Hoge Raad der Nederlanden

hoogste rechtsprekende instantie in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten op civielrechtelijk, strafrechtelijk en belastingrechtelijk gebied

De Hoge Raad der Nederlanden (kortweg Hoge Raad, gerechtscode HR) is de hoogste rechtsprekende instantie in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten op civielrechtelijk, strafrechtelijk en belastingrechtelijk gebied.[noot 1] De Hoge Raad zetelt in Den Haag. Een rechter in de Hoge Raad wordt, ongeacht of het een man of een vrouw is, raadsheer genoemd.

Hoge Raad der Nederlanden
Hoge Raad der Nederlanden
Zetel van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout in Den Haag
Motto Ubi iudicia deficiunt incipit bellum (waar rechterlijke beslissingen te kort schieten begint geweld)[1]
Type Cassatierechter
Werktalen Nederlands
Jurisdictie Vlag van Nederland Koninkrijk der Nederlanden
Zittingsplaats(en) Den Haag
Geschiedenis
Opgericht 1 oktober 1838
Voorganger(s) Keizerlijk Hooggerechtshof
Samenstelling
Samenstelling 1 president
max. 7 vicepresidenten
max. 30 raadsheren
max. 15 raadsheren i.b.d.
President G. de Groot
Vicepresident C.A. Streefkerk
M.V. Polak
V. van den Brink
J. de Hullu
R.J. Koopman
M.E. van Hilten
Procureur-generaal F.W. Bleichrodt
Benoeming Bij KB, op voordracht van de Tweede Kamer
Website
hogeraad.nl

TakenBewerken

De wettelijke opdracht aan de Hoge Raad is gelegen in de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.[noot 2] Dat ziet dus niet alleen op schending van de wetten maar op al wat het recht uitmaakt, behoudens het recht van vreemde staten.

De maatschappelijke taken van de Hoge Raad staan als zodanig niet in enige wet maar ze worden door het college zelf benoemd als "het bevorderen van de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid en het bieden van individuele rechtsbescherming".[2] Die eerste twee taken zijn nader geaccentueerd doordat rechtbanken en gerechtshoven de Hoge Raad rechtsvragen kunnen voorleggen (de zgn. prejudiciële vragen) in het belang van de ontwikkeling en de eenheid van het recht (sinds 2012 voor civiele zaken en sinds 2016 ook in belastingzaken).

De individuele rechtsbescherming bestaat er in dat de Hoge Raad uitspraken vernietigt van lagere rechters en de rechtzoekenden daarmee beschermt tegen rechtens onjuiste uitspraken (hierna besproken onder 'cassatie').

De lagere rechters (gerechtshof en rechtbank) houden zich in beginsel aan de door de Hoge Raad gegeven interpretatie van het recht. Het is mogelijk dat de Hoge Raad in een arrest terugkomt van een eerder ingenomen standpunt. In zo'n geval heet het dat de Hoge Raad 'om is gegaan'. Dat gebeurt echter niet lichtvaardig want de uitspraken van de Hoge Raad dienen er nu juist bij uitstek voor om de rechtseenheid te bevorderen. Het is echter onvermijdelijk dat de Hoge Raad zijn oordeel aanpast aan gewijzigde maatschappelijke omstandigheden en opvattingen. Vooral waar het gaat om ongeschreven rechtsregels of wanneer de wetgever 'open normen' heeft gebruikt, zijn de uitspraken van de Hoge Raad bepalend voor de rechtsvorming. [noot 3] Als de Hoge Raad blijkens zijn overwegingen 'om gaat' en dus een standpunt inneemt dat in strijd is met een eerder arrest, wordt dit expliciet vermeld in het arrest waarin het gebeurt.

CassatieBewerken

  Zie voor het hoofdartikel hierover: cassatie.

