Paardentram

Een paardentram is een tram die wordt getrokken door paarden. Afhankelijk van de grootte van de wagen lopen er een of twee paarden voor. Bij sommige trambedrijven werden ook muilezels of muildieren[1] gebruikt. In Japan zijn er zelfs kleine tramvoertuigen voor personenvervoer geweest die werden getrokken door mensen.[2][3].

Eind 19e eeuw was de Dam het middelpunt van de paardentrams in Amsterdam.
Paardentram voor de Beurs van Zocher op de Dam in Amsterdam in 1903
Het paard van de tram AmsterdamSloten werd vervangen door een tractor, 1922.
De enige nog bestaande Amsterdamse paardentram als RETM 404 in Rotterdam
Paardentram te Leiden, 1899
De bestuurderscabine van een paardentram - SoundCloud - Beeld en Geluid

Een paardentram rijdt op rails en dient niet te worden verward met een omnibus, die in de volksmond vaak "paardentram" wordt genoemd.

Definitie paardentramBewerken

Gebruik van een paard om wagens voort te trekken, is de oudste vorm van vervoer over rails. De eerste lijnen werden al in de 18e eeuw aangelegd; de oudst bekende lijn is aangelegd in 1722 in Schotland, de Waggonway Tranent–Cockenzie. Er was nog geen onderscheid tussen een tramlijn, spoorlijn of varianten, zoals het veldspoor. Dit onderscheid werd pas honderd jaar later belangrijk, toen de stoomlocomotief werd uitgevonden. De eerste lijnen werden niet gebruikt voor het vervoer van mensen, maar voor het gebruik van grondstoffen, zoals hout, kolen of zout. In het waterrijke Nederland was het niet nodig hiervoor rails te gebruiken, waardoor deze ontwikkeling aan Nederland voorbij is gegaan.

Later werd een omnibus gecombineerd met de spoorlijn, wat een vorm van openbaar vervoer werd. Deze vorm van "vervoer met paarden over rails" is wat, weer later, bekend kwam te staan als "paardentram".

Vanaf welk moment precies gesproken kan worden van een tram is niet te zeggen, dit is namelijk afhankelijk van de gehanteerde definitie. Het onderscheid tussen een tram en trein werd pas gemaakt na de uitvinding van de stoomlocomotief in 1829. Naast het eerste gebruik van paardenkracht om een railvoertuig te trekken (1722), kan ook het eerste gebruik als openbaar vervoermiddel (1807) of het eerste gemeenschappelijk gebruik van de openbare weg (1832) als startdatum van de tram worden gezien. Een vierde mogelijkheid is te kijken naar het moment waarop de wet onderscheid ging maken tussen een tram en een trein (in Nederland: 1878).

Opkomst van de paardentramBewerken

De combinatie van een aantal factoren zorgde ervoor dat de paardentram in veel landen een populair middel van transport werd. Een aantal belangrijke factoren waren: speciale wetgeving, waardoor lage eisen aan de infrastructuur werden gesteld; de uitving van de groefrails, waardoor de trambaan met gelijke hoogte met het wegdek aangelegd kon worden; de stedelijke uitbreidingen, waardoor de mensen meer moesten reizen. De paardentram was bovendien, in vergelijking tot de stoomtram, een erg goedkoop vervoermiddel; de aanleg van de trambaan was niet alleen voordeliger, maar ook de aanschaf van het materieel. De zorg voor, en het mennen van paarden vergde bovendien minder specialistische kennis dan het onderhouden van en rijden met een stoomlocomotief.

De (paarden)tram werd vooral ingezet op vervoer in de stad of van en naar kleinere plaatsen, die niet belangrijk genoeg waren voor een spoorlijn. De stoomtram werd voor het vervoer binnen steden relatief weinig ingezet. Ook in die tijd dacht men al aan de gezondheid van de burgers! Tot het op grote schaal inzetten van de paardentram (en ook de stoomtram) betond het openbaar vervoer uit de de omnibus, de postkoets, trekschuit en de beurtvaart, al hebben deze vormen van openbaar vervoer niet in alle landen bestaan. Deze vormen van vervoer lieten aan snelheid de wensen over; het vervoer over de weg was bovendien, doordat luchtbanden veelal ontbraken en het wegennet nog nauwelijks was ontwikkeld, allesbehalve comfortabel. Veel dorpen, die het zonder spoorlijn moesten stellen, werden uit hun isolement verlost door de aanleg van een tramlijn. De Nieuwe Amersfoortsche Courant schreef op 16 januari 1884 over een nieuw geplande tramlijn: De gemeenten Langbosch, Cothen en Wijk bij Duurstede worden uit hun geisoleerden toestand opgeheven, aangesloten aan den Ooster-stoomtram, aan den Rijnspoorweg en den Staatsspoorweg en krijgen dus een gemakkelijk middel van vervoer voor de vele vruchten (...). Hieruit blijkt al hoe belangrijk de aanleg van een tramlijn werd gezien (al werd in het genoemde voorbeeld een stoomtram voorzien; de lijn is trouwens nooit aangelegd).

