Hoofdmenu openen

Apocriefen van het Nieuwe Testament

Apocriefen van het Nieuwe Testament, ook wel christelijke apocriefen genoemd,[1] zijn teksten waarvan sommige kerken of individuele christenen wel en andere niet vinden dat deze deel uitmaken of zouden moeten maken van de canon van het Nieuwe Testament. Deze werken waren al in de oudheid bekend en worden vaak toegeschreven aan een apostel of andere eerste-eeuwse christen. Hun bestaan was altijd bekend (zoals de Brief van Barnabas), is bekend door tekstvondsten zoals die bij Nag Hammadigeschriften, of ze zijn gereconstrueerd uit verwijzingen die vroege kerkvaders geven. Apocriefen zijn tijdens de canonvorming van het Nieuwe Testament uiteindelijk uitgesloten van het selectieproces en worden daarom sindsdien doorgaans niet tot de heilige geschriften van het christendom gerekend.

Inhoud

OverzichtBewerken

DuidingBewerken

De term apocrief is afkomstig van het Griekse woord ἀπόκρυφος (apókruphos), dat "verborgen" of "geheim" betekent.[2][3] Met 'apocriefen van het Nieuwe Testament' worden doorgaans geschriften aangeduid die in de eerste eeuwen na Christus rondom de Bijbel zijn ontstaan, die vaak beweren in naam van Bijbelse personen te zijn geschreven (maar dat waarschijnlijk nooit daadwerkelijk waren) en soortgelijke religieuze onderwerpen behandelen, maar om verschillende redenen door de vroege Kerk zijn afgewezen voor opname in de canon van het Nieuwe Testament.[3] Volgens nieuwtestamenticus Bart D. Ehrman hanteerden de proto-orthodoxe christenen vier criteria om te bepalen welke boeken in de canon thuishoorden en welke niet.[4](26:13)

  • Een boek moest antiek zijn, dat wil zeggen, stammen uit de tijd kort na het leven van Jezus (ca. 30 tot 100 n.Chr., ook wel de 'apostolische periode' genoemd). Te recente geschriften zoals De herder van Hermas werden uitgesloten.
  • Een boek moest apostolisch zijn, dat wil zeggen, geschreven door een apostel (of een metgezel van een apostel) van Jezus. Er waren discussies over wie tot deze apostolische vaders dienden te worden gerekend.
  • Een boek moest orthodox zijn, dat wil zeggen, in lijn met de proto-orthodoxe theologie. Zo werd bijvoorbeeld de Openbaring van Petrus uitgesloten, omdat de christologie ervan docetisch was in plaats van hypostatisch. De Openbaring van Johannes werd bijna uitgesloten, omdat de proto-orthodoxen niet geloofden in de daarin verkondigde letterlijke duizendjarige heerschappij van Christus op aarde.
  • Een boek moest brede erkenning genieten in de Kerk, dat wil zeggen, de meeste vroegchristelijke gemeenten dienden het te aanvaarden en gebruiken.

Boeken die volgens proto-orthodoxe christelijke leiders niet voldeden aan deze criteria werden uitgesloten van de canon en 'apocrief' genoemd. Pas eind 4e eeuw werd er in de Kerk definitieve overeenstemming bereikt over welke 27 boeken canoniek waren en derhalve dat alle andere boeken apocrief waren.[4](6:00)

De termen 'apocrief' en 'pseudepigraaf' worden vaak als synoniem gezien, maar er zijn belangrijke verschillen. Terwijl een pseudepigraaf per definitie een vervalsing is (een document geschreven met de bedoeling om haar lezers aangaande haar ware oorsprong te misleiden, of in engere zin, geschreven door iemand anders dan die de tekst zelf aanwijst als de auteur), is een apocrief niet per se een vervalsing; de auteur kan anoniem zijn en geen misleiding beogen. Hoewel meestal alleen vroegchristelijke geschriften tot 'apocrief' worden bestempeld, is er geen vaststaande periodisering voor dergelijke geschriften en de afbakening ervan is onderwerp van discussie. Sommige geleerden menen dat middeleeuwse christelijke teksten met vergelijkbare elementen ook 'apocriefen' zouden kunnen of moeten worden genoemd, terwijl de gangbare term daarvoor nu nog 'hagiografie' of 'heiligenleven' is. Volgens een minderheid van geleerden, zoals Eric Vanden Eykel, kan men zelfs 21e-eeuwse christelijke teksten met vroegchristelijke figuren geschreven door auteurs die hun echte naam gebruiken en erkennen dat het fictie is, rekenen tot "moderne apocriefen".[5][6]

