Klasse van de wilgenbroekstruwelen

klasse van plantengemeenschappen

De klasse van de wilgenbroekstruwelen (Franguletea) is een klasse van plantengemeenschappen die voorkomt op continu natte bodems, en die gedomineerd wordt door sporkehout en breedbladige wilgen.

Klasse van de wilgenbroekstruwelen
Klasse van de wilgenbroekstruwelen met grauwe wilg
Klasse van de wilgenbroekstruwelen met grauwe wilg
Syntaxonomische indeling
Klasse
Franguletea
Doing ex Westhoff in Westhoff & den Held, 1969
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons

De klasse telt in Nederland en Vlaanderen één onderliggende orde.

Naamgeving, etymologie en coderingBewerken

  • Synoniem: Alnetea glutinosae Br.-Bl. & Tx. 1943, Carici-Alnetea glutinosae H.Passarge & Hofmann 1968, Franguletea Doing ex V.Westh. & den Held 1969, Carici-Salicetea cinereae H.Passarge & Hofmann 1968
  • Frans: Fourrés arbustifs hygrophiles des sols tourbeux planitiaires à submontagnard
  • Duits: Faulbaum-Gebüsche
  • Engels: Scrub and hedges on acid, nutrient poor, often peaty soils of western and central Europe
  • Syntaxoncode (Nederland): r39

De wetenschappelijke naam Franguletea is afgeleid van de botanische naam van een kensoort van deze klasse, het sporkehout (Rhamnus frangula, syn. Frangula alnus).

KenmerkenBewerken

EcologieBewerken

 
Voorjaarsaspect van de klasse in Rhein-Neckar-Kreis (Duitsland)

De klasse van de wilgenbroekstruwelen omvat plantengemeenschappen van natte standplaatsen op een venige bodem. In tegenstelling tot de klasse van de wilgenvloedbossen en -struwelen, is de grondwaterspiegel bij wilgenbroekstruwelen vrij constant. De bodem is van gematigd voedselarm tot gematigd voedselrijk, de pH van neutraal tot zuur.

Wilgenbroekstruwelen worden vooral gevonden in duinvalleien, langs beekdalen, in laagveengebieden en aan de rand van hoogvenen.

StructuurBewerken

Deze klasse wordt in de Lage Landen gekenmerkt door een dichte struiklaag, met drie vrijwel steeds voorkomende soorten: het naamgevende sporkehout, en de breedbladige wilgensoorten grauwe- en geoorde wilg. Zeldzamer is de hybride van deze beide, Salix ×multinervis.

De samenstelling van de ondergroei is afhankelijk van de voedselrijkdom van de bodem. Op arme bodems vinden we vooral planten uit het hoogveen, zoals gewone dophei en verschillende soorten veenmossen in de moslaag. Op voedselrijkere plaatsen zijn moerasplanten zoals riet en gele lis dominant in de kruidlaag en is de moslaag eerder beperkt.

Onderliggende syntaxa in Nederland en VlaanderenBewerken

De klasse van de wilgenbroekstruwelen wordt in Nederland en Vlaanderen vertegenwoordigd door slecht één orde met één verbond.

  • Rompgemeenschap van wilde gagel en hennegras (RG Myrica gale-Calamagrostis canescens-[Salicion cinereae/Caricion nigrae])
  • Rompgemeenschap van sporkehout (RG Frangula alnus-[Franguletea])
  • Rompgemeenschap van wilde gagel en pijpenstrootje (RG Myrica gale-Molinia caerulea-[Franguletea/Oxycocco-Sphagnetea])

Soortensamenstelling in Nederland en VlaanderenBewerken

 
Sporkehout
 
Grauwe wilg
 
Geoorde wilg

Deze klasse heeft voor Nederland en Vlaanderen als belangrijkste ken- en begeleidende soorten:

Kensoort Diff.soort Presentie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
Boomlaag
-
Struiklaag
kK 10>50% Sporkehout Rhamnus frangula
kK >10% Geoorde × grauwe wilg Salix ×multinervis
40>90% Grauwe wilg Salix cinerea
0>90% Geoorde wilg Salix aurita
Kruidlaag
-
Moslaag
-

Zie ookBewerken

Zie de categorie Franguletea van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.