Hoofdmenu openen

Een janapada (Devanagari: जनपद, Sanskriet: janapada, van jana - "stam" en pada - "voet") was het territorium van een stam van de pastorale, ijzergebruikende en een Indo-Arische taal sprekende "arya", zoals de stammen van de Veda's zichzelf noemden. De janapada's waren in de Vedische tijd (rond 1000-600 v.Chr.) de voorlopers van de eerste koninkrijkjes in het noorden van India. Agrawala heeft de janapada's vergeleken met de Griekse stadstaatjes. Aan het einde van de Vedische tijd rond 500 v.Chr. smolten veel janapada's samen tot grotere mahajanapada's.

Stamhoofd en raadBewerken

Op de overgang naar het 1e millennium v.Chr. hadden de "arya" hun semi-nomadische bestaan verwisseld voor een sedentair bestaan als landbouwers. Als gevolg raakten sociale status en identiteit verbonden aan de hoeveelheid land die de stam in gebruik had of bezat.

De janapada's waren een soort proto-staatjes. Hoewel er in het verband van de Veda's vaak over koningen en koninkrijken gesproken wordt, was nog geen sprake van echt koningschap. In de agrarisch-sedentaire nederzettingen van de janapada's kwam de autoriteit en status van de leiders voort uit stam- en familieverbanden. In vergelijking met de semi-nomadische stammen van de Rig-Veda werd succesvolle oorlogsvoering wel minder belangrijk. In plaats daarvan richtten de leiders zich meer op de priesterklasse om hen door middel van religieuze rituelen status te verlenen.

De stammen werden bestuurd door de hoofden van de belangrijkste families, soms aangevoerd door een raja, een stamhoofd. Het stamhoofd diende bij het uitoefenen van de macht te luisteren naar de vergadering van familiehoofden. In sommige gevallen was er geen stamhoofd, zodat de stam door de vergadering werd geregeerd. Deze janapada's zonder stamhoofd waren een soort aristocratische republiekjes, zogenaamde gana's, ook wel sangha's of gana-sangha's, waar tegenwoordige hindoe-nationalisten wel een antieke "democratische" traditie in zien.

Sociale ontwikkelingBewerken

Dankzij de grotere hoeveelheid beschikbare middelen en voedsel bij een dergelijke samenleving groeiden de nederzettingen en konden stamleden zich meer specialiseren, wat een grotere sociale hiërarchie tot gevolg had.

Bovenaan de hiërarchie stonden de priesters (brahmana's) en leiders (kshatriya's). Handelaren en boeren kwamen daaronder en de veehouders en werklieden vormden de onderklasse. Op veel ambachten die bij de "arya" onbekend waren en door inheemse bewoners werden uitgeoefend, werd neergekeken.