Oldambtster boerderij

boerenbedrijf in Duitsland

De Oldambtster boerderij is een boerderijtype dat vooral in het Oldambt, in het oosten van de Nederlandse provincie Groningen, en in de streek Oost-Friesland in de Duitse deelstaat Nedersaksen voorkomt. Bij dit type boerderij zijn het woonhuis en de schuur in elkaars verlengde gebouwd. Dit boerderijtype wordt in Nederland tot de noordelijke of Friese huisgroep gerekend, waartoe ook de stolpboerderij en de kop-hals-romp-boerderij behoren. In Noord-Duitsland noemt men dit het (Oost-Friese) gulfhaus of Ostfriesenhaus. Het type is ontstaan uit de middeleeuwse klooster- en tiendschuren in West-Europa en is nauw verwant met grote schuren in Vlaanderen, Brabant, de Nederrijn, Sleeswijk-Holstein en Jutland.[1] Ook middeleeuwse markhallen, feestzalen en hallenkerken behoren tot de verwante bouwvormen.

Oldambster boerderij te Stadskanaal

De naam is ontleend aan het vak tussen de twee gebinten waar vroeger de graanoogst en het hooi werden opgetast, Dit vak werd het Oldambt en Duurswold vroeger gòlf genoemd, tegenwoordig meestal goul, net als op het Hogeland. In het Westerkwartier en in Friesland spreekt men over gol of golle.[2] In sommige Engelse dialecten gebruikte men het woord goaf, in Jutland gulv.. Deze woorden duiden - net als het Oud-Noorse golv - op een oude term voor 'vloer'.[3]

Kenmerkend voor de boerderijen van de Oldambster boerderij en verwante typen zijn het houten gebint waarop het hele gebouw rust. Verder de centrale bergruimte, de paarden- en koestallen in de zijbeuken en een zijdelingse doorrit annex dorsvloer, die het mogelijk maakte oogstwagens efficiënt te lossen. Kenmerkend voor het uiterlijk zijn vooral de doorgaande daklijn en de inspringingen of krimpen, die hoge raampartijen mogelijk maken.

De boerderijen van dit type waren gewild vanwege het spaarzame houtgebruik, de omvangrijke bergruimte en de windbestendigheid. De Oldambtster of Oost-Friese boerderij het heeft zich met name in de negentiende en twintigste eeuw verbreid over grote delen van Groningen, Drenthe, het Emsland en DIthmarschen. Hij loste vaak de zogenaamde hallenhuisboerderij af, waar de oogst werd opgeslagen op een balkenzolder boven een centrale deel.

Typerend voor het Oldambt en het westelijk Oost-Friesland zijn vooral de pannendaken, die werden gedekt met pannen van plaatselijke steenfabrieken rond Winschoten en langs de Eems. Dankzij het pannendak kon men tevens het regenwater opvangen in ondergrondse putten en kelders, waardoor men niet afhankelijk was van het verzilte water in de sloten.

GeschiedenisBewerken

De Oldambtster boerderij bestaat uit een combinatie van de 16e-eeuwse 'Friese' boerenschuur en gedeeltelijk inpandige woonruimtes zoals die bij de stolpboerderij in Noord-Holland gebruikelijk waren. De eerste boerderijen van dit type werden in 1605 gebouwd door Hollandse ondernemers in de nieuwe polder Alt-Bunderneuland bij Bad Nieuweschans (en mogelijk al een jaar eerder in de polder Schoonorth bij Norden). Dezelfde groep ondernemers onder leiding van de dijkbouwmeester Jan Claasz Rolwaghen bouwde enkele jaren later de eerste stolpboerderijen (Haubarge) in Sleeswijk-Holstein. De predikant van Bunde schrijft over hun activiteiten:

Anno 1605 vp Paschen hebben de Westfresen den Nien Dick begunnen tho slaan ... vnd begunden dar vort vp te husen.

In de loop van de 17e eeuw werd het aan beide zijden van de grens gebruikelijk bestaande woonhuizen te voorzien van een schuur van dit nieuwe type. Maar her en der werden ook boerderijen met een inpandig woongedeelte gebouwd, alsmede vrijstaande schuren. Het onderscheid tussen kop-romp-boerderijen en boerderijen van het Oldambtster type is eerst geleidelijk ontstaan.