Tegen uitspraken van de rechtbank kan in civiele- straf- en belastingzaken - in beginsel - [noot 4] hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof. Die procedure houdt een volwaardige 'tweede kans' in. Partijen kunnen hun stellingen aanpassen en eventuele fouten die ze in de eerste instantie hebben gemaakt, veelal herstellen. Het is de zogenaamde tweede 'feitelijke instantie'. Er gelden echter wel strakkere spelregels en in civiele zaken is de bijstand van een advocaat vereist, ook als dat bij de rechtbank (sector kanton) nog niet het geval was. De procedure bij de Hoge Raad is geen volwaardige 'derde instantie'. In de cassatie kunnen namelijk alleen klachten worden aangevoerd tegen uitspraken waarin vormen zijn verzuimd die tot nietigheid leiden; het recht niet goed is toegepast of het oordeel niet afdoende is gemotiveerd.[noot 5] Als regel gaat het daarbij om arresten van een gerechtshof. Als de cassatie slaagt kan de Hoge Raad de kwestie soms zelf afdoen. In de overgrote meerderheid van de gevallen zal de zaak echter worden verwezen naar een ander gerechtshof met de opdracht deze verder te berechten in de stand waarin de procedure zich bevond onmiddellijk voordat de vernietigde beslissing werd gegeven en zulks met inachtneming van het door de Hoge Raad gewezen arrest.[noot 6]

Een nieuwe beoordeling van de feiten blijft bij de Hoge Raad dus achterwege. Daardoor is de cassatieprocedure heel strak afgeperkt want ook rechtsoordelen die 'verweven zijn met een waardering van de feiten', zijn door de Hoge Raad niet te toetsen.

Het voeren van een civiele cassatieprocedure mag - zowel eisend als verwerend - alleen worden gedaan door een 'advocaat bij de Hoge Raad'.[noot 7] Alvorens cassatie in te stellen begint deze met een schriftelijk 'cassatieadvies' aan de cliënt. Als dat negatief luidt zal de advocaat de zaak niet verder aannemen en als het positief uitvalt zal hij/zij dat advies omzetten in zgn. 'cassatiemiddelen', die bij de Hoge Raad worden ingediend. Vervolgens is er nog een ingangstoets: als de zaak naar het oordeel van de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal, geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat de eiser onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de cassatiemiddelen 'klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden',[noot 8] wordt de zaak niet verder in behandeling genomen en wordt er afgedaan met een niet-ontvankelijkheid.[noot 9] Een belastingzaak kan men in alle drie instanties zelf - en dus zonder advocaat - voeren. In strafzaken kan de verdachte zelf cassatie instellen maar moeten de cassatieklachten door een advocaat (welke dan ook) worden ingediend.[noot 10] Als alleen het Openbaar Ministerie cassatieberoep heeft ingesteld mag de verdachte desgewenst zelf het verweer voeren.

Prejudiciële vragenBewerken

Rechters kunnen sinds 1 juli 2012 prejudiciële vragen stellen aan de civiele kamer van de Hoge Raad. Dit zijn rechtsvragen waar de Hoge Raad zich nog niet over heeft uitgelaten. Het gaat hierbij om vragen die zich voordoen in een lopende procedure bij die rechter. Het antwoord op de vraag moet nodig zijn voor het beslissen van die lopende zaak en dezelfde vraag moet ook aan de orde zijn voor een groot aantal vorderingsrechten die uit dezelfde of soortgelijke feiten of samenhangende oorzaken voortkomen (zoals het geval is bij massaclaims). Een tweede mogelijkheid is dat de vraag - naast de benodigdheid in de aanhangige procedure - van belang is voor de beslechting of beëindiging van veel andere uit dezelfde of soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen (qua type veel voorkomende geschillen waarin de rechtsvraag speelt, bijvoorbeeld arbeidszaken of echtscheidingen). Het doel hiervan is een veelheid van zaken sneller definitief af te kunnen doen doen.[noot 11] Een prejudiciële vraag wordt gesteld in een vonnis van de lagere rechter. Het kan op eigen initiatief van die rechter gebeuren of op verzoek van een of meer partijen.[noot 12]

