Textielindustrie

De textielindustrie is een bedrijfstak waarbij machinaal of met huisnijverheid textiel wordt geproduceerd. Het is gebaseerd op het proces van het omzetten van vezels in garen, dan stof, en dan textiel. Vervolgens kan hiervan kleding of andere artefacten gemaakt worden.

Traditionele textielnijverheid in Guatemala.
Lezing van Kim Poldner (Circular Fashion Lab van de Wageningen Universiteit) over de milieu-impact van de textielindustrie - Universiteit van Nederland

In de textielindustrie is katoen de belangrijkste natuurlijke vezel. Er is een breed scala aan technologie beschikbaar voor het spinnen en de stofvormende fase tot aan de complexe processen voor de afwerking en kleuring voor een breed gamma aan producten. Er blijft echter ook een grote industrie aanwezig die gebruikmaakt van handarbeid om gelijksoortige resultaten te bereiken.

Textiel heeft betrekking op al wat geweven is. Textiel wordt gebruikt voor kleding, voor woningdecoratie en bekleding, en voor huishoudelijke en technische toepassingen zoals poetslappen, zeilen en canvas.

Om textiel te maken is een bron van vezels de eerste vereiste. De belangrijkste vezels worden gewonnen uit wol, vlas en katoen. Later kwamen hier nog diverse soorten kunstvezels bij, te beginnen met kunstzijde vanaf 1884. Uit al deze vezels kan garen worden gemaakt, gewoonlijk door te spinnen. Het garen wordt verwerkt door te weven, waarmee men doek creëert. Het werktuig dat voor dit doel wordt gebruikt is het weefgetouw. Naast het weven bestaan nog andere processen om textiel uit garen te vervaardigen, waarvan met name het breien kan worden genoemd.

Naast genoemde bewerkingen, zijn er nog voorbereidingen zoals de processen om uit de grondstoffen vezels te verkrijgen. Voorts zijn er processen als wassen, verven, spoelen, bleken, drogen, vollen en dergelijke om stoffen met de juiste fysische of decoratieve eigenschappen te verkrijgen.

GeschiedenisBewerken

OudheidBewerken

 
Het Oude Egypte.
 
Handweven, 1568.
 
Handweven, 1750.

De productie van geweven stoffen is een al lang bestaande menselijke activiteit. De oudst bekende textielstoffen dateren uit ongeveer 5000 v. Chr. De ontwikkeling van spinnen en weven van katoen is omstreeks 3400 v.Chr. in het Oude Egypte begonnen. Het gebruik van vlasvezels voor de productie van textiel werd in Noord-Europa reeds toegepast tijdens het neolithicum. Ook de zijdecultuur kan bogen op een lange geschiedenis: vanaf 2600 v.Chr. werd in China zijde gesponnen en tot stoffen geweven. Er zijn overigens bronnen die veronderstellen dat de weefkunst al veel ouder is, tot 20.000 v.Chr. hetgeen blijken zou uit de afdrukken van textielweefsel in klei [1].

Tijdens de oudheid was er geen sprake van industriële vervaardiging van textiel. De productie van garens was vaak een beperking. Het was de taak van de vrouwen om, met behulp van de spinrok, garens te produceren. De werktuigen waren eenvoudig en werden door spierkracht aangedreven. De productie geschiedde op ambachtelijke wijze en in de vorm van huisarbeid.

MiddeleeuwenBewerken

In de loop van de middeleeuwen ontwikkelde zich de lakennijverheid, onder meer in het graafschap Vlaanderen. Als grondstof werd de wol gebruikt van de in de regio gehouden schapen. De kwaliteit van de lakense stoffen nam geleidelijk toe en in diverse Vlaamse steden ontstonden machtige gilden waarvan de voorlieden, zoals Jacob van Artevelde, tot grote rijkdom kwamen en ook grote politieke invloed aan de dag legden. Belangrijke gilden in dit verband waren de wevers, de snijders, de volders en de droogscheerders. In dit kader ontstonden ook handelsnetwerken. Zo werd wol op grote schaal vanuit Engeland geïmporteerd. De lakense stoffen waren zeer gewild maar het productieproces ervan was gecompliceerd. Eén belangrijke stap was het vollen, waarbij de stof vervilt werd en daardoor waterafstotend en slijtvast.

