Hoofdmenu openen

De Pauselijke Zoeaven (Italiaans: Zuavi Pontifici) waren een infanterie-eenheid van de Kerkelijke Staat (1861-1870), opgericht als antwoord op interne instabiliteit en op de Risorgimento, de beweging die het van oudsher in grotere en kleinere staten en staatjes verdeelde Italië wilde verenigen tot één Italiaanse staat.

Pauselijke Zoeaven
Zoeavenuniformen in het Belgisch Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis
Oprichting 1 januari 1861
Ontbinding 21 september 1870
Land Emblem of the Papacy SE.svg Kerkelijke Staat
Krijgsmachtonderdeel Infanterie
Organisatie regiment
Aantal 11.000
Kleur Blauw en rood
Commandanten kolonel M. Allet
Douwe en Matthijs Walta uit Workum, twee Nederlandse zoeaven van paus Pius IX in 1870.
De broers Charette de la Contrie, "musketiers van de paus"


In het kader van de Risorgimento werd de Kerkelijke Staat bedreigd door militaire en guerrilla-aanvallen die werden geleid door Victor Emanuel II, koning van Sardinië, en diens bondgenoot Giuseppe Garibaldi, een liberaal en nationalist die streefde naar de scheiding van kerk en staat. Ook interne instabiliteit vormde een grote bedreiging voor het voortbestaan van de Kerkelijke Staat. In het Revolutiejaar 1848 waren er opstanden die leidden tot een kortstondige Romeinse Republiek (1849). Franse legers hielpen de Paus toen weer in het zadel, maar de problemen bleven voortduren. Om deze dreigingen het hoofd te bieden, riep Paus Pius IX in 1860 de gehele katholieke wereld op om jonge, ongehuwde mannen te zenden, om als vrijwilliger dienst te doen in dit legeronderdeel. De Pauselijke Zoeaven vormden samen met de Zwitserse Garde het leger van de Kerkelijke Staat.

OorsprongBewerken

  Zie Zoeaven voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Pius IX deed in 1860 een oproep aan de gehele katholieke wereld om jonge, ongehuwde mannen te zenden, om hem bij te staan bij de verdediging van zijn grondgebied. De eerste toestroom van vrijwilligers was vooral afkomstig uit Frankrijk en België en vormden de zogenaamde Tirailleurs Franco-Belges, een eenheid die onder bevel stond van Christophe, graaf de Lamoricière (1806–1865), een Franse officier die was opgeklommen tot maarschalk van Frankrijk en gouverneur van Algiers. Toen De Lamoricière de organisatie van alle pauselijke troepen op zich nam, ging het bevel over de zoeaven naar de Franse graaf Louis de Becdelièvre.[1] Vanaf 1 januari 1861 droeg de groep de nieuwe benaming 'Pauselijke Zoeaven',[2] een naam die zou zijn bedacht door de Belgische aartsbisschop en pauselijk minister van Oorlog Frédéric-François-Xavier Ghislain de Merode.[3][noot 1]

De Lamoricière had eerder de Franse zoeaven geleid, een in 1831 opgericht Frans legeronderdeel, dat in Noord-Afrika dienst deed. Hij entte de snit van de uniformen van de pauselijke zouaven op hun schilderachtige, inheemse dracht: een hemd, een kort tuniekjasje en een wijde pofbroek van blauwgrijs laken, afgezet met dofrode biezen, tressen en chevrons. Als hoofddeksel droegen de zoeaven een grijze kepie en incidenteel een rode fez, of hoge kolbak. Het was een comfortabel uniform. Alleen de lage hals van het overhemd en jasje, en de kepie zonder beschermende nekflap, leidden voor noorderlingen tot ongemak in de brandende hitte van het vaak zonnige Italië. Lage schoenen en slobkousen (soms laarzen) voltooiden het geheel.[4]

