Hoofdmenu openen
Verdelingsplannen van Frankrijk en de Republiek
Zwarte lijn: Verdrag van 1635
Rode lijn: taalgrens

Het Verdrag van Parijs van 1635, was een offensief en defensief verdrag tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het Koninkrijk Frankrijk.

De overeenkomst werd in februari 1635 gesloten voor een periode van zeven jaar, en hield onder andere in dat een vrede met Spanje/Oostenrijk onmogelijk was zonder wederzijdse toestemming. Met het verdrag werden beide partijen verplicht een veldleger op de been te brengen van 25.000 man infanterie en 5000 ruiters. Daarnaast werden de inwoners van de Spaanse Nederlanden opgeroepen het Spaanse juk van zich af te werpen. Mochten de inwoners daar binnen drie maanden gehoor aangeven dan zouden de Spaanse Nederlanden worden opgevormd tot een onafhankelijke bondsstaat. Wel zouden de kuststeden en Namen en Thionville aan Frankrijk toekomen en Hulst en het Land van Waas samen met Geldern, Breda en Stevensweert aan de Republiek. Mochten de inwoners geen gehoor geven dan zouden de Spaanse Nederlanden in zijn geheel opgedeeld worden tussen Frankrijk en de Republiek. In beide gevallen zou het katholicisme als eerste godsdienst gehandhaafd blijven.

Het had nog een ander doel, namelijk de Zuidelijke Nederlanden in twee stukken te verdelen, waarna beide staten volgens een vooraf onderhandelde gebiedsafbakening hun grenzen zouden verleggen. Het voorstel tot splitsing werd opgezet door Richelieu, die zich meer in de Europese politiek wilde mengen, aan onder meer Zweden steun toezegde en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden als bondgenoot wenste.

Het plan werd op 8 februari 1635 opgenomen in een verdrag, het Traité de Partage, maar de uitvoering pakte anders uit dan verwacht. De verdeling naar "de grens der taele" kwam uiteindelijk niet tot stand doordat de verwachte opstand van de zuidelijke adel niet plaatsvond.

VoorafgaandBewerken

 
Prins Frederik-Hendrik

Na de dood van aartshertog Albrecht van Oostenrijk was aartshertogin Isabella van Spanje genoodzaakt alleen verder te regeren. In een samenzwering van edelen stak in 1632 het verdelingsidee van de Zuidelijke Nederlanden de kop op. De vorstin knoopte onderhandelingen aan met de Noordelijke Nederlanden om het Twaalfjarig Bestand in een vredesverdrag om te zetten, maar de Hollanders gaven geen blijken van meegaandheid. Integendeel, Frederik Hendrik van Oranje, stadhouder in de Republiek, ondernam een succesrijke veldtocht langs de Maas. Hij ontpopte zich daarnaast als een veel bekwamer en gedrevener politicus dan zijn overleden halfbroer Maurits. Hij probeerde bijvoorbeeld niemand tegen zich in het harnas te jagen. Door de steun van de provincies kreeg hij een goed tegengewicht bij de stemmingen van de Staten-Generaal en kon zo voldoende greep houden op het algemeen bestuur. Middels de 'Secrete Besognes', commissies bestaande uit wisselende leden van de Staten-Generaal, kon Frederik Hendrik invloed uitoefenen. Door een goede verstandhouding met Frankrijk te onderhouden, beoogde hij de wederzijdse verovering en verdeling van de Zuidelijke Nederlanden. In een geheim bilateraal akkoord van 15 april 1634 werden de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en Frankrijk het ten slotte eens over de voorbereiding van die principiële verdeling op basis van een ouder idee waarop het geheim verdelingsplan Van den Bergh en Warfusée was gebaseerd.

Verdrag aangaande het verdelingsplanBewerken

 
De Richelieu
(Philippe de Champaigne, 1637 of 1642)

Het eigenlijke verdrag, het Traité de Partage, werd op 8 februari 1635 door de Republiek onder Frederik Hendrik van Oranje, vertegenwoordigd door Adriaan Pauw en Johan de Knuyt, met Frankrijk in hoofde van kardinaal Richelieu afgesloten. Daarin werden meerdere punten overeengekomen, waaronder het bilateraal verdelingsplan van de Zuidelijke Nederlanden, dat nu concreet werd gemaakt. In plaats van een bufferstaat, stelde kardinaal Richelieu de splitsing van de Zuidelijke Nederlanden voor langs de "grens der taele".

In het definitief traktaat werden Brabant en Mechelen aan de Republiek toegewezen, maar met de Waalse gewesten bijna heel Vlaanderen aan Frankrijk. De Nederlanders zouden Noord-Brabant en Limburg bezetten, terwijl de Fransen Artesië, het huidige Frans-Vlaanderen, evenals Wallonië en Montmédy zouden annexeren. De voorgenomen grenslijn liep van Blankenberge benoorden Brugge naar Rupelmonde. Een stuk Diets land, met Duinkerke, Ieper, Geraardsbergen in het zuiden en Brugge, Gent, Dendermonde in het noorden, zou aan Frankrijk vallen.

