Raymond Westerling

Nederlands soldaat (1919-1987)

Raymond Pierre Paul Westerling (Istanboel, 31 augustus 1919Purmerend, 26 november 1987), bijgenaamd de Turk, was in de rang van kapitein de commandant van de Speciale Troepen, die de Nederlandse regering in de jaren 1946-1948 inzette tegen de nationalistische opstand in toenmalig Nederlands-Indië (Indonesië). Van december 1946 tot maart 1947 voerde hij 'zuiveringsacties' door op Zuid-Celebes (Sulawesi Selatan), daarna was hij op Java actief. Hij raakte in opspraak door zijn hardhandige optreden tegen Indonesische guerillastrijders en hun sympathisanten. Zijn opdrachten hij van de Nederlandse legerleiding en van operationele commandant ter plaatse, maar hij gaf daaraan ook een eigen invulling. Na de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 speelde hij een rol in een mislukte coup tegen het nieuwe bewind, dat onder leiding stond van generaal Soekarno. Westerlings rol in de onafhankelijkheidsoorlog is omstreden vanwege (al dan niet vermeend) excessief geweld en de burgerslachtoffers die daarbij zijn gevallen. Discussies draaien vooral om de vraag of Westerling op eigen initiatief handelde dan wel op gezag van hogerhand.

Raymond Westerling
Raymond Westerling in 1948
Bijnaam de Turk
Geboren 31 augustus 1919
Istanboel
Overleden 26 november 1987
Purmerend
Land/zijde Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Korps Speciale Troepen
Dienstjaren 1941-1949
Rang Royal Netherlands East Indies Army, Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger Tentara Kerajaan Hindia Belanda Rank Insignia KNIL 1942-1950 Kapitein Captain.jpg kapitein
Eenheid Infanterie
Slagen/oorlogen Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog

Jeugd in ConstantinopelBewerken

Westerling werd in 1919 in Constantinopel (Istanboel), destijds onderdeel van het Ottomaanse Rijk, geboren als zoon van een Nederlandse handelaar in antiek en zijn Griekse echtgenote. Hij groeide op in de welvarende wijk Pera (Beyoğlu), waar de familie van zijn vaderszijde al drie generaties woonachtig was. In deze kosmopolitische omgeving had hij een aantal talen vloeiend leren spreken. Naast het Turks, sprak Westerling Frans en Grieks. Nederlands sprak hij daarentegen nauwelijks. Zijn Turkse achtergrond leverde hem in Nederlands-Indië niet alleen zijn bijnaam 'De Turk' op, maar zou ook, samen met het gerucht dat hij zou zijn overgegaan tot de islam, bijdragen aan het ontzag dat zijn Indonesische tegenstanders voor hem hadden.[1]

Opleiding tot commandoBewerken

Op 22-jarige leeftijd, in 1941, meldde Westerling zich aan bij het Nederlandse consulaat in Istanboel als vrijwilliger voor de geallieerden. Via diverse omzwervingen kwam Raymond Westerling in Engeland terecht. Hij werd ingelijfd bij de Prinses Irene Brigade in Wolverhampton, maar het garnizoensleven beviel hem allerminst. Daarom gaf Westerling zich op voor de commando-opleiding, die hij met succes doorliep. Al snel werd Westerling bevorderd tot sergeant-instructeur en werd hij belast met de opleiding in "Silent Killing", "Unarmed Combat" en "Toughness Training". In 1944 volgde zijn benoeming tot sergeant voor speciale diensten en werd hij ter beschikking gesteld van het Bureau Bijzondere Opdrachten, een organisatie die agenten opleidde voor geheime acties in bezet Nederland. Tot zijn grote teleurstelling werd Westerling echter niet ingezet, in plaats daarvan werd hij aangesteld als sergeant majoor instructeur van de Binnenlandse Strijdkrachten in het bevrijde Zuid-Nederland. Op 10 maart 1945 raakte hij zwaargewond door een Duitse aanval met een V-1.Hij wordt naar Londen afgevoerd. Na genezing is hij door toedoen van het hoofd Bureau Bijzondere Opdrachten, generaal Van Oorschot, bevorderd tot luitenant en uitgezonden naar het Korps Insulinde op Malakka. Vanuit dat korps is hij ingezet in Medan om samen met de Engelsen op te treden tegen opstandelingen in en rond Medan op Sumatra.

