Voedingsmiddelenindustrie

(Doorverwezen vanaf Levensmiddelenindustrie)

De voedingsmiddelenindustrie of levensmiddelenindustrie bestaat uit bedrijven die op industriële schaal grondstoffen, zoals landbouwproducten, verwerken tot voedingsmiddelen. De voedingsmiddelenindustrie wordt wel beschouwd als de grootste industrie van Nederland. De totale omzet bedraagt zo'n € 51 miljard in 2010 en er werken naar schatting 118.000 mensen.[1]

Industriële productie van kaas.
Productielijn van donuts.
Inblikken van ansjovis.
Verpakking van mineraalwater.

AlgemeenBewerken

De voedingsmiddelenindustrie is een onderdeel van de voedings- en genotmiddelenindustrie, waaronder ook producenten van koffie, thee, tabakswaren, dranken enzovoort vallen. Deze op haar beurt maakt weer deel uit van de procesindustrie.

Voedingsmiddelen worden geproduceerd door de landbouw inclusief plantagebouw, de fruitteelt, de groenteteelt, de veehouderij, de visserij en in mindere mate de jacht en de imkerij.

De aldus verkregen producten dienen enige bewerking te ondergaan voordat ze als voedings- of genotmiddel gebruikt kunnen worden. Veel van deze bewerkingen vonden of vinden op kleinschalige wijze plaats, uiteindelijk onder meer op de boerderij en in de keuken. Te denken valt aan dorsen, slachten en dergelijke. Andere bewerkingen hadden betrekking op conserveren zoals bij melkproducten, fruit en vlees. Te denken valt aan drogen, fermenteren, roken, pekelen, toevoegen van suiker of zuur en dergelijke. Ook processen als malen, mengen, verhitten (zoals koken en bakken) en koelen speelden vanouds een rol.

Voedingsmiddelenindustrie in NederlandBewerken

De voeding was tot op zekere hoogte beperkt door wat de regio kon produceren en wat seizoenafhankelijk geproduceerd kon worden. Wat van ver kwam was duur en niet voor iedereen bereikbaar, áls het al voorhanden was. Conserveringsmethoden konden de seizoenafhankelijkheid soms iets verlichten al kon dit dan ook vaak weer ten koste van de voedingswaarde gaan. Verstedelijking leidde er toe dat de stedelingen steeds meer afhankelijk werden van handelsstromen, al beperkten die zich vaak tot de nabije regio. Veel voedingsmiddelen werden via straathandel of op de markten verhandeld, waar aanvankelijk de producenten van deze middelen hun product ter verkoop aanboden.

Geleidelijk aan ontstonden er, vanuit de huisvlijt, ambachten die zich specialiseerden in bepaalde bewerkingen van voedingsmiddelen. De (koren-)molenaar, de bakker, de grutter (gortpellerij), de slager en de brouwer oefenden dergelijke ambachten uit. Boter en kaas werd doorgaans nog op boerderijniveau geproduceerd.

Handelsstromen van en naar het verre buitenland verliepen onder andere via de zijderoute. In de loop van de 16e eeuw werd daar de aanvoer van exotische producten via scheepvaart aan toegevoegd. Ook kwamen daar nieuwe producten vanuit Amerika bij (tabak, aardappel, maïs). Onder meer Nederland specialiseerde zich in het verwerken van deze producten om ze vervolgens naar het nabije buitenland te exporteren.

Begin 19e eeuw beschikten deze ambachtelijke bedrijven nog over een beperkte afzetmarkt ten gevolge van de hoge transportkosten. Krachtbronnen waren wind-, water-, ros- en tredmolens. [2]. In de loop van de 19e eeuw vond echter geleidelijk een proces van schaalvergroting en industrialisatie plaats. Als krachtbron deed de stoommachine zijn intrede. Zo plaatste de meel- en veevoederfabriek Noury & van der Lande in 1848 een stoommachine. In 1840 ging de eerste aardappelmeelfabriek in productie.

Bietsuikerfabrieken ontstonden vanaf 1858, zuivelfabrieken vanaf 1878, margarinefabrieken vanaf 1871, broodfabrieken vanaf 1857. Vanaf 1867 kwam de koelmachine beschikbaar, welke in bierbrouwerijen werd toegepast bij de productie van ondergistend bier. Los daarvan vond industrialisatie plaats van tal van bedrijfstakken die koloniale goederen, zoals rijst, verwerkten. Ook slachterijen industrialiseerden in toenemende mate, zoals Zwanenberg die in 1887 met de bedrijfsactiviteiten startte. De eerste conservenfabriek startte in 1860. Er verrezen groente-, fruit- en vlees- en visconservenfabrieken waarbij vooral ingeblikte voedingswaren werden geproduceerd, later ook in bijvoorbeeld flessen.

In de 20e eeuw vond verdere concentratie plaats en ontstonden grote voedingsmiddelenconcerns die ook internationaal gingen opereren en een steeds grotere variatie aan (merk-)producten gingen vervaardigen.

IndelingBewerken

Tot de voedingsmiddelenindustrie kunnen de volgende bedrijfstakken worden gerekend:

In de genotmiddelensector:

Tot de grootste concerns op dit gebied behoren: Nestlé, Heinz en Unilever. Het AkzoNobel-concern en voorlopers daarvan ontplooiden eveneens activiteiten in deze sector, maar het concern heeft deze goeddeels afgestoten.

Ook middelgrote en kleinere bedrijven produceren voedingsmiddelen. Sommige daarvan zijn gespecialiseerd, hetgeen bijvoorbeeld voor de vleeswarenindustrie en de suikerindustrie geldt.

Naast volledig private bedrijven zijn er ook coöperatieve bedrijven die voedingsmiddelen produceren. De Suiker Unie en Campina zijn daar voorbeelden van. Deze bedrijven komen voort uit de agrarische sector.

MerkproductenBewerken

De grotere concerns fabriceren onder meer merkproducten, waarmee soms wereldwijd reclame wordt gemaaktbijvoorbeeld Coca-Cola.

Het overgrote deel van de merkproducten van voedingsmiddelen is in handen van een klein aantal multinationals, waaronder:

In het rapport Behind the Brands uit 2013 wees Oxfam op de sociale en ecologische verantwoordelijkheid van deze voedselgiganten.[3][4]

Merken worden soms ook verhandeld en blijven bestaan terwijl het oorspronkelijke bedrijf al lang gesloten is. Dit overkwam bijvoorbeeld Zwanenberg. Klassieke merken zoals Blue Band bestaan al vele tientallen jaren. Dit soort merken hebben een hoge winstmarge, maar in tijden van economische neergang nemen consumenten vaak hun toevlucht tot goedkopere huismerken, waardoor de marges worden gedrukt.

Big FoodBewerken

Ook de handel in grondstoffen (granen, soja en dergelijke) is sterk geconcentreerd. De graanhandel wordt gedomineerd door de “ABCD-giganten”: Archer Daniels Midland, Bunge Limited, Cargill en Louis Dreyfus Company,[5] soms ook Big Food genoemd, naar analogie met Big Oil en Big Tech.

Spin-offBewerken

Uit de voedingsmiddelenindustrie zijn weer nieuwe activiteiten voortgekomen op het terrein van de farmacie en de biotechnologie. Organon en Gist-Brocades (nu: DSM) zijn daar voorbeelden van.

Zie ookBewerken

Externe linksBewerken

Zie de categorie Food industry van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.