Folketing

parlement van Denemarken

Het Folketing (Deens: Folketinget [ˈfɔlɡəˌteˀŋ]) is het parlement van het Koninkrijk Denemarken, dat Denemarken, Groenland en de Faeröer omvat.

Folketing
Folketinget
Wetgevend orgaan van Vlag van Denemarken Denemarken
Folketing
Algemene informatie
Opgericht in 1849
Aantal leden 179
Ontmoetingsplaats Christiansborg, Kopenhagen
Huidige legislatuur
Verkozen op 5 juni 2019, Deense parlementsverkiezingen 2019
Voorzitter Henrik Dam Kristensen,
Socialdemokraterne
Zetelverdeling Folketing February 2021
Partijen Rode blok (minderheidsregering) (51)

Socialdemokraterne (49)
Javnaðarflokkurin (1)
Siumut (1)
(gedoogpartijen) (43)
Socialistisk Folkeparti (15)
Radikale Venstre (14)
Enhedslisten (13)
Inuit Ataqatigiit (1)
Blauwe blok (oppositie) (72)
Venstre (34)
Sambandsflokkurin (1)
Dansk Folkeparti (16)
Det Konservative Folkeparti (12)
Liberal Alliance (3)
Overigen (12)
Alternativet (1)
Nye Borgerlige (4)
Frie Grønne (3)
Onafhankelijken (5)

Portaal  Portaalicoon   Politiek

Het Folketing bestaat uit 179 zetels die door evenredige vertegenwoordiging gekozen worden. De Faeröer en Groenland hebben elk twee zetels. De overige leden worden vanuit de 92 Deense kieskringen gekozen. De leden worden gekozen voor een termijn van maximaal vier jaar. De premier kan, met goedkeuring van de vorst, vervroegde verkiezingen uitschrijven, waarmee de termijn voor de parlementsleden vervroegd afloopt.

BenamingBewerken

De naam Folketing betekent 'volksvergadering'. De uitgang -et (Folketinget) fungeert als aangehecht bepaald lidwoord; de vertaling is in dat geval 'de volksvergadering'. Het eerste lid, Folk betekent 'volk' of 'de mensen'; het tweede lid ting gaat terug op het Proto-Germaanse woord *þinga', dat duidt op een rechtsprekende vergadering of een bijeenkomst om geschillen te bespreken.

GeschiedenisBewerken

Het Folketing, het Deense eenkamerige parlement, houdt sinds 1849 zitting in de Christiansborg op het eiland Slotsholmen, in het hart van Kopenhagen.

Van 1849 tot 1953 was het Folketing een van de twee kamers in de Deense Rigsdag (Rijksdag). De andere was het Landsting (Landstinget). Beide kamers hadden evenveel macht, maar waar het Folketing het volk vertegenwoordigde, vertegenwoordigde het Landsting de oude aristocratie. Tot 1915 werden de meeste zetels in het Landsting door censuskiesrecht ingevuld; de overige zetels werden door de vorst aangewezen. Vanaf 1915 mocht ook de gewone bevolking stemmen, zij het indirect met een districtenstelsel en een hoge kiesgerechtigde leeftijd. In de volgende decennia verloor de Landsting aan invloed – de wetten werden immers in het Folketing gemaakt – en werd een overbodig bureaucratisch orgaan.

Na een referendum in 1953 werden de twee kamers samengevoegd. Volgens de Deense grondwet ligt de wetgevende macht nu zowel bij het Folketing als bij de koning. De koning tekent aangenomen wetten als een formaliteit, al kan hij principe zonder gevolgen weigeren een wet te tekenen.

Het komt zelden voor dat een partij de absolute meerderheid behaalt; de laatste keer was in 1901. De oorzaak ligt in de Deense Kieswet en Parlementswet. Denemarken hanteert een kiesdrempel van slechts twee procent (3,6 zetels) en reserveert bovendien voor Groenland en Faeröer elk twee zetels, de zogenaamde Noord-Atlantische mandaten. Daardoor kunnen er enkele zetels naar partijen uit deze autonome gebiedsdelen gaan. Dientengevolge ontstaan er politieke blokken en worden er coalitieregeringen gevormd.

De regeringen-Rasmussen (zowel Anders Fogh Rasmussen als Lars Løkke Rasmussen) hadden de West-Europese primeur van gedoogsteun, die in Denemarken van de ultra-rechtse Dansk Folkeparti kwam. Bij de parlementsverkiezingen van 2011 vormde het rode blok de regering en kwam er een eind aan deze tien jaar lange samenwerking, hoewel Venstre van het blauwe blok met 47 zetels de grootste partij werd. Het rode blok van Helle Thorning-Schmidt haalde als geheel meer zetels dan het blok, zodat Lars Løkke Rasmussen uitgesloten kon worden van regeringsdeelname. Vier jaar later, bij de verkiezingen van 2015, gebeurde het omgekeerde: nu werd Socialdemokraterne van zittend premier Thorning-Schmidt de grootste partij, maar behaalde het blauwe blok gezamenlijk een nipte meerderheid. Hierdoor kon oppositieleider Rasmussen opnieuw de macht grijpen, hoewel zijn partij Venstre grote verliezen geleden had. Op 28 juni 2015 vormde Venstre een minderheidsregering met gedoogsteun van de andere partijen uit het blauwe blok.[1]

VoorzittersBewerken

In 2019 werd Henrik Dam Kristensen (Socialdemokraterne) gekozen tot parlementsvoorzitter. Voorgangers waren de eerste vrouwelijke voorzitter, Pia Kjærsgaard (Deense Volkspartij, 2015 – 2019) en Mogens Lykketoft (Socialdemokraterne, 2011 – 2015).

