Hoofdmenu openen

Wikipedia β

Merel

Een cultuurvolger is een organisme dat bij zijn verspreiding gebruikmaakt van de mogelijkheden die de mens het biedt. In het geval van dieren hoort hier ook bij dat ze weinig angst voor de mens hebben.

ConversieBewerken

Een voorbeeld is de merel, die tot aan het einde van de 19e eeuw een cultuurvlieder was. Hij kwam voor in de bosgebieden. De huidige merel heeft weinig angst meer, en nu zijn merels algemeen in stedelijk gebied, met name in stadstuinen en parken.

Een ander, recenter voorbeeld is de fuut. De fuut kan in alle wateren van enig formaat aangetroffen worden. Ook de blauwe reiger, die eerst vooral op het platteland te vinden was, is steeds meer in steden te zien.

PlantenBewerken

Vestiging of inburgering is een belangrijk criterium bij de statusaanduiding van plantensoorten in een gebied. Hierbij zijn zowel het tijdstip als de wijze van vestiging (inburgering) van belang.[1] Tot de cultuurvolgers behoren twee groepen: de archeofyten en de neofyten of exoten. Archeofyten zijn planten die zich reeds in de prehistorie met hulp van de mens hebben gevestigd. Neofyten of exoten zijn planten die zich reeds in historisch tijd met hulp van de mens hebben gevestigd.

Archeofyten hebben de ontwikkeling van de landbouw gevolgd en zijn vanuit andere landen naar Nederland gemigreerd. Dit zijn planten die zich reeds in de prehistorie met hulp van de mens hebben gevestigd. Het betreft een aantal akkeronkruiden, zoals bolderik (Agrostemma githago), wilde haver (Avena fatua), korrelganzenvoet (Chenopodium polyspermum), klein streepzaad (Crepis capillaris), kroontjeskruid (Euphorbia helioscopia), groene naaldaar (Setaria viridis), ringelwikke (Vicia hirsuta), smalle weegbree (Plantago lanceolata)

Ook de vlier en de brandnetel zijn cultuurvolgers. Zo vestigt de brandnetel zich graag op plaatsen waar de bodem door de activiteiten van de mens erg voedselrijk is geworden. De weegbree is een ander voorbeeld. Deze plant vestigt zich graag op plaatsen waar andere planten niet kunnen groeien omdat er te veel gelopen wordt. Ook grassen, zoals straatgras, vestigen zich graag tussen de stoeptegels in de stad.

De Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) is weliswaar in Nederland geïmporteerd en vanaf de jaren twintig van de 20e eeuw als vulhout in de bossen aangeplant, maar de soort slaat ook op in bosgedeelten waar hij ongewenst is. De struik treedt vaak plaagvormend op in storingssituaties, zoals op kapvlaktes, waar door mineralisatie van het strooisel (takken, bladeren) en de humus stikstof in de bodem vrijkomt; door de stikstofdepositie als gevolg van verkeer en landbouw komt de struik, die tot boom kan uitgroeien en ook wel bospest is genoemd, tevens in de meer natuurlijke systemen voor, waaronder natuurbossen en duinen.

Voorbeelden van neofyten of exoten zijn kalmoes (Acorus calamus), Canadese fijnstraal (Conyza canadensis), Epilobium adenocaulon, harig knopkruid (Galinsoga ciliata), kaal knopkruid (G. parviflora), zonnebloem (Helianthus annuus), klein springzaad (Impatiens parviflora), schijfkamille (Matricaria discoidea), tomaat (Solanum lycopersicum), cranberry (Oxycoccus macrocarpos), draadereprijs (Veronica filiformis), grote ereprijs (V. persica).