Indusbeschaving

beschaving uit de bronstijd in het zuiden van Azië

De Harappabeschaving, Harappacultuur of Indusbeschaving was een beschaving uit de bronstijd in het zuiden van Azië (ca. 3200-1900 v.Chr.), die zich kenmerkte door de bouw van strak geplande steden en het Harappaschrift. De belangrijkste vindplaatsen zijn Harappa en Mohenjodaro, terwijl het verspreidingsgebied vooral de vlakte van de Indus en de zijrivieren was, met uitlopers aan de kust en langs de loop van de Ghaggar-Hakra. De Harappabeschaving was samen met die van Mesopotamië en het Oude Egypte een van de eerste hoogontwikkelde beschavingen ter wereld.[1] Mesopotamië en Egypte hadden wel iets eerder steden dan de Harappabeschaving, maar daar staat tegenover dat de Harappabeschaving het grootste verspreidingsgebied had.

Indusbeschaving
Gebied van hoog-Harappa
Gebied van hoog-Harappa
Regio Noordwesten van Zuid-Azië
Periode Bronstijd
Datering Vroeg-Harappa 3200-2600 v.Chr.
Hoog-Harappa 2600-1900 v.Chr.
Post-urbaan Harappa 1900-1000 v.Chr.
Typesite Harappa
Andere sites Mohenjodaro
Voorgaande cultuur Mehrgarh
Volgende cultuur Vedische tijd
Portaal  Portaalicoon   Archeologie
Opgegraven ruïnes van Mohenjodaro

Er was een uitgebreid overzees handelsnetwerk met het westen van Azië, planmatige stedenbouw met gemeenschappelijke infrastructuur als riolering en watertoevoer.[1] De ruime bakstenen huizen met verdiepingen hadden hun eigen badkamer. Handel en nijverheid waren per bedrijfstak in wijken ingedeeld. Er zijn geen grote monumenten gevonden die op een geestelijke of wereldlijke macht wijzen. Het schrift is vooralsnog niet ontcijferd en ook de taal is nog onbekend. Al even raadselachtig is het verdwijnen van de beschaving gedurende een relatief korte periode, waarin de bewoners de steden achterlieten en veel van de culturele ontwikkeling verloren ging.

Er zijn enkele aanwijzingen dat de late Harappabeschaving overlapte met de komst van de eerste Indo-Ariërs naar het zuiden van Azië, maar waarschijnlijk zaten er enkele eeuwen tussen het verdwijnen van de steden en het ontstaan van de Veda's, de heilige teksten van de Indo-Ariërs, op zijn vroegst rond 1600 v.Chr.. De Harappabeschaving werd pas ontdekt in de jaren 1920 en is vrijwel alleen uit talloze archeologische opgravingen bekend; daarnaast zijn er slechts enkele verwijzingen in Sumerische inscripties, waarin de bewoners van de Indusvallei Meluhha worden genoemd.

Ontdekking, opgravingen en verspreidingsgebiedBewerken

Charles Masson, een deserteur uit de East India Company (EIC), vond in 1826 de heuvels van Harappa, maar was vooral op zoek naar Griekse geschiedenis. Hij was er van overtuigd dat dit Sagala was waar Alexander de Grote in 326. v.Chr. de Slag bij de Hydaspes tegen koning Poros won.[2] In 1831 bezocht Alexander Burnes de ruïnes, maar hoewel hij de plaats van historisch belang achtte, zag hij niet het bijzondere karakter. De verslagen van Masson en Burnes zijn vooral van belang omdat ze onder ogen kwamen van Alexander Cunningham die Harappa in 1853 en 1856 bezocht in zijn zoektocht naar steden die door Xuanzang genoemd waren, maar hij was niet onder de indruk. In 1861 richtte Cunningham de Archaeological Survey of India (ASI) op nadat de Britse kroon in 1858 het gezag over India over had genomen van de EIC.

 
Harappa volgens Alexander Cunningham
 
Zegel H-1048 van Clarke

In 1872 keerde Cunningham terug, maar zag dat de ruïnes gebruikt waren bij de aanleg van de Punjab Railway tussen Multan en Lahore. Hij deed er enkele opgravingen en verkreeg er van majoor-generaal Clarke, een commissioner van Oudh, een stempelzegel (H-1048) met een afbeelding van een stier en een vreemd schrift. Aangezien een bult ontbrak bij de stier, ging Cunningham ervan uit dat het zegel niet uit India afkomstig was en ontging ook hem de bijzondere betekenis van Harappa. In 1884 verkreeg J. Harvey via een lokale boer een zegel uit Harappa en in 1886 vond T.A. O'Connor een zegel van een eenhoorn. De drie zegels kwamen terecht in het British Museum waar John Marshall ze onderzocht in 1906. Marshall was in 1902 aangesteld als directeur-generaal van ASI en stuurde in 1909 Hiranand Sastri naar Harappa voor verder onderzoek. Sastri achtte het echter niet de moeite waard om verdere opgravingen te doen. D.R. Bhandarkar bezocht in 1911-12 zowel Harappa als Mohenjodaro, maar dacht dat het moderne bakstenen betrof en daarom niet ouder dan 200 jaar kon zijn. In 1912 publiceerde John Faithfull Fleet zijn onderzoek naar het zegel van Clarke en twee zegels die daarna gevonden waren.[3] In 1914 stuurde Marshall Harold Hargreaves naar Harappa, maar ook deze was weinig enthousiast. In 1916-17 volgde Daya Ram Sahni die een plan maakte voor opgravingen die begonnen in 1920. Ondanks de vondsten was het vooralsnog niet duidelijk dat dit een oude beschaving betrof. Dit inzicht kwam vanuit Mohenjodaro waar R.D. Banerji in 1919 tot de conclusie kwam dat opgravingen de moeite waard waren. Deze begonnen in 1922 en brachten Marshall tot het inzicht dat dit een tot dan toe onbekende oude beschaving betrof. Hij publiceerde zijn bevindingen in The Illustrated London News in de hoop dat anderen de vondsten konden duiden. Dit had het gewenste resultaat, want Archibald Sayce herkende proto-Elamitische elementen zoals Jacques de Morgan die gevonden had in Susa. Hier sloten Sydney Smith en Cyril John Gadd zich bij aan aangezien zij tekens uit Mesopotamië herkenden. Ernest J.H. Mackay zag op zijn beurt overeenkomsten met Kisj. Hoewel zij niet suggereerden dat Harappa een afgeleide cultuur was van het oude Nabije Oosten, bracht de analogie met het Nabije Oosten en Egypte het begin van de Indische beschaving wel zo'n 2000-2500 jaar terug.

Tegen 1931 was er al een groot deel van Mohenjodaro blootgelegd; er volgden nog kleinere campagnes zoals die van Mortimer Wheeler in 1950. Na de opsplitsing van Brits-India in 1947 raakte het gebied van de Indusbeschaving verdeeld over Pakistan en India. De invloed van Britse archeologen duurde nog even voort onder Aurel Stein, maar werd spoedig gedeeld met de Indiase archeoloog Nani Gopal Majumdar en de Duitse archeoloog Michael Jansen.