Door allerlei, ook politieke, verwikkelingen verspreidde de lakennijverheid zich ook naar andere gewesten zoals naar Brussel, dat tot het Hertogdom Brabant behoorde. Vanaf de 14e eeuw werd ook Leiden een belangrijke centrum voor de lakennijverheid [2]. Er was daar sprake van een strikte arbeidsdeling tussen de bedrijven die de verschillende processtappen uitvoerden. Bovendien was er een streng keuringswezen. Uiteraard bloeide de lakennijverheid ook in andere delen van Europa, zoals in Florence.

Hoewel er van industriële productie nog geen sprake was, aangezien veel activiteiten zoals spinnen en weven, met behulp van spierkracht geschiedden en nog altijd in de vorm van thuisarbeid plaats konden vinden, was er sinds de 17e eeuw al sprake van volmolens, die de zware arbeid van de volders verlichtten.

LinnenBewerken

Naast de verwerking van wol, met name de lakennijverheid, bestond vanouds ook de linnennijverheid. De daarbij benodigde processen omvatten repelen, roten, zwingelen en hekelen waarna men eveneens kan spinnen en weven.

KatoenBewerken

In landen als India werd vanouds katoen aangewend om textiel te vervaardigen. Vanaf midden 17e eeuw werd de import van katoenen stoffen uit India van belang, vooral in Engeland. Hoewel ook de katoenvezel en het gebruik ervan in West-Europa bekend was, konden de daar vervaardigde katoenweefsels niet concurreren met de -door goedkope slavenarbeid geproduceerde- geïmporteerde katoenen stoffen. Pas in de loop van de 18e eeuw zou de Europese katoennijverheid tot een industrie uitgroeien.

Opkomst marktgerichte productieBewerken

Hoewel er diverse technische verbeteringen aan het weefgetouw werden uitgevoerd en ook het spinnewiel zijn intrede deed, bleef de textielnijverheid voor een belangrijk deel berusten op huisarbeid, waarbij, sinds de 16e eeuw, fabrikeurs de grondstoffen leverden en de weefsels afnamen. Dit systeem leidde tot enige schaalvergroting zoals het produceren voor een ruimere markt en de concentratie van activiteiten in fabriekshuizen, de voorlopers van echte fabrieken.

MassaproductieBewerken

 
Weefmachine, 1835.
 
Fabriekshal ingericht met 1200 weefmachines, 1877.

De eerste uitvindingen waren er op gericht om de productiviteit van de arbeid te verbeteren, met behulp van mechanisatie: allereerst bij het spinnen, later ook bij het complexere weven. Als krachtbron was na de mens ook het paard inzetbaar. Voor de steeds grotere machines moest een beroep worden gedaan op waterkracht en later ook stoomkracht.

Uitvindingen als de schietspoel van John Kay in 1733, de Spinning Jenny van James Hargreaves in 1764, en de spinmachine van Richard Arkwright in 1769, maakten goedkope massaproductie in het Verenigd Koninkrijk mogelijk. De productiecapaciteit werd nog verder verbeterd toen Eli Whitney in 1793 een machine uitvond die de katoenvezel snel kon scheiden van de zaaddozen en de vaak kleverige zaden.

Vanaf 1769 werd de stoommachine flink verbeterd door onder meer James Watt. Een grote verandering voltrok zich hierdoor in de textielnijverheid. Door de bevolkingstoename en de koloniale expansie begon ook de vraag naar katoenen producten snel te stijgen. Omdat de spinners en de wevers de grote vraag niet konden bijhouden, was er dringend behoefte aan een door een krachtbron aangedreven mechanisch weefgetouw, het power loom.

Er werd een weefgetouw met halfautomatisch schietspoel uitgevonden en er kwam een machine waarmee meerdere draden tegelijk konden worden gesponnen. Deze Spinning Jenny, bedacht door James Hargreaves, werd in 1779 gevolgd door een sterk verbeterd weefgetouw: de Mule Jenny. In het begin werden ze nog met waterkracht aangedreven, maar na 1780 was de stoommachine zover verbeterd dat deze ook in de fabrieken als aandrijving gebruikt kon worden. Er kon nu veel meer textiel worden geproduceerd. Dat was ook nodig, want in 1750 had Europa 130 miljoen inwoners, maar in 1850 was dit aantal al verdubbeld. Al die mensen hadden kleding nodig. Dankzij de machines werd er sneller en goedkoper geproduceerd en bleven de loonkosten laag. De textielindustrie is een van de aanjagers van de industriële revolutie geweest.

