Hoofdmenu openen
Aardappelsago van de firma W.A. Scholten

Het Scholten-concern, ontstaan uit de firma n.v. W.A. Scholten, was een agro-industrieel concern opgericht door Willem Albert Scholten. Het was oorspronkelijk actief in de veenkoloniën in de provincies Groningen en Drenthe.

Willem Scholten had zich reeds vroeg, vanaf 1837, beziggehouden met de productie van verfwaren en aardappelmeel op kleine schaal in Tonden. Nadat hij kennis had opgedaan bij de aardappelmeel en -siroopfabriek "de Oorsprong" te Oosterbeek, en aldaar vernam dat de transportkosten van de aardappelen zeer hoog waren, besloot hij een fabriek te vestigen daar waar de aardappelen werden verbouwd, dus in de veenkoloniën. Daar was bovendien turf voorhanden om de fabriek van energie te voorzien.[1]

Inhoud

OprichtingBewerken

Beginjaar van dit concern was 1841, toen Scholten een fabriekje te Foxhol begon. Hier werden aardappelmeel, 'sago'[2] en verfwaren geproduceerd. Het bedrijf verwerkte 3600 kg aardappelen per dag en werd Eureka genoemd. Aanvankelijk werd de fabriek met een rosmolen aangedreven; pas in 1850 werd hier een stoommachine geïnstalleerd. De productie van aardappelsiroop begon in 1843.

Deze siroop was accijnsvrij en geschikt als zoetstof voor bakkerijen en likeurstokerijen. In de tweede helft van de 19e eeuw werd het aantal producten uitgebreid. In de jaren 70 van de 19e eeuw werd ook aardappelsuiker en gom vervaardigd. Dit op dextrinebasis gemaakte product was goedkoper dan het equivalent dat op Arabische gom was gebaseerd.

Voor die tijd waren er in Nederland slechts twee siroopfabrieken, de Goudsche Siroopfabriek van Schoneveld & Westerbaan te Gouda en Bakker in Oosterbeek. De transportkosten werkten in het voordeel van Scholten. De siroopfabrieken in West-Nederland gingen over op ingekocht aardappelmeel., maar de concurrentie in West-Nederland kon uiteindelijk het hoofd niet bieden aan de lage transportkosten van de grondstof aardappelen en brandstof turf in de Veenkoloniën.

De tweede Nederlandse fabriek, door Scholten opgericht in Sappemeer (1854), maakte aardappelmout ten behoeve van moutwijn. De aardappelmoutindustrie was sterk aanwezig in de Veenkoloniën, in 1841 waren er 17 fabrieken die ook brandewijn, azijn en spiritus vervaardigden. De aardappelziektes van 1845 en 1848 gaven deze industrie een reeks zware tegenslagen. De zieke aardappelen waren niet geschikt voor mout, maar wél voor aardappelmeel. Aldus werden veel van Scholtens concurrenten voor aardappelen uitgeschakeld. In de jaren 60 van de 19e eeuw ging de aardappelmoutindustrie verder teloor vanwege de toenemende concurrentie van graanjenever uit Schiedam. De Sappemeerse fabriek werd in 1878 omgebouwd tot de strokartonfabriek Eendragt.[3]

In 1859 werd een tweede aardappelmeelfabriek te Zuidbroek gestart. Oorspronkelijk zou hier een bietsuikerfabriek worden gebouwd. Deze bleek echter niet rendabel en werd tot een aardappelmeel- en kandijfabriek omgebouwd. Uiteindelijk werd er aardappelmeel, siroop en beenzwart geproduceerd. De fabriek beëindigde de productie in 1965.

In Groningen aan de Turfsingel kwam in 1862 een suikerraffinaderij Selfhelp[4][5] tot stand, die gebaseerd was op rietsuiker en voornamelijk kandij produceerde. In 1866 werden te Veendam en Stadskanaal twee kleine moutfabrieken gekocht die nat aardappelmeel gingen produceren, dat in andere fabrieken verder kon worden verwerkt. Deze werden stopgezet in 1897 respectievelijk 1931.

Vervolgens werden meerdere fabrieken opgericht, waaronder een tiental in het buitenland. Scholten opende in 1866 in Brandenburg in het Duitse Keizerrijk zijn eerste buitenlandse vestiging. Later volgden Neu Ruppin, Tangermünde, Landsberg, Podejuch. Minder succesvolle expansies waren er in Oostenrijk-Hongarije, Tarnów, Tarnopol, Olmutz en in Russisch Polen Petrokow, Nowy Dwór Mazowiecki. In totaal werden, alleen al in de 19e eeuw, door Scholten 21 fabrieken opgericht, waarvan 11 in Nederland.