Harappa en Mohenjodaro kregen lange tijd de meeste aandacht, maar gaandeweg bleek dat andere steden net zo groot of groter waren, zoals Lurewala, Ganweriwala, Rakhigarhi en Dholavira. Ook kleine dorpen als Allahdino en Balu worden in toenemende mate onderzocht. Ook deze vertonen de kenmerken van de Harappabeschaving, als zijn er duidelijk regionale verschillen. Zo bestaat in Allahdino maar 1% van het aardewerk uit het kenmerkende zwart-en-rood aardewerk (BRW). De platforms van leemsteen in Kalibangan die als vuuraltaar zijn geïnterpreteerd, ontbreken in de meeste andere nederzettingen. Ook verschillen de grafrituelen. Gezien de variatie heeft Possehl de beschaving onderverdeeld in domeinen. De kust in het westen is het Kulli-domein, met ten oosten daarvan het Sindhi-domein aan de benedenloop van de Indus. Ten zuiden hiervan bevindt zich op een schiereiland het Sorath-domein met ten noordoosten daarvan het Anartachalcolithicum. De bovenloop van de Indus is het Harappa-domein met ten westen daarvan de noordwestelijke grenslanden, ten zuiden het Cholistandomein en ten oosten het oostelijke domein.[4]

Vergeleken met het Egypte en Mesopotamië van die tijd besloeg de Harappabeschaving een veel groter gebied. De kern was de vallei van de rivier de Indus, maar de beschaving strekte zich uit langs de kust van de Arabische Zee van Sutkagan-dor in het westen tot Lothal en Malwan in het zuiden die zo toegang gaven tot de handel met de Perzische Golf. In het oosten bevonden zich nederzettingen aan de oevers van de Ghaggar-Hakra. Deze rivier had volgens sommige hypothesen vroeger het hele jaar door water en wordt wel gezien als mogelijke kandidaat van de Sarasvati uit de Rig Veda. De meest oostelijke nederzetting was Alamgirpur, terwijl Manda de meest noordelijke was, afgezien van de dicht bij lapis lazulimijnen gelegen handelskolonie Shortugai.

Van de 1022 archeologische vindplaatsen zijn er echter maar zo'n 100 opgegraven. Door ook het schrift nog steeds niet is ontcijferd, is het moeilijk om aan te geven welk gebied het centrum betrof en welk gebied de periferie was. Ook is niet altijd zeker of het inderdaad Harappanederzettingen betreft. Zo worden de nederzettingen aan de Ghaggar-Hakra wel aangehaald om te spreken van de Sarasvaticultuur. Deze zouden dan vooral de periode laat-Harappa betreffen. Volgens S.R. Rao moeten nederzettingen aan enkele voorwaarden voldoen om hiertoe gerekend te kunnen worden:

To deserve the term "Late Harappan" it is essential that the inhabitants of the deurbanized phase must have retained the core of Harappan achievements such as writing, use of the Harappan standard of weights and Harappan religious beliefs including the method of the disposal of the dead.[5]

Niet alle oostelijke nederzettingen die als Sarasvaticultuur worden aangemerkt, voldoen aan deze criteria. Mogelijk spelen nationalistische sentimenten van Indiase historici daarbij een rol, aangezien het centrum hierbij verplaatst wordt van de Indus in Pakistan naar Ghaggar-Hakra in India.[6]

Sindhu was de antieke naam voor de Indus en daarom is ook wel voorgesteld om het de Sindhu-Sarasvati-beschaving te noemen. Gebruikelijker is het echter om een archeologische cultuur te noemen naar de typesite, in dit geval Harappa.

Ondanks de vele en opvallende vondsten blijven veel vragen onbeantwoord. Zo is het schrift nog steeds niet ontcijferd, omdat teksten – als het al teksten zijn – slechts in brokken van enkele symbolen tegelijk zijn overgeleverd en is het onbekend of er een verband is met het Brahmischrift, ook al lijkt dit tegenwoordig minder waarschijnlijk. Er zijn wel verhalen te vinden in de Sanskritische literatuur van de Veda's over de Arische invasies tussen circa 1700 en 1300 v.Chr. Hierin wordt verhaald van veldslagen met een oorspronkelijke bevolking, maar er zitten geen aanknopingspunten bij met wat nu bekend is geworden over de Indusbeschaving.

Er blijven in ieder geval drie cruciale vragen onbeantwoord:

  • omtrent de middelen van bestaan voor zulke grote bevolkingsconcentraties;
  • omtrent de oorzaak van het betrekkelijk snel weer verdwijnen van deze beschaving vanaf 1900 v. Chr.;
  • omtrent de taal die zij spraken en hoe zij zichzelf noemden.

Chronologie en periodiseringBewerken

Chronologie van Harappa
Possehl[7] Kenoyer[8]
Stadium 1, vroege landbouwnederzettingen en pastorale kampen Sites Vroege periode van voedselproductie
Kili Ghul Mohammad 7000-5000 v.Chr. 20 Neolithicum/ Chalcolithicum 6500-5000 v.Chr.
Burj Basket-marked 5000-4300 v.Chr. 33 Regionaliseringsperiode
Stadium 2, ontwikkelde landbouwdorpen en pastorale samenlevingen Vroeg-Harappa 5000-2600 v.Chr.
Togau 4300-3800 v.Chr. 84
Kechi Beg/ Hakra 3800-3200 v.Chr. 153/ 126
Stadium 3, vroeg-Harappa
Amri-Nal 3200-2600 v.Chr. 164
Kot Diji 111
Sothi-Siswal 165
Damb Sadaat 37
Stadium 4, overgang vroeg-Harappa - hoog-Harappa Integratieperiode
Overgang vroeg-Harappa - hoog-Harappa 2600-2500 v.Chr. Harappa 2600-1900 v.Chr.
Stadium 5, hoog-Harappa
Sindhi-Harappa 2500-1900 v.Chr. 86
Kulli-Harappa
Sorath-Harappa 310
Punjabi-Harappa
Oostelijk Harappa
Quetta
Laat-Kot Diji
Stadium 6, post-urbaan Harappa Localiseringsperiode
Jhukar 1900-1700 v.Chr. 6 Laat-Harappa 1900-1300 v.Chr.
Vroeg-Pirak 1800-1000 v.Chr.
Laat-Sorath-Harappa 1900-1600 v.Chr. 198
Lustrous Red Ware 1600-1300 v.Chr.
Cemetery H 1900-1500 v.Chr. 41
Swatvallei periode IV 1650-1300 v.Chr.
Laat-Harappa in Haryana en westelijk Uttar Pradesh 1900-1300 v.Chr. Post-Indus
Overgang laat-Harappa - Painted Grey Ware 1300-1000 v.Chr. Painted Grey Ware 1200-800 v.Chr.
Vroeg-Gandhara 1700-1000 v.Chr.
Stadium 7, vroege ijzertijd
Laat-Pirak 1000-700 v.Chr.
Painted Grey Ware 1100-500 v.Chr.
Laat-Gandhara 1000-600 v.Chr. Northern Black Polished Ware 700-300 v.Chr.

Sinds de publicatie in The Illustrated London News werd de analogie met Mesopotamië gebruikt om tot een chronologie te komen. Zo ging Marshall nog uit van een bloeiperiode tussen ca. 3250 en 2750 v.Chr., daarbij data vergelijkend met de chronologie van het Nabije Oosten. Nadat deze laatste aan werd gepast, werd ca. 2350-2000/1950 v.Chr. gedacht als de periode van de Harappabeschaving.