Inzet op SumatraBewerken

Toen de oorlog in Europa ten einde was, trad Raymond Westerling in dienst van het KNIL. Na een tussenstop in Ceylon werd hij uitgezonden naar Medan op Sumatra in Nederlands-Indië. Zijn opdracht was om het herstel van het Nederlandse gezag daar voor te bereiden en Nederlandse krijgsgevangen en geïnterneerde burgers op te sporen. Formeel stond Westerling hier onder Brits bevel, maar hij ging vooral zijn eigen weg. Hierbij viel hij op door zijn gevoel voor het inlichtingenwerk, waarmee hij de basis legde voor enkele belangrijke successen van de Britse troepen. Ook verwierf hij een reputatie van doortastend en waar nodig hardhandig, die de meest betrokkenen legitimeerden door te verwijzen naar de brute methoden van de tegenpartij.[2]

Contra-guerrilla op Zuid-CelebesBewerken

In juli 1946 kreeg Westerling als eerste luitenant het commando over het Depot Speciale Troepen (DST), een in de contra-guerrilla gespecialiseerde eenheid, die voornamelijk werd gevormd door Indo-Europese en inheemse militairen van het KNIL en Oorlogsvrijwilligers uit Nederland. Westerling kreeg de opdracht om naar het roerige Zuid-Celebes af te reizen. Het eiland was - net als andere delen van Nederlands-Indië - in de greep van een gewelddadige opstand die door de Nederlandse regering en in de media als 'rood-witte-terreur' werd gekenschetst. Het overheidsgezag was nagenoeg ingestort, het economische leven was lamgelegd, Indo-Europeanen en Chinezen werden op grote schaal vermoord, terwijl mensen die twijfelden onder druk werd gezet om zich van het koloniale gezag af te keren. Criminele bendes hadden vrij spel. Deze periode van anarchie is de geschiedenisboeken ingegaan als de Bersiap-tijd. Door dit alles werd het Nederlandse plan om de deelstaat Oost-Indonesië voor te bereiden op onafhankelijkheid gedwarsboomd.[3] Van een georganiseerde opstand tegen het Nederlandse gezag was volgens de commissie-Enthoven (1948) destijds geen sprake.

Na intensief overleg tussen de politieke leiding in Batavia en de Nederlandse legerleiding werd besloten tot de inzet van een extra bataljon troepen en het Depot Speciale Troepen (DSO) onder leiding van Raymond Westerling. Hij kreeg een duidelijke opdracht en instructies om een contraguerrilla tegen de 'rood-witte-terreur' te organiseren. Onderdeel van het mandaat dat Westerling kreeg van de operationele bevelhebber op Zuid-Celebes (kolonel H.J. de Vries) was de bevoegdheid tot het uitoefenen van standrecht.[4] Hij was daarbij verantwoording schuldig aan de operationele bevelhebber ter plaatse en aan de geallieerde gezagsdrager (CDO) generaal-majoor E. Engles. Westerling paste op Zuid-Celebes zijn eigen methode van contraguerrilla toe, de methode-Westerling, waarin de nodige plaats was ingeruimd voor standrechtelijke executies. Tegelijkertijd betrok hij het loyale deel van de bevolking bij het herstel van de rechtsorde en de economie, met name door het instellen van een eigen kampongpolitie. Om het vertrouwen te kunnen winnen en onnodige burgerslachtoffers te vermijden, was het in zijn ogen noodzakelijk 'hard maar rechtvaardig' op te treden jegens terroristen en daar publiekelijk uiting aan te geven. De acties verliepen volgens een vast patroon en waren bedoeld om de adat, het plaatselijke normen- en rechtsstelsel (althans in Nederlandse ogen), te respecteren.

Verdachte kampongs werden ‘s nachts omsingeld. Bij het aanbreken van de dag werden de bewoners gedwongen om hun huizen te verlaten en zich op een open terrein in de nabijheid van de kampong te verzamelen. Personen, die gewapend verzet boden, werden onmiddellijk gedood. Na aankomst op de verzamelplaats scheidden de soldaten van het DST de mannen van de vrouwen en kinderen. Daarna kregen de mannen te horen wat het doel van de militaire actie was. Op grond van vooraf verzamelde inlichtingen werden van terrorisme verdachte personen uit de menigte gehaald, volgens de regels van het het gewoonterecht in staat van beschuldiging gesteld en standrechtelijk geëxecuteerd. Na de executies moest de bevolking een eed afleggen op de Koran en zweren dat ze het terrorisme uit haar midden zou bannen. Ten slotte organiseerde Westerling een nieuw politieapparaat en benoemde hij kampongbesturen die verantwoordelijk werden gesteld voor de ordehandhaving. De commissie Van Rij/Stam karakteriseerde het optreden van Westerlings methode in 1954 als een 'plechtige' methode, die op de bevolking een diepe indruk zou hebben gemaakt (Conclusie VI.).