De uitvindingen van de Britse textielindustrie werden in de Napoleontische tijd illegaal naar het Europese vasteland gesmokkeld. In dit verband kan William Cockerill worden genoemd die vanaf 1799 de Zuid-Nederlandse stad Verviers tot een centrum van wolverwerking maakte. Op dezelfde wijze maakte Lieven Bauwens de stad Gent tot een centrum van wol-, linnen- en katoenindustrie.

Synthetische vezelsBewerken

Eind 19e eeuw zijn de eerste kunstmatige vezels gemaakt. Omdat de natuurlijke vezels bestaan uit lange moleculen, de macromoleculen, werd gezocht naar geschikte moleculen die uit goedkope natuurlijke grondstoffen gehaald konden worden. Hiervoor is het cellulose-molecuul uit hout gebruikt. Hieruit is de eerste kunstmatige vezel op natuurlijke basis gemaakt: rayon.

In de 20e eeuw werd gezocht naar synthetische macromoleculen waaruit vezels gemaakt konden worden. In 1938 werd de eerste geheel synthetische vezel ontdekt: nylon, een polyamidevezel. Hierna zijn nog zeer veel andere vezels ontwikkeld, zoals polyester, polyacryl, polyurethaan, polyetheen, polypropeen en aramide.

NederlandBewerken

Hervatting textielarbeid in Nederland (Polygoonjournaal, 1 april 1932)

In de noordelijke Nederlanden was Leiden een belangrijk textielcentrum. Al in 1316 werd melding gemaakt van lakennijverheid in deze stad. Omstreeks 1400 kreeg men de beschikking over Engelse wol die van goede kwaliteit was. Na 1480 ging het bergafwaarts doordat de Engelsen hun eigen wol gingen verwerken en doordat de Vlaamse textielnijverheid kon profiteren van de aanvoer van goedkope Spaanse wol en over goedkopere fabricagemethoden beschikte. Aldaar werd ook sajet geproduceerd.

Na het Ontzet van Leiden (1574) werd de stad een toevluchtsoord voor wevers, fabrikanten en handelaars uit de Zuidelijke Nederlanden. Na de Val van Antwerpen (1585) nam het aantal vluchtelingen nog toe. Men ging zich vooral op nieuwe, en vooral lichtere, stoffen als sajet toeleggen, waarbij ook andere grondstoffen dan wol, zoals katoen, hun intrede deden. Deze wolnijverheid nam een hoge vlucht maar raakte in de loop van de 18e eeuw in verval. Hetzelfde gold voor de linnennijverheid die voordien in Haarlem een bloeiperiode kende.

Ondertussen kwam de (latere) stad Tilburg op als centrum voor de wolindustrie. In de 18e eeuw ontwikkelde het zich als toeleverancier van ruwe wollen stoffen, die in Leiden verder werden bewerkt. Geleidelijk aan werd ook de eindbewerking (vollen, verven) in Tilburg zelf verricht. In de 18e eeuw werden daar ook, evenals in Leiden, fabriekshuizen opgericht hoewel het merendeel van de werkzaamheden in thuisarbeid werd verricht. Begin 19e eeuw vond enige mechanisatie plaats terwijl in 1827 de eerste stoommachine werd geïnstalleerd.

Ook in Twente was sprake van enige textielnijverheid, vooral de verwerking van linnen en, begin 19e eeuw, katoen welke echter moest worden ingevoerd, onder meer vanuit de koloniën. Een en ander werd onder meer gebruikt bij de productie van bombazijn. Het merendeel van het werk geschiedde in thuisarbeid, door tussenkomst van fabrikeurs. In plaatsen als Enschede en Oldenzaal werd het spinnen als huisarbeid op het spinnewiel beoefend. Vanaf 1793 kwamen er mechanische spinnerijen, met gebruikmaking van de spinning Jenny, tot stand in het nabijgelegen Münsterland. Vanuit de plaats Schermbeck kwam er dan weer deskundigheid naar Twente en zo ontstond in Enschede in 1800 de spinnerij van de Gebr. Jannes en Gerhard Schophaus. Ook elders deed de spinning Jenny zijn intrede zoals in 1795 in Haarlem en omstreeks 1800 in Eindhoven. De spinning Jennies, hoewel handbediend, werden wel in manufacturen geplaatst, een soort voorloper van fabrieken.