De paardentram werd in de regel (uitzonderingen uiteraard daargelaten) hoofdzakelijk ingezet op lijnen waar het reizigersvervoer belangrijk was; op lijnen waar het goederenvervoer een grotere rol speelde, werd sneller een stoomtram gebruikt. Ook de afstand speelde een belangrijke rol. Voor een korte zijlijn, ook van een stoomtramlijn, werd vaak een paardentram ingezet. Op korte trajecten was het te kostbaar de hele dag een stoomlocomotief onder stoom te houden. Een paard kon men gemakkelijk uitspannen, waardoor het tussen de diensten door uit kon rusten.

Nadat de stoomtrams werden verbeterd en de maximumsnelheid voor trams langzaam werd opgevoerd (de maximumsnelheid bedroeg in Nederland 15 km/u, maar dat werd al snel opgevoed naar 35 km/u) won de stoomtram aan populariteit; op sommige belangrijke (winstgevende) paardentramlijnen maakte de paardentram plaats voor de stoomtram. In veel steden deed bovendien, vanaf 1900, de elektrische tram de intrede.

De paardentram bleef desondanks populair. Het was een goedkoop vervoermiddel, dat zonder technische kennis kon worden bestuurd en onderhouden. Tegen het eind van de eerste wereldoorlogen werden veel paardentramlijnen opgeheven. De laatste paardentrams in Nederland en Duitsland reden in 1930, in Frankrijk in 1933. In andere landen hield de paardentram het langer vol; de paardentram in het Hongaarse dorp Konya wordt genoemd als laatste, voor het gewone openbaar vervoer gebruikte, paardentram in Europa en mogelijk ook in de wereld [4]. De tram was in 1975 [5] en 1979 [6] nog operationeel; wanneer de lijn is gesloten, is onbekend.

Een paard voor een paardentram deed, afhankelijk van de kracht van het paard en de gevraagde inspanning, 2 tot 3 uur dienst. Daarna kwam een nieuw paard voor de tram. Bij gebruik van één rijtuig op een vlakke weg werd één paard ingezet, bij lagere trams of een helling waren twee paarden nodig. Een paardentrambedrijf van enige omvang hield er dus een groot aantal paarden op na. Van de Tram- en Bargedienst 'Vereeniging', met één tramlijn waarop twee trams reden, is bekend dat er 19 paarden nodig waren om de dienst uit te kunnen voeren.

Aanvankelijk reden op veel paardentramlijnen omgebouwde omnibussen. Dit had een voordeel: de trams konden buiten de sporen rijden om obstakels te vermijden. Omnibussen kunnen maar in één richting rijden; rijtuigen van de paardentram rijden in de regel in twee richtingen (op het eindpunt wordt het paard (of een vers paard) aan de andere kant aangespannen zodat weer teruggereden kan worden). Een omgebouwde omnibus diende op het eindpunt van het spoor te worden gehaald om in de andere richting weer terug te kunnen rijden. [7][8]. Dit was natuurlijk omslachtig, waardoor de omgebouwde omnibussen al snel plaatsmaakten voor 'echte' paardentramrijtuigen.

Nederland en BelgiëBewerken

Wanneer de eerste paardentramlijn in Nederland werd geopend is wederom afhankelijk van de definitie van paardentram. In Nederland was er, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Duitsland het Verenigd Koninkrijk, geen noodzaak spoorlijnen aan te leggen voor het vervoer van grondstoffen. In Nederland gebeurde dat per schip; er waren daarom in Nederland alleen nog maar spoorlijnen.

