Hoofdmenu openen

De Kabeljauwse verbondsakte is het eerste feitelijke schriftelijk bewijs dat getekend werd, aangaande de Hoekse en Kabeljauwse twisten.

OntstaanBewerken

De akte werd getekend op 23 mei 1350 waarschijnlijk in Delft, wat een Kabeljauws bolwerk was en uitgevaardigd in augustus dat jaar. De ondertekenaars waren onder meer Jan I van Egmont, Gerard van Heemskerk, Jan IV van Arkel en Gijsbrecht II van Nijenrode die de akte in beheer hield op kasteel Nijenrode. De kabeljauwse beweging bestond vooral uit edellieden, gesteund door burgers, vissers en boeren, die maar weinig vooruitgang zagen in de lage landen en het conservatisme zat waren.

Of deze verbondsakte echt de oorzaak was van een oorlog die meteen uitbarstte is niet geheel te bevestigen. Het is wel een feit dat met de moord op Kabeljauw Klaes van Zwieten op 23 augustus 1350 helemaal de ban gebroken was. De gewestelijke steden kozen nadien meestal een Kabeljauwse bewindvoerder in het bestuur van de stad. Het is bekend dat er in de periode 1350-51, 1391-94 en 1420-28 een verbondsakte werd getekend.[1] Jan van Arkel, Jan van Egmont en Gerard van Heemskerk waren de eersten die de akte ondertekenden met als reden dat ze allen financieel schade hadden geleden, door verlies van belangrijke functies en posten. In november sloot Gijsbrecht van Nijenrode zich bij dit verbond aan en later ook de heren van Raaphorst en Kralingen.

Als tegenhanger werd op 5 september 1350 een Hoekse verbondsakte getekend.