De oudste gedocumenteerde grote boerenschuren in Oost-Friesland dateren uit de jaren 1563 tot 1579.[4] Op landgoederen werden ze vermoedelijk al vanaf ongeveer 1550 gebouwd.[1] Dat was bijvoorbeeld het geval bij de vorstelijke herenboerderij Upjever bij Jever (aangebouwd aan een jachtverblijf) en bij het landgoed van de familie Manninga in de Westermarsch bij Norden. Ook de graaf van Oldenburg liet na 1600 grote golfschuren op zijn voorwerken bouwen. Het klooster Feldwerd bij Holwierde had bij verkoop in 1598 een grote schuur van elf goelen om al het hooi en graan te kunnen bergen. De schuur hoorde bij een langhuis (veestal) van 48 vakken, genoeg voor een kleine 200 koeien. Het klooster Heiligerlee had in 1597 twee langhuizen met twee grote schuren, ieder van acht gebinten, waarvan er een werd gesloopt.[5] Mogelijk is de andere een vrijstaande schuur die in 1740 afgebeeld wordt. Het Tjücher Graßhaus bij Marienhafe mat in 1604 zeven golven. Ook bij enkele grotere boerderijen in het Oldambt waren al vroegtijdig schuren te vinden: Het oudste voorbeeld is in Midwolda was in 1610 sprake van de verkoop van twee golff schuire, dus het materiaal voor drie gebinten.[6]

Over het boerderijtype dat eerder gebruikelijk was, is weinig bekend. Historici gaan er meestal vanuit dat dit langhuizen betrof: stenen woningen met aangebouwde veestallen en vrijstaande kleinere schuren. De archieven uit het Oldambt spreken rond 1600 meestal over een behuizing met schuur en koehuis. De deftige pastorie van Bunde had bijvoorbeeld een vrijstaande schuur oftewel een buehues (bouwhuis) dat in 1581 voor het eerst wordt genoemd. De schuur werd na een storm in 1630 vernieuwd en voorzien van een pannendak en een dorsvloer.[7] Maar er zijn ook aanwijzingen voor het bestaan van grotere boerenhuizen, waar de oogst op de balken werd bewaard. De oudst bekende boerderij in het Oldambt - met een schouw uit 1576 - staat aan de Noorderstraat 4 te Noordbroek. De steunbak boven de koestal, met inscriptie 1686, is echter afkomstig van een langhuisboerderij. De huidige schuur zal uit de 18e eeuw dateren.

De oudste gedateerde voorbeelden van een woonhuis met aangebouwde golfschuur in het Oldambt zijn een voormalige boerderij in Scheemda van omstreeks 1630 en de (eveneens gesloopte) schuur van een koopmanswoning aan het Winschoterdiep te Zuidbroek uit 1639. In Bunderhee staat staat een boerderij met een ankergebint van omstreeks 1608.[8] De Dollardkaart van Cornelius Edzkens uit 1638 toont slechts enkele voorbeelden, waaronder een soort stolpboerderij te 't Waar.[9] Ook zijn kaart van Hoogezand in 1648 toont ten minste één boerderij van het kop-romp-type.[10] Tientallen boerderijen bevatten nog een of meer eiken gebinten van 17e-eeuwse voorgangers. Oudere exemplaren hebben soms net als voorbeelden uit Sleeswijk-Holstein een ankerbalkgebint.

In het begin van de 18e eeuw werd dit type boerderij overal ingevoerd en wordt het afgebeeld op kaarten, bijvoorbeeld in Nieuwolda, Lalleweer, WInschoten, bij de Kloostergare bij Beerta, aan de Hamdijk en in de Linteloopolder bij Nieuweschans. Bestaande boerderijen met een aangebouwde schuur werden verlengd en voorzien van nieuwe woonruimtes. Oudere boerderijen van het langhuistype werden gesloopt. Soms kreeg de oude veestal een plek onder het dak van de nieuwe schuur.

