Ludingakerke

voormalig klooster bij Harlingen

Ludingakerke of Ludingakerk (Fries: Lüntsjerk[1]) was in de middeleeuwen een klooster bij Harlingen met uithoven op Texel en Vlieland. De monniken stonden in Nederland bekend om hun 'zondige' levensstijl, wat uiteindelijk heeft geleid tot het verlies van de zelfstandigheid van de abdij.

Zegel van de abt van Ludingakerke, 25 mei 1313.

OprichtingBewerken

De bloeiende, Limburgse abdij van Rolduc stichtte in de twaalfde eeuw in Friesland vijf kloosters,[2] waarvan dat in Ludingakerke bij Harlingen het belangrijkste was.

Omstreeks 1157 stichtte Eilwardus Ludinga het klooster Ludingakerke in het dorp Almenum, gewijd aan Sint Martinus. De monniken groeven grachten om de handelsvaart beter mogelijk te maken. Ludingakerk werd hierdoor een van de rijkste kloosters in Friesland. De buurt ten westen van Almenum, Harlingen, werd daardoor zó belangrijk dat deze in 1234 stadsrechten kreeg.

Slag bij ArumBewerken

Op 4 juli 1380 werd nabij Arum een veldslag geleverd tussen de monniken van Ludingakerk en die van Oldeklooster, waarbij in totaal meer dan 130 man sneuvelden. De edelen Sicke Gratinga en Gale Hania, zwaargewond, werden naar Ludingakerk teruggevoerd.

BierbrouwerijBewerken

Het is bekend dat de monniken van het Ludingaklooster tarwebier brouwden. Zij gebruikten hiervoor hun eigen abdij-recept.

Uithoven op Texel en VlielandBewerken

Rond 1250 vestigden Ludingakerkster kloosterlingen zich op Texel en Vlieland,[3] waar ze land beheerden dat ze van de graven Willem II en Floris V in bezit hadden gekregen. De bevolking beschouwde de uithoven als kloosters.

Het einde van LudingakerkeBewerken

In de jaren twintig van de vijftiende eeuw werden de Augustijnse kloosterregels zo slecht nageleefd, dat pastoors uit de omgeving opriepen ‘het Nest te suyveren’.[4] Kloosterlingen hadden privébezit en leefden met nonnen samen (waarmee zij ook kinderen kregen). In 1428 werd de abdij onder het gezag van die van Windesheim geplaatst. In 1517 is de abdij verbrand.