SamenstellingBewerken

Het regiment Zuavi Pontifici ("Pauselijke Zouaven") bestond uit ongehuwde Rooms-katholieke mannen, vrijwilligers van tussen de zestien en veertig jaar oud. De meesten tekenden voor een diensttijd van twee jaar; sommigen tekenden bij, of meldden zich in later jaren opnieuw aan. Uit Frankrijk en België afkomstige kandidaten tekenden voor zes jaar. Dit laatste verklaart mede, waarom het merendeel van het officierenkorps uit die twee landen afkomstig was. De enige Nederlander die opklom tot kapitein, was de baron De Lamsweerde, die reeds als zestienjarige in 1860 bij Castelfidardo had gevochten en zich door de rangen had opgewerkt. De Belgische baron Zénon de Résimont, afkomstig van kasteel Moresnet bij Gemmenich, was zeven jaar zoeaaf voordat hij in 1866 de rang van luitenant (later kapitein) kreeg.[noot 2]

In totaal hebben over de gehele periode van de strijd om de Kerkelijke Staat (1860-1870) ongeveer 11.000 man dienst gedaan bij de zouaven.[noot 3] In de praktijk telde het regiment jaarlijks tussen de vier- en vijfduizend man. Het Nederlandse contingent, met 3.181 inschrijvingen, vormde een derde van het totaal.[5] De samenstelling was internationaal: van over de gehele wereld stroomden vrijwilligers toe. In mei 1868 telde het regiment 4.592 mannen, waarvan 1.910 Nederlanders, 1.301 Fransen, 686 Belgen, 157 Romeinen, 135 Canadezen, 101 Ieren, 87 Pruisen, 50 Engelsen, 32 Spanjaarden, 22 Duitsers, 19 Zwitsers, 14 Amerikanen, 14 Napolitanen, 12 Modenezen, 12 Polen, 10 Schotten, 7 Oostenrijkers, 6 Portugezen, 6 Toscanen, 3 Maltezen en twee Russen.[6] [noot 4] Alle bevelen werden gegeven in het Frans, hetgeen weleens tot onbegrip kon leiden. Het opperbevel lag vanaf de winter van 1860-1861 in handen van de Zwitserse kolonel Jozef ("papa") Allet.[7] In de praktijk voerde eerst de Franse generaal De Lamoricière het pauselijke leger aan, later opgevolgd door de bij het Nederlandse contingent zeer geliefde Franse luitenant-kolonel Athanase, baron de Charette de la Contrie (1832-1911).[8]

InzetBewerken

 
Zouavenmonument op de begraafplaats van Verano te Rome. Opgericht door Pius IX in 1867 om de Slag bij Mentana van datzelfde jaar te herdenken

Vanuit Rome werden de meeste zoeaven verdeeld over de depots van 28 garnizoensplaatsen binnen de Kerkelijke Staat, sommige aan de kust, het merendeel in het bergachtige binnenland. De tocht ging goeddeels te voet over karren- en ezelspaden, want wegen waren er nauwelijks: 18 tot 40 uur lopen, en dat met volledige bepakking. Eenmaal aangekomen op de plaats van bestemming bestond de diensttijd uit dagelijks vele uren wachtlopen bij stadsmuren en -poorten, en gedisciplineerde exercitie, waarbij het leren van de in het Frans gegeven bevelen voor de Nederlanders het moeilijkst was, en het schieten het gemakkelijkst. Veel tijd ging ook zitten in dagenlange patrouilles door het gebergte en het onderhoud van de uitrusting.[9] In 1860 gingen de Romagna en de Marken (val van Castelfidardo), beide gelegen aan de Adriatische kust, en Umbrië in de Apenijnen, reeds voor de paus verloren. Hem resteerde in het Westen nog slechts een brede strook land langs de Middellandse Zee. Van 1860 tot 1866 probeerden de zoeaven Garibaldi's rebellen met kleinere en grotere militaire acties te weren uit het restant van de Kerkelijke Staat en binnenlandse opstanden in het door de paus autocratisch geregeerde land te onderdrukken. De strijd spitste zich uiteindelijk toe op twee belangrijke sleutelmomenten: de campagne van de nationalisten in 1867, die uitmondde in de door de pauselijke troepen gewonnen Slag bij Mentana, en de strijd om, en inname van Rome in september 1870, door de Italiaanse nationalisten.