Deze zogenaamde zuiveringsacties, die de geschiedenis in zoude gaan als de ‘Zuid-Celebes-affaire’, duurden van 11 december 1946 tot 3 maart 1947. Westerling slaagde er met zijn harde aanpak in de guerrilla op Zuid-Celebes uit te schakelen en de openbare orde te herstellen, waardoor ook het economische leven weer op gang kwam.

Volgens de Indonesiërs ging dat alles ten koste van grote aantallen slachtoffers.[5] De Republikeinse propaganda stelde dat Westerlings optreden 35.000 à 40.000 levens had gekost. Dit cijfer noemde men ook in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Nederlandse militaire rapporten onderschreven daarentegen de schattingen van Westerling. Deze verklaarde tijdens een onderzoek dat hij verantwoordelijk was voor zo'n 500 slachtoffers. Huidige schattingen, afkomstig van de Nederlandse historici Willem IJzereef en Jaap de Moor, stellen dat de KNIL-troepen en het DST tijdens de hele operatie verantwoordelijk waren voor ongeveer 1.500 doden. Het grootste aantal slachtoffers kwam voor rekening van de Speciale Troepen die zelfstandig opereerde in het noordwestelijk deel van Zuid-Celebes, onder leiding van onderluitenant Vermeulen. Het onderdeel onder leiding van Westerling zelf zou 388 slachtoffers hebben gemaakt..[6] De Indonesische zijde zou verantwoordelijk zijn voor 1.210 gevallen van moord, 300 ontvoeringen en 408 vermissingen, samen 1.918 slachtoffers, terwijl nabij de 2.400 mensen werden omgebracht door het KNIL, door pro-Nederlandse strijdgroepen en door politietroepen uit de kampongs.[6] In het rapport van de commissie-Enthoven (1948) wordt de 'rood-witte-terreur' daarnaast verantwoordelijk gehouden voor 2661 gevallen van rampok (beroving) en 555 gevallen van brandstichting.[4]

In de gewelddadige periode voorafgaand aan Westerling optreden was er sprake van 1.200 Indonesische slachtoffers op Zuid-Celebes door rivaliserende bendes, criminaliteit en politieke terreur onder Republikeinse vlag. Dit rechtvaardigde volgens Westerlings sympathisanten het harde optreden. Deze lezing wordt onderschreven door mr. B.J. Lambers, destijds de vertegenwoordiger van de procureur-generaal op Zuid-Celebes. Ook de historici Remy Limpach (De brandende kampongs van generaal Spoor, 2016) en Gert Oostindie (Soldaat in Indonesië, 2016) wekken de indruk dat de acties van Westerling, als ze al niet direct van hogerhand waren opgedragen, toch minstens oogluikend door de militaire en politieke autoriteiten in Batavia werden toegestaan. Bauke Geersing betoogt in zijn studie Kapitein Raymond Westerling en de Zuid-Celebes-Affaire uit 2019 dat het optreden van Westerling op Zuid-Celebes het gevolg was van weloverwogen besluiten die de militaire en politieke top in Nederlands-Indië hadden genomen. Via de Commissie-Generaal, de vertegenwoordiging van de Nederlandse regering in Nederlands-Indië, was uiteindelijk het hele Kabinet daarvoor verantwoordelijk. Ook de top van de rechterlijke macht, in de persoon van procureur-generaal H.J. Felderhof, onderschreef dat er sprake van een noodzakelijke en in het noodrecht gegronde militaire actie. Geersing concludeert dan ook dat het optreden van Westerling paste in destijds geldende politieke en maatschappelijke moraal en de toenmalige juridische en militaire kaders.

De nasleep van de Zuid-Celebes-affaire heeft diepe sporen nagelaten, zowel in Indonesië als in Nederland. Op 12 september 2013 heeft de Nederlandse regering via haar ambassadeur in Jakarta, Tjeerd de Zwaan, zijn excuses aangeboden aan alle slachtoffers van het bloedbad. Tien weduwen die nog in leven waren, kregen een schadevergoeding.[7]