Tijdens de Canonvorming van het Nieuwe Testament kwam het tot een scheiding tussen canonieke en apocriefe boeken. Zo waren sommige apocriefen in gebruik bij en bewerkt door volgelingen van gnostische leraren, van andere apocriefen werd de authenticiteit betwist en van weer andere geschriften werd beweerd dat zij ketterijen bevatten. Een groot aantal christelijke en filosofische geschriften werd gevonden in 1945 bij Nag Hammadi, de zogenaamde Nag Hammadigeschriften, waaronder ook gnostiserende apocriefen.[7]

Boeken waarvan door sommige kerken wordt beweerd dat deze onderdeel uitmaken van het Nieuwe Testament, maar waarvan niet objectief kon worden vastgesteld dat ze in de oudheid bestaan hebben, worden niet tot de apocriefen gerekend.[bron?] Voorbeelden hiervan zijn het middeleeuwse Evangelie van Barnabas (hoewel de Brief van Barnabas soms zo werd genoemd) en recentere werken die zich beroepen op goddelijke inspiratie, zoals het Boek van Mormon en de boeken van Jakob Lorber.[bron?]

Vaak komen apocriefe werken, vooral die van latere datum, tot soms zeer recente toe, tegemoet aan de behoefte om meer te weten over dingen waarover het Nieuwe Testament zwijgt of weinig zegt: de kinderjaren van Jezus, het lot van de menselijke ziel na de dood, de avonturen van de apostelen in verre landen enzovoort. Meestal is het vertellende, legendarische en ook het fantastische element in deze apocriefen sterker dan in het NT zelf.[8]

GenresBewerken

De apocriefen zijn meestal geschreven volgens dezelfde vier genres die voorkomen in de zevenentwintig boeken van het Nieuwe Testament:[1]

  • evangeliën (biografieën van Jezus)
  • handelingen (daden van de vroege apostelen)
  • epistels (brieven van apostelen naar vroegchristelijke gemeenten of naar elkaar)
  • apocalyptiek (openbaringen; verhalen waarbij God een mens (een deel van) de waarheid onthult)

EvangeliënBewerken

  Zie Evangelie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het is niet bekend hoeveel evangeliën er onder de vroege christenen circuleerden. Er zijn uit de eerste christelijke eeuwen ongeveer 25 tot 30 bewaard gebleven, soms in hun geheel, soms enkele uiterst fragmentarisch.[9](3:55)[1] Meestal zijn de apocriefe evangeliën pas veel later geschreven dan de canonieke evangeliën, namelijk van de 2e tot en met de 8e eeuw. Een minderheid van geleerden is van mening dat het Evangelie van Thomas uit de eerste eeuw stamt en daarmee ongeveer even oud is als, of zelfs ouder zou kunnen zijn dan, de vier canonieke evangeliën.[10](1:40)

JeugdevangeliënBewerken

De canonieke evangelies van Matteüs, Markus, Lukas en Johannes vertellen weinig over de jeugd van Jezus. In deze lacune wordt voorzien door een aantal teksten die zich alleen met deze periode uit het leven van Jezus bezighouden:

Soms wordt ook het Arabische kindheidsevangelie[1] (of Syrische kindheidsevangelie) tot de apocriefen van het Nieuwe Testament gerekend, hoewel de ontstaansperiode (6e eeuw), daarvoor al te laat is.[bron?] Het Libellus de nativitate Sanctae Mariae en het Latijnse Kindheidsevangelie zijn zeer laat ontstaan, zodat deze zonder twijfel niet meer tot de apocriefen kunnen worden gerekend.[bron?]

Veel van de kindheidsevangelies blijken te zijn gebaseerd op een combinatie van het Kindheidsevangelie van Thomas en het Proto-evangelie van Jacobus.

Joods-christelijke evangeliënBewerken

  Zie Joods-christelijke evangeliën voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Auteurs binnen groeperingen van het vroegchristelijk jodendom schreven in de tweede eeuw hun eigen evangeliën.

Fragmenten daarvan zijn bewaard gebleven binnen de kritische commentaren van de groepen die hen destijds bestreden. Over het onafhankelijk karakter van het evangelie van de Ebionieten bestaat op het vakgebied consensus. Er zijn op dat gebied meerdere opvattingen of de overige twee teksten wel of niet gedeeltelijk feitelijk tot een zelfde evangelie behoord hebben.

GezegdenevangeliënBewerken

Twee teksten hebben de vorm van een korte verzameling logia—gezegdes en korte gelijkenissen, zonder verhaalstructuur:

MoraalevangeliënBewerken

Enkele teksten nemen de vorm aan van discussies over moraliteit, in het bijzonder over seksuele onthouding, meestal in de vorm van een discussie tussen Jezus en een of meerdere discipelen.

Passie-evangeliënBewerken

Een aantal evangelies houdt zich speciaal bezig met de Passie (dat wil zeggen de dood van Jezus en zijn Opstanding):

Hoewel er drie teksten zijn die de naam Bartholomeüs dragen, is het mogelijk dat een van de twee teksten Vragen van Bartholomeüs en Wederopstanding van Jezus Christus in feite het onbekende Evangelie van Bartholomeüs is.[bron?]