Cassatie in het belang der wetBewerken

De Hoge Raad kan in het belang der wet beslissen op cassatie ingesteld door de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Cassatie in het belang der wet is een zgn. 'buitengewoon rechtsmiddel'. Het kan alleen worden ingesteld als partijen niet zelf cassatieberoep hebben ingesteld of wanneer dat niet heeft opengestaan, zodat de zaak voor hen dus definitief is beslist ('kracht van gewijsde' heeft verkregen). De procureur-generaal kan de aan de orde zijnde rechtsvraag dan toch belangrijk genoeg vinden om daarover een uitspraak van de Hoge Raad te krijgen. Het gaat dan met name om vragen van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Een arrest van de Hoge Raad waarin een uitspraak van de lagere rechter in het belang der wet wordt gecasseerd, heeft dus verder geen gevolgen voor de partijen die bij de kwestie betrokken waren. Het instellen van cassatie in het belang der wet is een uitsluitende bevoegdheid van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, maar eenieder kan aan deze een verzoek daartoe doen. Dit is erg 'laagdrempelig' geregeld: het verzoek dient gemotiveerd te zijn en kan eenvoudig per ondertekende scan van een brief per e-mail worden ingediend.[3]

Eerste aanlegBewerken

De Hoge Raad is het college waarvoor de leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen moeten terechtstaan bij vervolging wegens ambtsmisdrijven (misdrijven die zij als zodanig begaan terwijl zij in functie zijn of na hun aftreden).[4] Strafrechtelijke vervolging voor deze ambtsmisdrijven is slechts mogelijk als de Tweede Kamer (bij meerderheid) of de regering [noot 13] hiertoe besluit, waarna de procureur-generaal bij de Hoge Raad de vervolging instelt. Hij is daartoe verplicht: het opportuniteitsbeginsel geldt hier niet. Overigens is een dergelijke procedure wegens ambtsmisdrijven in Nederland nog nooit voorgekomen,[5] en in 2009 kwam de Commissie Prinsjesdagstukken onder leiding van voormalig procureur-generaal De Wijkerslooth tot de conclusie dat in ieder geval in die context een dergelijke strafrechtelijke vervolging nagenoeg onuitvoerbaar was.[6]

De vierde kamer van de Hoge Raad beslist ook in eerste aanleg over de vraag of een rechter moet worden geschorst of ontslagen. Alle rechters worden in Nederland voor het leven benoemd. Deze regel is opgenomen in artikel 117 van de Grondwet en waarborgt de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. De regel zorgt ervoor dat de rechter onafhankelijk zijn werk kan doen zonder het risico te lopen door regering of parlement te worden ontslagen. De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalt echter dat rechters niet ouder mogen zijn dan 70. De procureur-generaal bij de Hoge Raad kan evenwel een vordering tot schorsing of ontslag indienen bij de Hoge Raad (art. 111 Wet op de rechterlijke organisatie). Een rechter kan door de Hoge Raad worden ontslagen wanneer hij of zij lichamelijk of geestelijk niet meer in staat is zijn werk te doen; voor een misdrijf is veroordeeld of ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het hierin te stellen vertrouwen. Een rechter kan ook worden ontslagen vanwege ongeschiktheid; dit is echter zeer uitzonderlijk.[noot 14]

ZittingenBewerken

Procedures bij de Hoge Raad worden vrijwel geheel schriftelijk gevoerd. Dit heeft tot gevolg dat er bijna geen zittingen zijn waarbij partijen en/of advocaten verschijnen die hun standpunt toelichten. Er zijn wel rolzittingen.[7]

SamenstellingBewerken

De raadsheren in de Hoge Raad worden net als de andere leden van de rechterlijke macht benoemd bij koninklijk besluit (artikel 117, eerste lid, van de Grondwet). In afwijking van de gebruikelijke procedure wordt deze benoeming voorafgegaan door een voordracht van drie personen door de Tweede Kamer der Staten-Generaal, waaruit de regering een keuze moet maken (artikel 118, eerste lid, van de Grondwet). Hiertoe stelt de Hoge Raad in overleg met de procureur-generaal een lijst van zes personen op (artikel 5c, zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren).[8] De regering benoemt in de praktijk de eerste kandidaat op de voordracht. De benoeming van de leden van de Hoge Raad vindt daarom in feite plaats door middel van coöptatie: de reeds benoemde leden van de Hoge Raad bepalen wie voor de benoeming in aanmerking komt.