Campagne van 1867 en de Slag bij MentanaBewerken

  Zie Slag bij Mentana voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Eind 1866 werden de Franse troepen, die tot dan toe de Paus hadden ondersteund, uit Rome teruggehaald.[noot 5] In 1867 ondernam Garibaldi een expeditie en leverde slag met de Pauselijke Zoeaven bij Montelibretti (13 oktober) en Monterotondo (28 oktober).[noot 6] Intussen rebelleerde de bevolking van Rome, een opstand die het Pauselijk leger onderdrukte voordat Garibaldi voor de stad arriveerde. Eenmaal bij Rome wachtte Garibaldi op het uitbreken van nog een volgende opstand, maar die bleef uit. Intussen had de Franse regering haar troepen per schip weer retour gezonden. Gesteund door de Fransen kon het Pauselijk leger bij Mentana met succes een aanval op de troepen van Garibaldi uitvoeren. Het versloeg de Italianen op 3 november 1867, waarbij de Nederlandse zoeaven de helden van de dag werden.

Inname van RomeBewerken

  Zie Inname van Rome voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Op 5 augustus 1870 riep Frankrijk in verband met de internationale situatie in West-Europa opnieuw zijn troepen terug. In juli had Pruisen de oorlog verklaard en was de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) een feit. Toen na de Val van Sedan op 1 september 1870 het Tweede Franse Keizerrijk ineenstortte en honderdduizenden Franse soldaten door Pruisen krijgsgevangen werden gemaakt (de Franse keizer Napoleon III incluis), had Italië niets meer te vrezen van het Franse leger. Tevergeefs leverden de zoeaven slag om Rome: op 20 september 1870 werd de stad door de Italiaanse nationalisten ingenomen. Op die laatste dag sneuvelde naast achttien anderen nog de Nederlandse zoeaaf Alphons Houben uit Thorn, zoon van de plaatselijke arts. Een dag later werd het pauselijk zoeavenleger ontbonden en huiswaarts gestuurd. Op 4 oktober bereikte het Nederlandse contingent van (toen) zevenhonderd man via Aken Maastricht.[10]. De paus bleef als vrijwillig gevangene achter in Rome, in een kleine wereldlijke enclave, het Vaticaan. De Kerkelijke Staat had definitief opgehouden te bestaan. De eenwording van Italië was een feit.

VerliezenBewerken

In de slag bij Mentana verloor het regiment 144 manschappen en de meevechtende Franse troepen 38. Dat is fors minder dan de verliezen aan Italiaanse zijde. Het leger van Garibaldi telde in Mentana 1.100 doden en gewonden, terwijl 800-1.000 Italianen door de pauselijke troepen werden gevangengenomen.[11][12] Bij de inname van Rome leden de Pauselijke Zoeaven met 19 doden opnieuw minder verliezen dan de Italianen, die 49 man verloren. Over de periode van 1861-1870 stierf ongeveer 5 procent van het totale aantal zoeaven.[13] Frappant is, dat 78 procent van die vijf procent niet ten offer viel aan de strijd, maar aan besmettelijk ziekten. De belangrijkste doodsoorzaken waren cholera, pokken, buiktyfus en malaria.[14] Een groot deel van deze doden had - terugziend met de ogen van nu - voorkomen kunnen worden met goede hygiëne (cholera, buiktyfus), vaccinatie (het pokkenvaccin bestond toen al lange tijd) en verzorging (malaria).

Bij de 1.634 Belgische zoeaven worden de verliezen geschat op ongeveer 120 man, een twintigtal tijdens de gevechten en de rest door ziekte of ongeval. Hoe de cijfers liggen voor de 3.181 Nederlandse zoeaven, is vooralsnog niet duidelijk.