Het Oldambt was al sinds de 17e eeuw een typisch akkerbouwgebied, met name de nieuwe polders. Dat gold ook voor Oost-Friesland. In het achterland was het aandeel van de veeteelt aanvankelijk groter. In de loop van de 18e en in de eerste helft van de 19e eeuw eeuw groeide de bedrijfsgrootte. Het aandeel van de akkerbouw nam verder toe en de behoefte bergruimte nog meer. Kleine boerderijen werden gesloopt, grote verder uitgebreid of vernieuwd. Rond 1800 was de boerderij van het Oldambtster type dominant.

Boven de woning, die hier reeds vroeg twee kamers naast elkaar bezat, bracht men vervolgens een of meer zolders aan als bergplaats voor het gedorste koren, zodat dit voorstuk even hoog werd als de schuur. Hoewel beide delen in het begin nog door een boven het dak opgetrokken brandmuur waren gescheiden, kwamen ze uiteindelijk toch onder één doorlopende nok. Ondanks de uiterlijke overeenkomst kan men niet van stelp spreken, daar het woonhuis niet onder het hoge schuurdak is opgenomen, maar blijft aangebouwd, hetgeen nog wordt geaccentueerd door de nodige sprongen of krimpen van het smallere voorgedeelte - hogere ramen, dus hogere muren - naar de bredere achterbouw.[11]

De inspringing was tevens nodig om een doorrit met grote baanderdeuren te kunnen maken. In 1678 wordt voor het eerst gesproken over een behuisinge met de schuyre met krimpen. Het succes van het nieuwe boerderijtype bleef overigens niet beperkt tot de akkerbouw: ook in veeteeltstreken als het Rheiderland werd het nieuwe type dominant.

Aanvankelijk was de dakhelling van de woongedeelten in het zogenaamde. 'voorhuis' steiler dan het hogere dak van de schuur, dikwijls door een brandmuur van de woning was gescheiden. Rond 1800 werd het gebruikelijk om dakhelling en nokhoogte van woonhuis en schuur gelijk te trekken, waarbij alleen de brandmuur iets boven de daklijn uit bleef steken. In de 19e eeuw werd het gebruikelijk om ook de brandmuur brandmuur onder het dak te laten verdwijnen..

Uit deze laatste grondvorm hebben zich verscheidene afgeleiden van de Oldambster boerderij ontwikkeld, waaronder het over het algemeen iets kleiner opgezette Veenkoloniale-type. Vaak ontbreekt bij deze 'doorontwikkelingen' een volledig tot de nok doorlopende brandmuur; soms ontbreekt deze zelfs geheel.

Daarnaast treft men op het Groningse platteland nog veel kleine arbeidershuisjes aan die qua uiterlijk, compleet met krimpen en korenzoldervenstertjes, sprekend lijken op een soort mini-uitvoering van de Oldambster boerderij. Veel van deze typische arbeidershuisjes hebben echter al hun typische uiterlijk verloren door allerhande verbouwingen ten behoeve van meer woonruimte en wooncomfort.

De boerderij was bedoeld als een gemengd bedrijf. Rond 1900 specialiseerde het Oldambt zich in akkerbouw en werd een van de vooruitstrevende akkerbouwgebieden in Europa. De Oldambtster boerderijen werden groter, waarbij de woonhuizen steeds voornamer werden. Hierdoor wordt de Oldambtster boerderij ook wel "villaboerderij" genoemd.

ConstructieBewerken

Naast de min of meer doorlopende nokhoogte van de daklijn zijn typisch voor de bouwvorm van Oldambtster boerderijen de zogenaamde krimpen.

NoklijnBewerken

Door de min of meer doorlopende daklijn over zowel woongedeelte schuur wijken Oldamster boerderijen duidelijk af van ander grote boerderijen uit de noordelijke huisgroep zoals kop-(hals)-romp-boerderijen. In de loop der tijd is de daklijn van Oldambster boerderij meer en meer geëvolueerd van...

