Hoofdmenu openen

De deuteronomistische geschiedenis is de theorie uit de Bijbelwetenschap dat de Bijbelboeken Jozua, Rechters, 1 en 2 Samuel en 1 en 2 Koningen samen één werk vormen en dat ze dezelfde theologische achtergrond hebben, die gebaseerd is op het boek Deuteronomium. De deuteronomistische geschiedenis zou het resultaat van een redactieproces dat eindigde in de 6e eeuw v.Chr. Deze theorie werd in 1943 geïntroduceerd door de Duitse Bijbelwetenschapper Martin Noth.

De deuteronomistische geschiedenisBewerken

Deuteronomium is het vijfde boek van de Hebreeuwse Bijbel en het laatste boek van de Thora (of pentateuch). De daarop volgende boeken Jozua, Rechters, 1 en 2 Samuel en 1 en 2 Koningen worden de Vroege Profeten genoemd.

Martin Noth beargumenteerde in 1943[1] dat Deuteronomium en de zes boeken van de Vroege Profeten een zekere samenhang vertonen en dat het taalgebruik van deze boeken op sommige plaatsen te veel overeenkomsten vertoont om op toeval te berusten. Volgens Noth moeten de vroege profeten als een deuteronomistische geschiedenis gezien worden omdat ze de geschiedenis van Israël en Juda vanuit het theologische standpunt van Deuteronomium beschrijven.

Voor de deuteronomistische historicus (vaak afgekort als DtrG of DtrH), zoals de schrijver van de deuteronomistische geschiedenis wel wordt genoemd, vormt Deuteronomium de theologische basis van waaruit hij de hele geschiedenis van Israël beschouwt. Wanneer er vermeld wordt dat de Israëlieten ongehoorzaam waren, dan wordt bedoeld dat ze zich niet aan de wetten van Deuteronomium hielden. Als er gezegd wordt dat een koning goed (of slecht) was in de ogen van God, dan wordt bedoeld dat deze koning zich wel (of niet) aan de wetten van Deuteronomium hield.

De samensteller van de deuteronomistische geschiedenis schreef het merendeel van de inhoud niet zelf. Hij maakte voornamelijk gebruik van bestaande teksten en voegde deze samen, redigeerde ze en vulde ze soms aan. Zo voegde hij aan Deuteronomium een introductie (Deut. 1-3) en naschrift (Deut. 27-34) toe. Vervolgens gebruikte hij Deuteronomium als het begin van zijn geschiedwerk. Dat geschiedwerk begint in Deuteronomium met Mozes' afscheidsrede aan het einde van de reis door de woestijn en eindigt in 2 Koningen 25 met de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar II en daarop volgende Babylonische ballingschap.

Het is deze Babylonische ballingschap, die het eind van het koninkrijk Juda vormde, die de samensteller van de deuteronomistische geschiedenis wil verklaren. Hij wil laten zien dat deze ballingschap een straf van God was omdat de Israëlieten zich niet aan de deuteronomistische wet hebben gehouden. In het bijzonder hebben ze het deuteronomistische verbod op het dienen van andere goden overtreden. Niet een keer, maar telkens weer. Telkens werden de Israëlieten door God voor hun afgodendienst gestraft, waarop ze zich bekeerden om zich vervolgens na enige tijd toch weer tot afgoden te wenden. Uiteindelijk, aldus de deuternomistische geschiedschrijver, leidde dit eerst tot de vernietiging van het noordelijke koninkrijk Israël door de Assyriërs (722 v.Chr.) en later tot de verovering van het zuidelijke koninkrijk Judea door de Babyloniërs.

Aangezien deze Babylonische ballingschap plaatsvond in 586 v.Chr. werd de deuteronomistische geschiedenis op zijn vroegst in de loop van de 6e eeuw v.Chr. samengesteld.

De deuteronomistische geschiedenis presenteert zich als geschiedschrijving maar het is duidelijk dat het de samenstellers vooral om de theologische boodschap gaat. De literaire structuur van de deuteronomistische geschiedenis, en Deuteronomium in het bijzonder, vertoont overeenkomsten met die van juridische teksten en politieke verdragen uit het oude Mesopotamië.

Er wordt veel gebruikgemaakt van toespraken die de deuteronomistische historicus in de mond legt van God of van de grote helden van het verhaal, zoals Mozes, Jozua of Samuel.