VertrekBewerken

De Nederlandse legerleiding achtte Raymond Westerling door de aanhoudende negatieve publiciteit over zijn optreden op Zuid-Celebes en de kritiek op het gewelddadige optreden van het Korps Speciale Troepen (KST) niet geschikt voor zijn taak als commandant van een nieuw te vormen militaire eenheid. Het KST bestond toen uit ongeveer 1.200 man. Generaal Simon Spoor speelde met de gedachte om bij de Tweede Politionele actie een luchtlanding in de Javaanse provincie Yokyakarta (Djokja) uit te voeren. Luitenant kolonel Van Beek had de opdracht gekregen een speciale stafstudie uit te voeren teneinde de Eerste Para-compagnie te laten fuseren met het Korps Speciale Troepen en tegelijkertijd een selectie op kwaliteit door te voeren bij het kader en de manschappen van dat Korps. Generaal Spoor had voor Westerling enkele speciale opdrachten in gedachten. Op grond van deze nieuwe aanpak en vanwege de negatieve publiciteit rond Westerling en het 'oude' KST, besloot de legerleiding echter voor de nieuw gevormde militaire eenheid een andere commandant aan te stellen. Op 16 november 1948 droeg Westerling het commando van zijn eenheid over aan luitenant-kolonel W.C.A. van Beek, die de opdracht kreeg de Speciale Troepen om te vormen tot een eenheid die geschikt was voor de luchtlandingsacties in Djokja.[8]

Hoewel Westerling verschillende malen werd voorgedragen voor een onderscheiding, werd hem die niet verleend. In augustus 1948 vroeg zijn toenmalige adjudant Henk Ulrici in een open brief aan prins Bernhard aandacht voor het feit dat Westerling nog altijd geen onderscheiding had ontvangen, terwijl hij een "zeldzaam moedig, flink en knap commandant was". Bernhard informeerde nog dezelfde maand bij de legercommandant Simon Spoor of Westerling al dan niet een onderscheiding zou worden verleend. Generaal Spoor liet de prins weten dat hij zich zou inspannen voor een onderscheiding. Hier voelde men echter in Den Haag niets voor. Toen het vertrek van Westerling bij de Speciale Troepen al vast stond ondernam kolonel Reemer nog een laatste poging. Hij stelde voor om Westerling een Militaire Willemsorde te geven voor zijn werk op Sumatra, Celebes en Java. Ook Reemers verzoek werd afgewezen. Uiteindelijk kreeg Westerling op 14 januari 1949 bij zijn demobilisatie slechts een bijzondere tevredenheidsbetuiging.

Staatsgreep tegen SoekarnoBewerken

Raymond Westerling vestigde zich na zijn vertrek uit het leger in West-Java, trouwde en zette een transportbedrijf op in de omgeving van de Puntjakpas. Zijn rol was echter allerminst uitgespeeld. In het geheim richtte hij een legermacht op onder de naam APRA (Angketan Perang Ratu Adil 'Legioen van de Rechtvaardige Vorst'). Volgens historicus J.A. de Moor had de APRA nauwelijks enige omvang en hoopte Westerling op hulp van soldaten van het KNIL en in het bijzonder van het Regiment Speciale Troepen (de opvolger van het DST/KST), waarvan hij bevelhebber was geweest. Deze soldaten van de Speciale Troepen zouden Westerling toen nog steeds op handen hebben gedragen.[9] Er zijn sterke aanwijzingen dat ook hoge Indonesische functionarissen, en Nederlandse topmilitairen bij de coup waren betrokken.[10] Zo staat vast dat Sultan Syarif Hamid II van Pontianak, minister in het toenmalige kabinet van Soekarno, daarbij een actieve rol speelde. Sultan Hamid was voormalig kolonel van het KNIL, voormalig adjudant van de Koningin en bevriend met Prins Bernhard. Hij was voorstander van een federale staatsvorm, anders dan de eenheidsstaat die Soekarno nastreefde. Wegens zijn betrokkenheid bij de staatsgreep is hij later veroordeeld. Medestanders van Westerling noemen het dan ook een mythe dat deze zogenoemde 'Bandoeng-coup' alleen het werk zou zijn van de afgezwaaide commandant en zijn getrouwen. Westerling diende eerder als een vooruitgeschoven post.[11]

Kort na de soevereiniteitsoverdracht stuurde Westerling een ultimatum aan de Indonesische regering, waarbij hij waarborgen voor de handhaving van de autonomie van de deelstaat van Pasundan (West-Java) eiste en om erkenning van zijn strijdmacht vroeg. Toen toezeggingen uitbleven, ging hij tot actie over. In de nacht van 22 op 23 januari 1950 viel de APRA Bandoeng aan. Ook enkele honderden gedeserteerde KNIL-militairen namen aan de aanval deel. Het doel van de staatsgreep was het Indonesische leger uit te schakelen, de regering van president Soekarno omver te werpen en te vervangen door een nieuwe regering die het bestaan van de deelstaten zou respecteren. Westerlings volgelingen wisten Bandoeng in te nemen, waarbij aan Indonesische zijde ongeveer honderd doden vielen. De staatsgreep ging echter als een nachtkaars uit, naar verluidt door een slechte planning en 'verraad'. Een aanval op het parlement in Jakarta werd afgelast. Raymond Westerling wist, geholpen door hoge Nederlandse officieren, met een watervliegtuig naar Singapore te ontsnappen. Volgens sommige berichten zou toenmalig minister-president Drees deze ontsnapping hebben ondersteund.[12] Dit om te voorkomen dat Westerling door de Indonesische autoriteiten gevangen zou worden genomen en tegenover hen open kaart zou spelen. De couppoging en daarmee samenhangende de onrust in de buitenprovincies was voor de regering Soekarno de aanleiding om de plannen voor een eenheidsstaat - ondanks de bepalingen in het vredesakkoord - versneld door te drukken.