  • een voorhuis en schuur met verschillende dakhelling naar wel een min of meer gelijke nokhoogte en slechts gescheiden door de zichtbaar boven de daklijn uitstekende brandmuur.
  • naar een verschijningsvorm waar voorhuis en schuur zich tezamen bevinden onder één dak van gelijke dakhelling en een doorlopende nok, waarbij de brandmuur onder de daklijn is komen te liggen.
  • in laatste stadium is het voorhuis soms toch weer verworden tot een geheel dat zich qua dakvorm weer duidelijker onderscheidt van de aangebouwde schuur met wel gelijke nokhoogte maar de ogenschijnlijke verschijningsvorm van een dwarshuis met een schilddak of zelfs en in bouwstijl geheel afwijken 'villa-vorm'.

KrimpenBewerken

Waar de schuur de maximale breedte van het gebouw heeft aan de achterzijde en richting de woongedeelten van het voorhuis als het ware trapsgewijze krimpt (smaller wordt). Het na elke krimp smaller geworden gebouw is ter plekke noodzakelijkerwijs ook voorzien van hogere zijgevels.

Deze hogere zijgevels maken het mogelijk ter plekke ook aan de zijgevel hogere/grotere ramen te plaatsen waardoor in de woongedeelten een grotere lichtinval mogelijk werd.
Woongedeelte

De woonvertrekken zijn doorgaans verdeeld over een gedeelte voor en een gedeelte achter de zogenaamde brandmuur (in de aangebouwde schuur). Het woongedeelte voor de brandmuur wordt doorgaans aangeduid als voorhuis; het zich gedeelte achter de brandmuur in de aangebouwde schuur bevindende woongedeelte als achterhuis.
Korenzolder

Boven het woongedeelte in het voorhuis bevindt zich een z.g. korenzolder ook wel graan- en zaadzolders genoemd. Deze korenzolders zijn vaak voorzien met vele raampjes waarmee door de vorm en plaatsing de indruk van een extra woonverdieping werd gewekt waardoor het voorhuis meer de aanblik van een 'deftig' herenhuis kreeg dan van een eenvoudige boerderij. Bijzonder detail is dat de gordijntjes van de korenzolderraampjes veelal nep zijn, ze zijn met witte verf op de ruiten geschilderd; Dat spaart geld en het vaak moeten wassen om ze netjes wit te houden op een stoffige korenzolder.

Dak en gebintBewerken

Traditioneel is het dak een pannengedekte sporenkap waarbij de aan weerszijden van de nok liggende sporen op geruime afstand onder de nok onderling verbonden worden door een ≫hoanebaalk≪ (→hanebalk) en daarmee een kapspant vormen. De kapspant liggen met een inkeping aan de onderzijde van beide sporen op de gebintebalken of zijn daar gemakshalve op vastgespijkerd; onderling zijn de kapspanten verbonden met een ≫gorn≪ (→gording). Vanwege de relatief grote hoogte (≥9m tot ≤13m)- en breedte (≥20m tot ≤33m) van de schuur zijn de sporen vaak onder het gebint verlengd met z.g. ≫oplange≪; deze verlengende spore rust op aan de bovenzijde op het gebint en aan de onderzijde op de ≫muurploat≪ (→muurbalk) ook worden de middels de gorn onderling verbonden oplangen gewoonlijk extra ondersteund door één of meer (ca. 3) ≫juffers≪ (schoren) per ≫zoele≪; afhankelijk van het steunpunt door gorn en juffers kan een deel of zelfs de volledige daklast dat anders op de muur zou rusten worden overgenomen waardoor in sommige gevallen de muren in principe zelfs zouden kunnen worden weggenomen zonder dat het dak instort.deze extra ondersteuning; echter in de meeste gevallen zijn Oldambsster schuren zijn zo breed gebouwd dat (ook omwille van de vrije doorrijhoogte) de juffers te hoog aangrijpen om een dergelijk vrijhangend dak boven de zijbeuken mogelijk te maken.

Gewoonlijk is het dak gedekt met een groot model Oude-Holle pannen (Gronings model) waarbij niet zelden het voorhuis en de schuur boven het achterhuis zijn voorzien van donkere (blauw-zwart) verglaasde pannen terwijl de rest van het schuurdak gedekt is met onverglaasde rode pannen. In de loop der tijd zijn de traditionele Oude-Holle pannen vaak vervagen door een eigentijdser model zoals de Verbeterde-Holle pan of de Friese (golf) pannen en niet zelden ook deels door golfplaten op het schuurgedeelte.