In het verleden, met name in de negentiende eeuw, kwam het met enige regelmaat voor dat de Tweede Kamer afweek van de door de Hoge Raad voorgestelde lijst. In de recentere geschiedenis werd in het parlement nauwelijks aandacht aan de benoemingen besteed. De benoeming van Ybo Buruma in 2012 leidde echter tot bezwaren van de PVV en de voordracht van Diederik Aben werd zelfs ingetrokken nadat verschillende politieke partijen hun zorgen hadden geuit over diens stellingname rondom de wraking in het proces Wilders.[9]. In 2018 heeft de Raad een protocol voor de werving en selectie van zijn leden vastgesteld.[10] Daarin staat ook dat zijn president en PG de voordracht aan de betreffende commissie van de Tweede Kamer toelichten. Dit laat uiteraard onverlet dat de Kamer (een of meer van) de voorgedragen kandidaten zelf kan horen.

De leden van de Hoge Raad worden - zoals alle rechters - voor het leven benoemd; bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar of op eigen verzoek wordt aan een raadsheer bij koninklijk besluit ontslag verleend (artikel 46h, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren). Er bestaat geen wettelijke grondslag voor de zittingstermijn van de president. Wel gold informeel dat de president na zes jaar zijn functie neerlegt, een gebruik analoog aan wat voor de gerechten die onder de Raad voor de rechtspraak vallen, geldt. Voorheen werd steeds de langstzittende raadsheer, de 'in anciënniteit oudste vicepresident', tot president benoemd.[11] In maart 2018 heeft de Raad een protocol benoeming president vastgesteld. In § 6.2 daarvan is vermeld dat de termijn niet langer is dan zes jaar. [12]

De Hoge Raad bestaat uit (artikel 72, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie):

  • een president;
  • ten hoogste zeven vicepresidenten;
  • ten hoogste dertig raadsheren;
  • ten hoogste vijftien raadsheren in buitengewone dienst.

De leden van de Hoge Raad zijn naar rechtsgebied ingedeeld in een van de vier kamers:

  • Eerste Kamer (Civiel Recht)
  • Tweede Kamer (Strafrecht)
  • Derde Kamer (Belastingrecht)
  • Vierde Kamer (Ombudskamer)

Sinds 1 november 2020 is mr. G. (Dineke) de Groot de president van de Hoge Raad.[13] Zij volgde Maarten Feteris op, die van 2014 tot 2020 president was.

  Zie voor een compleet overzicht de lijst van presidenten van de Hoge Raad der Nederlanden.

Het parket bij de Hoge Raad geeft rechtsgeleerde adviezen (conclusies) aan de Hoge Raad. In de conclusies wordt relevante rechtspraak, literatuur en wetsgeschiedenis uitgebreid belicht. De conclusie eindigt met een voorstel aan de Hoge Raad. De conclusie wordt doorgaans gevolgd. Het parket is onafhankelijk en wordt geleid door de procureur-generaal. De conclusies worden door de advocaten-generaal (AG’s) namens de procureur-generaal genomen. De raadsheren van de Hoge Raad en het parket bij de Hoge Raad worden in hun werkzaamheden ondersteund door het wetenschappelijk bureau (WB) van de Hoge Raad. De ondersteuning door het wetenschappelijk bureau bestaat uit het analyseren van dossiers, verzamelen van relevante literatuur en jurisprudentie en het voorbereiden van concepten. Raadsheren, AG's en wetenschappelijk medewerkers van de Hoge Raad moeten aan zeer hoge kwaliteitseisen voldoen.

