Baäl was in het 2e millennium v.Chr. een Noordwest-semitische titel en betekende "heer" of "eigenaar". Vanuit het gebruik in Kanaän, Syrië en Fenicië voor mensen, werd het een aanduiding voor goden.[1] Uit inscripties kan worden opgemaakt dat de titel vooral werd geassocieerd met de stormgod en vruchtbaarheidsgod Hadad en zijn plaatselijke varianten.

Afbeelding van Baäl. Kalksteen. Gevonden in Ugarit (West-Syrië). Datering ca. 1500-1300 v. Chr.
Baäl volgens Collin de Plancy's Dictionnaire infernal in 1862)

Gebruik van Baäl als naam en als titelBewerken

Baäl betekende "heer" en in deze zin was een Baäl de koning onder de plaatselijke goden. Hij werd aanbeden door de Kanaänieten, de Feniciërs, de Arameeërs[2] en de Carthagers. De aanduiding Baäl werd vaak gevolgd door een eigennaam of een plaatsaanduiding. Zo was er een Baäl Hadad, Baäl Melqart, Baäl Moloch, Baäl Zebub, enz. Vele steden en volkeren in Kanaän hadden elk hun eigen streekgebonden Baäl, zo ook de Fenicische koloniën. In Ugarit heette hij bijvoorbeeld Hadad, maar deze werd ook gewoon met zijn titel van "heer" Baäl genoemd. Baäl is een Noordwest-Semitisch woord; in het Oost-Semitisch is het overeenkomstige woord Bel en ook dat woord betekende "heer".

De koning van een stad kreeg zelf de titel Baäl toebedeeld voor de duur van zijn ambt, waarschijnlijk om het gezag aan te duiden dat in naam van de godheid werd verleend. Oorspronkelijk kreeg hij dit van de vertegenwoordigster van de godin tijdens een speciale ceremonie, de hieros gamos of het rituele huwelijk. Hij was daarom de zoon/minnaar van de godin, en werd in die hoedanigheid ook Tammuz genoemd. De Baäl van Ugarit, Hadad, was uitgegroeid tot de machtigste in het gebied, maar bleef onder El.[3]

In het algemeen werd de god Baäl (die door de aardse Baäl, of stadsheer, werd vertegenwoordigd) als zoon van de hemelgod El gezien en was zijn moeder daarom Athirat. Zijn zus was Anat, die ook als zijn echtgenote werd gezien (vanaf 1000 v.Chr. was dat Ashtoreth), en Jammu en Motu zijn broers. Een van zijn epitheta was Wolkenrijder.

Baälat was de term om de koningin aan te duiden, die door haar afkomst de nieuwe Baäl zijn macht verleende.

Aanbidding van BaälBewerken

De godsdienst heeft zich waarschijnlijk ontwikkeld uit nog eerdere vruchtbaarheidsriten. Dit is nog af te leiden uit de aandacht die uitging naar vruchtbaarheid voor het land, het vee en de vrouw. Eerbare vrouwen werden geacht een tijdje dienst als tempelvrouw te doen in de tempel van Baäl of van de godin. Het geld dat ze hiermee verdienden werd aan de tempel geschonken. Deze dienstbaarheid aan de tempel eindigde als de vrouw voor het eerst zwanger werd en zo haar vruchtbaarheid bewezen had. In oogsttijd werden er landbouwproducten en jongvee geofferd.