Het dak wordt gedragen door zowel de buitenmuren en het z.g. dekbalken-gebint of Fries gebint waarbij de twee aan weerszijden over de volle lengte van het gebint parallel lopende dragende gebintebalken ≫ploat≪ (→plaat) worden genoemd. De gebintebalken worden op hun beurt gedragen wordt door tweebenige spanten. De twee verticaal staande benen van het spant worden ≫zoelen≪ (→ zuilen, staanders) genoemd, verder bestaand het spant aan de bovenzijde uit een verbindende ≫bint≪ of ≫baalk≪ (→balk) aan weerszijden vanuit de zoel(e) ondersteund door een ≫swing≪ (→schoor, korbeel). De breedte van spanten tussen de zoelen kan sterk variëren, maar bij schuren van 22m tot 25m breed zal de afstand tussen de 8m en 10mr bedragen, bij extreem brede schuren (≤33m) kan dit oplopen tot ca. 14-15m. De onderlinge afstand van de spanten varieert ook sterk maar bedraagt gemiddeld 5m tot 6m.

Door de afzonderlijke spanten van het gebint wordt de hoge middenbeuk van de schuur in de lengte op natuurlijke wijze wordt verdeeld in circa zes tot acht meter brede vakken die, analoog aan de benaming ≫Gulf≪ in het Duitse Oost-Friesland, in Groningen ≫golf≪ (Grunnegers → ≫gol≪ of ≫gaul≪) worden genoemd .

Het dak is een zadeldak dat in de loop der tijd steeds vaker aan voor- en achter-zijde voorzien werd van een afgeschuind vlak, het wolfseind; de voorhuisgevel van veel oudere Oldambtster boerderijen zijn echter nog steeds voorzien van, naargelang de plaatsing van de voorste schoorsteen, een meer traditionele tuit- of punt-gevel.

SchuurBewerken

De driebeukige schuren van typische Oldambtster boerderijen zijn relatief groot; oppervlaktematen van 900m2 of meer afmetingen LxBxH 50m*23m*12m zijn niet uitzonderlijk.
De driebeukige schuur is traditioneel verdeeld in een aantal door (halfsteens) muren gescheiden gedeelten. In de zijbeuk direct grenzend aan het achterhuis bevindt zich de koestal, richting achtergevel was veelal ook ruimte voor enkele varkenshokken en jongvee. De koeien worden twee aan twee gestald tussen wilgentenen of houten schotten.
In de hogere middenbeuk is doorgaans tegen het midden van de achtergevel de paardenstal en ruimte voor werktuigen te vinden. Het gedeelte van de middenbeuk boven en voor de paardenstal wordt door de plaatsing van de gebinten op natuurlijke wijze verdeeld in diverse vakken of golven met de mogelijkheid voor oogstopslag van diverse gewassen en hooiopslag. Tussen de golven van de middenbeuk en den baander bestaat in principe een open verbinding (zonder muren of schotten). De diverse golven kunnen naar behoefte door verplaatsbare (houten) schotten van elkaar en de baand(der) worden afgeschot om zodoende de diverse opgeslagen oogstgewassen fysiek gescheiden te houden.
De zijbeuk aan de andere zijde vormt de zogenaamde baan of baander en wordt aan weerszijden afgesloten door de z.g. baanderdeuren.