De gevangengenomen APRA-militairen, waaronder zo'n 125 van het Regiment Speciale Troepen, werden overgedragen aan de Nederlandse troepen die nog op Java waren achtergebleven. Een Nederlandse krijgsraad veroordeelde de hen tot gevangenisstraffen variërend van zes tot twaalf maanden. Luitenant Titaley, die als contactpersoon met Westerling was opgetreden, kreeg een straf van een jaar en acht maanden. Allen werden overgebracht naar Nederlands Nieuw-Guinea om daar hun straf uit te zitten. Na afloop van hun gevangenschap (1951-'52) gingen veel voormalige APRA-militairen vanuit Nieuw-Guinea direct naar Nederland.[13]

Leven in NederlandBewerken

 
Raymond Westerling (1952)

Na langdurige omzwervingen, waarbij voortdurend uitlevering aan Indonesië dreigde, kwam Westerling uiteindelijk in Nederland aan en publiceerde hij zijn memoires. In 1953 richtte hij vanuit zijn woonplaats Marssum de Stichting S.O.S. (Steunt Ontredderde Staten) op, die opriep tot buitenparlementaire acties om naleving van het RTC-vredesakkoord (Ronde Tafel Conferentie) te forceren.[14] In 1955 was hij medeoprichter van de Nederlandse Conservatieve Partij op, een voortzetting van de verboden nazipartij Nationaal Europese Sociale Beweging. De nieuwe groepering – een vergaarbak van extreemrechtse politici, avonturiers en handige zakenlui – kwam in het nieuws door plannen voor gewapende acties tegen Indonesië.[15]

Met financiële steun van ex-NSB-er mr. Jan Wolthuis en de Groningse zakenman en voormalig SD-er Pieter J. Gaillard werd in het gepantserde jacht 'Evipan' aangekocht, dat naar Ambon moest varen. Het schip bleek niet zeewaardig, waarna men in Wilhelmshaven de snelboot 'Seeadler' aanschafte, die echter door de Nederlandse overheid aan de ketting werd gelegd. Men probeerde het nog met de 'Evipan', maar die werd op de Eems in beslag genomen; Westerling moest zijn paspoort inleveren.[16] De regering weigerde iedere steun aan de beweging, waarna op een protestbijeenkomst in november 1955 openlijk gedreigd werd met een staatsgreep als men niet mee wilde werken. "Wij hebben voldoende gevulde wapendepots", stelde een woordvoerder van de voormalige ondergrondse. Westerling werd daarbij geschetst als de ideale leider voor de beoogde gewapende strijd op de Molukken.[17] Westerling, naar verluidt alsnog op weg naar Ambon, distantieerde zich vervolgens van de nieuwe partij, waarna zijn kompanen hem op verdenking van verduistering voor een 'ereraad' daagden.[18] Hij ontkende echter alle beschuldigingen en het publieke tribunaal werd om onduidelijke redenen afgelast.

December 1956 werd Westerlings vertrouweling Ton Schilling (1919-1984), een freelance journalist en oprichter van het Veteranen Legioen Nederland, door de rijksrecherche gearresteerd en daarna veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf wegens oplichting en verduistering van aanzienlijke bedragen die waren ingezameld voor de sabotageacties in Indonesië. Westerling werd van betrokkenheid vrijgesproken. Schilling behoorde in 1969 nog steeds tot de kring rond Westerling.[19] Het Indonesische Ministerie van Buitenlandse Zaken gaf intussen begin 1957 een 'Witboek' uit, waarin men stelde dat er al sinds het begin van de jaren vijftig onderzoek werd gedaan naar extreemrechtse netwerken die de gewapende opstanden op de Molukken ondersteunden. Ook Nederlandse regeringskringen zouden daarbij volgens de Indonesiërs betrokken zijn geweest.[20]

