De arme molenaarsknecht en het katje

literair werk

De arme molenaarsknecht en het katje is een sprookje uit Kinder- und Hausmärchen (KHM106), opgetekend door de gebroeders Grimm. De oorspronkelijke naam is Der arme Müllersbursch und das Kätzchen.

De arme molenaarsknecht en het katje
Prent bij De arme molenaarsknecht en het katje door Paul Hey. Uit Deutsche Märchen, 1939
Auteur Gebroeders Grimm
Originele titel Der arme Müllersbursch und das Kätzchen
Origineel gebundeld in Kinder- und Hausmärchen
Uitgiftedatum 1815
Land Duitsland
Taal Duits
Genre sprookje
Gebundeld in Deutsche Märchen
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Het verhaal bewerken

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud of de afloop van het verhaal.

Een molenaar heeft geen vrouw en kinderen en als hij oud is, laat hij zijn drie molenaarsknechten op zoek gaan naar het beste paard. Degene die het beste paard mee terug neemt, krijgt de molen en moet voor de molenaar zorgen tot hij dood is. De derde jongen is de onderknecht en de anderen vinden hem onnozel en ze willen hem eigenlijk niet meenemen, omdat ze hem de molen niet gunnen. Onnozele Hans wil de molen dan niet meer en de drie komen bij een dorp en later bij een grot. De twee slimme jongens wachten tot Hans slaapt en gaan ervandoor. Als de zon opkomt, ziet Hans dat hij alleen is en hij komt later een lapjeskat tegen. De kat vraagt waar Hans heen wil en zegt dat hij weet dat Hans een mooi paard wil hebben. als hij de kat zeven jaar dient, zal dit gebeuren.

De kat neemt Hans mee naar het betoverde kasteel en er zijn veel katten die haar dienen. Ze zijn vrolijk en opgewekt en drie maken muziek tijdens het eten; de eerste speelt de bas, de tweede de viool en de derde een trompet. Na het eten wil de kat met Hans dansen, maar die heeft nog nooit met een kat gedanst en hij weigert. Hans wordt naar bed gebracht en een kat trekt zijn schoenen uit, een ander zijn kousen en de derde blaast de kaars uit. De volgende ochtend bindt een kat zijn kousenbanden vast, de ander haalt zijn schoenen en de derde wast en droogt zijn gezicht. Hans moet elke dag houtjes hakken en hij krijgt een zilveren bijl en wiggen, een zilveren zaag en een hamer van koper. Hans ziet alleen de lapjeskat en haar personeel.

Op een dag moet Hans het gras maaien en drogen en hij krijgt een zeis van zilver en een slijpsteen van goud, maar dit moet Hans wel teruggeven. Hans doet het werk en neemt alles mee naar huis. Hans krijgt een timmermansbijl, timmerhout, een winkelhaak en andere dingen van zilver en moet een huisje bouwen. De zeven jaren vliegen voorbij, het lijkt maar een half jaar, en Hans mag de paarden zien. Er staan twaalf paarden in het huisje wat Hans bouwde en Hans krijgt eten en drinken en begint aan zijn reis naar huis. Na drie dagen zal de kat het paard nabrengen.

Hans komt gekleed in zijn oude versleten kiel thuis. De andere molenaarsknechten zijn ook terug met een blind en een kreupel paard, maar ze lachen hem uit en de molenaar laat hem niet aan tafel zitten. Buiten krijgt hij wat te eten en hij moet slapen in het ganzenhok. De volgende ochtend zijn de drie dagen om en er komt een koets met zes van glanzende paarden. Een dienaar volgt met een zevende paard en er stapt een prachtige koningsdochter uit de koets. De molenaar moet Hans halen en de jongeman krijgt prachtige kleding van de dienaar van de koningsdochter.

De kat was de betoverde koningsdochter en ze ziet het blinde en kreupele paard van de andere molenaarsknechten. Het zevende paard wordt gebracht en de molenaar zegt dat zijn molen voor de derde muldersknecht is. Maar de koningsdochter neemt Hans mee en laat de molenaar zijn molen houden. Het paar komt bij het kleine huisje wat met het zilveren gereedschap is gebouwd en het is nu een groot kasteel geworden. Alles is van zilver en goud en het paar trouwt en is erg gelukkig. Het ontbreekt hen aan niets en niemand kan zeggen dat iemand die onnozel is niet goed terecht kan komen.

Achtergronden bij het sprookje bewerken