De Nederlandse zoeavenBewerken

 
Standbeeld ter herinnering aan de gevallen zoeaven tijdens de strijd om de Kerkelijke Staat. Centraal staat paus Pius IX, met aan zijn voeten een omgekomen zoeaaf. Het beeld bevindt zich in Oudenbosch. Het opschrift luidt: In Memoriam Neerlands Kath. Zonen Gesneuveld in de Verdediging van Petrus' Erf

Aspirant-zoeaven kwamen uit het hele land. De vrijwilligers uit Noord- en Midden-Nederland meldden zich eerst in Amsterdam, om vervolgens naar de West-Brabantse plaats Oudenbosch af te reizen, het verzamelpunt. Vrijwilligers uit Gelderland, Noord-Brabant en Zeeland gingen rechtstreeks naar Oudenbosch. De plaatselijke pastoor Hellemons, bijgenaamd "de zoeavenpastoor", bood een groot aantal van hen onderdak in het Pensionaat Saint Louis, om daar voor hun uitzending naar Rome een eerste oefening te ondergaan. Daarna vertrokken ze per trein naar Brussel, waar ze werden geregistreerd en een medische keuring kregen. De Limburgse vrijwilligers volgden een andere route naar Brussel. Aspiranten uit de omgeving van Venlo meldden zich meestal in Maaseik, bij de Belgische logementshouder en zaakwaarnemer Lambert Wakkers. Zij gingen per trein via Hasselt naar Brussel. De Zuid-Limburgers, die het merendeel van het Limburgse contingent vormden, werden in Maastricht geregistreerd door de koopman/wijnhandelaar Ch. Hollman en gingen eveneens per trein vanuit Hasselt naar Brussel. Vervolgens ging de reis per trein naar Marseille, per boot naar de haven van Civitavecchia en opnieuw per trein naar Rome. In totaal duurde de reis (per derde en vierde klas!) vanuit Amsterdam acht dagen, inclusief 48 uur in weer en wind op het open bovendek van de veerboot.[15]

De zoeaven waren de pauselijke zaak volledig toegedaan, maar ze moesten uiteindelijk bij de slag om Rome, geconfronteerd met een (ook materiële) Italiaanse overmacht, de strijd staken. Veel van de naar Nederland terugkerende zoeaven waren hun staatsburgerschap kwijtgeraakt, omdat ze in vreemde krijgsdienst waren getreden zonder hiervoor toestemming aan koning Willem III te vragen. Een omissie waar de heren geestelijken in Amsterdam en Oudenbosch niet aan hadden gedacht, of minder belang aan hechtten. Veel Limburgse zoeaven werden hiervoor behoed door de meer 'werelds' ingestelde Hollman in Maastricht (wiens zoon eveneens tekende als zoeaaf), die voor hen dispensatie aanvroeg. Slechts 118 verzoeken kwamen uiteindelijk uit heel Nederland binnen in Den Haag. Op een enkele uitzondering na werd het verlof altijd toegestaan.[16] [17]

Na terugkomst was het voor veel oud-strijders niet eenvoudig weer aan het werk te komen. Door de status van 'vreemdeling' kwamen zij als werkloze of invalide niet meer in aanmerking voor ondersteuning door het gemeentelijk armbestuur. Sommigen ondervonden ook weinig begrip in de hun omringende protestantse omgeving, door het opkomende socialisme, of vanwege hun verlies van burgerschap. In overwegend katholieke streken lijkt het gemakkelijker te zijn geweest het gewone leven weer op te pakken, al kwamen ook daar sommigen op latere leeftijd in financiële problemen. Omstreeks 1890 ontstonden op veel plaatsen zoeavenbonden en -verenigingen, die onder meer tot doel hadden onderling financiële steun te bieden. Dergelijke verenigingen werden mede gesponsord door de burgerij, die door de zichtbare aanwezigheid van geüniformeerde oud-strijders bij hoogmissen en processies blijvend herinnerd werd aan hun offers in dienst van de Heilige Kerk.[18] De laatste Nederlandse zoeaaf, Pieter Verbeek, overleed kort na de Tweede Wereldoorlog op 27 september 1946, 95 jaar oud.