Nederland na de Belgische afscheidingBewerken

Tot 1830 waren de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden verenigd in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De meeste industriële activiteit, ook de textielindustrie, was geconcentreerd in de zuidelijke Nederlanden. Vooral in Gent floreerde de katoennijverheid. Het textiel werd, onder meer door de Nederlandse Handel-Maatschappij ingezet in de concurrentiestrijd tegen Engels textiel in de export naar Nederlands-Indië. Na de Belgische afscheiding ging deze industrie voor de noordelijke Nederlanden verloren. Om de strijd tegen de Engelse concurrentie vol te kunnen houden moest ook in de noordelijke Nederlanden (Nederland) een textielindustrie opgezet worden. Hierbij werd gebruik gemaakt van kennis en machines uit Vlaanderen en Engeland. Vooral de introductie van de mule Jenny zou het mogelijk maken om geheel katoenen weefsels te vervaardigen. Een dergelijke machine moest aangedreven worden met stoomkracht of waterkracht, waartoe een échte fabriek vereist was.

SpinnerijenBewerken

Hoewel in 1820 te Eindhoven en in 1827 te Haarlem al sprake was van de benutting van stoomkracht voor de spinnerijen, bleef de betekenis daarvan beperkt. Nog omstreeks 1830 werd vooral in handarbeid gesponnen. In 1830 werd te Almelo de firma Hofkes & Co. opgericht [3]. Dit was één van de eerste grotere mechanische katoenspinnerijen. In 1835 kwam te Enschede de Enschedesche Katoenspinnerij tot stand, die in 1890 afbrandde. De Twentse textielindustrie kampte aanvankelijk met hoge brandstof- en grondstofkosten vanwege de gebrekkige infrastructuur. De lonen lagen daarentegen laag. De scholingsgraad van zowel fabrikanten als werknemers liet aanvankelijk te wensen over, maar in de 2e helft van de 19e eeuw kwam daar verandering in. Er ontstonden nieuwe fabrieken, en in 1859 waren er alleen al in Enschede 7 stoomspinnerijen die vaak ten behoeve van hun eigen weverij (vaak huisarbeid) werkten. Ook buiten Twente werden nog enkele stoomspinnerijen opgericht zoals te Veenendaal de Veenendaalse Stoomweverij en Spinnerij. In 1867 werd ook te Hilversum een stoomspinnerij opgericht die echter in 1884 door brand verloren ging. [4].

Verder werd er door Johann Heinrich Joseph Driessen te Aalten in 1849 een stoomspinnerij opgericht die in 1859 werd opgeheven, maar een familielid richtte de fa. Gebr. Driessen op die van 1855-1896 functioneerde. De Stoomweverij Driessen heeft daarnaast nog bestaan van 1893-1969.

Ook in Roermond ontstonden er enkele mechanische spinnerijen die echter omstreeks 1890 al weer grotendeels gesloten waren [5].

In de loop van de tweede helft van de 19e eeuw nam vooral in Twente het aantal spillen in de katoenspinnerij zeer sterk toe. Buiten Twente was het feitelijk alleen Veenendaal waar deze bedrijfstak zich langere tijd op grote schaal vestigde. De handspinnerij, die als manufactuur in spinlokalen plaats vond, werd gedurende de jaren '60 van de 19e eeuw vrijwel geheel verdrongen door op stoomkracht gebaseerde fabrieken.

KatoenweverijenBewerken

Het begin van de Nederlandse katoennijverheid is te vinden in de 17e eeuw, toen uit Indië geïmporteerde katoenen stoffen in Amsterdam en enkele andere Hollandse steden verder bewerkt en bedrukt werden. Deze nijverheid raakte in de 2e helft van de 18e eeuw in verval maar in de Oostenrijkse Nederlanden kwam ze juist tot bloei. In het begin van de 19e eeuw was de productie van katoenen stoffen in de Noordelijke Nederlanden sterk op de binnenlandse markt gericht. Men produceerde onder andere bombazijn.