Met de opkomst van radiometrische datering werd een nauwkeurigere datering mogelijk en werd ongeveer 2600-1900 v.Chr. aangenomen voor de stedelijke fase van het kerngebied. Dit komt vrij goed overeen met de data uit Mesopotamië. Daarmee werd de chronologie voor vroeg-Harappa tussen 3200 en 2600 v.Chr., de bloei tijdens hoog-Harappa tussen 2600 en 1900 v.Chr., in dezelfde tijd als het Oude Rijk in Egypte en de Vroeg-dynastieke Periode van de Soemeriërs in Mesopotamië. Laat-Harappa tussen 1900 en 1300 v.Chr. was een periode van neergang.

Van grote invloed waren Stuart Piggott met Prehistoric India uit 1950 en vooral Mortimer Wheeler. Beiden waren sterk beïnvloed door het toen geldende vooruitgangsgeloof en een cyclustheorie van opkomst, bloei en ondergang. Taalverandering en verschillen in artefacten zouden dan een nieuwe cyclus zijn die in gang werd gezet door een invasie door een cultureel of technologisch verder gevorderd volk. Marshall ging uit van een autonome culturele evolutie, maar Mackay zocht een diffusionistische verklaring en dacht dat een migratie van Soemeriërs mogelijk had bijgedragen aan het ontstaan van de Harappabeschaving. Ook Douglas Hamilton Gordon en Samuel Noah Kramer hingen deze verklaring aan. Wheeler dacht dat niet de migratie van mensen, maar van ideeën hier aan ten grondslag lag. Zo werd de meest gebruikelijke periodisering die in een vroeg-, hoog- en laat-Harappa.

Deze unilineaire evolutie was gebaseerd op Harappa en Mohenjodaro en negeerde het Neolithicum grotendeels. Gaandeweg werd echter duidelijk dat sites als Mehrgarh, Kili Gul Muhammad en Rana Ghundai wel degelijk een rol hadden gespeeld in de vorming van de Harappabeschaving. Amalananda Ghosh was op basis van gelijkenissen tussen aardewerk uit het neolithische Sothi en aardewerk uit nederzettingen van de Harappabeschaving in 1965 de eerste die een verband legde tussen pre-Harappa en Harappa.[9] Mohammad Rafique Mughal was daarna in 1970 de eerste die de gehele materiële cultuur vergeleek, met naast aardewerk ook stenen werktuigen, metalen werktuigen en monumenten. Pre-Harappa bleek ook versterkte nederzettingen en stenen en metalen werktuigen en te omvatten en kende afgezien van jade een vergelijkbaar handelspatroon waarbij gebruik werd gemaakt van het wiel. Alleen grote steden en verregaande ambachtelijke specialisatie ontbraken. Gezien de grote gelijkenissen zou pre-Harappa volgens Mughal beter vroeg-Harappa genoemd kunnen worden.[10]

Daarop verdeelde Jim G. Shaffer de beschaving in periodes van culturele overeenkomsten die konden verschillen per site. Shaffer zag een vroege periode van voedselproductie, een regionaliseringsperiode, een integratieperiode en een localiseringsperiode. Deze verdeelde hij in verdere fases. De vroege periode van voedselproductie vanaf 6000 v.Chr. omvatte de neolithische nederzettingen die al vroege kenmerken van de Harappabeschaving kenden. De regionaliseringsperiode van 4000 tot 2500-2300 v.Chr. verdeelde hij op basis van verschillen in vooral aardewerk in Balakot, Amri, Hakra en Kot Diji, om onderscheid te maken tussen complexer wordende groepen die wel interactie met elkaar hadden. De integratieperiode van 2500 tot 2000 v.Chr. kwam overeen met hoog-Harappa waarin de verschillende culturen samensmolten. In de localiseringsperiode van 2100 tot 1300 v.Chr. fragmenteerden de groepen weer tot. Dit was geen neergang, maar een verandering die tot in de ijzertijd aanhield.[11][12]

GeschiedenisBewerken

Domesticatie was een langdurig proces dat geen unilineaire evolutie was met een vaststaand einddoel, maar iteratief en zeker in het begin een onbedoeld gevolg van de cultivatie van planten en dieren die aangetrokken werden door de menselijke omgeving. Het oude Nabije Oosten was waarschijnlijk de eerste plek waar domesticatie van planten plaatsvond. Het lijkt waarschijnlijk dat vanuit daar gerst, tarwe en andere gewassen via verschillende routes in Beloejistan terechtkwamen.[13] Bij de domesticatie van dieren lijken er meer lokale domesticaties te zijn geweest, zoals die van de zeboe, maar naast geiten en schapen uit het Nabije Oosten ook lokale varianten.[14]

Opmerkelijk is dat de vroege domesticaten niet zoals in het Nabije Oosten door sedentaire groepen werden beheerd, maar door nomadische groepen.[15] Mehrgarh in Beloejistan is de vroegste nederzetting die duidt op vaste vestiging en landbouw. In het Pleistoceen zou de Indus in dit gebied hebben gestroomd, een stuk westelijker dan in moderner tijden.[16] Mehrgarh I kende nog geen aardewerk en de landbouw in dit akeramisch neolithicum zal rond 7000 v.Chr. tot ontwikkeling zijn gekomen door semi-nomadisch levende mensen. De gevonden dierlijke resten waren echter vooral van wild, zodat de jacht nog zeer belangrijk moet zijn geweest.

Vroeg-HarappaBewerken

 
Vroeg-Harappa

De Bolanpas leidt van de Indusvallei via Mehrgarh naar de Quettavallei waar Kili Ghul Mohammad (KGM) de typesite is voor de Kili Ghul Mohammad-fase. Possehl laat deze lopen van 7000-5000 v.Chr., terwijl deze bij Coningham en Young van 4300 tot 3500 v.Chr. duurt. Het aantal nederzettingen was hier nog klein in grootte en aantal. Possehl zag daarna van 4300 tot 3800 v.Chr. nog een Togau-fase die gevolgd werd door de Kechi Beg-fase van 3800 tot 3200 v.Chr., terwijl die laatste fase bij Coningham en Young van 3500 tot 3000 v.Chr. duurde en gevolgd werd door de Damb Sadaat-fase van 3000 tot 2600 v.Chr., waarbij de nederzettingen niet in grootte groeiden, maar wel in aantal. Deze periode viel samen met Mehrgarh VI waar veel ovens en potresten zijn aangetroffen die wijzen op semi-industriële productie. In Mehrgarh VII bleek langeafstandshandel door de carneool uit het westen van India en lapis lazuli uit Afghanistan.

Niet alleen in de tijd, maar ook ruimtelijk is er onderscheid te maken. Zo begon aan de kust in de lage Indusvlakte rond 4000 v.Chr. de Balakot-fase die tot circa 3500 v.chr. duurde. Het roodgebakken aardewerk vertoont kenmerken van de hoogwaardige Nal-keramiek in Beloejistan en vertoonde aan het einde van deze fase overeenkomsten met dat van de Amri-fase. Deze landinwaarts gelegen cultuur liep van 3600 tot 3000 v.Chr..

Stroomopwaarts van de Indus in Punjab bestond van ca. 3500-2700 v.Chr. langs de rivieren Hakra en de noordelijker gelegen Ravi de Hakra-cultuur en de Ravi-cultuur. Gezien de interactie wordt dit wel de Hakra-Ravi-fase genoemd. Ten dele bestonden de nederzettingen uit tijdelijke kampen, maar een groot deel was permanent bewoond, zoals Harappa langs de Ravi.