Hoewel de lijn werd aangelegd voordat de Nederlandse wet het onderscheid kende tussen trein en tram, wordt vaak 1864 genoemd als moment waarop de eerste paardentram reed. In dat jaar werd een, destijds nog zogenoemde, "paardenspoorweg" geopend tussen Den Haag en Scheveningen, langs de Oude Scheveningseweg (nu de route van lijn 1). De naam "paardenspoorweg" raakte langzaam in onbruik, waarna het Engelse "tramway" de intrede deed; de tramway werd langzaamaan tramlijn en vanaf dat moment (ca. 1878) werd het een paardentram genoemd.

In 1875 werd in Amsterdam de eerste paardentramlijn geopend, in 1879 in Rotterdam en Utrecht.

De eerste paardentramlijn in België werd op 1 mei 1869 geopend in Brussel tussen Ter Kamerenbos en Naamsepoort en in de loop van het jaar verlengd naar Schaarbeeksepoort.[9]

Niet alleen in de steden, maar ook in kleinere plaatsen verschenen paardentrams, veelal als alternatief voor de stoomtram. Die was niet alleen duurder, maar de locomotieven waren vaak te zwaar voor de nog kwetsbare wegen en bruggen. In de steden konden ze de scherpe bochten niet maken. Ook werden paardentrams toegepast waar de rookoverlast van de stoomtram dit nodig maakte. De lijn van de EGTM in Oost-Groningen wordt door sommigen de langste paardentramlijn van Europa genoemd;[10][11] Anderen noemen de lijn Budweis - Linz -Gmunden (197 km) als langste paardentramlijn[12], dit is dan weer afhankelijk van de gebruikte definitie.

Neergang van de paardentramBewerken

NederlandBewerken

In acht Nederlandse steden zijn de stadslijnen vervangen door een elektrisch netwerk; dit is gebeurd in Amsterdam (vanaf 1900, voltooid in 1916), Rotterdam (vanaf 1905, voltooid in 1907 op één lijn na, dit bleef een paardentram tot 1925), Den Haag (1890/1907) en Utrecht (1906/1908). Verder in vier kleinere steden, zij het een paar laar later: Groningen in 1910, Nijmegen, Arnhem en Leiden in 1911.

Een enkele, succesvolle paardentramlijn werd omgebouwd tot een stoomtrambedrijf. De tramlijn van Utrecht naar Zeist is, samen met de tramlijn Castricum — Bakkum vele jaren later, de enige interlokale paardentramlijn die is geëlektrificeerd.

In de steden Amersfoort, Dordrecht, Zwolle, Deventer, Apeldoorn, Haarlem, Alkmaar, Maastricht en Schiedam hebben altijd uitsluitend paardentrams dienst gedaan op de stadslijnen (behalve in Alkmaar, daar reed enkele jaren een tractortram. De meeste van deze trambedrijven zijn in de periode tussen 1917 en 1925 gesloten.

Maar er kwamen ook nieuwe paardentrambedrijven bij. Als een van de laatste nieuwe paardentrambedrijven werd in 1918 de tramlijn Sloten – Amsterdam geopend. Zuinigheidshalve met tweedehands rails en rijtuigen. Toen Sloten in 1921 werd geannexeerd door Amsterdam reed er in de hoofdstad weer een paardentram, vijf jaar na de opheffing van de laatste eigen paardentram (Sloterdijk – Nassauplein). Evenals elders werd deze al spoedig door een tractortram en later een autobus vervangen.

Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog was er een behoorlijke stijging van de prijs voor paardenvoer wat invloed had op de exploitatie van paardentramlijnen, wat voor veel lijnen een versneld einde betekende; de ene na de andere lijn werd opgeheven. Toch heeeft een handjevol paardentramlijnen het nog enkele jaren uit kunnen zingen als tractortram; de tram van Rotterdam naar Overschie tenslotte heeft enkele jaren een motortram op benzine gehad. In juli 1930 sloot de laatste paardentramlijn van Nederland; de tramlijn Makkum - Harkezijl.

Nostalgische 'tram'Bewerken

Wat tegenwoordig vaak als paardentram wordt aangeduid —een door een trekpaard voortbewogen wegvoertuig voor nostalgische uitstapjes— draagt die naam ten onrechte. Deze wagens rijden op rubberbanden over de gewone weg en zijn daarmee feitelijk geen echte trams maar omnibussen. Men grijpt hiermee terug op de voorganger van de paardentram.

Zie ookBewerken


FotogalerijBewerken

  Zie de categorie Paardentrams van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.