Baan(der)Bewerken

De baan of baander bevindt zich min of meer op de plek die in andere boerderijen van de Friese bouwgroep wordt aangeduid als dors, dars of deel. Het verschil tussen de baander en de andere genoemde vormen is voornamelijk gelegen in het logistiek gebruik van de baan(der). Doordat de baander aan weerszijden is voorzien van grote en hoge baanderdeuren (abusievelijk ook wel zelf aangeduid als baander, mogelijk als verbastering van het woord baandeur) was het mogelijk met verscheiden wagens tegelijk van achter naar voor door de baan langs de golven (vakken voor oogstopslag) te rijden. Hierdoor was het mogelijk met verscheidene hoog opgetaste wagens tegelijk de oogst de schuur in te rijden en achtereenvolgens te lossen. De geloste wagen konden vervolgens door de voorste baanderdeur weer vertrekken voor nieuwe oogst/lading zonder de voortgang van het werk in de schuur noemenswaardig te hinderen.
Door de gewoonlijk aanzienlijk breedte (5m-8m) van de zijbeuk van de baander bleef er tegen de buitenmuur voldoende ruimte over het gebruik als dorsvloer/deel en zelfs voor het stallen van wagens en werktuigen. Het was echter niet ongebruikelijk dat er benevens het hoofdgebouw ook een losse wagenschuur op de boerenplaats stond.

TuinBewerken

Voor de Oldambtster boerderijen zijn veelal grote tuinen aangelegd. Vaak zijn het z.g. slingertuinen

MuseumBewerken

De Oldambster boerderij In het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem stond oorspronkelijk (tot 1975) in Beerta voordat deze steen voor steen in het museum in haar oorspronkelijke staat werd herbouwd (en ingericht).

Een goed bewaard gebleven Oost-Fries Gulfhaus staat in het Museumsdorf Cloppenburg, het openluchtmuseum van Nedersaksen bij de stad Cloppenburg.

Meerdere boerderijen van het Oost-Friese type zijn ingericht tot landbouwmuseum, onder ander in Bunde, Rhede (Ems) en Campen (Krummhörn).

VariantenBewerken

  • Een kleinere variant van de Oldambtster boerderij is te vinden in de Veenkoloniën.
  • Op het Hogeland werden Oldambtster boerderijen gebouwd, waarbij het woonhuis meestal dwars voor de schuur stond.

Zie ookBewerken

Zie ook het interessante Duitse Wikipedia-artikel, lemma: Gulfhaus, waar de benamingen van de diverse gedeeltes van het gebouw niet alleen in standaard-Duits, maar ook in Oostfries Nedersaksisch dialect worden benoemd! Klik aan de linkerzijde van de pagina op: Deutsch.

LiteratuurBewerken

  • Johann Aeils, Jan Smidt, Martin Stromann, Steinerne Zeugen in Marsch und Geest. Gulfhöfe und Arbeiterhäuser in Ostfriesland, Norden 2000, 3e dr. 2007
  • Volker Gläntzer, ‘Das Gulfhaus in Ost-Friesland – eine Innovation des 16. und 17. Jahrhunderts’ , in: Jan Klápště (red.), The Rural House from the Migration Period to the Oldest Still Standing Buildings. Ruralia IV, Praag 2003, p. 58-75
  • Wijbrand Havik, Boerderijen in Groningen. Geschiedenis, ontwikkeling en achtergronden van de Groninger boerderij, Utrecht 1987
  • Wijbrand Havik, 'De veenkoloniale boerderij', in: Martin Hillenga (red.), Boerderijenboek Oude Groningse Veenkoloniën. Kleinemeer, Kalkwijk, Borgercompagnie, Tripscompagnie, Groningen 2000, 59-66
  • Rob C. Hekker, 'Het Oldambster boer'nspul', in: Groningen 30 (1948), p. 84-96
  • Kurt Junge, Das friesische Bauernhaus. Seine Verbreitung und Entwicklungsgeschichte, Oldenburg 1936
  • Otto S. Knottnerus, 'Haubarg, Barghaus, Bargscheune und ihre mittelalterlichen Vorläufer: Materialien zur Vorgeschichte der Gulfscheune', in: Probleme der Küstenforschung im südlichen Nordseegebiet 32 (2008), p. 105-125, ook in: Der Maueranker: Baupflege in Nordfriesland, Dithmarschen und Angeln 30 (oktober 2011), afl. 3, p. 7-29 (literatuurlijst online).
  • Wolfgang Rüther, Hausbau zwischen Landes- und Wirtschaftsgeschichte. Die Bauernhäuser der Krummhörn vom 16. bis zum 20. Jahrhundert, diss. Münster 2006

Zie de categorie Oldambtster farmhouses van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.