Koffie (Coffea)

geslacht uit de sterbladigenfamilie

Koffie (Coffea) is een geslacht van houtige planten. Veruit de meeste soorten (60) zijn beschreven van Madagaskar of (4) de eilanden in dat deel van de Indische Oceaan. Daarnaast komt een grote groep (47) van nature voor in tropisch Afrika, met het zwaartepunt in Ethiopië. Een kleinere groep (13) komt voor in tropisch Zuidoost-Azië. Alle soorten zijn houtige planten en kunnen afhankelijk van de soort kruipend, struikvormig, boomvormig of liaanvormig zijn.

Koffie
Koffie (Coffea)
Taxonomische indeling
Rijk:Plantae (Planten)
Stam:Embryophyta (Landplanten)
Klasse:Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade:Bedektzadigen
Clade:'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade:Lamiiden
Orde:Gentianales
Familie:Rubiaceae (Sterbladigenfamilie)
Geslacht
Coffea
L. (1753)
Koffieplantage (arabica koffie) in Brazilië
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Koffie op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De bloemen staan in groepjes van 2 tot 20 bij elkaar in de bladoksels. De tweeslachtige bloemen zijn vier- tot negentallig en hebben vaak vijf witte, buisvormig vergroeide kroonbladen.

De vrucht van de koffieplant is een steenvrucht. Elke vrucht bevat een pit met daarin de koffiebonen. Doordat de zaden bij het rijpen tegen elkaar aandrukken ontstaat de karakteristieke vorm. De gedroogde en gebrande zaden van de plant dienen als basis voor koffie, een stimulerende, cafeïnehoudende drank. Tegenwoordig komen de meeste koffiebonen uit Zuid-Amerika. Brazilië was in 2020 verantwoordelijk voor 38% van de wereldwijde productie.[1]

SoortenBewerken

In het geslacht Coffea worden 124 soorten onderscheiden,[2] waarvan de meest geteelde C. arabica, C. canephora en C. liberica zijn.

 
Koffieplant (Arabica-koffie) met rijpe bessen in Brazilië
 
Koffiebes

Van oorsprong komt deze soort uit het Ethiopisch Massief. Van daaruit werd de soort naar de Arabische landen verspreid. Het is een tetraploïde en zelfbestuivende plant, die ongesnoeid ongeveer 5 meter hoog kan worden. In 1690 werd de plant, waarschijnlijk afkomstig uit Jemen, door de Nederlanders ingevoerd op Java en in 1699 opnieuw. In 1708 werd vanuit Java een plant die bloeide en bessen gaf, overgebracht naar de Hortus Botanicus van Amsterdam. In 1715 stuurde de toenmalige burgemeester van Amsterdam nazaten van deze plant naar koning Lodewijk XIV in Parijs, waar ze verder werden verzorgd door Antoine de Jussieu. Ook werden er in 1718 planten vanuit Amsterdam verstuurd naar Suriname van waaruit ze in 1725 door de Fransen werden verspreid over Frans-Guyana.[3] Vanuit Frans-Guyana vond in 1727 verdere verspreiding plaats naar Brazilië. Nakomelingen van de Parijse plant kwamen rond 1720 in Martinique terecht en van daaruit in 1730 op Jamaica. Vanuit deze introducties is de soort verder verspreid naar het Caraïbische gebied, Centraal-Amerika en Zuid-Amerika. Aan het eind van de zeventiende eeuw werd de soort ook ingevoerd in India en Ceylon. In 1740 kwamen nakomelingen van de Amsterdamse plant op de Filipijnen en in 1825 op Hawaï terecht. De Fransen namen de plant mee naar hun Afrikaanse kolonies. Ook is via de Edinburgse Botanische Tuin in 1878 een nakomeling van de Amsterdamse plant in Nyasaland terechtgekomen, van waaruit hij omstreeks 1900 verder naar Oeganda werd verspreid.

Deze soort komt van oorsprong uit het middelgebergte van Afrika rondom de evenaar, tussen 10° Noorder- en Zuiderbreedte, van de Westkust tot Oeganda. Bij een natuurlijke groei vormt de plant een kleine boom. In 1900 stuurde Lucien Linden (1851-1940) vanuit Brussel 150 planten naar Java. De planten bleken daar zeer goed te groeien en resistent te zijn tegen koffieroest (Hemileia vastatrix) en al snel breidde deze koffieteelt zich op Java sterk uit. Sinds 1900 is de teelt van deze soort over de hele tropische wereld verspreid; belangrijke teeltgebieden liggen nu in tropisch Afrika, Azië en Zuid-Amerika.

Deze soort is afkomstig uit Liberia en Congo-Kinshasa en wordt vooral geteeld in Maleisië, West-Afrika en de Guyana’s. De plant vertoont een sterke groei en heeft grote leerachtige bladeren. De bladeren van de plant bevatten meer cafeïne dan de bonen. De boom kan 18 meter hoog worden. De grote bloemen zijn zelfsteriel en openen zich op onregelmatige momenten in plaats van in vlagen, zoals bij de andere twee geteelde koffiesoorten. Deze koffiesoort werd, door zijn resistentie tegen ziekten, aan het einde van de 19e eeuw in Indonesië aangeplant. De plant produceert bessen die twee keer zo groot zijn als die van de C. arabica.

Zie ookBewerken