Tijdens de Kot Diji-fase van 3200 tot 2600 v.Chr. werd de aanzet naar integratie duidelijk. Kot Diji-aardewerk is teruggevonden van Sindh tot Beloetsjistan, Burzahom in de Kasjmirvallei en zuidelijk Afghanistan. In deze fase is bij een aantal sites sprake van stadsplanning, naast Kot Diji onder meer bij Rehman Dheri, Kalibangan, Harappa en het oostelijker gelegen Rakhigarhi. Ook nam in deze periode het aantal tijdelijke kampen sterk af en ontstonden er enkele grotere nederzettingen, zoals Jalwali en Gamanwala.

Aan het einde van deze periode trad tussen de verschillende culturen een culturele convergentie op.[17] Zo werd op verschillende plaatsen de afbeelding van een gehoornde god teruggevonden. Een toenemende specialisatie blijkt uit meer gespecialiseerde werktuigen en die specialisatie impliceert ook toegenomen handel. Stadsplanning impliceert ook een mate van bureaucratie, terwijl depotvondsten met juwelen in Kunal enige sociale stratificatie impliceren.

Hoog-HarappaBewerken

Wat de aanzet is geweest tot de culturele convergentie is niet duidelijk. Zo zijn er site uit vroeg-Harappa die geen overblijfselen uit hoog-Harappa hebben en andersom. Bij sites die wel beide fases doormaakten, is de overgang niet altijd duidelijk.

Tegen 2500 v.Chr. waren de vroeg-Harappagemeenschappen veranderd in stedelijke centra. Tot dusver zijn er zes van zulke stedelijke centra ontdekt, waaronder Harappa, Mohenjodaro en Dicki in Pakistan, samen met Gonorreala, Dokalingam en Mangalore in India. In totaal zijn er meer dan 1052 stadscentra en nederzettingen gevonden, vooral in de wijdere omgeving van de Gagar-Florence en haar zijstromen.

Rond 2500 v.Chr. was de streek door de irrigatie totaal veranderd.

Laat-HarappaBewerken

Gedurende 700 jaar was de beschaving van de Indusvallei welvarend. Kunstenaars en handwerkslieden maakten prachtige en kwalitatief goede producten. Maar even plotseling als zij was opgekomen is deze beschaving ook in verval geraakt en vergaan. Tegen 1900 v.Chr. zijn er de eerste tekenen van verval. De steden liepen leeg. De achterblijvers raakten ondervoed. Honderd jaar later, rond 1800 v.Chr., zijn de meeste steden helemaal verlaten. De gouden tijd van handel met Iran lijkt voorbij tegen 1700 v.Chr. Dat is ook het moment waarop vermeldingen van handel met het oosten uit de Mesopotamische teksten verdwijnen.

De grote agglomeraties van Oost-Turkmenistan (Altyn-tepe en Namazga-tepe) werden verlaten en de grote metropolen van de Indusvallei raakten in verval. In de regio van de Indusbeschaving nam het regionalisatieproces weer toe met het verdwijnen van de karakteristieke elementen van de Harappa-eenheid: schrift, zegels, en gewichten. Maar toch overleefden veel elementen tijdens het 2e millennium v.Chr. in de oostelijke en zuidelijke gebieden van de regio. De thans bekende archeologische gegevens maken het aannemelijk dat de materiële cultuur die als laat-Harappa is geclassificeerd tot minstens 1000-900 v.Chr. heeft voortgeduurd en deels in de tijd samenviel met de Painted Grey Ware en misschien de vroege NBP-cultuur.[18] Archeologen benadrukken dat er een continue reeks culturele ontwikkelingen is die de twee hoofdfasen van urbanisatie in Zuid-Azië verbinden.

In de daaropvolgende eeuwen verdween, in tegenstelling tot wat met de gelijktijdige Mesopotamische en Egyptische beschavingen gebeurde, de herinnering aan de Indusbeschaving. In feite is het Indusvolk niet echt verdwenen. Na de instorting van hun indrukwekkende beschaving duiken er regionale culturen op waar, in wisselende intensiteit, de invloed van de Indusbeschaving in terug te vinden is. Waarschijnlijk is er ook gedeeltelijke migratie naar het oosten geweest, richting de Gangesvlakte. Wat verdween was dus niet een volk, maar een materiële cultuur: steden, schriftsysteem, commercieel netwerk en ten slotte de kennis die er de intellectuele grondslag van was.

Klimaatverandering is een mogelijke natuurlijke oorzaak van de neergang van de Indusbeschaving. Het klimaat werd er duidelijk kouder en droger vanaf 1800 v.Chr.

Een cruciale factor was misschien ook het verdwijnen van grote delen van het rivierensysteem Ghaggar-Hakra. Klimaatverandering of een tektonische gebeurtenis kan bronnen en loop ervan naar de Gangesvlakte hebben verlegd, al bestaat er twijfel over deze laatste verklaring. Massale uitwijking van delen van de bevolking, om allerlei redenen, kan ertoe leiden dat de kritische massa, nodig voor het onderhoud van een beschaving, in korte tijd verdwenen is, zodat het achterblijvende deel de cultuur niet kan op peil houden.

 
De Sarasvatî

Invallen van oorlogszuchtige volken in het noordwesten van India worden evenmin uitgesloten als mogelijke oorzaak van het plotse verdwijnen van de Indusbeschaving. De Swatcultuur van Noord-Pakistan werd als eerst mogelijke kandidaat voor de vroege vestigingen van Indo-Ariërs in het subcontinent beschouwd. Door vestiging van andere volkeren zou er een breuk zijn gekomen in de handelsbetrekkingen met andere landen.

Een mogelijke verklaring voor de instorting van deze beschaving is de hypothese van de Indo-Arische invasie in Noord-Indië. De Indo-Ariërs bevonden zich rond 2000 v.Chr. in Bactrië. Zij waren het in ieder geval die het Sanskriet naar India brachten, of dit nu op vreedzame wijze gebeurde of niet. Indirect zouden zij echter de destabilisatie van de Indussteden al hebben teweeggebracht alvorens zich tegen 1700 v.Chr. definitief in India te vestigen.[19]

Vroeg twintigste eeuw werd deze migratie in de vorm van een Arische invasiehypothese geformuleerd en toen de Indusbeschaving in de jaren 1920 werd ontdekt, werd het samenvallen van haar instorting, precies met de tijd van de veronderstelde invasie, gezien als een onafhankelijke bevestiging daarvan. In de woorden van archeoloog Mortimer Wheeler: staat de Indo-Arische oorlogsgod Indra terecht voor de vernietiging. Maar het is verre van zeker dat de instorting van de Indusbeschaving het gevolg was van een Indo-Arische invasie, als die er al geweest zou zijn. Waarschijnlijker lijkt het tegendeel: de Indo-Arische migratie als gevolg van de ineenstorting, vergelijkbaar met wat met het Romeinse Rijk gebeurde tijdens de invallen van barbaarse volkeren aldaar bij de Volksverhuizingen.[bron?] Dit maakt het ook acceptabeler dat de adoptie van Indo-Arische talen het gevolg was van geleidelijke culturele mengeling van de Cemetery H-mensen (waarschijnlijk Dravidiërs en Indo-Ariërs), eerder dan van acute invasie.