Na de Belgische afscheiding in 1830 wilde men hernieuwd een katoennijverheid in de Noordelijke Nederlanden stimuleren. Zo verplaatste Charles Louis de Maere om politieke redenen zijn bedrijf van Sint-Niklaas naar Twente. Andere fabrikanten werden met financiële voordelen gelokt. Het waren voorla Haarlem en Leiden, waar reeds een textieltraditie was, waar zij zich vestigden. Het betrof te Haarlem de blekerij-weverij van Th. Wilson, de spinnerij-weverij van Poelman en de roodververij-katoendrukkerij van Th. Prévinaire. In Leiden vestigde zich De Heyder en Co uit Lier en stichtte er de voorloper van de Leidse Katoenmaatschappij. Met name vanuit de Nederlandsche Handel-Maatschappij werd getracht om de productie van calicots, ten behoeve van de Indische markt, in Nederland op gang te krijgen. Tot dan toe werd voornamelijk bombazijn (linnen/katoenen weefsel) voor de binnenlandse markt geproduceerd. In 1833 werd, mede op initiatief van Thomas Ainsworth, een weefschool te Goor opgericht waar het weven met de hier geïntroduceerde schietspoel werd aangeleerd. Hier was ook een kettingsterkerij en een meubelmakerij voor de vervaardiging van snelweefgetouwen, aan verbonden. De school produceerde niet alleen, maar leverde ook duizenden vaklieden af die de nieuwe techniek verder verspreidden, mede dank zij de geproduceerde snelweefgetouwen.

In 1836 werd een fabriek te Nijverdal gesticht, eveneens door Thomas Ainsworth. Dit was de voorloper van de Koninklijke Stoomweverij.

Vanaf 1850 werden steeds meer katoenen textielsoorten vervaardigd. De Twentse thuisweverij verdween in de laatste helft van de 19e eeuw goeddeels ten bate van de toenemende industriële productie. Hoewel er elders in Nederland eveneens industriële katoenweverijen werden opgericht, concentreerde deze industrietak zich in toenemende mate in Twente. Enschede werd wel het Nederlands Manchester genoemd.

KatoendrukkerijenBewerken

West-Europa maakte vanaf de 15e eeuw kennis met bedrukte katoenen stoffen, voornamelijk uit Voor-Indië, het huidige India. De zogeheten katoentjes of indiennes waren populair en initiatieven werden ontplooid om zélf katoenen stoffen te bedrukken. Vooral in de Republiek der Nederlanden kwam deze nijverheid tot ontwikkeling, mede door de afwezigheid van tegenwerking door de traditionele gilden, zodat Amsterdam in 1700 al een 80-tal katoendrukkerijen bezat, gewoonlijk in de vorm van een manufactuur. In de daaropvolgende jaren verspreidde de techniek zich vanuit de Republiek naar het buitenland, waardoor de concurrentie toenam en de nijverheid in de Republiek vanaf 1750 sterk terugliep [6].

Doordat vanaf einde 18e eeuw de productie door katoenspinnerijen en -weverijen sterk toenam, ontwikkelde zich ook een toenemende vraag naar het afwerken van deze stoffen (bleken, bedrukken, verven). De keuze van de kleurstoffen en andere technische kennis werd deels uit de oorsprongsgebieden van de indiennes verworven. Een belangrijke kleurstof was meekrap. Het drukproces geschiedde aanvankelijk door handdruktechniek.

Deze moeizame techniek ontwikkelde zich vanaf de 18e eeuw door nieuwe vindingen, zoals de toepassing van koperdiepdruk en het gebruik van drukrollen in plaats van -platen. De drukrol (met reliëfruktechniek) werd voor het eerst in 1701 toegepast door Andreas Glorez. In 1785 werd de drukmachine van rakels voorzien om de drukpap binnen het patroon te houden. Aldus ontstond de rouleau. Omstreeks 1840 was deze -in Engeland- zover geperfectioneerd dat de handdruktechniek kon worden verdrongen.

