Van 1653 tot 1806 hadden de Westfaalse graven een gemeenschappelijke stem in de Rijksdag van het Heilige Roomse Rijk.

InleidingBewerken

In 1495 mochten de rijksgraven twee stemmen uitbrengen in de raad van wereldlijke rijksvorsten van de Rijksdag. In de praktijk was dat een stem van de Zwabische graven, die tijdens de reformatie katholiek bleven en een stem van de graven van de Wetterau, die tot de reformatie overgingen. In 1641 slaagden de Frankische graven erin een derde stem te verwerven. Ten slotte verwierven de Nederijns-Westfaalse graven in 1653 als vierde en laatste groep een collectieve stem.

Het directoraatBewerken

De directeuren hadden geen bevoegdheden. Er waren er twee: één uit Westfalen en één uit het Rijnland. Later ging de confessionele tegenstelling een grote rol spelen. Na 1784 was het college verdeeld in een katholieke en een evangelische deel, waardoor er vrijwel een eind kwam aan de activiteiten. Na het overlijden van de evangelische directeur Frederik Alexander van Wied in 1791 werd er geen opvolger meer gekozen, omdat er een katholieke meerderheid was ontstaan, en het wegblijven van de evangelische graven een vergadering onmogelijk maakte. De laatste katholieke directeur was graaf Frans Georg van Metternich, de vader van de Oostenrijkse staatsman.

Het Zwabisch-Westfaalse CollegeBewerken

De annexatie door Frankrijk van de linker Rijnoever in 1797 verdreef vooral de katholieke graven uit hun landen. De laatste vergadering van de katholieke graven vond plaats in Wenen in maart 1802 onder leiding van graaf Frans Georg van Metternich. De opzet van Metternich was om een nieuw katholiek college van rijksgraven te vormen: het Zwabisch-Westfaalse. De meeste verdreven graven zouden namelijk een nieuw graafschap in Zwaben krijgen uit geseculariseerde abdijen. De stem van de Zwabische prelaten in de rijksdag kon dan overgenomen worden door het nieuwe college. Het plan werd verder uitgewerkt en in juli en augustus 1805 vond een conferentie in Ochsenhausen plaats, waar de gezanten van 11 graafschappen verschenen:

Metternich (Winneburg-Beilstein), Sternberg (Blankenheim-Gerolstein), Toerring-Jettenbach (Gronsveld), Aspremont (Rekem), Plettenberg (Wittem), Ostein (Mylendonk), Schaesberg (Kerpen-Lommersum), Sinzendorf (Rheineck), Waldbott-Bassenheim (Pyrmont), Esterhazy (Edelstetten) en Ligne (Fagnolles/personalist).

Het college werd gesticht en er werden bestuursleden gekozen. In december werd de graven verzocht hun bijdrage te betalen. Door het in werking treden op 1 augustus 1806 van de Rijnbondakte werden alle graven gemediatiseerd

Lijst van leden van de gravenbankBewerken

Neder-SaksenBewerken

WestfalenBewerken

Rechter RijnoeverBewerken

NederrijnBewerken

Eifel en gebied rond de NaheBewerken

MaasgebiedBewerken

Tijdelijke ledenBewerken

KandidatenBewerken

LiteratuurBewerken

J.Arndt, Das Niedrrheinisch-Westfälische Reichsgrafenkollegium und seine Mitglieder (1653-1806), 1991, Mainz.