MensenoffersBewerken

In crisistijden zouden ook mensenoffers aan de Baäl gegeven zijn.[bron?] Dikwijls waren dat kinderen omdat men geacht werd het eerstgeborene te schenken aan de godheid om diens zegen af te smeken. Bekend is dat de Carthagers dit deden.[bron?] Dit ging zo in zijn werk: het afgodsbeeld was meestal een grote holle metalen constructie (meestal van brons versierd met edele metalen) met beweegbare uitgestrekte armen. Onder in het beeld werd een groot vuur gestookt totdat de vlammen uit de opengesperde muil van het beeld sloegen. Het slachtoffer werd gebonden en in de uitgespreide handen van het beeld gelegd. Hierna werden de armen opgeheven totdat het slachtoffer vanzelf via de armen in de opengesperde muil rolde.[bron?] De Romeinen en Grieken berichtten hierover met afschuw. Hoewel vaak gedacht is dat dit geen onpartijdige berichten waren, aangezien er in die tijd een hoge kindersterfte was. De opgravingen die wijzen op Carthaagse kinderoffers zouden ook massagraven kunnen zijn voor pasgeborenen die zijn gestorven.

Baäl in de BijbelBewerken

Baäl wordt regelmatig in de Hebreeuwse Bijbel genoemd (Hebreeuws: בעל, baʿal). De volgelingen van Baäl waren grote tegenstanders en bestrijders van de God van de Israëlieten en omgekeerd. Baäl werd volgens hen aanbeden als mannelijke afgod. De aanbidding van Baäl werd dikwijls gekoppeld aan de godin Astarte, de vrouwelijke tegenhanger. Baäl werd beschouwd als regengod.

De aanbidding van Baäl ging niet alleen gepaard met de wellustige praktijken van vruchtbaarheidscultussen, maar ook praktijken als het offeren van kinderen. De aanbidders van Baäl aten ook de offers die gebracht werden aan de doden en sneden zichzelf met zwaarden en speren.
Izebel, de vrouw van Achab, de dochter van Etbaäl ("met Baäl") de koning van de Sidoniërs, was een toegewijd aanbidster en profetes van Baäl, die de aanbidding van Baäl in Israël nieuw leven inblies. Ze stelde zich vierkant tegenover de God van Israël en zijn profeten en werd bijzonder gehaat door Elia. Die organiseerde zelfs een militaire coup tegen haar. Elisa riep legeraanvoerder strijdwagenrijder Jehu van Israël tot koning uit in naam van 'de Heer' (Jahweh). De hele koninklijke familie (een 70tal) werd toen uitgemoord met Izebel aan kop. Diezelfde Jehu riep daarna de Baälpriesters en vereerders in hun tempel in Samaria bijeen "voor een offer", maar liet ze daarna allen afslachten en de tempel met de grond gelijk maken.

De cultus van Tammuz, die met die van Baäl samenhing, werd nog tot 720 v.Chr. vooral door vrouwen aangehangen. Tot afschuw van de profeet Ezechiël (8.14-15) werd door sommige Israëlieten - vooral door vrouwen - de dood van "De Tammuz" tot in de tempel van Jeruzalem jaarlijks nog beweend.

NaamgevingBewerken

Fenicische en Punische namen als Hasdrubal en Hannibal bevatten ook een vorm van de naam Baäl : Bal; een andere variant van de naam Baäl (west-Semitisch) is Bel (oost-Semitisch). Hasdrubal betekent Baäl is helper en Hannibal betekent Glorie van Baäl.

De BaälcyclusBewerken

De opgravingen in Ugarit hebben kleitabletten opgeleverd waarop de Kanaänitische mythologie is terug te vinden, meer bepaald in de zogenaamde Baälcyclus. Dit is een van de voornaamste mythologische cycli die zijn bewaard gebleven. Het thema is hier vooral de strijd om de macht en de vruchtbaarheid.[4]

Baäl in de KoranBewerken

De Koran noemt de strijd tussen de Baäl-priesters van Izebel en de profeet Elia.[5]

Baäl in de kunstBewerken

LiteratuurBewerken

  • Magnussen, M. 1978: Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel, Westland, Schoten, ISBN 9024670209
  • Michaël Kerrigan, Alan Lothian, Piers Vitebsky, Midden-Oosterse Mythen, De eerste Heldendichten, Time-Life books BV, Amsterdam, 1998, ISBN 9053902147

Zie ookBewerken

  Zie de categorie Baal van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.