Handelingen van de apostelenBewerken

  Zie Handelingen (genre) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Diverse teksten houden zich bezig met de levens en daden van de apostelen:

Epistels (brieven)Bewerken

  Zie Epistel voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Apocriefe epistels zijn geschriften die zichzelf presenteren als brieven tussen apostelen en vroegchristelijke gemeenten of tussen apostelen en andere individuen (zoals andere apostelen), maar uiteindelijk niet in het Nieuwe Testament zijn opgenomen. Sommige van deze niet-canonieke brieven werden in de vroege kerk zeer hoog gewaardeerd. In sommige vroege canons werden sommige van deze epistels daarom nog wel opgenomen, zoals de brief van Barnabas, die was opgenomen in de Codex Sinaiticus.[4](5:16)

Brieven toegeschreven aan ClemensBewerken

De Codex Alexandrinus (ca. 400–440) beschouwde twee brieven toeschreven aan bisschop Clemens van Rome als canoniek,[11] maar andere vroege canons niet. Moderne geleerden zijn het erover eens dat de brieven niet door dezelfde persoon geschreven kunnen zijn, de tweede brief zeer waarschijnlijk niet door Clemens is geschreven en de eerste brief misschien ook niet.

Brieven van IgnatiusBewerken

Ignatius van Antiochië (ca. 30 – ca. 107) was bisschop van Antiochië in Syrië vanaf 69 of 70. Hij schreef een aantal brieven:[bron?]

  • De brief van Ignatius aan de Efeziërs
  • De brief van Ignatius aan de christenen van Magnesia
  • De brief van Ignatius aan de christenen van Thrallus
  • De brief van Ignatius aan de Romeinen
  • De brief van Ignatius aan de christenen van Philadelphia
  • De brief van Ignatius aan de christenen van Smyrna
  • De brief van Ignatius aan Polycarpus

Brieven toegeschreven aan PaulusBewerken

Overige brievenBewerken

Apocalyptiek (openbaringen)Bewerken

  Zie Apocalyptiek voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Een openbaring (Grieks: apocalypsis, vanwaar "apocalyptiek") is een werk dat wordt omkleed als een onthulling van de waarheid, een visioen, vaak handelend over de toekomst, het leven na de dood of beiden.

Gnostische tekstenBewerken

Sommige teksten hebben de vorm van een uiteenzetting van de dualistische cosmologie en gnostische ethiek. Dit neemt vaak de vorm aan van een dialoog waarin Jezus esoterische kennis uiteenzet, terwijl zijn discipelen daar vragen over stellen. Er is ook een tekst, bekend als de Epistula Apostolorum ("Brief van de Apostelen")[1], die uit polemiek bestaat tegen de gnostische esoterica, maar die wel in een soortgelijke stijl geschreven is als de gnostische teksten.

Algemeen gnostische tekstenBewerken

(ook wel Evangelie van Maria)

Sethiaanse gnostische tekstenBewerken

De Sethianen waren een gnostische groep die aanvankelijk de Bijbelse Seth vereerden als messiaanse figuur, maar later Jezus als een reïncarnatie van Seth gingen beschouwen. Ze produceerden een groot aantal teksten waarin hun esoterische kosmologie wordt uiteengezet, meestal in de vorm van visioenen:

RitualiaBewerken

AllerleiBewerken

Er zijn nog teksten die zich met meer uiteenlopende zaken bezighouden:

MariaBewerken

Verscheidene teksten (meer dan 50) bestaan uit beschrijvingen van de gebeurtenissen rond het lot van Maria (de moeder van Jezus).

FragmentenBewerken

Er zijn ook nog kleine fragmenten van soms onbekende of onzekere teksten.

Enkele van de belangrijkste fragmenten zijn:

Verdwenen werkenBewerken

Er zijn ook diverse teksten die tot de apocriefen gerekend zouden worden en in vele antieke bronnen worden genoemd, maar waar geen tekst meer van bewaard is gebleven:

Rol van apocriefen van het Nieuwe Testament binnen de islamBewerken

De Koran bevat verscheidene passages die overeenkomsten vertonen met apocriefe geschriften, zoals het Proto-evangelie van Jakobus in Soera 3:37,44 en het Kindheidsevangelie van Thomas in Soera 3:49. Moslims aanvaarden de canonieke geschriften van de Bijbel niet zonder meer, vanwege de vele conflicten met de Koran; men hecht meer waarde aan apocriefen zoals het laat-middeleeuwse Evangelie van Barnabas, waarvan een Spaanse en een Italiaanse tekst bekend zijn, waarin in hoofdstuk 44 Mohammed als profeet wordt aangekondigd.[13] Dit boek wordt vanwege zijn late ontstaan meestal niet meer bij de apocriefen gerekend.

Zie ookBewerken

Externe linkBewerken