Hoofdmenu openen

Johan I van Nassau-Dillenburg

Graaf van Nassau-Siegen (1350/51-1416)
(Doorverwezen vanaf Johan I van Nassau-Siegen)

Johan I van Nassau-Siegen (ca. 1339[1] - Herborn, 4 september 1416),[1][2][3] ook bekend als Johan I van Nassau-Dillenburg, was graaf van Nassau-Siegen, een deel van het graafschap Nassau. Hij stamt uit de Ottoonse Linie van het huis Nassau.

Johan I
Nassau wapen.svg Graaf van Nassau-Siegen
Regeerperiode 1350/51-1416
Voorganger Otto II
Opvolger Adolf I
Johan II “met de Helm”
Engelbrecht I
Johan III “de Jongere”
Huis Nassau-Siegen
Vader Otto II van Nassau-Siegen
Moeder Adelheid van Vianden
Geboren ca. 1339
Gestorven 4 september 1416
Herborn
Begraven Klooster Keppel
Partner Margaretha van de Mark
Religie Rooms-katholiek
Wapenschild
Wapen van de Ottoonse Linie

BiografieBewerken

Johan was de oudste zoon van graaf Otto II van Nassau-Siegen en Adelheid van Vianden,[1][2][3][4] dochter van graaf Filips II van Vianden en Adelheid van Arnsberg.[2]

Toen zijn vader in december 1350 of januari 1351 sneuvelde, volgde Johan hem op. Omdat hij nog minderjarig was, nam zijn moeder het regentschap voor hem waar. Ze slaagde erin om in 1352 de voormalige Nassause helft van Siegen terug te kopen van Keulen. En in 1357 kon ze de verpanding van het kerspel Haiger en de helft van de burcht Ginsburg weer ongedaan maken.[5] In 1362 droeg ze het bewind over aan Johan.[3]

Johan werd in 1369 en 1379 door keizer Karel IV beleend met het graafschap Arnstein, dat hij in 1381 met Keulen ruilde voor het alleenbezit van de stad Siegen.[6] Hij werd in 1370 in een gevecht tegen Johan van Westerburg bij Obertiefenbach met 44 ruiters gevangen genomen en pas vrijgelaten na het betalen van een losgeld van 10.000 gulden.[7]

Johan verbond door het huwelijk (in 1388) van zijn zoon Adolf met de erfgename van de graven van Diez, het graafschap Diez aan zijn bezittingen.[8] Hij bouwde vóór 1389 de burcht Freudenberg.[5] Hij kon in 1392 na een geslaagde veldtocht tegen graaf Johan van Sayn-Wittgenstein het graafschap Wittgenstein tot leen van Nassau maken.[5]

Strijd om Nassau-HadamarBewerken

Na het overlijden van graaf Hendrik van Nassau-Hadamar was zijn broer Emico III de wettige opvolger. Emico was echter zwakzinnig en werd daarom als ongeschikt voor de regering beschouwd. Zijn verwanten brachten Emico onder in de Abdij van Arnstein, terwijl zij met landgraaf Hendrik II van Hessen om zijn erfenis streden. Emico's zwager, Rupert van Nassau-Sonnenberg, werd zijn voogd en nam de regering in Nassau-Hadamar over. Tegelijkertijd maakte ook Johan, als senior van de Ottoonse Linie, erfaanspraken op het Nassau-Hadamarse bezit. Uiterlijk in 1371 kwam het tot een openlijke breuk tussen Rupert en Johan. Tijdens de daaropvolgende veertien jaar bestreden beiden elkaar in jarenlange vetes, die slechts tweemaal (in 1374 en 1382) na door derden bemiddelde kortdurende overeenkomsten onderbroken werden. Tussen 1372 en 1374 werd de stad Nassau zo zwaar verwoest dat die voor enige tijd opgegeven werd. Een op 22 juni 1385 door bemiddeling van de Rijnlandse stedenbond tot stand gekomen overeenkomst, die de overeenkomsten van 1374 en 1382 in alle wezenlijke zaken bekrachtigde, hield een tijdlang stand.

Na het overlijden van Rupert op 4 september 1390 begon de strijd opnieuw. Ruperts weduwe Anna hertrouwde vóór 11 januari 1391 met graaf Diederik VIII van Katzenelnbogen, en deze maakte direct aanspraak op Nassau-Hadamar. In de op 21 juni 1394 tussen Johan en Diederik gesloten overeenkomst verplichtte Johan zich voor Emico's onderhoud te zorgen zolang deze in Nassau was. Johan legde bij deze gelegenheid in een oorkonde ook vast dat hij het Hadamarse deel van Nassau, met alle toebehoren, in naam van Emico bezat, dat hij Emico als graaf van Nassau erkende en hem in het Hadamarse deel van Nassau zou laten huldigen. Wanneer Emico overleed, is niet bekend. Hij wordt voor de laatste maal in de bovengenoemde overeenkomst van 21 juni 1394 in een oorkonde vermeld. Met Emico stierf het huis Nassau-Hadamar in mannelijke lijn uit. De strijd tussen Johan en Diederik sleepte zich nog tot 1408 voort.

Uiteindelijk erfde Johan ⅓ van Hadamar en Ellar, ⅔ van (Bad) Ems,[9] de Esterau en Dietkirchen.[10]

Overlijden, begrafenis en opvolgingBewerken

Johan overleed in Herborn op 4 september 1416, vermoedelijk 77 jaar oud. Met een regeerperiode van 65 jaar was hij een van de langst regerende vorsten uit de middeleeuwen. Hij werd begraven in klooster Keppel.[1][2][5][7]

Huwelijk en kinderenBewerken

Op 14 augustus 1343 kwamen “Alf graue van der Mark unde Margret sin … husfrouwe” met “Otten grauen van Nassauwe und frouwen Aleyde” in een oorkonde overeen dat “eine dochter van unseren dochteren” zou huwen met “einem sone van soenen … Otten grauen van Nassauwe und frouwen Alheyd vorgenant”.[2]
Johan huwde op 20 of 30 november 1357[11] met Margaretha van de Mark († 29 september 1409),[1] dochter van graaf Adolf II van de Mark en Margaretha van Kleef.[1][2] Ze werd begraven in klooster Keppel.[5][7]
Uit dit huwelijk werden geboren:[1][2][3][4][12]

  1. Adolf I (1362 - 12 juni 1420), volgde zijn vader op.
  2. Johan II “met de Helm” († Dillenburg, begin mei 1443), volgde zijn vader op.
  3. Engelbrecht I (Dillenburg, ca. 1370 - Breda, 3 mei 1442), volgde zijn vader op.
  4. Hendrik (laatst vermeld 1401).
  5. Johan III “de Jongere” († 18 april 1430), volgde zijn vader op.