NalatenschapBewerken

Als blijvende herinnering aan de Nederlandse zoeaven bouwde Oudenbosch naar aanwijzingen van pastoor Hellemons een nieuwe parochiekerk, de Oudenbosch, basiliek. Het was een verkleinde uitgave van de grote Sint-Pietersbasiliek te Rome, met een standbeeld van de zoeaven op het voorplein. Bij de kerk bevindt zich ook het Zoeavenmuseum, gevestigd in het oude gemeentehuis van Oudenbosch aan de Markt, waar naast museale voorwerpen ook een uitgebreide documentatie over de Nederlandse zoeaven wordt beheerd.[20]

Op tal van plaatsen in Nederland wordt tot op de dag van vandaag de herinnering aan de Nederlandse zoeaven levend gehouden. De voetbalvereniging De Zouaven te Grootebroek dankt haar naam aan een als zoeaaf omgekomen plaatsgenoot, namelijk Pieter Janszoon Jong uit Lutjebroek. Hij was een reus van een man, die op 13 oktober 1867 als een van de eerste Nederlanders sneuvelde, tijdens een heldenactie in de slag om Monte Libretti. Zijn dood maakte grote indruk in Nederland.[19] In het naastgelegen Lutjebroek heet de hoofdstraat de P.C. Jongstraat. Hier staat ook de St.-Nicolaaskerk, met in de gevel het beeld van Pieter Janszoon Jong. In Tilburg bestaat de Zouavenlaan (oude spelling), waarvan enkele zijstraten naar Tilburgse zoeaven zijn vernoemd: het Antoine Artsplein, de Luitenant Wilsstraat, de Luitenant Looijmansstraat en de Baron van Lamsweerdelaan. In 's-Hertogenbosch en Geesteren heeft men een Zouavenstraat, evenals in America (Limburg).

In Limburg bevindt zich op de Algemene Begraafplaats te Maastricht een monument voor drie Nederlandse zoeaven, die in oktober 1870 de lange reis terug naar Nederland overleefden, maar te Maastricht overleden. Ook in Roermond, Sittard, Thorn en elders in Limburg, wordt de herinnering aan de Limburgse Zoeaven door grafmonumenten en/of plaquettes levend gehouden.

Monumenten in RomeBewerken

Onder de talrijke monumenten voor de Pauselijke Zoeaven zijn er twee te vinden in Rome, namelijk een kapel in de crypte van de Santa Maria della Concezione dei Cappuccini en een herdenkingsteken in de Sint-Jan-van-Lateranen.[20]


BronnenBewerken

  • Christofoor, broeder (1947): Uit het epos der 3000 Nederlandse zoeaven. Nijmegen.
  • Bruce, G. (1979): Harbottle's dictionary of Battles, (2nd. revised edition). Granada/London, 303 pp. ISBN 0-246-11103-8
  • Dupuy R.E., and T.N. Dupuy (1993): The Collins Encyclopedia of Military History, (4th. edition), New York, Harper Collins, 1.654 pp.
  • Essen, P. van (1988): Voor paus en koning. Een korte geschiedenis van de Nederlandse zoeaven, 1860-1870. Oudenbosch.
  • Evers, I.M.H. (2005): 'Het Limburgse contingent zouaven in de strijd om het behoud van de Kerkelijke Staat'. In: Limburgs Tijdschrift voor Genealogie, jrg. 33 (2005), pp. 69-87. Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap. Maastricht.
  • Evers, I.M.H. (2012): 'Limburgse zouaven (1-8)', in: 'Bureau voor werving zouaven', Mestreech Online [1] online tekst
  • Guenel, J. (1995): 'Health services, morbidity and mortality in the regiment of the Papal Zouaves in Italy (1861-1870)', in: Histoire des Sciences Médicales jrg. 29 (1995) nr. 3.
  • Marraro, H.R. (1944-1945): 'Canadian and American Zouaves in the Papal Army, 1868-1870', in: CCHA Report, jrg. 12 (1944-45), 83-102. [2] online tekst, geraadpleegd op 26 juli 2014.
  • Powell, J. (1871): Two Years in the Pontifical Zouaves. London, R. Washburne.
  • Zaal, W. (1980): De vuist van de paus. De Nederlandse zouaven in Italië, 1860-1870. Amsterdam, Wetenschappelijke Uitgeverij.

