Hoofdmenu openen

Triëst (stad)

gemeente in Italië

Triëst (Italiaans: Trieste, Sloveens: Trst, Duits: Triest) is een stad in Italië, ten oosten van Venetië, aan de grens met Slovenië. Ze telt 210.000 inwoners en is de hoofdstad van de gelijknamige provincie Triëst en van de regio Friuli-Venezia Giulia. Triëst is tevens een gemeente, waaronder ook Barcola en Basovizza vallen.

Triëst
Trieste
Stad in Italië Vlag van Italië
Free Territory Trieste Flag.svg Wapen van gemeente
Triëst (stad) (Italië)
Triëst (stad)
Situering
Regio Friuli-Venezia Giulia (FVG)
Provincie Triëst (TS)
Coördinaten 45° 38′ NB, 13° 48′ OL
Algemeen
Oppervlakte 84,5 km²
Inwoners (31 dec. 2013) 204.849
(2424 inw./km²)
Hoogte 2 m
Burgemeester Roberto Dipiazza (Forza Italia)
Overig
Postcode 34100
Netnummer 040
Aangrenzende gemeenten Duino-Aurisina, Monrupino, Muggia, San Dorligo della Valle, Sežana (Slovenië) en Sgonico
Beschermheilige Justus van Triëst
Naam inwoner Triestini
ISTAT-code 032006
Detailkaart
Locatie van Triëst in Triëst (TS)
Locatie van Triëst in Triëst (TS)
Portaal  Portaalicoon   Italië
Riccardo Poort, 1e eeuw v.Chr.

GeschiedenisBewerken

Voor onze jaartelling bestond een fort op de heuvel waar nu onder andere de kathedraal van San Giusto staat. Belangrijk was het niet want het huidige Triëst lag niet op de route van de Alpen naar de Povlakte. In de 1e eeuw na Christus werd Triëst onder keizer Vespasianus gesticht als een Romeinse colonia met de naam Tergeste. Op de heuvel herinnert alleen de Riccardopoort daar aan. Onder het Romeins bestuur kwam de stad tot bloei waarna ze in de 6e eeuw door de Langobarden werd veroverd en in de 8e eeuw onder keizer Karel de Grote door de Franken. Sindsdien leefde de stad in de schaduw van het sterkere Venetië.

In 1382 kwam Triëst onder het gezag van de hertogen van Oostenrijk, behorend tot het geslacht van de Habsburgers. Daarna zou ze meer dan vijf eeuwen onder het huis Habsburg blijven. De stad behield wel een zekere bestuurlijke autonomie. In 1719 werd ze tot vrijhaven verklaard door de Habsburgse keizer Karel VI van het Heilige Roomse Rijk. Ten gevolge hiervan kwam ze tot bloei en werd ze een eeuw later de hoofdstad van het Habsburgse kroonland Küstenland, waarin drie provincies werden verenigd. Ambtelijke talen waren Italiaans en Duits, maar in het dagelijks leven werd het Italiaanse stadsdialect gesproken, verwant aan het Venetiaans en het Romaans van Friulië (Friulaans), en gelardeerd met Duitse en Sloveense woorden. Veel plattelanders die naar de stad trokken vanuit de directe omgeving bleven echter Sloveens spreken. Duits was dan weer de taal van de adel en de kunstenaars en een deel van de ambtenaren. Triëst kreeg de bijnaam "Wenen aan Zee", omdat de architectuur en de sfeer van de stad aansloten bij de periode van de Weense Sezession. Hoewel het Italiaans de dominante taal was, maakte de stad in culturele zin deel uit van Midden-Europa.

Eerste en Tweede WereldoorlogBewerken

De verscheidenheid van de bevolking veroorzaakte aan het eind van de 19e eeuw nationale spanningen. Verschillende nationale sentimenten manifesteerden zich. Met name het Italiaanse nationalisme, dat in zijn agressieve vorm van irredentisme, na het ontstaan van de Italiaanse staat, aanspraak maakte op alle gebieden waar Italiaans werd gesproken buiten dit Italiaanse staatsgebied. In deze tijd verbleven veel buitenlanders en zo ook Sigmund Freud, James Joyce en Richard Burton in de stad. De Italiaanse inlijving van de stad en daarnaast het grootste deel van Küstenland was reeds in 1915 in het geheime Pact van Londen overeengekomen als beloning aan Italië, als dit land tijdens de Eerste Wereldoorlog Oostenrijk-Hongarije de oorlog zou verklaren. Dat gebeurde en na de capitulatie van Oostenrijk-Hongarije werd Triëst in 1918 door Italiaanse troepen ingenomen, overigens met instemming van de grote meerderheid van de bevolking. Deze feitelijke annexatie werd in het Verdrag van Rapallo in 1920 geformaliseerd.

