Hoofdmenu openen

Albert de Ligne

diplomaat uit België (1874-1957)
Albert de Ligne in 1929

Prins Albert-Edouard-Eugène Lamoral de Ligne (Brussel, 12 december 1874 - aldaar, 4 juli 1957) was een Belgisch diplomaat en ambassadeur.

Hij was een afstammeling van het Huis Ligne als kleinzoon van Eugène de Ligne en zoon van Prins Eduard Hendrik Auguste Lamoral de Ligne en Prinses Eulalie Maria Sophia Dorothea van Solms-Braunfels. Langs moederszijde was hij een kleinzoon van vorst Frederik Willem van Solms-Braunfels. In 1906 huwde hij in Angleur met Marie Louise Calley Saint Paul de Sinçay (1885-1968) die uit de oude burgerlijke, Parijse familie Calley stamde. Uit het huwelijk komen geen kinderen.[1]

Hij was actief als attaché bij de legatie te Wenen en als secretaris te Berlijn, Parijs en Wenen. In 1905 werd hij door Koning Leopold II gevraagd een afdelingshoofd te worden van het departement Buitenlandse Zaken van Kongo-Vrijstaat en aansluitend in het tijdperk van Belgisch-Congo te werken voor het kabinet van de minister van Koloniën. In 1909 organiseerde Albert de Ligne de reis van prins Albert naar Congo.

In 1911 wordt hij een adviseur bij de legatie te Den Haag, waar hij ook actief is tijdens de Eerste Wereldoorlog. In de naoorlogse periode maakt hij van een verlof ook gebruik om met zijn echtgenote de mogelijkheden van de koffiehandel te exploreren in Kivu, Congo samen met zijn neef, prins Eugène de Ligne. In 1927 terug in Europa wordt hij benoemd tot ambassadeur van België in de Verenigde Staten. Na Washington D.C. volgt in 1931 Rome in de tijd van het fascistische regime van Mussolini. Uit de diplomatieke correspondentie die de Ligne naar Brussel stuurde, blijkt dat hij zeker tot aan het begin van de Tweede Italiaans-Ethiopische Oorlog een sterke bewondering had voor Mussolini. Hij sprak zich ook regelmatig minachtend uit over de persvrijheid en de Belgische democratische instellingen.[2]

In 1936 vraagt hij als eenenzestigjarige de Belgische staat op rust gesteld te worden wat hem gegund wordt.

Terug in Brussel bouwt hij een druk sociaal leven op, ook als vicevoorzitter van het Belgisch Rode Kruis, voorzitter van de Nationale Belgische Liga tegen Kanker en van 1942 tot 1945 als een tijdelijk voorzitter van het Belgisch Olympisch Comité. In 1943 krijgt hij voor dit laatste ook de Nationale trofee voor sportverdienste. Tijdens de Tweede Wereldoorlog probeert hij ook humanitair werk te verrichten vanuit zijn positie als voorzitter van de Belgische Maltezerorde.[3]