In India wordt de Indusbeschaving zelf als Arisch gezien. Uit DNA-onderzoek van botten blijkt dat de bevolking op zeker moment uit zowel Ariërs als Dravidiërs bestond.[bron?]

StedenBewerken

 
Archeologische overblijfselen van het afvoersysteem van de wasruimte in Lothal

Van de sites waarvan aangenomen wordt dat ze tot de Harappabeschaving behoorden, is slechts een klein deel opgegraven en dan ook slechts ten dele. Desondanks zijn er de nodige patronen te herkennen.

Hoewel de gridstructuur niet perfect oost-west en noord-zuid en haaks was zoals aanvankelijk gedacht werd, blijkt wel een duidelijke stadsplanning. Die is echter niet overal gelijk. Harappa, Mohenjodaro en Kalibangan hebben een verhoogde citadel en een benedenstad, terwijl Dholavira ook nog een tussenstad heeft en bij Lothal en Surkotada de citadel juist een onderdeel is van de stad. Het kleine Lothal kent een veel strakkere planning dan het grotere Kalibangan, zodat grootte geen directe correlatie lijkt te hebben met de mate van planning.

In kleinere nederzettingen werden de gebouwen veelal van leemsteen, modder en stro gemaakt, terwijl in de grotere nederzettingen veel baksteen werd gebruikt, onder meer in Engels verband. Kenmerkend zijn de standaardafmetingen van de stenen met een ratio van 1:2:4, 7x14x28 cm voor huizen en 10x20x40 cm voor stadsmuren. In rotsachtige gebieden als Kutch en Saurashtra werd ook veel natuursteen gebruikt.

De huizen waren veelal toegankelijk via binnenhoven of kleine straatjes, mogelijk om geuren, lawaai en inbrekers buiten te houden. Veel huizen waren voorzien van een badkamer, waarbij een afvoer naar buiten liep en aansloot op riolering. Sommige huizen hadden daartoe een eigen waterput. Ook beschikten veel huizen over een wc. De riolering was afgescheiden van regenafvoer. In Harappa en Mohenjodaro liepen de afvoeren via de hoofdstraten naar velden buiten de stadsmuren.

De rol van de citadel is nog steeds onderwerp van discussie. In tegenstelling tot de gelijktijdige beschavingen van Mesopotamië en Egypte werd hier geen enkele structuur van monumentale afmeting gebouwd en niets schijnt te wijzen op de aanwezigheid van een tempel of paleis. Er is dus ook geen materieel bewijs voor het bestaan van een koning, legers of priesters. Bepaalde structuren worden evenwel geïdentificeerd als opslagzolders, wat op landbouwoverschotten wijst, een teken van bloei van dit stadsleven.

MohenjodaroBewerken

Mohenjodaro is niet alleen de best bewaarde site van de Harappabeschaving, maar mogelijk ook van de gehele bronstijd. Waarschijnlijk werd de stad gevestigd op een niet eerder bebouwde locatie op twee daro's. Deze kunstmatige heuvels zijn het deel dat is opgegraven, terwijl onder meer boringen duidelijk hebben gemaakt dat de site aanmerkelijk groter is dan alleen de twee daro's. De westelijke daro werd door Marshall geïdentificeerd als stoepa, een boeddhistische tempel, terwijl Wheeler deze als citadel benoemde. Ten oosten bevindt zich de benedenstad op de tweede daro, terwijl de grond tussen de heuvels onbebouwd is.

 
Het grote bad van Mohenjodaro

De citadel meet zo'n 400 bij 200 meter en is omgeven door een 6 meter dikke muur die mogelijk als weermuur diende, maar ook wel gezien worden als niet meer dan ondersteuning om de aarde op zijn plek te houden.[20][21] In het noorden bevindt zich het grote bad, een rechthoekig zwembad van 14,5x7x2,4 meter omgeven door zuilengangen. Twee symmetrische trappen geven toegang tot het bassin dat met bitumen waterdicht was gemaakt. Vlakbij het bad bevond zich een groot gebouw van 69x23,4 m dat volgens Mackay mogelijk voor een priestercollege was bedoeld. Aan de westkant van het grote bad stond een ander groot gebouw van 50x27 m waarvan Marshall en Mackay dachten dat dit een hamam kon zijn geweest, terwijl Wheeler het als graanopslag zag. Kenoyer gaf gezien het ontbreken van graanresten de voorkeur aan de grote hal, waarvan de functie onduidelijk is.[22]

De benedenstad was zo'n tienmaal groter en mogelijk ook ommuurd. Dit deel van de stad heeft een roosterpatroon met twee noord-zuidgaande hoofdstraten en twee iets kleinere oost-westgaande hoofdstraten die de stad verdeelden in blokken die verder onderverdeeld werden door straatjes en stegen. De grootte van de huizen is onder te verdelen in clusters van 20-80m², 80-180m² en 200-300m², met enkele huizen groter dan 380m². Er zijn huizen met binnentrappen, maar dit hoeft niet te betekenen dat er meerdere verdiepingen zijn, het kan ook toegang geven tot het dak.[23]

Er waren een hoop waterputten in de stad, mogelijk meer dan 700, wat neer zou komen op een per drie huizen.

HarappaBewerken

 
Archeologische kaart van Harappa

Harappa is gebouwd op acht heuvels en kent ook een ommuurde citadel met poorten en torens en een gebouw dat als graanopslag werd aangemerkt. Die conclusie werd echter gemaakt op basis van vergelijkingen met Romeinse gebouwen, terwijl hier net als in Mohenjodaro geen graan is aangetroffen. Dit gebouw bevindt zich ook niet binnen de citadel, maar bij een wijk ten noorden daarvan (heuvel F) die door ambachtslieden gebruikt lijkt te zijn. Ook de benedenstad op heuvel E was ommuurd en had werkplaatsen voor ambachtslieden. Bewoning op deze site begon in ieder geval in het vierde millennium v.Chr. op heuvel AB en kende een Hakra-Ravi-fase en een Kot Diji-fase.

Andere stedenBewerken

Ook Kalibangan was gebouwd op heuvels en kende een citadel en benedenstad. Opvallend aan deze middelgrote stad zijn de vuuraltaren. Deze zijn ook in Banawali, Lothal, Amri, Nageshwar, Vagad en Rakhigarhi aangetroffen, maar alleen in Kalibangan en Banawali lijken ze een gemeenschappelijke functie te hebben gehad. In de andere steden lijken ze te zijn gebruikt voor huiselijke rituelen. In Banawali is de citadel direct aan de stad gelegen, maar afgescheiden door een muur. De ommuring kende aan de oostzijde ook een slotgracht.

 
Het dok in Lothal

Lothal was geen grote stad, maar was van belang door de ligging aan de Golf van Khambhat en zo de Arabische Zee. Tegenwoordig ligt de kust een kleine 20 kilometer verderop, maar tijdens de hoogtijdagen verbond de stad de beschaving met de Perzische Golf. Opmerkelijk was dat de stad beschikte over een scheepsdok waarin het water op gelijke hoogte gehouden kon worden, onafhankelijk van het getij. Daarmee is dit het eerste bekende dok ter wereld.