Toen België in 1830 de onafhankelijkheid verwierf viel daar de afzet via de Nederlandsche Handel-Maatschappij naar Nederlands-Indië weg. In de noordelijke Nederlanden was nauwelijks moderne textielindustrie voorhanden en Thomas Wilson werd vanuit België naar Nederland gehaald om in Haarlem een fabriek op te richten. De daartoe benodigde machines moesten uit Engeland komen, dat echter een exportverbod van dergelijke machines kende. De machines werden dus in onderdelen het land uit gesmokkeld. Tot de machines behoorde een mechanisch weefgetouw (power loom) en een rouleaudrukmachine. In 1834 kwam de fabriek in bedrijf en in 1836 werkten er al bijna 400 mensen in deze katoenweverij en -drukkerij die vrijwel uitsluitend aan de Nederlandsche Handel-Maatschappij leverde. In 1840 kwam deze in crisis en in 1870 werd de katoendrukkerij aan Prévinaire verkocht [7].

Twintigste eeuwBewerken

TextielonderwijsBewerken

Werd omstreeks 1850 door een katoenhandelaar nog opgemerkt: Eene wetenschappelijke industriële opleiding onzer fabrikanten behoort tot de uitzonderingen [8], in de decennia daarna volgden een aantal Twentse textielondernemers colleges aan de Technische Hochschule te Hannover, terwijl ook onderwijsinstellingen in Groot-Brittannië door een aantal textielondernemers werden bezocht.

De industrialisatie van de textielindustrie bracht uiteraard ook de behoefte aan gespecialiseerd onderwijs met zich mee. Feitelijk bestonden er al langere tijd weefscholen, zoals in Twente en sinds 1877 in Tilburg. Meer gespecialiseerd vakonderwijs volgde. Zo werd in Enschede, vanuit de in 1864 opgerichte Twentse Industrie- en Handelsschool een (middelbare) Textielschool opgericht, die in 1918 werd voortgezet als de Hogere Textielschool (HTexS). Deze school is in 2000 opgegaan in de Saxion Hogeschool als de studierichting Mode en Textieltechnologie ((en) : Fashion & Textile Technologies). In Tilburg werd in 1904 de Ambachtsschool opgericht met onder meer de afdeling Industrieschool, feitelijk een Textielschool. In 1930 verhuisde deze textielschool naar een afzonderlijk gebouw en ging in 1932 verder als Middelbare Textieldagschool. In 1949 startte te Tilburg ook een Lagere Textielschool terwijl in 1951 de Middelbare Textielschool verder ging als Hogere Textielschool. Deze ging vanaf 1966 via Hogeschool Brabant op in de Avans Hogeschool. De Lagere Textielschool werd in 1968, ten gevolge van de Mammoetwet, opgenomen in de 1e LTS. De specifieke textielopleidingen verdwenen uiteindelijk, tezamen met de gehele Tilburgse textielindustrie.

Kunstzijde en kunstvezelsBewerken

Een belangrijke technologische ontwikkeling was de uitvinding van kunstzijde in 1884. Deze werd geproduceerd op basis van cellulose onder namen als rayon en viscose.

In Nederland werd in 1911 de Enka (Eerste Nederlandse Kunstzijdefabriek Arnhem) opgericht, welke in 1919 een grote fabriek te Ede opzette. In 1921 volgde een (concurrerende) fabriek in Breda (Hollandse Kunstzijde Industrie of HKI) en in 1930 een fabriek (Nijma) te Nijmegen. Enka fuseerde in 1929 met het Duitse Glanzstoff en ging toen Algemene Kunstzijde Unie (AKU) heten.

Het onderzoek naar kunstvezels, op synthetische basis, startte in 1926 bij DuPont en leidde tot vezels van nylon, polyester en dergelijke, welke uiteindelijk ook in Nederland zouden worden vervaardigd door de daar aanwezige kunstzijde-industrie. Verdere research leidde tot de supervezel, die in 1977 door AKU op de markt werd gebracht onder de merknaam: Twaron. In 2000 werd de betreffende divisie verkocht aan het Japanse Teijin en bleef fabrieken houden in Delfzijl en Emmen.

De AKU-fabriek in Emmen werd opgericht in 1951 en produceerde aanvankelijk nylon garens onder de naam Enkalon. Later maakte men hier tapijtgarens maar in 1997 sloot deze fabriek.

AKU fuseerde in 1969 met Koninklijke Zout Organon tot het AKZO-concern, dat later de vezeldivisies zou afstoten en zich als AkzoNobel op verfproducten zou gaan richten. De HKI, die uiteindelijk onderdeel van Enka werd, sloot de poorten in 1982. De grote fabriek in Ede sloot in 2002.