Met opruiende pamfletten zouden eerst de zuidelijke provinciën aangemoedigd worden om binnen de drie maanden in opstand te komen tegen Spanje. Ze zouden in dat geval in een soevereine bondsstaat worden verenigd, met behoud van godsdienst en vrijheden en onder bescherming van Zijne Majesteit en van de Staten-Generaal, waarbij de hele kuststreek tussen Gravelingen en Blankenberge, benevens Namen en Diedenhoven, in Franse handen zou komen, terwijl Hulst, het Land van Waas, Breda, Gelderland en Stevensweert aan de Republiek zouden worden toegevoegd, "omdat de nieuwe staat deze niet zelf zou kunnen verdedigen"... In geval het land daarentegen zou weigeren 'het Spaanse juk af te schudden', dan bestond het ultieme plan erin het land in zijn geheel onder beide bondgenoten te verdelen langs een lijn lopend van Blankenberge naar Rupelmonde, vervolgens langsheen de Schelde, en over de noordelijke grens van Henegouwen, het Naamse en Luxemburg. Ontwerper van het eerste plan was Richelieu, die in feite een bufferstaat beoogde tussen Frankrijk en de Republiek, dewelke hij liever niet als buur wilde.

Poging tot uitvoeringBewerken

 
Plundering van Tienen op een prent uit 1635.

Op 19 mei 1635 verklaarde Frankrijk Spanje de oorlog en trok het Franse leger via Luxemburg de Spaanse Nederlanden binnen in de richting van de verzamelplaats Maastricht. Hier voegde het Franse leger zich bij de Staatse troepen. Beide legers stonden onder leiding van Frederik Hendrik van Oranje.

Maar de respons in de Zuidelijke Nederlanden op het manifest dat op 2 juni 1635, enkele dagen na de oorlogsverklaring van Frankrijk aan Spanje (19 mei), te wapen riep, bleek gans anders uit te pakken. Samen met de prins-kardinaal, die op 24 juni antwoordde, zag het land in de Fransen enkel nog volkenrechtschenners, aanstichters van de ketterij en verstoorders van de katholieke godsdienst, en dat maakte hen in de Zuidelijke Nederlanden totaal ongewenst.

Op 20 mei 1635 versloeg Frederik Hendrik met het Franse leger de hertog Thomas Frans van Savoye-Carignano in de buurt van Hoei.

Het Franse leger van 20.000 man dat zich al in mei van Luxemburg had meester gemaakt, stak door naar Maastricht om zich volgens een oud plan van Frederik Hendrik bij zijn leger te voegen en samen een indrukwekkende opmars naar Brussel te houden met 40.000 strijders. Maar Tienen, de eerste Brabantse stad op hun weg, weigerde de poorten te openen. Daarop volgde op 10 juli een bestorming en plundering van de stad als afschrikwekkend voorbeeld. De vrouwen werden verkracht, en de stad – per ongeluk – tot de grond toe afgebrand.

Het beleg van Leuven door een Staats-Frans leger op 3 juli mislukte, en ook de andere steden hielden de poorten halsstarrig dicht, en bleken bereid zich te verdedigen op gevaar af hetzelfde lot als Tienen te ondergaan.

De geplande volksopstand in de Zuidelijke Nederlanden bleef dus uit. Het aanvallend leger bevond zich nu in een hachelijke situatie, verplicht voort op te rukken tussen gesloten vestingen, te midden open land en met tegenover zich de troepen van de kardinaal-infant, Ferdinand van Oostenrijk, die onder de Brusselse wallen gekazerneerd lagen. Op 4 juli dropen de bondgenoten af naar Roermond, onderweg bestookt door de boeren, die hun achterblijvers doodden "als konijnen".

GevolgenBewerken

Tegenoffensief van uit het zuidenBewerken

Nu repliceerde de kardinaal-infant, die bij het Leger van Vlaanderen een versterking van 15.000 keizerlijken, aangevoerd door Ottavio Piccolomini, had ontvangen met een stoutmoedige veldtocht naar Schenkenschans, één der poorten van de Verenigde Provinciën, dat hem ook in handen viel. Vervolgens nam hij Goch, terwijl zijn luitenants de stad Limburg en enkele naburige plaatsen als Gennep en Diest bemachtigden.

Frederik Hendrik kon niet anders dan, zonder zelf aan te vallen, toezien hoe de bewegingen verliepen, terwijl de Fransen die in de Betuwe overwinterden, werden weggemaaid door ellende en een verschrikkelijke tyfuskoorts die zich van hun kamp in de provinciën uitbreidde en overal veel slachtoffers maakte.

