Hoofdmenu openen

Verbond van de wilgenbroekstruwelen

Het verbond van de wilgenbroekstruwelen (Salicion cinereae) is een verbond van de klasse van de wilgenbroekstruwelen (Franguletea), een groep van plantengemeenschappen die voorkomt op continu natte bodems, en die gedomineerd wordt door sporkehout en breedbladige wilgen.

Verbond van de wilgenbroekstruwelen
Verbond van de wilgenbroekstruwelen met grauwe wilg
Verbond van de wilgenbroekstruwelen met grauwe wilg
Syntaxonomische indeling
Klasse:Franguletea (Klasse van de wilgenbroekstruwelen)
Orde:Salicetalia auritae
Verbond
Salicion cinereae
Th.Müll. & Görs ex Passarge, 1961

Het verbond telt in België en Nederland twee onderliggende associaties.

Naamgeving, etymologie en coderingBewerken

  • Synoniem: Alno-Salicion cinereae Doing 1962, Salicion auritae Doing 1962, Comaro-Salicion cinereae H.Passarge & Hofmann 1968, Eriophoro-Salicion cinereae H.Passarge & Hofmann 1968
  • Frans: Bosquines pioneres
  • Duits: Grauweidengebüsche
  • Engels: Willow scrub and woodland of mires
  • Syntaxoncode (Nederland): 36Aa

De naam Salicion cinereae is afgeleid van de wetenschappelijke naam van een kensoort van deze klasse, de grauwe wilg (Salix cinerea).

EcologieBewerken

Het verbond van de wilgenbroekstruwelen omvat plantengemeenschappen van natte standplaatsen op venige, minerale bodems, gematigd voedselarm tot gematigd voedselrijk, de pH van neutraal tot zuur.

Wilgenbroekstruwelen worden vooral gevonden in duinvalleien, langs beekdalen, in laagveengebieden en aan de rand van hoogvenen.

StructuurBewerken

Wilgenbroekstruwelen worden gekenmerkt door een dichte struiklaag, met drie vrijwel steeds voorkomende soorten: het naamgevende sporkehout, en de breedbladige wilgensoorten grauwe- en geoorde wilg. Zeldzamer is de hybride van deze beide, Salix ×multinervis.

De samenstelling van de ondergroei is afhankelijk van de voedselrijkdom van de bodem. Op arme bodems vinden we vooral planten uit het hoogveen, zoals gewone dophei en verschillende soorten veenmossen in de moslaag. Op voedselrijkere plaatsen zijn moerasplanten zoals riet en gele lis dominant in de kruidlaag en is de moslaag eerder beperkt.

OnderverdelingBewerken

Het verbond van de wilgenbroekstruwelen heeft in België en Nederland twee vertegenwoordigers:

Romp- en derivaatgemeenschappenBewerken

Het verbond telt één rompgemeenschap, een vegetatie die enkel kensoorten en differentiërende soorten bezit van een hoger syntaxonomisch niveau dan de associatie, samen met nog begeleidende soorten.

Rompgemeenschap van wilde gagelBewerken

De rompgemeenschap van wilde gagel (Myrica gale-[Salicion cinereae]) vormt een dichte, laagblijvende begroeiing op matig voedselrijke, venige bodems.

De struiklaag wordt gedomineerd door wilde gagel (Myrica gale), vergezeld door grauwe wilg en sporkehout, wilde kamperfoelie en gewone braam. In de kruidlaag vinden we vooral riet, hennegras, smalle stekelvaren en pijpenstrootje. De moslaag bestaat vooral uit gewoon veenmos, moerasbuidelmos, gewoon peermos, gewoon haarmos en gewoon sterrenmos.

De syntaxoncode voor Nederland is 36RG02, BWK-karteringseenheden voor Vlaanderen is het gagelstruweel (sm).

SoortensamenstellingBewerken

 
Grauwe wilg

Dit verbond heeft voor België en Nederland slechts één specifieke kensoort, de grauwe wilg:

Kensoort Diff.soort Presentie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
Boomlaag
-
Struiklaag
kV 40>90% Grauwe wilg Salix cinerea
Kruidlaag
-
Moslaag
-

Zie ookBewerken