Klassieke textielindustrieBewerken

De textielindustrie die gebaseerd was op wol, linnen en katoen bleef gedurende de eerste helft van de 20e eeuw functioneren, al leidden crises als de grondstofschaarste en afzetmoeilijkheden tijdens de Eerste Wereldoorlog, de crisis van de jaren 1930 en de Tweede Wereldoorlog tot problemen en ook wel tot faillissementen. De tweede helft van de 20e eeuw leidde echter, na opbloei en zelfs de kortstondige inzet van vele gastarbeiders, vanaf midden jaren '60 van de 20e eeuw, tot een snelle neergang van deze bedrijfstak. In 1950 was de textielindustrie in Nederland nog goed voor ongeveer 20 procent van de industriële toegevoegde waarde, maar in 2002 was dit gezakt naar 2,3 procent.[9]

De tweede helft van de 20e eeuw werd gekenmerkt door fusieprocessen, de teloorgang van de traditionele textielindustrie, verschuiving van de aandacht naar technische textielsoorten en de overgang van familiebedrijven naar de macht van investeringsmaatschappijen. Dit alles werd mede in gang gezet door de toenemende concurrentie uit het buitenland, mede het gevolg van Europese integratiepolitiek. Zo verdwenen in 1957 tal van handelsbelemmeringen en ook de concurrentie van Oost-Europa, en andere lagelonenlanden, nam toe.

Een vroeg voorbeeld van deze ontwikkeling was de fusie van het Almelose bedrijf H. ten Cate Hzn. & Co. met de Koninklijke Stoomweverij te Nijverdal tot Nijverdal-Ten Cate of Koninklijke Ten Cate. Traditionele fabrieken werden gesloten en men richtte zich op technische textielsoorten.

In 1962 ontstond de Koninklijke Nederlandse Textiel Unie (KNTU) uit een aantal Brabantse en vooral Twentse textielbedrijven, voor het merendeel familiebedrijven, die onder meer gespecialiseerd waren in stoffen voor bekleding, gordijnen en dergelijke. De groep werd in 1965 en 1966 nog uitgebreid en op het hoogtepunt, in 1966, werkten er bijna 8.000 mensen. De combinatie leek echter meer op een sterfhuisconstructie. Er werd vrijwel constant verlies gemaakt en in 1973 ging de KNTU failliet.

In 1964 fuseerden een aantal textielbedrijven, vooral gespecialiseerd in de textieldrukkerij, tot Texoprint. In 1972 ging dit, met een aantal andere bedrijven, over in het beursgenoteerde Gamma Holding. Van een familiebedrijf was toen al lang geen sprake meer. Het bedrijf werd beursgenoteerd. Er werden bedrijven opgekocht en afgestoten, delen werden gekocht door investeringsmaatschappijen en in 2010 kwam aan Gamma Holding als beursgenoteerd bedrijf een einde. In dat jaar werd de grootste winstmaker, Vlisco, verkocht. In 2012 werd de holding ontbonden en de vier onderdelen (matrassenstof, procesbanden, industriële filters en zeildoek) werden verzelfstandigd. In totaal werkten bij de Gamma-bedrijven ongeveer 4.500 mensen. Deze bedrijven hebben zich, zoals hun productiepakket laat zien, vooral op technisch textiel gespecialiseerd.

HedenBewerken

Een aantal textielfabrieken bestaan nog. In Zuidoost-Brabant zijn dat Vlisco (imitatiebatik) en Raymakers (gordijnstoffen) te Helmond, Schellens, tegenwoordig Vescom, met fabrieken te Helmond en Deurne (gordijnstoffen), Artex te Aarle-Rixtel (gordijnstoffen en bekleding), Van den Acker te Gemert (failliet in 2019).

In Nederland bestaan nog een drietal musea expliciet gewijd aan het textielverleden, namelijk het Textielmuseum te Tilburg, het Weverijmuseum Geldrop, en het Museum Het Leids Wevershuis te Leiden. Veel textielfabrieken werden gesloopt maar her en der zijn nog fabrieken en overblijfselen daarvan aanwezig, al hebben ze een andere bestemming gekregen. Diverse restanten van het textielverleden werden geklasseerd als Rijksmonument.

Zie ook:Bewerken

Specifieke plaatsen, waar de textielindustrie een significante invloed hadden zijn:

BelgiëBewerken

Zie ookBewerken

Zie de categorie Textile industry van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.