Economische activiteitenBewerken

 
Het dok van Lothal, met een kanaalopening om water in de rivier te laten stromen, waardoor een stabiel waterpeil wordt gehandhaafd

De economie van de Indusvallei lijkt zeer sterk aan handel gekoppeld te zijn geweest, zowel te land als ter zee. Dit werd mogelijk door een grote sprong in het gebruik van transportmiddelen:

  • de kar die door buffels werd getrokken, zoals men ze vandaag nog steeds in heel Zuid-Azië tegenkomt
  • het inzetten van boten, zij het eerst nog vrij eenvoudige.

Het afzetgebied voor ambachtelijke producten van de Indusbeschaving, waarin een commercieel netwerk werd geïntegreerd, was enorm. Het liep deels over Afghanistan, Noord- en Midden-India, en streken die grensden aan Perzië en Mesopotamië.

Vanaf de tweede helft van het 4e millennium v.Chr. wordt op Sumerische kleitabletten de bevestiging aangetroffen voor commerciële uitwisseling van goederen tussen de Indusvallei en de Arabische Golf. Ze verwijzen naar een oriëntaalse handel met het verre land van Meluhha – verwant aan het Sanskriet woord mleccha, niet-Ariër – dat op de Indusbevolking lijkt te duiden. Dit is meteen ook de enige aanwijzing die we hebben om aan te nemen dat dit volk deze naam gebruikte voor zichzelf of zo genoemd werd door anderen. Talloze voorwerpen van het Industype (kruiken, stempels, stenen gewichten) zijn op de Golfsites gevonden in een gebied dat met Dilmun wordt aangeduid, en dat in deze Mesopotamische teksten als tussenschakel voor de handel met Meluhha geldt.

Aan Harappa gelieerde vestigingen verrezen op aanzienlijke afstand van de Indusvallei, zoals in Shortuga, aan de Oxus (Noord-Oost Afghanistan), in Sutkagon-dor (grens tussen Pakistan en Iran), of Lothal in Gujarat. Uitgebreide agglomeraties ontwikkelden zich eveneens in Zuid-Turkmenistan (Altyn-depe, Namazga-depe), waar contacten zijn aangetoond met Belujistan sinds het 5e millennium.

LandbouwBewerken

Er is enigszins gebrek aan informatie over de aard van het landbouwsysteem. Maar enkele speculaties lijken acceptabel. Het beschavingsgebied van de Indusvallei moet zeer productief zijn geweest. Er moeten voedselreserves zijn gemaakt om tientallen miljoenen stadsbewoners te kunnen voeden die niet in het landbouwproductieproces betrokken waren, tenminste niet op primaire wijze.

De landbouw moet zich op de reeds aanzienlijke technische vooruitgang van de pre-Harappacultuur hebben gebaseerd, waaronder het gebruik van karren. Het lijkt aannemelijk dat de vruchtbare alluviale gronden, die na de jaarlijkse overstromingen achterbleven, werden bewerkt, maar dit lijkt nog geen afdoende verklaring voor de hoeveelheid voedsel die aan de behoefte van stadsbewoners moest voldoen. Toch zijn er geen sporen van irrigatie, alhoewel deze door de frequente overstromingen en catastrofes kunnen zijn uitgewist.

De hypothese van het hydraulisch despotisme in verband met het verschijnen van stedelijke beschavingen van een staat lijkt niet op te gaan in het geval van deze bepaalde Indusbeschaving. Die hypothese stelt dat enkel steden kunnen ontstaan als irrigatiesystemen toelaten om aanzienlijke voedseloverschotten voort te brengen. Het uitwerken van deze systemen impliceert dan de opkomst van gecentraliseerde en despotische machten die in staat zijn het sociaal statuut van duizenden inwoners op te heffen en ze als slaven te gebruiken om hun natuurlijke werkkracht te exploiteren.

Het lijkt moeilijk deze hypothese te kaderen in wat bekend is over de Indusbeschaving, die geen enkel bewijs levert van koninklijke macht, van aanwezigheid van slaven, van mobilisatie door dwangarbeid en zelfs geen verloningssysteem op basis van geld.

Men denkt vaak dat intensieve landbouw indijking, afdamming en kanalen vereist. Deze veronderstelling is hier echter gemakkelijk weerlegbaar: in heel Azië produceren rijsttelers aanzienlijke overschotten door middel van rijstvelden in terrasvorm op de heuvelflanken. Dat systeem biedt geaccumuleerd werk over meerdere generaties zonder dat het enige vorm van slavernij zou inhouden. Misschien werd dit soort strategie hier in werking gesteld.

Handel en transportBewerken

De boten die men ook op zee gebruikte waren meestal kleinere platbodems, mogelijk met een zeil, vergelijkbaar met die welke nu nog op de Indus varen. Maar er zijn ook aanwijzingen voor intense zeevaart. In Lothal hebben archeologen bijvoorbeeld een zeekanaal aangetroffen dat in verbinding stond met een kunstmatige aanleghaven.

Tegen het midden van de Harappafase was er een uitgebreid maritiem handelsnetwerk uitgebouwd tussen de Harappabeschaving en die van Mesopotamië, met veel transacties door handelstussenpersonen van Dilmun (huidige Bahrein en Failaka in de Perzische Golf).[24] Dergelijke zeehandel op lange afstand werd mogelijk met de innovatieve ontwikkeling van houten schepen, uitgerust met een enkele mast die een zeil van geweven banden stof droeg.

De welvaart die aan de ontwikkeling van de Elamitische stadstaten ten grondslag lag, was niet alleen het gevolg van de grote vruchtbaarheid van Susiana maar ook van het belang dat dit gebied had als doorvoergebied tussen het Tweestromenland (Mesopotamië) en de Indusvallei.

GebruiksvoorwerpenBewerken

Er zijn talloze zegels in steatiet gevonden (in totaal zo'n 4200 waaronder meer dan 2000 in Mohenjodaro). Ze dragen inscripties in een pictografisch schrift dat meer dan 400 tekens telt.

 
Zegels uit de Induscultuur (British Museum)

De zegels zijn vaak versierd met een eenhoorn, maar ook zeboes, buffels, tijgers, olifanten, krokodillen enz. Andere zegels stellen mythologische thema's voor, waar een man (of vrouw?) met hoornvormig kapsel een centrale rol in speelt. Deze verschijnt in een boom waarvoor zich een ander individu ter aarde werpt. Soms wordt hij in lotushouding voorgesteld zoals een yogi en omgeven door dieren. Dit verklaart waarom sommigen er ook een afbeelding van proto-Shiva in de hoedanigheid van Pashupati, vader van het gedierte van maken.

De keramiekproductie heeft een utilitair karakter, met stereotype recipiënten. De okerkleurigepottencultuur strekte zich uit van Rajastan tot de Gangesvlakte.

De kleifiguurtjes zijn meer gediversifieerd: vrouwen die baren of die huishoudelijke taken doen, stieren ingespannen aan karren, zijn er bij massa’s gevonden.

Metaal werd gebruikt voor de fabricage van wapens en scheermessen, evenals van beeldjes, zoals de bronzen danseres van Mohenjodaro.

Wetenschappelijke kennisBewerken

De cultuur van dit rijk was gebaseerd op meerdere vormen van kennis en kunde. Evenals in Egypte en Mesopotamië waren er ongetwijfeld waarnemingsposten en technieken voor het bestuderen van de loop van sterren en planeten, aan de hand van welke gegevens onder meer de tijd kon worden gemeten, zodat de seizoenen konden worden bepaald, en de komst van mogelijke overstromingen. Dergelijke gegevens waren van groot belang voor het onderhouden van de landbouw. We treffen dit ook in het oude Egypte aan, waar de tijd van de Nijlvloed op die manier kon worden voorzien, en de nodige maatregelen konden worden genomen met het oog op het nieuwe landbouwseizoen.