Verschillende editiesBewerken

Er is echter een probleem met deze theorie. Voor de deuteronomistische geschiedschrijver is het verbond tussen God en Israël van groot belang. Dit verbond heeft twee kanten: (1) de Israëlieten moeten God gehoorzamen, en als ze dat doen (2) zal God zich over hen ontfermen en hen beschermen. Dit verbond speelt in de hele Hebreeuwse Bijbel een grote rol en ontwikkelt zich op verschillende manieren. Eerst is er het verbond tussen God en Abraham. God houdt zich aan de belofte die hij in dit verbond geeft door Abraham tot een groot volk, Israël, te maken. Dit leidt tot het verbond tussen God en Israël, dat in de woestijn bij de Sinaïberg gesloten wordt. Een derde vorm van dit verbond vinden we in de deuteronomistische geschiedenis: in 2 Samuel 7 belooft God dat het davidische koningshuis voor altijd zal bestaan. Deze belofte speelt een grote rol in deuteronomistische geschiedenis.

Dit vormt echter een probleem: waarom zou iemand na de Babylonische ballingschap (die het eind van het davidische koningshuis vormt) een geschiedenis schrijven waarin de belofte dat het davidische koningshuis voor altijd zal bestaan een centrale rol speelt? In 1973 wees de Amerikaanse Bijbelwetenschapper Frank Moore Cross op dit probleem.[2] Cross stelde dat er in feite sprake was van twee edities van de deuteronomistische geschiedenis. De eerste editie werd samengesteld voor de Babylonische ballingschap in 586 v.Chr. en de tweede editie werd na de ballingschap samengesteld.

Al voor Noth het idee van de deuteronomistische geschiedenis introduceerde waren verschillende onderzoekers, waarvan Abraham Kuenen een van de eersten was,[3] al van mening dat er bij Koningen sprake was van twee edities, de eerste geschreven voor de Babylonische ballingschap en de tweede daarna. Dit idee was vooral populair voordat de deuteronomistische geschiedenis terrein won, maar werd ook later niet geheel losgelaten. Cross' breidde het idee van twee edities, een pre-exilische en een post-exilische, uit naar de hele deuteronomistische geschiedenis.

De eerste editie werd samengesteld tijdens de regering van de Judeese davidische koning Josia. Onder Josia (640 v.Chr. tot 609 v.Chr.) vond een grote godsdiensthervorming plaats. Aanleiding voor deze hervorming was een wetboek dat de hogepriester Chilkia in tempel vond (1 Koningen 22:3-8). Men neemt meestal aan dat het gevonden wetboek een versie van Deuteronomium was. Of het hier echt om het terugvinden van een ouder en vergeten boek ging, of dat (deze versie van) Deuteronomium voor de gelegenheid geschreven was en het 'vinden' ervan een toneelstukje, is onduidelijk. Veel uitleggers gaan uit van het laatste.

De deuteronomistische geschiedschrijver schreef op basis van deze teruggevonden versie van Deuteronomium zijn geschiedwerk. Hij had er alle vertrouwen in dat de religieuze hervorming van Josia het begin van het herstel van Israël was en dat het davidische koningschap inderdaad voor altijd zou bestaan. Josia's opvolgers waren echter niet van hetzelfde kaliber en tijdens de regering van de laatste davidische koning, Sedekia, valt het koninkrijk Juda in 586 v.Chr. door toedoen van de Babyloniërs.

Er was nu behoefte aan een nieuwe versie van de deuteronomistische geschiedenis, een versie die ook de val van het davidische koningshuis en het koninkrijk Juda verklaarde. Deze tweede editie was voor het grootste deel hetzelfde als de eerste editie, maar had hier en daar aanvullingen (zoals de laatste 2 hoofdstukken van 2 Koningen).

De theorie van Cross dat er twee edities van de deuteronomistische geschiedenis waren, wordt wel de double redaction (dubbele redactie) genoemd.

KritiekBewerken

Niet alle Bijbelwetenschappers zijn overtuigd van het bestaan van een deuteronomistische geschiedenis. Critici wijzen bijvoorbeeld op de verschillen tussen de betreffende Bijbelboeken. Er mag dan een zekere theologische samenhang en overeenkomst in thematiek in de zes boeken (zeven inclusief Deuteronomium) van de deuteronomistische geschiedenis te vinden zijn, maar dat neemt niet weg dat er ook een aantal duidelijke verschillen zijn. Aanhangers van de theorie menen dat deze verschillen het resultaat zijn van de diversiteit van het bronnenmateriaal dat door de deuteronomistische historicus gebruikt werd.

Sommige onderzoekers zijn van mening dat de zes deuteronomistische boeken geen zelfstandig werk vormen, maar dat ze onderdeel zijn van een nog groter geheel. Zo wordt er wel gesproken over de enneateuch (ook wel primary history genoemd) die uit de negen boeken van Genesis tot en met 2 Koningen zou bestaan en die de geschiedenis vanaf de schepping tot de ballingschap vertelt en waarin het Beloofde Land een centrale rol speelt.

Zie ookBewerken