Irredentisme en fascisme vielen in Triëst samen en waren gericht tegen alle niet-Italiaanse bevolkingsgroepen. Het eerste geweld brak uit op 29 december 1918 toen fascistische knokploegen het paleis van de bisschop van Triëst binnenvielen. Bisschop Andrej Karlin, een Sloveen, moest daarop vluchten. Vanaf 1920 werd een continue repressie uitgevoerd tegen de Sloveense en Kroatische minderheid. Ze bereikte haar hoogtepunt in de brandstichting in de Narodni Dom, het symbool van de Sloveense aanwezigheid in de stad. Ook andere niet-Italiaanse culturele instellingen, scholen en media werden daarna verboden. Sloveense en Kroatische nationalisten richtten op 28 december 1924 de eerste illegale gewapende verzetsorganisatie TIGR op in Triëst, maar bleven machteloos. Tienduizenden werden geïnterneerd, of moesten gedwongen vertrekken naar het zuiden van Italië. Om dat te ontgaan ontvluchtten velen van hen Italië, de meesten naar Joegoslavië.

Na de capitulatie van fascistisch Italië in 1943 namen Duitse troepen het Italiaanse gezag over en samen met Italiaanse fascisten richtten zij bij de stad het kamp Risiera di San Sabba op voor de internering en vaak de executie van hun tegenstanders. Na de capitulatie van Duitsland slaagden de Tito-partizanen er in de macht over te nemen op 1 mei 1945. Maar deze Joegoslavische troepen moesten zich op 12 juni 1945 terugtrekken, dit op grond van een overeenkomst tussen Tito en de Geallieerden om de stad voorlopig te neutraliseren totdat een definitieve toewijzing of verdeling had plaatsgevonden. Geallieerde troepen handhaafden voorlopig de orde binnen een demarcatielijn die om de stad heen getrokken was. De massa-executies van geïnterneerde Italianen, Duitsers en Slovenen in het door de partizanen ingerichte kamp Basovizza droegen bij tot de vlucht van meer dan 150.000 Italianen en nationalistische Slovenen uit de gebieden die buiten die lijn onder Joegoslavisch gezag waren gekomen. Zij trokken vooral naar de nu overbevolkte stad Triëst.

Naoorlogse periodeBewerken

Na de Tweede Wereldoorlog eiste Tito, met de steun van de Sovjet-Unie, geheel Istrië en een groot deel van Friuli-Venezia Giulia voor Joegoslavië op (anders gezegd, het voorheen Oostenrijkse Küstenland). Dit hield min of meer het terugdraaien van het Verdrag van Rapallo in. Het zuidelijk-Istrische deel van deze gebieden werd in meerderheid door Kroaten bewoond, het noordelijke in meerderheid door Slovenen, en in de kustgebieden vormden Italianen de meerderheid. De stad Triëst en haar directe omgeving bleven echter een twistappel.

Zo kwam dan de stad als uitvloeisel van de Vrede van Parijs als hoofdstad te liggen in de neutrale Vrije zone Triëst. Dit gebied omvatte het noorden van Istrië vanaf de rivier de Mirna, het gebied gelegen tussen de Sloveense Karst en de Adriatische Zee. Hoewel het vrije gebied een eigen munteenheid, postzegels e.d. bezat, heeft het nooit werkelijk als onafhankelijke bestuurlijke eenheid bestaan. Het werd in de zone A (de stad Triëst en omringende dorpen) en de zone B (noordelijk Istrië) gesplitst. In zone A ontstond, met name door een opeenhoping van vluchtelingen, een heftig anti-Joegoslavische stemming. In zone B mochten Joegoslavische autoriteiten het gezag voorlopig waarnemen, maar in feite schakelden zij het bestuur gelijk met dat in overig Joegoslavië. In deze patstelling werd in 1954 besloten om zone A aan Italië, en zone B aan Joegoslavië toe te wijzen, maar de uiteindelijke bezegeling van deze opdeling vond pas in 1975 plaats in de Verdragen van Osimo. In 1955 en 1956 verlieten meer dan 20.000 inwoners van zone B, de helft van de bevolking aldaar, hun woonplaatsen en vertrokken ook zij naar Triëst. Tussen 1945 en 1990 was Triëst een door strenge grensbewaking omgeven enclave in Joegoslavisch gebied, en alleen noordwaarts via een smalle kuststrook verbonden met de rest van Italië.