Kieswet en ParlementswetBewerken

De Deense Kieswet en Parlementswet lijken op die van Nederland. Toch zijn er grote verschillen:

  • Er is een kiesdrempel van 2% van de stemmen, omgerekend 3,6 zetels in het Folketing.
  • Nieuwe partijen dienen bij deelname aan de verkiezingen het aantal handtekeningen te verzamelen ter grootte van één zetel volgens de kiesdeler, hetgeen overeenkomt met ongeveer 20.000 handtekeningen.
  • Een lid van het Folketing is parlementair onschendbaar, tenzij aan twee voorwaarden voldaan is: het parlementslid is op heterdaad betrapt en een meerderheid van het Folketing besluit de immuniteit op te heffen.
  • Debatten en algemene vergaderingen mogen in besloten kring (zonder publiek) gehouden worden, al is dit sinds de Duitse inval in Denemarken in de Tweede Wereldoorlog niet meer voorgekomen.

Samenstelling van Folketing (2019)Bewerken

Partijen (Lettersymbool) (Nederlandse vertaling) Partijleiders Stemmen Percentage Zetels
Rode blok
Socialdemokraterne (A) (Sociaaldemocraten) Mette Frederiksen 915.415 25,9% 48
Radikale Venstre (B) (Sociaal-liberale partij) Morten Østergaard 304.427 8,6% 16
Socialistisk Folkeparti (F) (Socialistische Volkspartij) Pia Olsen Dyhr 272.062 7,7% 14
Enhedslisten – De Rød-Grønne (Ø) (Eenheidslijst - De Rood-Groenen) Collectief leiderschap[2] 244.664 6,9% 13
Alternativet (Å) (Het Alternatief - Groene partij)[3] Uffe Elbæk 104.149 3,0% 5
Blauwe blok
Det Konservative Folkeparti (C) (De Conservatieve Volkspartij) Søren Pape Poulsen 233.348 6,6% 12
Kristendemokraterne (K) (Christendemocraten) Isabelle Arendt[4] 61.208 1,8% 0
Dansk Folkeparti (O) (Deense Volkspartij) Kristian Thulesen Dahl 308.241 8,7% 16
Venstre (V) (Liberale Partij) Lars Løkke Rasmussen 825.450 23,4% 43
Liberal Alliance (I) (Liberale Alliantie) Anders Samuelsen 82.227 2,3% 4
Overig
Nye Borgerlige (D) (Nieuw Rechts) Pernille Vermund 83.225 2,4% 4
Klaus Riskær Pedersen (E) Klaus Riskær Pedersen 29.621 0,9% 0
Stram Kurs (P) (Strakke Koers) Rasmus Paludan 63.093 1,8% 0
Onafhankelijken 2.774 0.1% 0
blanco/ongeldig 37.801 - -
Totaal 3.569.521 100% 175
Geregistreerde kiezers/opkomst 4.219.537 84,6% -
Faeröer
Sambandsflokkurin (Uniepartij) Bárður á Steig Nielsen 7.349 28,3% 1
Javnaðarflokkurin (Sociaaldemocratische Partij) Aksel Johannesen 6.630 25,5% 1
Hin føroyski fólkaflokkurin (Faeröer Volkspartij) Jørgen Niclasen 6.181 23,8% 0
Tjóðveldi (Republiek) Høgni Hoydal 4.830 18,6% 0
Framsókn (Vooruitgang) Poul Michelsen 639 2,5% 0
Sjálvstýri (Nieuw Zelfbestuur) Jógvan Skorheim 333 1,3% 0
blanco/ongeldig 244 - -
Totaal 26.206 100% 2
Geregistreerde kiezers/opkomst 37.264 70,3% -
Groenland
Inuit Ataqatigiit (Inuitgemeenschap) Múte Bourup Egede 6.881 33,4% 1
Siumut (Voorwaarts) Kim Kielsen 6.058 29,4% 1
Demokraatit (Democraten) Niels Thomsen 2.262 11,0% 0
Nunatta Qitornai (de Afstammelingen van Ons Land) Vittus Qujaukitsoq 1.616 7,8% 0
Partii Naleraq Hans Enoksen 1.565 7,6% 0
Atassut (Solidariteit) Siverth K. Heilmann 1.099 5,3% 0
Suleqatigiissitsisut (Samenwerkingspartij) Michael Rosing 520 2,5% 0
blanco/ongeldig 614 - -
Totaal 20.615 100% 2
Geregistreerde kiezers/opkomst 41.344 49,9% -


Foto'sBewerken