Nederduits

taal
Vraagteken
Er wordt getwijfeld aan de juistheid van een of meer onderdelen van dit artikel.
Raadpleeg de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie en pas na controle desgewenst het artikel aan.
Opgegeven reden: bronnen ontbreken en dit lijkt geschreven vanuit een point of view. Dit is een opiniestuk in plaats van een encyclopedisch artikel over wat Nederduits is, waar het gesproken wordt, de geschiedenis, de morfologische/taalkundige kenmerken' etc etc.'
Dit sjabloon is geplaatst op 5 februari 2021.
Vraagteken

Nederduits is de verzamelnaam voor een aantal in het noorden van Duitsland en in Nederland gesproken West-Germaanse dialecten die niet hebben deelgenomen aan de Hoogduitse klankverschuiving. Tot het Nederduits worden onder meer volgende (deel)dialecten gerekend: het Noord-Nedersaksisch (inclusief het Oost-Fries en Sleeswijk-Holsteins), het Westfaals, het Oostfaals en het Oost-Nederduits zoals het Mecklenburgs-Voorpommers en voor 1945 behoorden ook het Achter of Oost-Pommers en de diverse varianten van het 'Platt' in West-Pruisen en Oostpruisen daartoe. Die laatste drie dialecten verdwenen met de bevolking van deze provincies.

Nederduits, Platduits
Gesproken in Nederland, Duitsland, Denemarken
Sprekers 2,2-5 miljoen (Duitsland) en 1,6 miljoen sprekers thuis in Nederland (2,15 miljoen in totaal)
Taalfamilie
Dialecten
Alfabet Latijn
Officiële status
Officieel in
Taalcodes
ISO 639-1 -
ISO 639-2 nds
ISO 639-3 nds
Portaal  Portaalicoon   Taal

Onder het Nederduits vallen ook Nedersaksische dialecten die in het noordoosten van Nederland gesproken worden. In Duitsland wordt het Nederduits door de sprekers zelf Plattdüütsch of eenvoudigweg Platt genoemd. In het Hoogduits zegt men Plattdeutsch of Niederdeutsch. In Nederland staan de verschillende Nedersaksische dialecten bekend onder de eigen streeknaam, bijvoorbeeld Twents, Gronings of Achterhoeks. Ook wordt er vaak naar verwezen als dialect of plat. De eerder voornamelijk door taalwetenschappers gebruikte naam Nedersaksisch heeft in de 21ste eeuw bredere bekendheid verworven.

In 2016 waren er 2,2 miljoen sprekers onder de categorie 'zeer goed' en bijna 5 miljoen sprekers onder de categorieën 'zeer goed' en 'goed'.[1] In Nederland wordt het aantal sprekers (2005) thuis op circa 1,6 miljoen geschat en het totale aantal sprekers op 2,15 miljoen.[2]

Nederduits/NederfrankischBewerken

De benaming Nederfrankisch wordt gebruikt voor een aantal ten zuidwesten van het Nederduitse taalgebied gesproken taalvariëteiten die in het algemeen als Nederlands of daarmee zeer verwant worden beschouwd. Door sommige (met name vroegere) Duitse en Nederlandse taalkundigen worden de Nederfrankische taalvariëteiten ook "Nederduits" genoemd. Deze visie wordt om moderne politieke redenen als problematisch beschouwd.[bron?]

Geografische spreidingBewerken

 
Huidige verspreidingsgebied van de typologisch Nederlandse (in roodachtige tinten) en de Nederduitse dialecten (geel- en bruinachtig)

De verzamelnaam Nederduits verwijst naar een tweetal dialectgroepen, die ruwweg met westelijk en oostelijk aan te duiden zijn:

Als gemeenschappelijke voorlopers zijn het Oudfrankisch en het Oudsaksisch geattesteerd. Een aanzienlijk taalcorpus van Oudsaksisch is overgeleverd in de 9e-eeuwse Heliand. Van het Oudfrankisch zijn slechts kleinere tekstfragmenten bewaard gebleven.

Verwarring leverde de aanduiding Nederduits op als de benaming die vóór de 19de eeuw vrijwel identiek was met Nederlands en Vlaams en lang in plaats van Nederlands gebruikt werd. In de 19e eeuw is deze term voor de in Nederland en Vlaanderen gesproken variëteiten in onbruik geraakt.

Het begrip daktaalBewerken

  De neutraliteit van dit gedeelte wordt betwist.
Zie de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie.

De Nederfrankische dialecten worden door sommigen tegenwoordig niet meer tot het Nederduits gerekend,[bron?] omdat moderne politiek een andere voorstelling heeft van de indeling van de Germaanse talen. Bijgevolg behoren de Nederfrankische dialecten die in Duitsland aan de Nederrijn worden gesproken typologisch gezien naar verluidt tot de Nederlandse dialecten. Deze politieke indeling wordt echter doorkruist door de staatkundige en daarmee in belangrijke mate ook de socio-culturele realiteit. Daarom houden veel taalwetenschappers nu rekening met de standaardtaal door welke een dialect wordt overkoepeld. Als deze evenzeer een verwante taal ofwel daktaal is, kunnen op grond van dit aanvullend criterium de Nederfrankische dialecten die in Duitsland aan de Nederrijn worden gesproken toch tot de Duitse dialecten worden gerekend, zij het niet tot het Nederduits. Op overeenkomstige wijze worden de in Nederland gesproken Nedersaksische dialecten ook tot de Nederlandse dialecten gerekend, ofschoon ze typologisch gezien tot de Nederduitse dialecten behoren. Het is zo duidelijk dat bij dergelijke verwante talen typologie en taalsociologie tot verschillende uitkomsten kunnen leiden. De typologie boort diepere lagen aan dan de alledaagse realiteit.