Ondertussen ontstond vanaf de 60er jaren concurrentie van diverse particuliere aardappelmeelfabrieken. De eerste concurrent was de Belgische fabrikant Dutalis (vanaf 1858), die een fabriek te Muntendam oprichtte. Twee particuliere fabrieken werden door Scholten aangekocht: K. & J. Wilkens (1869) te Zuidwending en Dutalis respectievelijk in 1877 en in 1884. De nieuwe particuliere fabrikanten waren vooral geconcentreerd in Veendam.

Scholten had ondertussen veel veengebieden opgekocht en begon in ook 1889 een turfstrooiselmaatschappij te Klazienaveen, Zijn zoon Jan Evert Scholten breidde het concern uit met de oprichting van een strokartonfabriek in 1898.

Na de dood van Willem Albert in 1892 nam Jan Evert Scholten de leiding over. In 1896 richtte hij de Noord-Nederlandsche Beetwortelsuikerfabriek op in Hoogkerk-Vierverlaten 1896. Vanaf 1900 was de operationele leiding van de aardappelzetmeelfabrieken en de suikerfabriek in handen van zijn zoon, Willem Albert II (1871-1932). Zijn schoonzoon Hermannus Ellens Oving (1868-1939) bestuurde sindsdien de kartonfabrieken en turfstrooiselmaatschappij.

In 1905 werden de diverse fabrieken omgezet in N.V.'s:

In 1920 werd de suikerraffinaderij aan CSM verkocht.

KartelsBewerken

De lage aardappel(meel)prijzen en slechte oogsten in de jaren negentig van de negentiende eeuw leidden tot spanning tussen de veenkoloniale boeren en de particuliere fabrikanten. Willem Scholten wilde van prijsafspraken tussen de particuliere zetmeelfabrikanten niets weten. Hij dacht het wel te redden en wenste bovendien een goede verstandhouding met de boeren. Uiteindelijk heeft zijn opvolger, Jan Evert Scholten, in 1897 het initiatief tot een inkoopkartel genomen: Het Eureka-kartel. Dit werd reeds ontbonden in 1903 maar vormde voor de boeren wél de aanzet om tot de oprichting van coöperatieve aardappelmeelfabrieken in 1898 en in 1919 in het samenwerkingsverband AVEBE (aardappelzetmeelverkoopbureau). Deze wonnen het pleit, in 1905 verwerkten zij reeds 40 % van alle aardappelen. De bestaande particuliere bedrijven gingen saneren en zich richten op zetmeelderivaten, waarvan er steeds meer ontdekt werden. De coöperatieve aardappelmeelfabrieken werden daardoor min of meer toeleverancier voor de derivatenfabrieken.

ConcernBewerken

Een van de eerste nieuwe producten van Scholten was een zwelstijfsel, een poeder dat door oplossing in koud water een vloeibaar plakmiddel wordt en bruikbaar is als behangplaksel. Het product was tijdens de Eerste Wereldoorlog ontwikkeld door Chemische Fabrik Mahler & Dr. Supf en in 1920 verwierf Scholten door een joint venture met deze fabrikant de productierechten. Dit leidde in 1920 tot de oprichting van W.A. Scholten Chemische Fabrieken, een dochteronderneming van W.A. Scholten Aardappelmeelfabrieken. In 1922 volgt een verkoopsamenwerking met de Duitse firma Ferdinand Sichel A.G., de NV Verkoopcentrale Scholten-Sichel. Later werden op basis van deze technologie ook producten ontwikkeld voor de textiel- en de papierindustrie.

In 1930 fuseerde de W.A. Scholtens aardappelmeelfabrieken met de aardappelmeelfabriek N.V. Meihuizen-Boon te Veendam en werd de zetmeelfirma voor het eerst geleid door niet familieleden. Vanaf 1930 waren dat J. Wildervanck en Bernard Gerard Kernkamp,[6] na 1941 alleen Kernkamp en vanaf 1956 tot 1964 Gerrit Frederik Dalenoord.

In 1938 werd Haberland Manufacturing Company in Verenigde Staten overgenomen. En in 1947 werd Brinta geïntroduceerd. Dit instantvoedingsmiddel werd in Foxhol geproduceerd op basis van graankorrels en is dus vervaardigd uit een andere grondstof dan het merendeel van Scholtens producten. Geleidelijk ontwikkelde het bedrijf zich tot een concern.

Vanaf de jaren zestig volgden tal van overnames in diverse landen, onder andere:

Voor de grondstoffen werd men steeds meer afhankelijk van de coöperatieve aardappelmeelfabrieken van Avebe en in 1964 waren er zelfs besprekingen tussen beide ondernemingen om tot nadere samenwerking te komen. Uiteindelijk fuseerde men in 1965 met Honig tot Koninklijke Scholten-Honig.

In 1974 fuseerde Scholten Carton met Verpak (kartonfabrieken Brittania en de Kroon) onder de naam KAPPA, vanaf 1977 onderdeel van KNP.

Zie ookBewerken