De kardinaal-infant stootte door tot Roermond dat hij belegerde tot overgave. Toen hij besloot om nu ook Picardië aan te vallen, kon Frederik Hendrik Schenkenschans terugnemen, omdat de verwachte extra steuntroepen voor de prins-kardinaal onder Matthias Gallas niet tijdig kwamen opdagen. Terwijl in 1637 Piccolomini zich ertoe bepaalde de Fransen in het zuiden tegen te houden, deed de prins van Oranje door de inneming van Breda op 10 oktober zijn krijgsroem en zijn staatkundige invloed toenemen. Met het grondgebied van Breda en vervolgens de meierij van 's-Hertogenbosch, was heel de linkeroever van de Beneden-Maas voortaan in de macht van de Republiek.

 
Fort Liefkenshoek, Fort Lillo.

In 1638 ondernam Frederik Hendrik een stoutmoedige poging Antwerpen in te nemen, maar in de slag bij Kallo werd zijn leger op 20 juni krachtdadig door het leger van Vlaanderen in de pan gehakt en verstrooid. Ook bij zijn veldtocht tegen Gelderland in augustus moest hij het onderspit delven tegen het toegesnelde leger aangevoerd door de prins-gemaal.

 
Voor de Slag bij Duins, Reinier Nooms.

Omdat door de oorlog met Frankrijk de weg over land was afgesloten, waren de Spanjaarden gedwongen troepenversterkingen naar de Nederlanden over zee te vervoeren. Deze 'tweede Armada', 20.000 man in getal, onder leiding van Antonio de Oquendo werd in het Kanaal door de Nederlandse admiraal Maarten Harpertszoon Tromp opgewacht en ondanks protest van koning Karel I van Engeland ingesloten bij 'The Downs' in Zuid Engeland. De Zeeslag bij Duins die op 21 oktober 1639 volgde, kostte de Spanjaarden 43 schepen en zesduizend manschappen.

De krijgsverrichtingen te land gingen de rest van het jaar door, zonder merkelijk voordeel voor de een of de andere. Terwijl de kardinaal-infant de uitval van Frederik Hendrik op Hulst en op Gelderland verijdelde, maakten de Fransen door de inname van Hesdin de nederlaag goed die Piccolomini op 7 juni onder de wallen van Diedenhoven aan de maarschalk van Feuquières had toegebracht. Vanwege het door de keizer terugroepen van Piccolomini, beschikte de kardinaal-infant over een voor de situatie ontoereikende troepenmacht en slaagde er niet in het beleg van de Fransen bij Atrecht op te breken. De overgave van de stad op 9 augustus 1640 betekende een zwaar verlies voor de Zuidelijke Nederlanden, waarop nog veel andere steden van Artesië zouden volgen. In het noorden bemachtigde Frederik Hendrik de stad Gennep, in het hertogdom Kleef, terwijl in het zuiden de Fransen hun veroveringen in Artesië voortzetten, met inname van La Bassée, Lens en Bapaume. De troepen betrokken hun winterkwartier, toen ze de dood van de kardinaal-infant vernamen die op 9 november op 33-jarige leeftijd aan de pokken bezweek.

Verlies van Atrecht en Frans-VlaanderenBewerken

 
Antwerpen ten tijde van het beleg in 1646.

De machtige provincies van de Republiek, vooral Holland, die in de minderheid waren, keerden zich intussen geleidelijk tegen Frederik Hendrik. Dat werd vooral duidelijk na het huwelijk van diens zoon Willem met prinses Mary Stuart in 1641, waarmee de banden tussen het huis van Oranje en de Engelse koninklijke families werden aangehaald. Het aanzien van het huis van Oranje werd hierdoor verhoogd, zodat nu het koninklijk hof van Frankrijk Frederik Hendrik met "Zijne Hoogheid" aansprak, een titel die normaal voor koningen is gereserveerd. Toen hij zich in Den Haag met zijn echtgenote Amalia van Solms ook nog van een quasi koninklijk hof ging voorzien, groeide vooral bij de Hollandse republikeinen de vrees voor een monarchale macht onder politiek leiderschap van de Oranjes. In 1643 wist Holland zelfs een grote troepenvermindering door te drijven. In de jaren die volgden verloor Frederik Hendrik steeds meer de controle over zijn geestelijke en lichamelijke vermogens en was Holland opnieuw in staat zich politiek naar het bovenplan te werken.

In 1646 deed hij ondanks zijn ziekte nog een ultieme poging om Antwerpen te veroveren, die echter mislukte. De Republiek behield Fort Lillo en Fort Liefkenshoek en handhaafde de 'sluiting' van de Schelde.

Frederik Hendrik overleed in 1647 op 14 maart nadat zijn gezondheid al geruime tijd was achteruit gegaan. Hij werd opgevolgd door zijn zoon, stadhouder Willem II. Op 11 april datzelfde jaar werd aartshertog Leopold van Oostenrijk, broer van de keizer, landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. Hij zou een aantal door de Fransen veroverde steden terugwinnen, waaronder Ieper. Maar Atrecht en Frans-Vlaanderen waren voor de Zuidelijke Nederlanden definitief verloren.

GevolgenBewerken

De patstelling in de Tachtigjarige Oorlog bleef bestaan en de oorlog woedde voort.

Zie ookBewerken