GriffierBewerken

  Zie Lijst van griffiers van de Hoge Raad der Nederlanden voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Hoge Raad heeft altijd een griffier, die optreedt als secretaris voor het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur. Vanaf het feitelijke begin in 1883 tot het aantreden van de huidige griffier (mr. J. Storm) heeft de Hoge Raad 13 griffiers gekend. Jhr mr W.J.C.M. van Nispen tot Sevenaer, vervulde die functie ruim twintig jaren (van 1981 tot 2002).

ParketBewerken

  Zie Lijst van procureurs-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het parket bij de Hoge Raad der Nederlanden (gerechtscode PHR)[14] wordt gevormd door de procureur-generaal en de advocaten-generaal (niet te verwarren met het parket-generaal bij het Openbaar Ministerie). De procureur-generaal en de advocaten-generaal bij de Hoge Raad behoren niet tot het Openbaar Ministerie.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad (PG) is hoofd van het Parket dat onafhankelijk advies geeft aan de Hoge Raad. Hij wordt als enig lid van de staande magistratuur voor het leven (in de praktijk is dit tot 70 jaar) benoemd, omdat hij mede belast is met de vervolging van ambtsmisdrijven. Het parket bestaat naast de PG uit advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren door middel van conclusies. Dit zijn onafhankelijke adviezen over bij de Hoge Raad aanhangige procedures in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Een conclusie van een advocaat-generaal wordt genomen voordat de Hoge Raad zich in een arrest over de zaak uitlaat. In civiele en strafzaken wordt in beginsel steeds een conclusie genomen, tenzij de Hoge Raad op grond van artikel 81 Wet op de Rechterlijke Organisatie oordeelt "dat een aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling". In belastingzaken wordt uitsluitend geconcludeerd indien een advocaat-generaal aan de Hoge Raad te kennen heeft gegeven dat hij wil worden gehoord.

Wetenschappelijk BureauBewerken

De leden van de Hoge Raad en de advocaten-generaal (AG's) van het parket bij de Hoge Raad worden ondersteund door het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad. De ondersteuning door het wetenschappelijk bureau (WB) bestaat uit het analyseren van dossiers en het verzamelen van relevante literatuur en -jurisprudentie en het maken van concepten. Medewerkers voor de raad mogen bij de beraadslagingen over de door hen voorbereide zaken aanwezig zijn.

ArchiefBewerken

De archieven van de Hoge Raad zijn ondergebracht bij het Nationaal Archief. Ze zijn verdeeld in een drietal delen:

  • Keizerlijk Gerechtshof en Hooggerechtshof, 1807-1845;[15]
  • Hoge Raad, 1838-1939;[16]
  • Hoge Raad, 1940-1979.[17]

In deze archieven zijn de arresten en beschikkingen die de Hoge Raad wees, onderverdeeld in verschillende onderwerpen als burgerlijke zaken, strafzaken, revisiezaken, belastingzaken en koloniale zaken.

Verhouding met de wetgeverBewerken

Er is een voortdurende wederzijdse beïnvloeding van de wetgevende en rechtsprekende macht. De rechtspraak volgt uiteraard de wetgeving maar ook worden regels die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn gevormd met enige regelmaat overgenomen in nieuwe wetgeving. Dit heet codificatie van rechtspraak. Ingewikkelde leerstukken zoals dat van de onrechtmatige daad en het schadevergoedingsrecht zijn in de loop der jaren zeer aanmerkelijk ontwikkeld in de arresten van de Hoge Raad en vervolgens zijn de belangrijkste elementen daarvan neergelegd in het Nieuw BW.[noot 15] Ook zijn door de Hoge Raad - met name daar waar de wetgever het vanwege politieke tegenstellingen niet over de inhoud van benodigde nieuwe wetgeving eens kon worden - nieuwe normen ontwikkeld zoals de voorwaarden voor toepassing van euthanasie door artsen en afbreking van zwangerschappen. Deze hebben de basis gevormd voor de latere 'euthanasiewet' [18] en de Wet afbreking zwangerschap.[19] Het komt ook voor dat de Hoge Raad niet wil afwijken van een bestaande 'leer' en overweegt dat hij daarmee zijn rechtsvormende taak te buiten zou gaan en dus de eerste stap aan de wetgever laat. De wetgever volgt ook niet altijd de jurisprudentie. In 2011 had de Hoge Raad overwogen dat de Gemeentewet geen grondslag biedt voor de heffing van leges voor de - inmiddels wettelijk verplichte - identiteitskaart.[20] In reactie op deze uitspraak werd pijlsnel een wijzigingswetje van drie artikelen op de Gemeentewet aangenomen om te zorgen dat er toch geld kon worden gevraagd voor de kaart. De samenvattende toelichting op het wetsvoorstel vermeldde dat het strekte tot 'reparatie' van de uitspraak.[21]

