Hoofdmenu openen

De stadskeure was het handvest waardoor in de middeleeuwen aan de jonge steden of nederzettingen stadsrecht werd toegekend.

StatusBewerken

De keure werd verleend door de landvorst. Meestal hadden de bewoners van de nieuwe vestiging met de vorst of zijn afgevaardigden hierover reeds onderhandeld. Het nieuwe statuut werd dus gevraagd en de vorst hield rekening met de wensen van de bevolking.

De keur of "core" schonk aan de stad de rechterlijke, wetgevende, fiscale en militaire autonomie indien de stad haar verplichtingen aan de vorst zou nakomen, die natuurlijk het opperste gezag behield.

Meestal werd het statuut van een oudere stad tot voorbeeld genomen.

Het stadsrecht, vastgelegd in de keur, werd meestal aangevuld met nieuwe privileges. De keure of de keuren werden bewaard in het belfort of in het stadhuis. Zij waren de waarborg van de stedelijke vrijheid.

In de Lage Landen werden de eerste stadsrechten in de twaalfde eeuw verleend. Ze waren gebaseerd op de rechten die de stad Atrecht in de loop der jaren met de Graven van Vlaanderen was overeengekomen. Die rechten werden steeds vaker aan nieuwe Vlaamse steden verleend. De Hertogen van Brabant namen de rechten van Leuven als voorbeeld. De graven van Holland namen dit Leuvense model over. De Hertogen van Gelre namen de stadsrechten van Zutphen als voorbeeld. In Gelderland was Nijmegen een uitzondering. Als Rijksstad waren de stadsrechten van Aken het voorbeeld. Stadsrechten werden dus, soms met lichte wijzigingen, overgenomen van de rechten van andere steden, de zogenaamde moederstad. Wanneer in de dochterstad juridische onenigheid ontstond, ging men op "stedenvaart" of "hoofdvaart" naar de moederstad om daar uitleg van het recht te vragen. Dit gold niet voor veel steden met stadsrecht van de Hollandse tak, dat weliswaar op dat van de Brabantse steden gebaseerd was maar geen directe verwijzing naar dat recht bevatte.[1] Wel trof bijvoorbeeld Delft in 1259 (dus ruim na het opstellen van het stadsrecht) een regeling met Den Bosch voor de hoofdvaart.

BrabantBewerken

VlaanderenBewerken

In 1170 werden de 7 grote steden van Vlaanderen stadsrechten verleend. De Vlaamse steden volgden doorgaans het statuut van Atrecht.

HollandBewerken

De Hollandse steden behoorden tot de Brabantse familie. De Hertogen van Brabant namen de rechten van Leuven als voorbeeld. De graven van Holland namen op hun beurt dit Brabants-Leuvense model over.

Oost-NederlandBewerken

De steden in het Oosten van Nederland behoorden tot de Rijnlandse familie. In Gelderland was Nijmegen een uitzondering. Als Rijksstad waren de stadsrechten van Aken het voorbeeld.

Zie ookBewerken

NootBewerken

  1. H.P.H. Camps, Het stadsrecht van Den Bosch van het begin (1184) tot het Privilegium Trinitatis (1330), Hilversum: Uitgeverij Verloren (1995), p. 50-51