Daarna leidde Westerling, afgezien van een kortstondige carrière als operazanger, een schijnbaar onopvallend leven. Hij schreef naar eigen zeggen enkele militaire rapporten, onder andere voor een buitenlandse oliemaatschappij, maar sloeg het aanbod om te gaan werken als huursoldaat af.[19] Toch ging er geen jaar voorbij dat de kranten niet over hem schreven; geregeld werd hij genoemd in verband met buitenlandse conflicten en geplande aanslagen; meerdere malen werd hem op buitenlandse luchthavens de toegang tot het land geweigerd. Toen oud-premier Willem Drees in 1969 sprak over de "wandaden" die onder Westerlings commando waren begaan, diende hij tevergeefs een klacht in wegens smaad. Een regeringscommissie concludeerde in 1969, mede op basis van een eerder rapport uit 1954, dat er op Celebes wel militaire excessen hadden plaatsgevonden. Het rapport van Van Rij en Stam stelt Westerling, samen met Rijborz, verantwoordelijk voor sommige van deze excessen.[21] Westerling reageerde met een interview in Vrij Nederland, waar hij het gebruik van standrecht verdedigde. Tegenover De Tijd klaagde hij erover de "mythe Westerling" die door gebrek aan een officieel onderzoek in stand werd gehouden.[19]

Zijn reputatie als vuurvreter bleef hij houden; nog in 1977 werd hij genoemd in verband met mogelijke ontvoering van de van oorlogsmisdaden verdachte Pieter Menten. In 1979 voerde hij actie voor het betalen van achterstallige soldij aan voormalige KNIL-soldaten, waarbij hij stevige taal gebruikte. Sinds de jaren zestig onderhield Westerling zijn levensonderhoud als handelaar in tweedehands boeken. Raymond Westerling overleed op 26 november 1987, op 68-jarige leeftijd, in zijn woonplaats Purmerend aan een hartstilstand.

Beschuldigingen van oorlogsmisdadenBewerken

Westerlings leven in Nederland stond in het teken van beschuldigingen van oorlogsmisdaden over zijn optreden op Zuid-Celebes. Westerling heeft zijn zuiveringsacties altijd verdedigd. Dat hij, als hij het nodig vond, meedogenloos te werk ging, heeft hij nooit tegengesproken. In interviews ontkende hij echter zich schuldig te hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden. “Het invoeren van het standrecht op Zuid-Celebes was het gevolg van een zuiver menselijke redenering, alhoewel het voor veel mensen een beestachtige daad was. Maar ga je dieper op de redenering in waarom ik gedwongen was dat te doen – ik heb mezelf opzij gezet, ik heb de krijgsraad geriskeerd en de publieke opinie – dan is het de enige manier om met een minimum aan bloedvergieten de rust en orde te herstellen op Celebes.”

Volgens de Indonesische ex-kolonel en militair historicus Prof. Mr. Natzir Said kan Westerling niet zonder meer als een oorlogsmisdadiger worden bestempeld. “Iedere militair weet: onder een Staat van Oorlog worden mensen ter plaatse doodgeschoten. Dat is normaal. Standrechtelijke executies werden niet alleen door Westerling uitgevoerd, maar ook aan onze zijde. Heel wat spionnen van de Nederlanders zijn door ons doodgeschoten na een onderzoek ter plaatse. We omsingelden dan zo’n desa en als die mensen zeiden: ‘Hij is een mata-mate, spion van het KNIL….naar de boom!'"[3]

Onderzoek door de Nederlandse regeringBewerken

Het optreden van Westerling werd in opdracht van de Luitenant Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, H.J. van Mook, onderzocht door de commissie Enthoven. Dat Rapport Enthoven werd in 1948 aanboden aan het kabinet Drees. Het werd niet openbaar gemaakt en er werd niets mee gedaan. In dat rapport komt deze commissie tot de conclusie dat de acties van Westerling geboden waren.[bron?]

Na een onthullende publicatie in 1949 in de Groene Amsterdammer over Nederlandse oorlogsmisdaden op Java werd de commissie Van Rij en Stam ingesteld, die gebruik maakten van het rapport Enthoven. Hun rapport werd in 1954 ingediend bij de ministers Donker (Justitie) en Staf (Oorlog) van het derde kabinet Drees. Van Rij en Stam concludeerden onder meer: 'Zowel de Luitenant-Gouverneur-Generaal, als het Militair Gezag, als ook in zijn adviezen de heer Procureur-Generaal bleven in gebreke'. Bij een eventuele gerechtelijke vervolging van de plegers van geweldsdelicten zou 'de gehele achtergrond ter sprake moeten komen en alle verantwoordelijkheden zullen moeten worden nagegaan'.