GeschiedenisBewerken

1838-1940Bewerken

 
Het gebouw aan het Plein waar de Hoge Raad van 1860 tot 1988 zetelde, in 1983.
 
Zaal in het gebouw aan het Korte Voorhout

De Hoge Raad is onder zijn huidige naam en in zijn huidige vorm opgericht op 1 oktober 1838, als rechtstreekse opvolger van de Hoge Raad van Holland en Zeeland, die tijdens de Republiek der Verenigde Nederlanden de plaats innam van de Grote Raad van Mechelen. Die eerste Hoge Raad was bedoeld voor alle zeven gewesten, maar werd door de meeste lidstaten van de Republiek niet erkend.

Vanaf de Bourgondische tijd was er in de Nederlanden min of meer sprake van een enkele hoogste gerechtelijke instantie, in het verlengde van de door de Bourgondische vorsten gevoerde centralisatiepolitiek. Na de Bataafse Revolutie (1795) werd Nederland steeds meer een eenheidsstaat, waarmee het belang van centrale rechterlijke instellingen verder groeide. Ook deed de cassatierechtspraak toen definitief haar intrede in Nederland, onder invloed van het Franse rechtssysteem.[22]

Al in 1814 werd in artikel 102 van de in dat jaar opgestelde Grondwet bepaald dat er een opperste gerechtshof moest komen "onder den naam van Hoogen Raad der Vereenigde Nederlanden". De daadwerkelijke oprichting liet daarna nog vierentwintig jaar op zich wachten, mede als gevolg van de Belgische Revolutie van 1830. Het idee van een college dat rechterlijke uitspraken die strijdig met de wet waren op hoger niveau kon vernietigen of casseren was ontleend aan Frankrijk, waar sinds de Franse Revolutie het Tribunal de cassation (voorloper van het Hof van Cassatie) bestond.[23]

Van 1838 tot 1864 was de Hoge Raad in een gebouw op het Binnenhof gevestigd. Vervolgens verhuisde de Raad in 1860 naar het nieuw opgeleverde gebouw van de Hoge Raad aan het Plein.

Tijdens de Tweede WereldoorlogBewerken

Tijdens de Duitse bezetting bleef de Hoge Raad in functie. In november 1940 schorste de bezetter de voorzitter, mr. Lodewijk Visser, wegens zijn Joodse afkomst, maar Vissers collega's protesteerden niet; hij werd door de rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart per 1 maart 1941 ontslagen en vervangen door Johannes van Loon. De achterblijvende leden tekenden ook de veroordeelde ariërverklaring, waarmee zij voor de gehele rechterlijke macht een negatief uitwerkend voorbeeld van compromittering stelden.