MeetkundeBewerken

 
Harappa gewichten gevonden in de Indus-vallei

De bevolking van de Indusbeschaving bereikte grote meetnauwkeurigheid op gebied van lengte, massa en tijd. Ze waren zowat de eersten die een uniform gewichtenstelsel ontwikkelden. Hun metingen waren uiterst precies. De kleinste onderverdeling, die op een ivoren schaal uit Lothal gegraveerd staat, was ca. 1,704 millimeter, en is daarmee de kleinste decimale indeling die ooit op een schaal uit het Bronstijdperk werd aangetroffen. Harappa-ingenieurs volgden het decimale stelsel voor alle praktische aangelegenheden, zelfs het meten van massa, zoals aan het licht kwam door hun hexaëdervormige gewichten.

De afmetingen van de bakstenen hadden de perfecte verhouding 4:2:1 en ook daarvoor werd het decimaal stelsel gebruikt. Gewichten waren gebaseerd op eenheden van 0.05, 0.1, 0.2, 0.5, 1, 2, 5, 10, 20, 50, 100, 200, en 500, met elke eenheid van gewicht die ongeveer 28 gram woog, vergelijkbaar met de Engelse ounce of de Griekse uncia, en kleinere objecten werden in vergelijkbare verhoudingen gemeten met eenheden van 0,871.

De maten en gewichten van Kautilya’s Arthashastra zijn dezelfde als die welke in Lothal gebruikt werden.[25]

De wetenschappelijke kennis werd door de ingenieurs van deze beschaving toegepast in de planmatige stadsarchitectuur, met riolering en watertoevoer, en in de bouw van havens en zeewaardige schepen.

AardrijkskundeBewerken

Een unieke Harappaanse uitvinding was een instrument om secties van de horizon in azimut te meten, en een getijdendok. Bovendien ontwierpen de Harappanen nieuwe technieken inzake metallurgie. Zij produceerden koper, brons, lood en tin. De ingenieurskunst van de Harappanen was frappant, vooral de bouw van dokken na een zorgvuldige studie van de getijden, golven en stromingen.
Er is ook archeologisch materiaal dat historici doet geloven dat deze beschaving een octaal getalstelsel gebruikte en kennis had van de verhouding van lengte van de cirkelomtrek en zijn diameter, dus de benaderende waarde van het getal π.

GeneeskundeBewerken

In 2001 deden archeologen die de overblijfselen van twee mensen uit Merhgarh bestudeerden de onthutsende ontdekking dat de volken van de Indusbeschaving, zelfs al van de vroege Harappatijden, kennis hadden van geneeskunde en tandheelkunde. Prof. Andrea Cucina, medisch antropoloog van de universiteit van Missouri-Columbia, die het onderzoek leidde, deed deze ontdekking toen hij de tanden van een stel overblijfselen schoonmaakte.[26]

Schrift en taalBewerken

Vanwege de aanwezigheid van het Dravidische Brahui in Beloetsjistan is wel geopperd dat de bewoners van deze steden mogelijk een voorloper van de Dravidische talen spraken.[27] Later onderzoek heeft echter aangetoond dat de Brahui pas relatief laat vanuit het zuiden naar hun huidige woonplaats gemigreerd zijn.

De oorspronkelijke taal van het volk van de Indusbeschaving is samen met hen waarschijnlijk volledig verdwenen, maar zou mogelijk in het Burúshaski voortleven. Deze oorspronkelijk Harappese taal zou ook aan de basis liggen van bepaalde fonetische verschijnselen als retroflexe consonanten, die niet van Dravidische noch van Indo-Arische oorsprong zijn. Deel van het Sanskriet lexicon, zoals namen van lokale fauna en flora, namen van stromen en rivieren, zijn aan deze taal ontleend. Het was waarschijnlijk de eerste taal die de Indo-Arisch sprekenden op hun weg naar de Ganges tegenkwamen.[28]

Het eerste schrift dateert uit de vroeg-Harappa-Ravifase, genoemd naar de naburige rivier de Ravi, die duurde van ca. 3300-2800 v.Chr. Het blijft een domein van de Indusbeschaving dat mysterieus blijft. Want ondanks talrijke pogingen zijn de vorsers tot nu toe niet in staat om het te ontcijferen. Sommigen denken dat het de transcriptie van een proto-Dravidische taal is. Er is ook het probleem van het beschikbare materiaal. Meestal gaat het slechts om korte inscripties op zegels of op keramiek potten van amper 4 of 5 letters. Het langste telt 26 letters. Bovendien zijn er ook geen fragmenten van literatuur bekend.

 
Tien Indusschrifttekens, ontdekt aan de noordpoort van Dholavira (5000 jaar oud)

Anderzijds is er wel een grote inscriptie gevonden op een paneel dat lijkt bevestigd te zijn geweest boven een poort van de stad Dholivira. Men heeft de hypothese geuit dat het de reizigers de naam van de stad kenbaar moest maken, zoals men in onze huidige steden bezoekers welkom heet.

De meeste onderzoekers veronderstellen dat de Indusvallei het thuisland van een geletterde beschaving was, enkele geleerden echter vechten deze visie op linguïstische en archeologische gronden aan. De kortheid van de gevonden inscripties is namelijk zonder weerga in vergelijking met om het even welke premoderne geletterde samenleving, ook als die vergankelijke informatiedragers gebruikte zoals blaren, schors, hout, textiel, was, dierenhuid enz. Deels hierop steunend is er een studie van Farmer, Sproat, en Witzel verschenen,[29] die stelt dat het Indussysteem geen taal codeerde, maar verband hield met een waaier van niet-talige tekens die uitgebreid in gebruik waren in het Nabije Oosten. Er werd ook gesteld dat deze tekens exclusief voor economische transacties dienden. Maar dat laat de aanwezigheid van talrijke Indusvalleisymbolen op rituele voorwerpen onverklaard, waarvan er vele in mallen werden gemaakt. Er zijn in andere antieke beschavingen geen parallellen met dergelijke inscripties in massaproductie.[30] Een studie op basis van conditionele entropie, die op computersystemen van toepassing is, heeft aangetoond dat de tekens wel degelijk tot een taal behoren.[31]

Foto’s van de duizenden inscripties zijn gepubliceerd in het Corpus of Indus Seals and Inscriptions (1987, 1991, 2010), uitgegeven door A. Parpola e.a.[32] Publicatie van een derde deel, waarin foto’s zouden worden gepubliceerd die in de jaren twintig en dertig genomen zijn van honderden verloren of gestolen inscripties, samen met talloze andere die in de voorbije decennia zijn ontdekt, is al jaren aangekondigd. Tot dusver (anno 2019) is slechts deel 3.1 gepubliceerd en moeten onderzoekers het materiaal in het Corpus aanvullen met studie van de kleine foto’s in de opgravingsverslagen van Marshall (1931),[33] Mackay (1938), Wheeler (1947), of reproducties in verspreide recentere bronnen.

