Jeremia op het plafond van de Sixtijnse Kapel door Michelangelo.

Jeremia (יִרְמְיָהוּ, jirməjāhû, "JHWH moge verhogen") (*Anatot, ca. 645 - † ca. 587 v.Chr.) wordt gerekend tot de "grote profeten" van de Hebreeuwse Bijbel. Volgens de Joodse traditie schreef hij het naar hem vernoemde boek Jeremia, Klaagliederen[1] en 1 en 2 Koningen, waarbij hij geassisteerd werd door en met redactie van Baruch ben Neriah, zijn klerk en discipel.

LevenBewerken

Jeremia was afkomstig uit Anatot, van oudsher een priesterstad[2] vijf kilometer ten noordoosten van Jeruzalem. Waarschijnlijk heeft hij hier zijn gehele leven gewoond.

Jeremia stamde uit een priestergeslacht.[3] Waarschijnlijk was dit geen arme familie, hij had immers geld om te kopen, ook toen hij gevangen zat. Mogelijk stamde Jeremia uit het verbannen nageslacht van Eli en Abjatar. Koning Salomo had de priester Abjatar namelijk uit zijn ambt gezet en naar Anatot verbannen.[4]

Jeremia mocht van God niet trouwen.[5]

Jeremia was actief vanaf het dertiende jaar van Josia, koning van Juda (626 v.Chr.), tot na de val van Jeruzalem en de vernietiging van de tempel van Salomo in 587 v.Chr. Deze periode besloeg de regeringen van vijf koningen van Juda: Josia, Joahaz, Jojakim, Jojachin en Zedekia.

PredikingBewerken

Jeremia wordt vooral herinnerd als een fel criticus van de politiek-religieuze verhoudingen in het koninkrijk Juda, die uiteindelijk leidden tot de val van Jeruzalem in 587 v.Chr. Zijn profetieën werden zeer negatief ontvangen door de heersende kringen. Hij mocht na waarschuwingen voor de naderende verwoesting van de tempel in Jeruzalem het tempelcomplex niet meer betreden en koning Jojakim liet rollen met Jeremia's uitspraken verbranden. De profeet liet hierop Baruch een nieuwe rol maken en voorlezen op verschillende plekken in de stad.

Terwijl Jeremia profeteerde van de komende vernietiging, profeteerden een aantal andere profeten oer vrede. Jeremia ging hier tegenin.

Volgens het boek Jeremia, gaf de HEER tijdens de regering van koning Zedekia aan Jeremia de opdracht om een juk te maken en te dragen. Om duidelijk te maken dat de natie onderworpen zou zijn aan de koning van Babel. De profeet Hananiah was het niet eens met deze boodschap van Jeremia. Hij nam het juk van Jeremiah's nek, brak het en profeteerde tegen de priesters en al het volk dat de HEER binnen twee jaar het juk van de koning van Babel zou breken. De HEER sprak echter tot Jeremia en zei: "Ga met Hanania spreken en zeg: zo zegt de HEER: je hebt het juk van hout gebroken, maar je hebt in plaats daarvan een juk van ijzer gemaakt. "[6]

Nadat Nebukadnezar II Jeruzalem definitief had ingenomen, koos Jeremia ervoor in de stad te blijven en niet in ballingschap te gaan. Niet veel later was de situatie echter zo gevaarlijk geworden dat landgenoten hem dwongen met hen te vluchten naar Egypte.