Na de bevrijding verweet men de Hoge Raad een slappe en legalistische houding. De Raad wenste vooral de continuïteit van de rechtspraak en de rechtsvorming te garanderen en zich politiek niet te profileren. De kansen die er waren om zich principieel op te stellen tegenover de Duitsers werden grotendeels gemist. Men vergat een moreel voorbeeld te zijn of was er niet toe in staat.[24] Dat kwam mede door het zogenaamde Toetsingsarrest (HR 12 januari 1942, NJ 1942/271), waarin de Hoge Raad besliste dat de Nederlandse rechter de verordeningen van de bezetter niet mocht toetsen aan internationaal recht, met name niet aan het landoorlogreglement van 1907. Hierbij volgde de Hoge Raad het advies van de advocaat-generaal mr. A. Rombach. Het arrest betrof een zaak waarin een man wegens een "economisch delict" (kopen van varkensvlees zonder geldige bonnen) door de economische strafrechter veroordeeld was. De raadsman van de verdachte, de advocaat mr. P. Groeneboom, betoogde in zijn pleidooi voor de Hoge Raad op 27 oktober 1941 dat de rechter de bevoegdheid heeft verordeningen van de bezetter te toetsen aan het Landoorlogreglement, het decreet van de Führer en de eerste verordening van de rijkscommissaris.

Met de ontkenning door de Hoge Raad (in het arrest van 12 januari 1942) van de mogelijkheid om de regels die uitgevaardigd worden door de nationaalsocialistische overheerser te toetsen, sloot Nederland aan bij wat toentertijd ook in Duitsland en Italië de regel was. Hitler had op basis van twee noodmaatregelen de bevoegdheid onaantastbare wetten uit te vaardigen en de rechterlijke macht erkende haar eigen onbevoegdheid om ‘politieke’ maatregelen te toetsen, waarbij ‘politiek’ datgene was wat de politieke instanties als politiek beschouwen. Op soortgelijke wijze erkende in Italië het Hof van Cassatie de vrije verordenende bevoegdheid van Mussolini en de onbevoegdheid van de rechter om die te controleren.[25]

De Hoge Raad verdedigde deze uitspraak naderhand door te stellen dat de Duitsers toetsing nooit zouden accepteren en mogelijk vergaand zouden hebben ingegrepen in de rechterlijke macht, waardoor de rechtsbescherming van de burgers nog verder achteruit zou zijn gegaan. Deze verdediging lijkt echter niet erg overtuigend.[24]

De zetel van de Hoge Raad werd in 1943 tijdelijk verplaatst van Den Haag naar Nijmegen. Bij de bevrijding van Nijmegen in september 1944 leverde dit de frappante situatie op dat de zetel zich enerzijds in bevrijd gebied bevond, terwijl de meeste raadsheren zich nog in bezet gebied bevonden. Van een zuivering kwam niet veel terecht; juristen die met de bezetter hadden gecollaboreerd behielden in het algemeen hun functie of kregen belangrijke andere functies. Een cruciale rol in de behandeling van deze kwesties werd gespeeld door mr. Donner, die in 1946 voorzitter van de Hoge Raad werd.[24]

Na de oorlogBewerken

Tot 1988 zetelde de Raad nog in het gerenoveerde gebouw aan het Plein, dat daarna is gesloopt voor de uitbreiding van de Tweede Kamer. De Raad nam in 1988 zijn intrek in Huis Huguetan aan het Lange Voorhout 34-36. Door de architect Penninck is een uitbreiding voor Huis Huguetan ontworpen aan de Kazernestraat. Ondanks deze uitbreiding, was het complex te klein voor de Hoge Raad en in 2002 zijn de belastingsector en de bedrijfsvoering verhuisd naar Huis Bentinck aan het Lange Voorhout.

Vanaf 2007 werd onderhandeld over een nieuwe verhuizing, waarbij uiteindelijk gekozen werd voor nieuwbouw aan het Korte Voorhout, waar tot dan toe gebouwen van de Franse ambassade en een verzekeringsbedrijf stonden.[26] De verzekeraar was al verhuisd, waarna het pand lang leegstond en de Franse ambassade bleek bereid te verhuizen naar een gebouw aan de Anna Paulownastraat, dat echter eerst volledig moest worden gerenoveerd. In oktober 2013 kon de nieuwbouw beginnen voor de Hoge Raad, naar een ontwerp van Claus en Kaan Architecten.[27] In maart 2016 is de Hoge Raad naar het Korte Voorhout verhuisd.[28]

Externe linksBewerken

  Commons heeft mediabestanden in de categorie Supreme Court of the Netherlands.