Niet-ontvankelijk

Zie artikel Voor de niet-ontvankelijkheid van bijvoorbeeld een bezwaarschrift, zie Ontvankelijkheid.

Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is een mogelijke formele einduitspraak in het Nederlands strafrecht[1] waarmee wordt uitgedrukt dat het openbaar ministerie niet gerechtigd is om de zaak bij de strafrechter aanhangig te maken.[2] De rechter beslist over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie na te hebben beslist over de eventuele nietigheid van de dagvaarding en zijn eigen bevoegdheid.

Gronden voor niet-ontvankelijkheid zijn onder andere

  • de (grove) overschrijding van termijnen, de verjaring van het tenlastegelegde feit,
  • het feit dat eerder een transactie is aangegaan voor hetzelfde feit,
  • het feit dat een verdachte reeds vervolgd is voor het tenlastegelegde feit (schending van het beginsel van ne bis in idem),
  • er kan geen sprake meer zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM[3],
  • de dood van de verdachte, natuurlijke persoon dan wel de ontbinding van de verdachte rechtspersoon.
  • ernstige vormfouten in het opsporings- en vervolgingstraject, hoewel de rechter in de praktijk eerder voor bewijsuitsluiting of strafvermindering kiest.