Hoofdmenu openen
Nucellus en de reservestoffen in het zaad
  • zaadknop (ovulum) (2n)
    • 1-2 integumenten = zaadvliezen
    • nucellus = macrosporangium
      • perisperm (2n)
      • kiemzakmoedercel = embryozakmoedercel =
         macrosporemoedercel (macrosporocyt)
         meiose
        • macrosporetetrade (1n)
          • 3 macrosporen
          • 1 functionele macrospore =
             kiemzakkern (≈ embryozak)
            • macroprothallium (≈ embryozak)
              • 3 antipoden,
              • 2 synergiden
              • eicel of eikern (ovum)
                bevruchting ( ♂ gamete)
                • zygote (2n)
                  • embryo
                    • kiemdrager (suspensor)
                    • worteltje (radicula)
                    • 2 kiemlobben (cotylen)
                    • spruit (plumula)
              • 2 polaire celkernen
                • secundaire embryozakkern (2n)
                  dubbele bevruchting ( ♂ gamete)
                  • secundair endosperm (3n)
          • primair endosperm (1n)

Verklaring:weefsel met reservevoedsel

zaadknop schematisch

De nucellus is bij zaadplanten het door een of twee integumenten (of zaadvliezen) omgeven macro- of megasporangium. Het is een onderdeel van de zaadknop in het vruchtbeginsel van een strobilus of zaadkegel (bij veel naaktzadigen) of van een bloem (bij bedektzadigen).

De nucellus vormt door meiotische delingen de haploïde macrosporen uit de diploïde macrosporemoedercellen (macrosporocyten). Gewoonlijk ontwikkelt zich een daarvan verder tot de vrouwelijke gametofyt: het primaire endosperm. Hier ontwikkelt zich de eicel(len).

Het geheel wordt vrijwel geheel (op de micropyle (kiemopening) na) omsloten door integumenten, die in sommige gevallen een pollenkamer openhouden. Bij Ephedra en Gnetum groeit de micropyle verder uit tot een micropylaire buis, waardoorheen een druppel vocht kan worden afgescheiden. Bij de naaktzadigen is er één zaadvlies. Bij de bedektzadigen zijn er twee zaadvliezen, het binnenste en het buitenste zaadvlies. De zaadvliezen omgeven de embryozak en vormen later de zaadhuid.

De nucellus kan zittend of met een zaad- of navelstreng (funiculus) gesteeld zijn.

Bij de bedektzadigen wordt de nucellus na de bevruchting vaak afgebroken, maar kan bij sommige soorten het opslagweefsel voor reservevoedsel vormen en wordt dan het perisperm genoemd. Bij zaden van de soorten van de waterleliefamilie, Piperaceae en Zingiberales komt het perisperm naast het endosperm voor. Bij vele soorten van de Caryophyllales is er geen endosperm, maar alleen een perisperm aanwezig.