in Bilisht. De weg voert langs Pogradec vlak bij de Macedonische grens en Elbasan naar Durrës. De totale lengte is 279 kilometer. De route die reeds in gebruik is genomen verbindt Durrës met Kukës en de grensovergang met Kosovo, Qafa e Morinës. De lengte van deze verbinding bedraagt 170 kilometer.

Er zijn verbindingen per veerboot vanop het Griekse eiland Korfoe naar Sarandë, vanuit Bari (Italië) naar Durrës of vanuit het Italiaanse Brindisi naar Durrës of Vlorë.

Externe linksBewerken

  Commons heeft mediabestanden in de categorie Albanië.
  Zie ook de Atlas van Albanië op Wikimedia Commons.