Alhoewel sommige onderzoekers dus hebben gesuggereerd dat gezien de kortheid van de inscripties het misschien niet om een echt schrift ging, maar een identificatiesysteem voor handelstransacties en handtekeningen, blijft het natuurlijk mogelijk dat langere genoteerde teksten wel hebben bestaan, maar dat die niet tot ons zijn gekomen bijvoorbeeld juist vanwege gebruik van vergankelijke informatiedragers.

Vermeldenswaardig is ook dat in de antieke beschavingen er aanvankelijk geen cultus van het schrift bestond zoals dat bij ons gewoon is. Integendeel werd de noodzaak om iets op te schrijven als een teken van zekere degeneratie beschouwd, aangezien men normaal alles in het geheugen onthield. Het ging dan ook in het algemeen om orale tradities, waar men het normaal vond dat de menselijke hersenen als harde schijf werden gebruikt en de kennis zorgvuldig van de ene generatie op de andere in een daartoe speciaal gestructureerd onderwijssysteem werd overgedragen.

Kunst en cultuurBewerken

 
Het dansende meisje van Mohenjo-daro; 2400–1900 BCE; brons; hoogte: 10,8 cm

Er zijn bij de opgravingen massa’s sculptuurtjes, zegels, potten, gouden juwelen en anatomisch gedetailleerde beeldjes in terracotta, brons en steatiet gevonden. De meeste van die figuurtjes zijn afbeeldingen van vrouwen, die vermoedelijk vruchtbaarheidssymbolen weergeven, of van dieren. Ze zijn zeer gedetailleerd bewerkt.

Een aantal bronzen, terracotta en stenen figuurtjes van meisjes in danshouding onthullen de aanwezigheid van een vorm van dansen. Van archeoloog Sir John Marshall is bekend dat hij met verrassing reageerde toen hij het beroemde bronzen beeldje van een slank geschapen dansend meisje in Mohenjodaro te zien kreeg:

 
Stenen buste van priesterkoning uit Mohenjodaro
Toen ik ze (dit soort beeldjes) voor het eerst zag, had ik moeite te geloven dat ze prehistorisch waren; ze leken wel alle gevestigde opvattingen over vroege kunst op hun kop te zetten. Modelleren zoals dit was onbekend in de antieke wereld tot in de Hellenistische tijd van het oude Griekenland, en ik dacht daarom dat er een vergissing in het spel moest zijn; dat deze figuurtjes hun weg hadden gevonden in lagen van zo’n 3000 jaar ouder dan die waar ze eigenlijk thuishoorden… Nu is in deze beeldjes juist die anatomische realiteit zo bewonderenswaardig, die maakt dat we ons afvragen of in deze allerbelangrijkste zaak Griekse kunst mogelijk kan zijn voorafgegaan door beeldhouwers uit ver verleden tijd aan de oevers van de Indus.

In Mohenjodaro zijn zegels gevonden met een figuur die op zijn hoofd staat, en een andere in kleermakerszit. Dit is mogelijk een eerste illustratie van yogapraktijk. Een gehoornde figuur in geavanceerde yogahouding (zie afbeelding Pashupati in lotuszit rechts onderaan het beeld) is geïnterpreteerd als mogelijk een allervroegste afbeelding van Shiva. Maar het kan ook wijzen op een algemeen verbreid gebruik van geestelijke hygiëne en oefening.

In vergelijking tot de hoogculturen van Egypte en Mesopotamië uit dezelfde tijd heeft de Indusvallei weinig beeldhouwwerken voortgebracht. Men ontdekte onder meer koppen en op een pilaster tronende rammen, wat een sacrale betekenis kan aangeven.

Daarentegen waren juwelen in allerlei vormen gemeengoed. Materialen die men er voor gebruikte waren allerhande edelstenen zoals cornaline (rode kwarts), agaat, jaspis en lapis lazuli, en eveneens goud (minder voor komend), kristal en andere steensoorten. Armbanden, halskettingen en hoofdsieraden worden met grote handvaardigheid gesmeed, geslepen en gepolierd.

Zoals klei- en bronsfiguren die bepaalde taferelen uitbeelden aantonen, werd er naast dans ook muziek en schilderkunst bedreven. Een harpachtig instrument dat staat afgebeeld op een Indus zegel en twee schelpvoorwerpen gevonden in Lothal wijzen op het gebruik van snaarinstrumenten.

NalatenschapBewerken

 
Het Pashupati-zegel, met een zittend figuur omringd door dieren

Het verband tussen de Indusbeschaving en de eerste cultuur van het Sanskriet, welke de Vedische teksten van onder meer het Hindoeïsme voortbracht, is niet duidelijk. Opmerkelijk is wel dat de oudste Vedische teksten de Sarasvati noemen en een wereld beschrijven die aan het utopische grenst, en die zich aan de oevers van deze rivier bevond. Latere teksten maken zelfs melding van de verdwijning ervan.

In de loop van het 2e millennium v.Chr. mengden overblijfselen van de Indusbeschaving (Cemetery H-cultuur) zich met die van andere volken, hetgeen waarschijnlijk tot de opkomst van de Vedische cultuur leidde en uiteindelijk tot het Hindoeïsme.

De Cemetery H-cultuur leverde het eerste bewijs van crematie, een praktijk die in het hedendaags Hindoeïsme nog steeds dominant is.

Te oordelen naar de massale hoeveelheid beeldjes die de vrouwelijke vruchtbaarheid voorstellen die men aan de Indusoevers gevonden heeft, schijnt in de cultus van deze volken ook een moedergodin een grote rol te hebben gespeeld, die in het hedendaagse Hindoeïsme voort bestaat als Shakti en Kali. Sommigen denken dan ook aan een eerder matriarchale maatschappijvorm. Zegels van de Indusbeschaving beelden dieren af, misschien als objecten van verering, vergelijkbaar met de zoömorfe aspecten van een aantal hindoegoden, en appelleren aan de tolerante houding van de hindoe tegenover in het bijzonder koeien, apen, en ook andere dieren. Verder zijn er zegels met Pashupati in yogahouding ontdekt.
En zoals de hindoe vandaag hechtten ook zij groot belang aan ablutie (reiniging door water) en aan het belang van lichaamshygiëne.

Maar misschien is het belangrijkste erfgoed van de Indusbeschaving, als er al een erfgoed bestaat, haar klaarblijkelijke geweldloosheid (ahimsa), die fundamenteel is voor de houding tegenover anderen en de manier om met hen om te gaan. Dit is beschaving in de zin van beschaafdheid, verfijnde ontwikkeling met spontaan geciviliseerd gedrag, ontzag, en respect voor alle anderen tot gevolg. In tegenstelling tot bekende beschavingen uit de Oudheid geven de sites voor archeologisch onderzoek van de Indusbeschaving geen blijk van de aanwezigheid van machtige heersers, uitgebreide legers, slaven, sociale conflicten, gevangenissen en andere aspecten die klassiek met de eerste beschavingen worden geassocieerd.

Uiteraard kunnen dergelijke mankementen ook het gevolg zijn van de erg fragmentarische kennis van deze beschaving. Een ander bekend voorbeeld van een aanvankelijk als vredelievend geziene cultuur was die van de Maya's. Uit latere vondsten bleek dat de Maya's zich wel degelijk bezighielden met veroveringsoorlogen en mensenoffers zoals de latere Azteken.

Zie ookBewerken

Externe linksBewerken

  Zie de categorie Indus Valley Civilization van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.
  Dit artikel is op 24 april 2008 in deze versie opgenomen in de etalage.