Zoals enkele tienduizenden Slovenen en Kroaten sinds de Italiaanse inlijving van de provincie Küstenland en de stad Triëst in 1918 naar Joegoslavië trokken, zo trokken tussen 1944 en 1957 ongeveer 200.000 Italianen uit Istrië en Dalmatië naar Italië. Reden hiervoor was de afkeer van het nieuwe communistische Joegoslavische regime. En daarnaast de angst voor represailles van dit regime tegen degenen die tussen 1919 en 1945 hadden meegewerkt aan de italianiseringsrepressie, en dat waren om te beginnen alle voor 1945 werkzame ambtenaren en gerechtelijke en politiefunctionarissen, en het gehele onderwijzend personeel. Circa 30.000 Italianen bleven uiteindelijk in de Joegoslavisch geworden gebieden.

BevolkingBewerken

Bevolkingsontwikkeling van Triëst in grote lijnen:

Jaar Inwoners
1700 ca. 5.000
1800 ca. 30.000
1850 ca. 70.000
1910 ca. 235.000
1950 ca. 270.000
2000 ca. 210.000

De bevolking van Triëst kende gedurende eeuwen een grote verscheidenheid. Bronnen uit de 15e eeuw geven weer dat zij op dat ogenblik voor circa 55% uit Romaanstaligen en 30% uit Slavischtaligen bestond. Daarnaast woonden er 15% 'overigen', voornamelijk Duitstaligen, Grieken en Joden. Deze verscheidenheid kende een zekere continuïteit; de etnograaf von Czoernig (Karl von Czoernig-Czernhausen) vermeldt in 1846 de volgende bevolkingssamenstelling: 55% Italianen, 32% Slovenen en 13% overigen, voornamelijk Duitstalige Oostenrijkers en Joden. In 1880 laat de volkstelling zien dat het stadscentrum bijna voor 90% uit Italianen bestond, terwijl in de buitenwijken de Italianen toen ca. 66% uitmaakten en de Slovenen 29%. Drie decennia later, in 1911, telde het stadscentrum 75% en de buitenwijken 43% Italianen; die verhouding lag voor de Slovenen op 16% en 52%. De dorpen in de omgeving van de stad waren overwegend Sloveens en steeds werd een groot gedeelte van de immigranten uit die omgeving in de stad geïtalianiseerd. Cijfers over de etnische samenstelling van de stad werden voor het laatst in 1985 gepubliceerd. Hoewel deze van verschillende zijde - op goede gronden - in twijfel getrokken worden, lijkt het aandeel Italianen in elk geval boven 90% te liggen. De Duitstaligen zijn verdwenen, waaronder ook de joden, die hun gemeente-instellingen verloren nadat hun synagoge in 1942 door Italiaanse fascisten in brand was gestoken, en waarvan de laatsten eind 1944 werden gedeporteerd. De Slovenen vormen een actieve minderheid die na 1990 een grotere vrijheid heeft gekregen.

 
Waterput
 
Kasteel van Miramare
 
Kerk van St. Spiridio

WaterBewerken

Drinkwater is altijd een probleem voor de bewoners van een vesting, vooral als die op een heuvel ligt. Op de heuvel van Triëst staan enkele waterputten, water werd uit de bergen aangevoerd via aquaducten, die veelal door Maria Theresia van Oostenrijk werden aangelegd.

BezienswaardighedenBewerken

SportBewerken

US Triestina is de belangrijkste voetbalclub van de stad en zij speelt haar wedstrijden in het Stadio del Conero. Triëst was in 1934 met het toenmalige Stadio Giuseppe Grezar speelstad bij het WK voetbal.

Geboren in TriëstBewerken

Externe linksBewerken