Eind jaren zestig liet de Nederlandse regering naar aanleiding van onthullingen van de psycholoog Joop Hueting door historici onder leiding van Cees Fasseur archiefonderzoek verrichten naar de excessen die door de Nederlandse troepen in Indonesië gepleegd waren: dit leidde in juni 1969 tot de publicatie van de Excessennota.[22] Deze nota legt de nadruk dat de bestuurlijke en politieke verantwoordelijkheid in gebreke zijn gebleven.[22] Op 2 december 2016 besloot het kabinet Rutte naar aanleiding van de studies van Rémy Limpach, 'De brandende kampongs van Generaal Spoor' dat er een breed, onafhankelijk onderzoek moet worden gedaan naar de brede context van de naoorlogse dekolonisatie (inclusief samenleving) en het politiek, bestuurlijk, justitieel en militair optreden in 1945-1949 in Nederlands-Indië, zowel vanuit Haags als vanuit lokaal perspectief. In dat onderzoek dient een integrale benadering te worden gehanteerd en dieper worden ingegaan op zaken die aan bod zijn gekomen in de studie van Limpach. De geweldspiraal van de Bersiap dient systematisch onderzocht te worden. De politieke besluitvorming in Den Haag over de dekolonisatie is voorwerp van dat onderzoek. Ook de nasleep na 1949 en de veteranenzorg dienen nader onderzocht te worden.[23] Het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD) hebben de opdracht van het kabinet het onderzoek te doen.

Hernieuwde belangstellingBewerken

De Nederlandse militaire operaties in Nederlands-Indië blijven in Nederland de gemoederen bezighouden. De Stichting Comité Nederlandse Ereschulden ijvert er voor dat de nabestaanden van slachtoffers van de zuiveringsacties op Zuid-Celebes schadevergoeding en erkenning van Nederland krijgen. Filmproducent San Fu Maltha kondigde in 2010 een film aan over Westerling, het zou de Nederlandse versie van Apocalypse Now moeten worden.

Een in 1969 opgenomen, maar nooit vertoond interview van journalist Joop Buddinghausen met Raymond Westerling is in augustus 2012 voor de eerste maal op de Nederlandse televisie uitgezonden. Westerling ontkende in het interview dat er onder zijn verantwoordelijkheid oorlogsmisdaden zijn gepleegd in Nederlands-Indië.[24][25] In het interview zei hij:

Ik ben verantwoordelijk en niet de troepen die onder mijn bevelen hebben gestaan. Ik neem de daden persoonlijk voor mijn rekening. Hij zei verder: Ik sta pal achter mijn daden, met dien verstande dat men een onderscheid dient te maken tussen oorlogsmisdaden en strenge maatregelen, consequent en rechtvaardig onder zeer moeilijke omstandigheden. Hij voegde eraan toe dat het verborgen sadisme in mensen in oorlogsomstandigheden veel sneller tot ontplooiing kan komen dan in normale situaties.[25]

Eind juli 2014 bepaalde de Raad van State in een rechtszaak die een historicus had aangespannen dat het ongeloofwaardig is dat de inlichtingendienst AIVD maar over één document beschikt over de mislukte staatsgreep tegen de Indonesische president in 1950. Toen de historicus de minister van Binnenlandse Zaken vroeg om documenten, kreeg hij te horen dat bij de AIVD één document was gevonden dat hij kon inzien. Het document beslaat elf pagina's. De Raad van State zegt nu dat in het archief meer stukken te vinden moeten zijn. Mogelijk zijn ze opgeborgen onder een andere titel dan 'de staatsgreep tegen Soekarno in 1950'.

In augustus 2016 begon de Australische historicus Robert Cribb in Zuid-Sulawesi met onderzoek naar claims van weduwen en kinderen van mannen die aldaar door Nederlandse militairen zouden zijn geëxecuteerd.[26]

Botsende meningenBewerken

  De neutraliteit van dit gedeelte wordt betwist.
Zie de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie.

In 2019 verscheen bij Uitgeverij Aspekt het boek van de oud-militair, omroepbestuurder en jurist Bauke Geersing (1944), onder de titel Kapitein Raymond Westerling en de Zuid-Celebes-Affaire: Mythe en werkelijkheid. Hierin wordt het optreden van Westerling op basis van oorspronkelijke en niet eerder gebruikte primaire bronnen, officiële door de regering opgedragen onderzoeken en andere historische documenten een geheel ander beeld beschreven van deze militaire commandant. De auteur bekritiseert het werk van Willem IJzereef, J.A. de Moor en Rémy Limpach. In het bijzonder wordt door Geersing de beschrijving van Limpach als bevooroordeeld, eenzijdig en ideologisch aangemerkt.