NotenBewerken

  1. Elders wordt vermeld dat het Louis de Becdelièvre was, die - onder de indruk van de ongelooflijke moed van de inmiddels internationale vrijwilligers tijdens de verloren slag bij Castelfidardo - de Tirailleurs Franco-Belges eind 1860 omdoopte tot Régiment des Zouaves. Evers (2005), p. 70.
  2. Behalve een langdurig dienstverband speelden andere factoren mee om tot officier op te klimmen: een goede beheersing van het Frans, tactisch inzicht, gezag onder de troepen en tot zekere hoogte ook financiële onafhankelijkheid. Zowel vanuit Frankrijk, België, als Nederland werden officieren door lokale comités financieel ondersteund, omdat hun soldij laag was en zij veel sociale verplichtingen hadden. In totaal telde het regiment zoeaven in 1868 acht Nederlandse officieren: 1 kapitein, 1 eerste luitenant en 6 tweede luitenants. Geen van hen kwam uit Limburg. Wel leverde de provincie een tiental korporaals en sergeanten aan. De bekendheid met de Franse taal zal daar niet vreemd aan zijn geweest.Evers (2005), p. 73.
  3. Eigenlijk gaat het niet om 11.000 'man', maar om 11.000 inschrijvingen. Het aantal individuele vrijwilligers lag waarschijnlijk lager, maar wordt gemaskeerd doordat enkele honderden zoeaven een of meer keren bijtekenden. Als uitzonderlijk voorbeeld voor Nederland kan de jonge baron De Lamsweerde gelden, die tien jaar in dienst bleef, dus als Nederlander na twee jaar nog vier keer bijtekende. Naar het aantal dubbele inschrijvingen is voor zover bekend nog geen onderzoek gedaan. Het wordt bemoeilijkt omdat namen en plaatsen van herkomst soms verschillend werden gespeld, of zelfs fonetisch werden opgeschreven. Evers (2005).
  4. Het totaal aantal troepen schommelde nogal. In november 1868, dus zes maanden later, telde het regiment 4.352 man, dus 250 personen minder. Zoeaven overleden door ziekten of werden wegens invaliditeit naar huis gestuurd, dienstverbanden liepen af, nieuwe vrijwilligers lieten soms op zich wachten. Ook wisselde de samenstelling met regelmaat en meldden zich vrijwilligers uit zulke afgelegen streken als een eiland in de Stille Zuidzee, Zuid-Amerika en China. Evers (2005), p. 71.
  5. Mogelijk hing dit samen met de dreiging die toen uitging van de buitenlandse politiek van Pruisen (Bismarck), dat naar expansie streefde en naar een primaat binnen de Duitse Bond. Met name speelden toen de Limburgse (1866) en Luxemburgse Kwestie (1867), waarbij Frankrijk politiek belang had.
  6. De zoeaven wisten Monterotondo dertig uur te verdedigen tegen de overmacht van Garibaldi's troepen, waardoor Rome voor de Kerkelijke Staat behouden bleef.


ReferentiesBewerken

  1. Evers (2005), p. 70.
  2. Powell (1871), p. 2.
  3. The Last Crusade, John Rao
  4. Evers (2005), pp. 69-70
  5. Evers (2005), p. 71.
  6. Marraro (1944-1945), pp. 83-102
  7. Powell (1871), p. 287.
  8. Evers (2005), p. 71.
  9. Evers (2005), p. 72.
  10. Evers (2005), p. 77, 80 en passim)
  11. Bruce, George (1979).
  12. Dupuy & Dupuy (1993).
  13. Guenel (1995), pp. 261-269.
  14. Guenel (1995).
  15. Evers (2005), p. 72.
  16. Christofoor (1947), pp. 237-238.
  17. Evers (2005), pp. 75-76.
  18. Evers (2005), pp. 74-76.
  19. Evers (2005), p. 76.
  20. Roman Miscellany.