Diets en NederduitsBewerken

De begrippen Diets en Duits gaan terug op het Middelnederlandse dietsc naast duutsc ‘Nederlands, (Neder-)Duits’, streeksynoniemen, afleiding van diet ‘volk, lieden’ (vgl. Oudsaksisch þiudisk, Oudengels þēodisc), en deze naam werd al door de Franken gebruikt als aanduiding van de Germaanse volkstaal (in 786 gelatiniseerd in de term theodiscus) in tegenstelling tot het Latijn van de kerk en tot de Romaanse dialecten die daaruit ontstaan waren. De laatste werden tezelfdertijd aangeduid als wahlisc waaruit de term 'Waals' voortkwam. Het onderscheid Nederlands en (Neder-)Duits werd in vroeger eeuwen nog niet zo scherp gemaakt. Vóór de 19de eeuw was Nederduits synomiem met Nederlands. De geschreven en standaardtaal in Nederlands en Vlaanderen werd meestal Nederduits genoemd. Als voorbeeld: in 1793 kwam een groot Nederlands-Frans woordenboek uit onder de titel Dictionaire Francois-Hollandois / Woordenboek Nederduytsch-Fransch. De Nederlandse Hervormde Kerk heette tot 1816 nog officieel Nederduitsche Gereformeerde Kerk en in Zuid-Afrika en Namibië bestaat nog steeds een kerk met die naam. Het begrip Nederduits is sinds het midden van de 19de eeuw niet meer in die oude betekenis in gebruik, maar heeft vrijwel uitsluitend betrekking gekregen op de regionale talen in het noordoosten van Nederland en het noorden van Duitsland. Zie ook: Nederlands (naam).

Het begrip NederduitsBewerken

Het begrip Nederduits werd als eerste beschreven door taalkundigen. Deze ontdekten dat dialecten in het noorden van het hedendaagse Duitsland verschilden van die in het zuiden. Later ontdekten zij ook overeenkomsten met het Nederlands en met Nedersaksische dialecten in Noord-Duitsland. Het Nederlands werd vervolgens ingedeeld bij het Nederduits, dat toen als de voorouder van het Nedersaksisch en het Nederlands werd gezien. Heden is het taalkundige beeld erg veranderd. Er wordt nu aangenomen dat Nederlands en Nederduits geen gemeenschappelijke voorouder hebben gehad, behalve het Oergermaans.[bron?] Nederduits betekent nu vooral hetzelfde als Noord-Duits.

De begrippen Nederduits en Platduits als benaming voor hedendaagse variëteiten kennen dus nogal uiteenlopende betekenissen:

  1. Noemer voor alle West-Germaanse variëteiten die niet hebben deelgenomen aan de Hoogduitse klankverschuiving en ook niet behoren tot het Nederfrankisch of Anglo-Fries. Dit is het thans gangbare gebruik.
  2. Als bredere noemer voor de hele nauw verwante continentaal West-Germaanse taalfamilie waarbinnen de Hoogduitse klankverschuiving niet heeft gewerkt, en die ook niet behoort tot het Anglo-fries. Deze opvatting sluit alle Nederfrankische variëteiten in, en dus ook het Nederlands.
  3. De term "Platt" in de omgangstaal heeft betrekking zowel op het Nederduits als op alle andere non-standaard variëteiten van het Duits. Deze term is taalkundig dan ook niet correct.

Bovendien zorgt de staatsgrens tussen Nederland en Duitsland met betrekking tot het dialectcontinuüm voor terminologische verwarring. De Belgische taalwetenschapper Jan Goossens telde zo'n tien verschillende betekenissen.[3] De verschillen hebben vooral betrekking op de oost-westdimensie van het taalgebied.

  • Volgens sommige taalwetenschappers slaat het begrip Nederduits uitsluitend op de talen of dialecten van Noord-Duitsland, vandaar dat Nedersaksisch als alternatief wordt gebruikt.
  • Volgens anderen slaat het op het noordoosten van Nederland en op het noorden van Duitsland.
  • Weer anderen noemen zo de talen en dialecten van het noorden van Duitsland en van het volledige Nederlandse taalgebied (Nederduits in ruimere betekenis).[3]

Ook voor de zuidelijke grens van het Nederduits bestaan er verschillende definities: De verschillende taalwetenschappers noemen de Uerdinger linie, de Benrather linie, de Eifel-linie of een linie die verder in het Zuiden verloopt (Hunsrück-linie of Spierse linie / Mainlinie).[3]

Sommige van de betekenissen die Goossens noemt zijn echter verouderd en worden in de moderne taalwetenschappelijke literatuur nauwelijks nog gebruikt. Daarbij horen de definities van het begrip Nederduits die de Nederfrankische dialecten insluiten.[4]

  Zie ook het artikel Plautdietsch voor de vorm van Nederduits die door de mennonieten werd meegenomen naar Rusland en vandaar naar Zuid-Amerika, en Nederlands in Duitsland.


  Zie de Nedersaksischtalige uitgave van Wikipedia.