Geersing is ervan overtuigd dat Westerlings optreden door de hoogste politieke, militaire en justitiële autoriteiten op grond van het geldende noodrecht werd aangemerkt als een noodzakelijke militaire actie gegrond in het noodrecht. Hij stelt dat dit door de uitzonderlijke situatie was gerechtvaardigd en paste binnen de destijds geldende militaire en juridische kaders. Verder beweert hij dat Westerling niet op eigen houtje de 'methode Westerling' toepaste en evenmin eigen criteria hanteerde, zoals doorgaans wordt gesteld, maar dat hij een contraguerrilla effectief en proportioneel uitvoerde. Hij was gemandateerd om in dat kader standrecht te gebruiken. Hem was daarvoor de bevoegdheid gegeven door de territoriaal commandant kolonel H.J. de Vries, wie daartoe gemandateerd was door de legercommandant, generaal S.H. Spoor.

Geersing concludeert vervolgens dat Westerling op Zuid-Celebes een bijzondere en succesvolle militaire prestatie heeft geleverd. Hij vindt Westerling een kundig en succesvol militair commandant en zeker geen 'oorlogsmisdadiger' of moordenaar, zoals tientallen jaren ten onrechte is beweerd.

Dat er in eerdere studies een negatief beeld van Westerling is geschetst, wijdt Geersing aan onzorgvuldig onderzoek, geen wetenschappelijk onderzoekmodel als basis voor dat onderzoek en een ideologische vooringenomenheid van de betrokken historici. Die lieten zich volgens hem leiden door een zwart-wit denken en antikolonialisme als politieke opvatting. Hij vindt dat eerdere historici niet de feiten tot uitgangspunt genomen en hebben bronnen die eigen opvattingen tegenspreken niet gebruikt of door eigen morele opvattingen terzijde geschoven en dat zij de partijen aan Indonesische kant een moreel superieure rol toekennen. Volgens Geersing verkoopt een historicus die betrokken partijen een moreel superieure rol wil toedichten "hem onhistorische kletskoek".

Verschillende recensies merken op dat de auteur veel in herhaling valt en dat het boek tekstuele slordigheden bevat. Afgezien van dat wordt het boek vanuit de militaire hoek positief ontvangen en wordt de auteur geprezen voor zijn grondige naspeuring en het gebruik van een groot aantal bronnen.[27][28][29]

Vanuit de historische hoek is er kritiek dat de auteur zegt een niet-ideologische methode te gebruiken, maar dat de auteur zelf een positie inneemt door gekleurde woorden te gebruiken en deze zonder kritische kanttekening als feiten te gebruiken. Ook wordt het boek bekritiseerd, omdat de onderzoeksmethode die de auteur gebruikt meerzijdig en zonder vooringenomen aanpak zou zijn, maar dat het hele boek vanuit Nederlands perspectief is geschreven en er geen enkele Indonesische bron is gebruikt.[30][31]

Zie ookBewerken

Externe linksBewerken

NederlandsBewerken

IndonesischBewerken

LiteratuurBewerken

  • Doorn, J.J.A. en W.J. Hendrix, Ontsporing van Geweld – het Nederlands/Indonesisch conflict, Dieren 1983
  • Doel, Wim van den, Afscheid van Indië – de val van het Nederlandse imperium in Azië, Amsterdam 2000
  • Excessennota (Den Haag, 1969), heruitgegeven in 1995 met een inleiding van Jan Bank
  • Geersing, Bauke, Kapitein Raymond Westerling en de Zuid-Celebes-affaire (1946-1947) - Mythe en werkelijkheid, Soesterberg 2019
  • IJzereef, Willem, De Zuid-Celebesaffaire. Kapitein Westerling en de standrechtelijke executies, Dieren 1984
  • Jong, Loe de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 12, Sdu, 's-Gravenhage, 1988
  • Limbach, Rémy, in: Colonial Countersurgency and Mass Violense - The Dutch Empire in Indonesia, 2014
  • Limbach, Rémy, De brandende kampongs van generaal Spoor, Amsterdam 2016
  • Meijer, Remco, Oost-Indisch doof – het Nederlandse debat over de dekolonisatie van Indonesië, Amsterdam 1995
  • Moor, J.A. de, Westerlings oorlog, 1999
  • Oostindie, Gert, Soldaat in Indonesië, Leiden 2016
  • Vanvugt, Ewald, Roofstaat, 2016
  • Venner, Dominique, Westerling, de eenling, Uitgeverij Spoor, Amsterdam, 1982; vertaald uit het Frans: Westerling: guérilla story, Uitgeverij Hachette, reeks « Les Grands avonturiers », Parijs, 1977
  • Westerling, R.P.P., Mijn memoires, N.V. Uitgeverij P. Vink Antwerpen – Amsterdam, 1952
  • Willems, Fredrik, De geheime oorlog van generaal Spoor